Ryszard Kapuściński
De fedayins
Kort na de Jom Kipoer-oorlog (oktober
1973) reisde Kapuśćiński in 1974
naar het Midden-Oosten af. Hij bezocht
onder meer een vluchtelingenkamp in
Libanon en de fedayins eenheden die op
de Hoogten van Golan hadden gevochten.
Zijn reis resulteerde in een viertal reportages
die in het toonaangevende weekblad
Kultura werden gepubliceerd. De fedayins
verscheen als eerste van deze reeks
(Kultura nr 32, 1974).
De vier verhalen over het Midden-
Oosten werden opgenomen in de bundel
Chrystus z karabinem na ramieniu
(Czytelnik, 1975), met daarin ook reportages
over de Afrikaanse en Zuid-Amerikaanse
guerrillabewegingen die de auteur
vanaf jaren zestig van dichtbij heeft gevolgd.
Het uit deze bundel afkomstige verhaal
getiteld ‘De dood van de ambassadeur’
verscheen in een vertaling van Ewa
van den Bergen-Makala als een aparte publicatie
bij Querido Fosfor (2017).
Die drie met de machinepistolen, in groene pakken van keperkatoen,
dat zijn de fedayins. Ze staan geposteerd op de weg van
Beiroet naar de grens met Israël en houden de auto’s aan. Wie een
duidelijke reden heeft mag verder rijden, wie er zo maar wat aan
het rijden is of er verdacht uitziet, wordt teruggestuurd. Dit is geen
plek voor toeristen, hier is een oorlog gaande. Tien kilometer verderop
begint Israël.
Ik kijk om me heen, het lijkt wel een paradijs. Aan beide kanten
van de weg citroen-, olijf- en perzikboomgaarden. Verderop
rechts ligt de zee, links rijzen de bergen op. Overal veel groen, veel
bloemen. En alles, tot aan de horizon, badend in de zon.
Die drie fedayins zijn erg jong. De jongste is vijftien jaar. Hij
oogt serieus en opgewonden omdat hij op de wachtpost staat. Met
een helm op, een automatisch geweer en zijn iets te groot pak lijkt
hij op een koerier uit de Warschause Opstand. Hij wil weten waar
we naartoe gaan. We rijden naar Rashidyia, maar weten niet waar
we moeten afslaan. En waar komen jullie vandaan? Uit Polen. Hij
denkt even na en zegt: aha, uit Polen, dan is het in orde. Een momentje.
Hij roept een andere fedayin erbij die daar in zijn eentje
langs de weg loopt. Ze spreken af, dat die nieuwe fedayin met ons
meerijdt. We slaan af in de richting van de zee, daarna rijden we
langs nog een wachtpost (er neemt nog een fedayin plaats in onze
auto) en met deze assistentie rijden we Rashidyia binnen.
Rashidyia ruikt naar sinaasappels en bloed.
Een projectiel heeft een vrachtwagen met sinaasappels uit
elkaar gereten en de goudkleurige, bedwelmende sapstroompjes
vloeien over de hoofdstraat. Op de drempel van een nabij gelegen
lemen huis zit als versteend een oude Arabier, zwijgend. Van wat
gisteren nog zijn huis was, resteert alleen een vloer en een stuk
muur. Van zijn gezin bleef niemand over. Kijk, hier zie je bloed,
zegt de fedayin en wijst op de donkere vlekken op de kleivloer.
Verderop staan rijen lemen huizen. Hier en daar is het interieur
zichtbaar als gevolg van de granaatinslagen. Uit elkaar gevallen
kasten, bebloede lompen, een weggeblazen theepot midden op
straat. Aan een muur hangt het portret van Nasser, doorboord door
een scherf. Hier is het wit door rondgestrooid meel, daar is een
winkel getroffen door een granaat die er hoog langs scheerde. Zijn
spullen zijn hier niet door vernietigd en een Arabier zit alweer achter
de balie; welkom, kom maar binnen en doe je inkopen.
Er is alleen niemand die dat kan doen. In de nederzetting is
slechts een wachtpost van de fedayins overgebleven en een paar
oude Arabieren. De inwoners werden geëvacueerd vanwege een
mogelijke nieuwe aanval. Opnieuw geëvacueerd, opnieuw onderweg
naar het onbekende. In alle haast nam iedereen mee wat binnen
handbereik was, een pan of een deken en de rest liet men achter.
Die rest, wat een armoe! Die rest stelt niets voor, wat vergane
rommel, zoals een oude kast, versteld beddengoed, een lappenpop
met één been.
Rashidyia is een Palestijns kamp in Libanon en de Palestijnse
kampen zijn het meest trieste wat je in het Midden Oosten kunt
aanschouwen. Wanneer je door Syrië, Jordanië of Libanon reist
en het ziet er prachtig uit, alles prima in orde, en je ziet dan opeens
iets schokkends, iets dat eruit ziet als een grote, armoedige
honingraat van aan elkaar geplakte klei, verroeste metalen platen,
oude vodden en gebroken houten palen, als bij elk zuchtje wind
hete stofwolken boven die honingraat opstijgen, als binnen die honingraat
een menigte halfnaakte kinderen en vermagerde honden
rond krioelen en het er wemelt van vliegen, als je mannen ziet die
tegen de muren van huizen zitten te leunen in afwachting van het
onbekende, in afwachting van wat dan ook, dan is dat een Palestijns
kamp.
De smalle straatjes van Rashidyia hellen flauw af naar de zee.
In de namiddag verschenen vier Israëlische kanonneerboten en
beschoten Rashidyia een uur lang. Libanon beschikt niet over marine
en dus konden de kanonneerboten straffeloos doorgaan met
hun beschietingen. Ze zouden de hele dag kunnen doorgaan met
schieten, maar de schaal van zo’n aanval wordt begrensd door de
politiek: zoveel mensen doden dat het in het geheugen een spoor
achterlaat, maar ook weer niet te veel, want dan ontstaat er commotie
in de wereld.
Waar de grens van het aantal slachtoffers ligt die voor de wereld
nog verteerbaar zou zijn blijft onduidelijk. In Rashidyia zijn
twaalf mensen omgekomen. Dat is okay. En als het er tweehonderd
waren? Dat zou misschien te veel zijn. Zo’n commandant van
de kanonneerboot is aan het gokken, hij ziet immers niet hoeveel
mensen hij doodt. Doodt hij zo’n aantal dat het okay is of doodt hij
er zo veel dat het tot commotie gaat leiden.
Maar dergelijke details verneemt hij later uit de krant.
Alles is vanaf het begin tot het eind bekend. Over enkele dagen
zullen de kranten over een nieuwe actie van de fedayins berichten.
Drie fedayins zullen bij zonsopgang een Israëlische dorp binnentrekken,
ze zullen, zeg maar, tien gijzelaars meenemen en ze in
een of ander gebouw opsluiten. Vanaf nu kunnen we die fedayins
en die gijzelaars beschouwen alsof zij al voor het Laatste Oordeel
staan.
Maar deze ochtend zijn ze er nog, ze leven nog.
Vooralsnog kondigen de fedayins aan dat ze de gijzelaars zullen
vrijlaten als de Israëlische regering ook honderd gevangengenomen
Palestijnen zal vrijlaten. Anders zullen ze worden gedood. Het ultimatum
verstrijkt om acht uur ’s avonds. Op dat moment ligt het lot
van de tien Israëli’s in handen van de Israëlische regering. Wanneer
ze voor de keus staan tussen het principe van de onverzettelijkheid
of voor het menselijk leven dan kiest de regering altijd voor het
principe. De regering stuurt vervolgens het leger om het gebouw
te veroveren. De schietpartij vangt aan. Het duurt niet al te lang:
de omsingelde fedayins doden de gijzelaars en blazen zichzelf op.
Later leest men in een Parijse metro, in een Londense bus of
in een Weens café, dat in...(hier een moeilijke, buitenlandse naam)
onbekende fedayins doodden... (hier een aantal doden, soms hun
namen) en ze zich kort erna opbliezen. De volgende dag leest men
dat de Israëlische luchtmacht (artillerie, kanonneerboten) heeft
... (hier een moeilijke, buitenlandse naam) gebombardeerd,
waarbij (hier een aantal doden, soms ook gewonden) werden gedood.
Maar omdat het zich allemaal zo ver afspeelt en die namen
zo moeilijk te onthouden zijn, vergeet men alles, te meer omdat
wanneer men straks buiten loopt en naar de etalages kijkt, men aan
iets totaal anders moet denken en zelfs hardop moet constateren:
‘Weer is alles duurder geworden’.
Maar de mensen uit Rashidyia en Rahwa, uit Qiryat Shemona
en Taiba, zij onthouden het wel. Dit is hun oorlog die al jaren duurt
en waarvan het einde nog niet in zicht is. Morgen zal er weer
een nieuw bericht verschijnen:
‘Israëlische luchtmacht heeft ... gebombardeerd...’ of ‘Drie fedayins
trokken bij zonsopgang het dorp binnen...’.
De fedayins willen alles aan ons laten zien: de vernielingen, een
verlaten vismarkt en de enige waterput in het kamp. Ze betreuren
dat we geen fotocamera’s bij ons hebben. Ze hadden graag gewild
dat Rashidyia aan de wereld getoond zou worden. Zij geloven nog
steeds dat de wereld naar hen zou luisteren en hen zou begrijpen,
dat ze niet alleen zouden zijn. Het gaat er slechts om dat hun zaak
aandacht en bekendheid krijgt, dat iedereen weet dat er zoiets als
een Palestijnse zaak bestaat en dat in de wereld de vraag zou worden
gesteld: waar vechten die Palestijnen voor?
Vooralsnog zijn er allerlei krachten bezig om een dergelijke
vraag tegen te houden. Want als die zou worden gesteld, dan zou
men naar een antwoord gaan zoeken. Dan zou men de feiten aangrijpen.
Men zou vooral ook op de kaart gaan kijken. En degene
die een blik zou werpen op de eerste de beste wereldkaart, zou
verbaasd vaststellen dat hij Palestina er niet op kan vinden.
En dat is juist het probleem.
Het probleem is dat Palestina zo klein is.
Werp je een steen vanaf de grens aan de ene kant, dan bereikt
de grens aan de andere kant. Dat is heel Palestina. Met de auto
doe je een rondje Palestina in een dag. Van Haifa naar Tyberiade
is zestig kilometer, van Tel Aviv naar Jeruzalem negentig kilometer.
Een autoritje langs de hele kust duurt anderhalf uur. Waarom
werden er bloedige gevechten gevoerd om de berg Hermon, om
elke steen op die berg? Omdat degene die op de top van Hermon
staat de helft van Israël en de helft van Syrië, de helft van
Libanon en nog een stuk Jordanië kan zien. Het Midden-Oosten
omvat een groot gebied. In het Midden-Oosten strekken zich
honderden kilometers lang de verlaten, woestijnachtige terreinen
uit. Maar de plek waar het drama van het Midden-Oosten zich
voltrekt, de meest gevoelige en hoogst ontvlambare plek, lijkt
op een overvol podium. Het is hier zo druk als in een stampvolle
bus tijdens de spits. Het is bovendien heet, mensen zijn bezweet
en woedend. Het is er krap en benauwd. Een of twee haltes kun
je ongestoord doorrijden. Maar als er iemand op iemands anders
tenen gaat staan, dan hoor je onmiddellijk een hoop geschreeuw.
Het is onmogelijk om een zaak rustig te bediscussiëren. Iedereen
zit vol verblindende haat en ziet in een ander de vijand. Draag
je hem op om een bom te gooien, dan doet hij dat, draag je hem
op om te schieten, dan gaat hij schieten. Zo ziet vandaag de dag
Palestina eruit, waarvan Israël zich de helft heeft toegeëigend en
de andere helft door Israël wordt bezet. In het hedendaagse Israël
zijn Arabieren en Joden tot elkaar veroordeeld, veroordeeld tot
een overvolle bus waar ze dagelijks elkaars ellebogen aanraken,
veroordeeld tot elkaars zweet en haat.
Al in 1930 constateerde de Britse regering dat het druk was
in Palestina, dat Palestina geen Joden meer kon opnemen wegens
gebrek aan land. Destijds echter waren er slechts tweehonderdduizend
Joden en vandaag zijn er bijna drie miljoen. Daarnaast nog
een half miljoen Arabieren die in Israël wonen, alsook een miljoen
Arabieren die wonen in de door Israël bezette gebieden. Het
vruchtbare Palestina bestaat uit twee oasen: Galilea en Samaria,
en dan nog een smalle strook landbouwgrond langs de zeekust. De
bevolkingsdichtheid bedraagt er meer dan vijfhonderd personen
per vierkante kilometer! Als je de steden buiten beschouwing laat,
dan komt dat vrijwel nergens meer in de wereld voor. Maar de
Israëlische regering vraagt om nieuwe immigranten. Laat ze maar
komen, we zullen ze op de een of andere manier wel bij elkaar
proppen, beetje indikken! Ten eerste, hoe groter de mensenmassa,
des te krachtiger het internationale argument. We hebben geen
plaats om ons in terug te trekken! De zee in? Moeten we op elkaars hoofden gaan staan? Ten tweede, Israël is een klein land met de
ambitie van een groot imperium. Het land heeft een groot ambtelijk
apparaat nodig, een groot leger, een grote geheime dienst, er
zijn overal volop vacatures.
De toestroom naar Palestina kon alleen maar ten koste gaan
van Palestijnen, zeggen de fedayins. Sterker nog, ook ten koste
van de Palestijnse Joden, beweren de fedayins. Ze dragen voorbeelden
aan van zionistische knokploegen die de Palestijnse Joden
vermoordden, omdat zij tegen de immigratie uit Europa protesteerden.
De Europese immigranten verdreven hen immers naar de
mindere politieke en economische posities. De lokale Joden konden
zich nog herinneren dat Palestina ooit een land was van melk
en honing. Arabieren, christenen en Joden leefden in vrede met
elkaar, niemand dacht eraan om de buurman in de rug te schieten.
Elke gemeenschap zorgde voor eigen kerken, er was genoeg plaats
voor welke God dan ook.
De fedayins zeggen, dat als ze een actie ondernemen deze
nooit gericht is tegen de oude dorpen van de Palestijnse Joden.
De acties worden gehouden in die dorpen, waaruit de Palestijnen
werden verdreven opdat Israëli’s zich zouden kunnen vestigen en
het Arabische land zouden kunnen bewerken.
Een miljoen Palestijnen moest hun vaderland verlaten. Een
miljoen mensen zwerft al meer dan vijfentwintig jaar lang. Al jaren
verhuizen ze van plek naar plek. Bij Amman ligt een kamp
waar vijftigduizend Palestijnen wonen.
In 1947 werden ze uit Samaria naar Gaza verbannen.
In 1956 uit Gaza naar de Westelijke Jordaanoever.
In 1967 uit de Westelijke Jordaanoever naar de Oostelijke Jordaanoever.
In 1969 begonnen de Israëli’s de kampen aan te vallen die in de
Jordaanvallei lagen en moesten de vluchtelingen zich naar Amman
verplaatsen.
De fedayins herinneren zich, dat na elke oorlog een grote Palestijnse
emigratiegolf op gang kwam. Mensen vluchtten voor het
Israëlische leger zoals ze erbij stonden, en in het lokale klimaat
betekende het met een shirt en een broek. Soms ook schoenen.
Sinds vijfentwintig jaar leven de mensen van wat De Verenigde
Naties hen schenkt – tweemaal een handvol rijst, een handvol meel
en een lepel zout per dag. Sommigen hebben werk, maar de landen
waar de Palestijnse kampen zich bevinden zijn arm, er heerst hoge
werkeloosheid. Het is moeilijk om werk te vinden. Bovendien zijn
de verdrevenen uit Palestina overwegend boeren. Het enige wat ze
kunnen is het land bewerken, maar er is nergens een stukje land
voor hen.
Een fedayin zegt dat voor hen, de Palestijnen, de grond betekent
alles. Zij denken anders dan hun broeders de bedoeïenen die
door de woestijnen zwerven, anders dan hun broeders in de stad
die aan hun winkeltjes gebonden zijn en anders dan de fellahins
in de oasen die het land van hun heren bewerken. Elke Palestijn
had een eigen stuk land, zijn eigen huis en zijn eigen tuin. Daar
was hij geboren, daar werkte en leefde hij. Elke Palestijn was een vrije boer, zijn eigen baas. Maar vandaag de dag hebben we niets.
Het is hebben en tegelijk niet hebben, immers dat huis, die akker
en die tuin bestaan nog wel en we moeten ernaartoe terug keren.
Mijn vader zegt: Ahmed, het is tijd om tarwe te zaaien. Vandaag
is een mooie dag om tarwe het zaaien. En de hele dag zit hij voor
zijn lemen huis in het kamp, want er is tarwe noch akker, de akker
ligt in het buitenland.
De fedayin schikte het pistool dat op zijn knieën rustte. We
zaten aan zee op het hete zand. Andere fedayins zaten op een omgekeerde
vissersboot. Op dat uur, midden op de dag, is de hele
zee bedekt met zilver. Bij volle maan ’s nachts is de zee groen, bij
bewolkte nacht helemaal zwart. ’s Nachts zijn de lichten van Haifa
vanaf deze plek te zien.
De fedayin die met ons op het zand zit stelt zich als volgt voor:
‘Ahmed Shoury uit Bet Shemesh, vijfentwintig kilometer van Jeruzalem
vandaan’.
Ahmed is negentien jaar oud, is geboren in een kamp in Libanon
en is nooit in Bet Shemesh geweest. Maar Ahmed stelt zich zo
voor omdat zijn vader hem dat geleerd heeft. Op deze wijze stellen
alle Palestijnen zich voor. Op deze wijze stellen de in kampen geboren
kinderen zich voor. Ik ben Miriam Huseini uit Kafr Kanna
bij Nazareth. Ik ben acht jaar oud. Voor ons huis groeit een hoge
cipres. We hebben veel olijfbomen, meer dan veertig. Die cipres
en die olijfbomen groeien niet in het kamp, maar in hun dorp Kafr
Kanna in Israël dat de kleine kent uit de verhalen van haar moeder.
Over Bet Shemesh weet Ahmed alles. Hun huis is van steen
en staat op een heuvel. Hun akker strekt zich ver uit, bijna door
de hele vallei tot aan de grote steen, een fragment van een oude
Romeinse zuil.
Het patriottisme van een Palestijn uit zich in concrete zaken,
zoals huis, akker, boomgaard, dorp. Het is het gedecideerd en
standvastig patriottisme van een boer. Voor hem bezit de grond
een bovenmateriële waarde, maakt deel uit van zijn persoonlijkheid
en vormt de bron van zijn leven. Een Palestijn die uit zijn
dorp verdreven is voelt zich van alles beroofd, naakt, vernederd,
de zin van het bestaan is hem ontnomen. Na een gewelddadige
verdrijving houdt hij daarom krampachtig vast aan al was het
maar de naam van zijn dorp. Vandaar die Ahmed Shoury uit Bet
Shemesh vijfentwintig kilometer van Jeruzalem vandaan, want
slechts de verbinding tussen iemands naam en de naam van zijn
grond betekent een volledige en eervolle presentatie. Ahmed wil
benadrukken, dat de situatie van een vluchteling en zwerver waarin
hij verkeert slechts tijdelijk is, dat hij een definitieve plek op
aarde heeft en dat hij na het terugwinnen ervan ook zijn hele persoonlijkheid
terugwint.
In de kampen behoudt men de traditionele gemeenschapsbanden.
Elk dorp heeft zijn eigen straat. Aan de Bet Shemeshstraat
wonen mensen uit Bet Shemesh, aan de Kafr Kannastraat de
mensen uit Kafr Kanna. Soms wonen in de naburige straten mensen
uit de buurtdorpen. Nog steeds, al jarenlang, maken ze ruzie
over de grenzen van hun akkers al bestaan die grenzen niet meer,
want die dorpen werden tot een kibboets omgevormd en er is daar
maar één akker zover je kunt kijken. Ieder kamp vormt een miniatuur
van Palestina, hier bijvoorbeeld wonen mensen uit Galilea
en naast hen de mensen uit de Jordaanvallei, precies zoals in het
echte Palestina.
Volgens de fedayins zal geen enkele resolutie het Palestijnse
probleem oplossen. De resoluties bevatten veel abstracte woorden,
terwijl zij een concreet doel nastreven, zij willen allemaal terug
naar huis. Iedereen naar zijn eigen huis. Iedereen weet waar zijn
huis staat. Het huis van Ahmed staat in Bet Shemesh, het huis van
Miriam staat in Kafr Kanna. Zij zullen niet opgeven totdat ze naar
hun huis teruggekeerd zijn, totdat ze terug zijn op hun akker. Als
Joden in Palestina willen leven, dan kunnen ze dat doen, zij hebben
er niets op tegen. Zij willen alleen dat de Israëli’s hun huizen
en akkers, hun schapen en sinaasappelbomen teruggeven. Dat is
alles. Zij weten dat Palestina gedoemd is uit twee naties te bestaan.
Maar de ene natie kan niet ten koste van een andere natie leven,
een natie kan zich niet vestigen ten koste van een andere natie die
daarmee tot een zwerversbestaan is gedoemd. Momenteel zijn de
Palestijnen de enige natie in de wereld zonder vaderland, de enige
natie die aan het ronddwalen is, zonder een dak boven het hoofd.
‘Zijn er veel fedayins?, vraag ik.
Ze zeggen dat elke jonge Palestijn een fedayin wil worden,
maar er worden hoge eisen aan hen gesteld. Een fedayin moet
zijn leven aan de zaak opofferen, hij moet op alles voorbereid
zijn, op martelingen en de dood. Een fedayin die voor een actie is
aangewezen moet er rekening mee houden dat hij niet levend terugkomt.
Als hij wordt omsingeld, moet hij zichzelf van het leven
beroven zodat hij niet in handen van de vijand valt. De meeste fedayins
zijn in de kampen geboren. Om het kamp te verlaten en een
normaal leven te beginnen is moeilijk, want het is lastig om werk
te vinden. Zij hebben geen enkel beroep, ze hebben geen toekomst.
Ze hebben geen vaderland, zelfs geen staatsburgerschap
en geen documenten. Je zou kunnen zeggen dat Israël door de
Palestijnen uit Palestina te verdrijven de fedayins heeft gecreëerd.
Fedayin betekent strijder. Nee, geen partizaan, hier zijn geen geschikte
condities voor een guerrillabeweging. Het gebied is klein,
er zijn geen bergen of bossen, het hele terrein is open en overal
zijn er veel mensen. In Israël is elke Jood een soldaat, in de Joodse
dorpen zijn wapens, het hele land is een groot wapenarsenaal. De
strijd is erg moeilijk te voeren. We kunnen ons niet gelijk stellen
met hun leger want zij hebben vliegtuigen, tanks en artillerie. Hun
verdediging is potdicht zodat elke actie zelfmoord betekent. Je
kunt doden ten koste van je eigen leven. Systematische acties zijn
voor ons onmogelijk. Wij kunnen toeslaan zo nu en dan, als de
kans zich voordoet. De regering is bang voor onze acties, omdat
die tot paniek leiden. Veel Joden verlaten Israël. Steeds minder
Joden vestigen zich in Israël. Het door de regering opgestelde immigratieplan
(honderdduizend per jaar) wordt al jaren maar voor
twintig à dertig procent uitgevoerd. Sinds de oktoberoorlog zijn er
al duizenden vertrokken.
Ik vraag aan de fedayins waarom ze acties ondernemen, waarbij
door hun toedoen vrouwen en kinderen omkomen. In Qiryat
Shemona en in Maalot kwamen namelijk vrouwen en kinderen
om.
Het antwoord luidt: ‘We zijn er niet voor verantwoordelijk.
Een situatie waarbij een fedayin op straat loopt en zo maar op
iemand schiet is simpelweg onmogelijk. Elke actie heeft een duidelijk
doel. We willen onze broeders bevrijden die in Israëlische
gevangenissen vastzitten. We nemen gijzelaars en kondigen aan
dat we hen willen ruilen voor onze gevangen broeders. We geven
de regering een dag lang bedenktijd. De regering weet alles en
kan een besluit nemen. Zij gaat de gevangenen vrijlaten en de
gijzelaars redden of zij laat de gevangenen niet vrij, waarmee zij
de gijzelaars ter dood veroordeelt. De regering weet alles, want
ze kent de regels van deze oorlog die al vijftig jaar tussen de
zionisten en de Palestijnen voortduurt. De eersten die het liquidatieprincipe
van gijzelaars introduceerden in geval de autoriteiten
het vrijlaten van gevangenen zouden afwijzen, waren de leden
van de zionistische terroristische organisatie Irgun. In juni 1947
doodden ze twee Engelse gijzelaars, omdat de Britse autoriteiten
de vrijlating van de drie ter dood veroordeelde Irgun-leden hadden
geweigerd. Sindsdien werd deze tactiek door iedereen in de
Palestijnse oorlog toegepast, omdat er geen andere mogelijkheid
bestond om mensen vrij te krijgen wanneer die in handen van
de vijand waren beland. Kortom, de regering weet erg goed dat
wanneer er een gijzelingsactie gaande is en er gijzelaars worden
genomen, dan is de enige redding voor hen de vrijlating van
de gevangenen. In het tegenovergestelde geval zal niemand het
overleven, gijzelaars noch fedayins. Het is het soort actie waarbij
allen omkomen en, wat belangrijk is, iedereen dat vanaf het begin
weet.’
Dit is het eerste antwoord.
Er is nog een tweede.
De acties zoals in Qiryat Shemona en Ma'alot kunnen niet los
worden gezien van het verleden, het zijn episoden van dezelfde
oorlog die al langer dan een halve eeuw voortduurt. De Palestijnse
oorlog is het langstdurende conflict in de moderne wereldgeschiedenis.
Mensen die al lang in Palestina leven kennen deze geschiedenis.
De eerste fase van deze oorlog verliep zonder enig plan en
was chaotisch. Een menigte viel een menigte aan, men voerde een
aanval uit en verdedigde zichzelf zo goed men kon. Dit heeft zo
jaren geduurd.
De zionisten hebben zich als eerste georganiseerd. Al in de jaren
twintig werd het ondergrondse leger Haganah opgericht. Dit
leger vocht voor de oprichting van de staat Israël. Binnen Haganah
was een terroristische organisatie Palmach actief. Ten tijde van de
Israëlisch-Arabische oorlog van 1948-1949 was Yigal Allon de
commandant van Palmach (vanaf 1967 vicepremier van Israël,
momenteel ook minister van Buitenlandse Zaken). In de jaren dertig
kwamen de extremisten tot de conclusie dat Palmach te tolerant
tegenover de Arabieren was, ze splitsten zich af en richtten een organisatie op genaamd Irgun die nog terroristischer was. (Vanaf
1943 was Menachem Begin de leider van Irgun, ook was hij de
leider van de extreemrechtse oppositie in het Israëlische parlement
en in de jaren 1967-1970 maakte hij deel uit van de Israëlische
regering. Tot 1939 was Begin actief op de Universiteit van Warschau,
later dook hij op in de Sovjet-Unie en in 1942 bereikte hij
samen met het leger van generaal Anders1 Palestina). Eind jaren
dertig vonden de extremisten dat zelfs Irgun te tolerant jegens de
Arabieren was en richtten de organisatie genaamd Stern-groep op
die nog terroristischer was.
De fedayins zeggen dat Palmach, Irgun en Stern zich aan het
liquideren van de Palestijnse bevolking hebben toegewijd. Het
was wel erg druk in Palestina en er moest ruimte gemaakt worden
voor de immigranten. De Palestijnen moesten worden verdreven.
Om de Palestijnen te verdrijven moesten ze bang worden gemaakt.
Palmach, noch Irgun, noch Stern vochten tegen de fedayins, want
er waren toen simpelweg geen fedayins. De Palestijnen beschikten
over zwakke strijdkrachten. Palmach, Irgun en Stern organiseerden
pogroms, staken dorpen in brand en doodden de bevolking. In
februari 1948 heeft een Palmach-bataljon meer dan zestig vrouwen
en kinderen in het dorp Sasa vermoord. In april 1948 hebben
de Irgun terreureenheden het dorp Deir Yassin in brand gestoken
waarbij tweehonderdvierenvijftig mannen, vrouwen en kinderen
werden gedood. In 1956 werden in het dorp Khan Yunis tweehonderdvijfenzeventig
mannen, vrouwen en kinderen gedood.
Na de stichting van de staat Israël werden de Palestijnse boeren
in vele dorpen van hun land gescheiden. De dorpen lagen aan de
kant van Jordanië en de akkers aan de kant van Israël. Er heerste
hongersnood in de dorpen. De boeren konden niet oogsten van
hun eigen akkers, omdat de Israëli’s hen hadden verboden de grens
over te steken. Omdat er niets te eten was, gingen de boeren ’s
nachts stiekem naar hun akkers. Ze leken wel smokkelaars die het
voor een graanschoof of een zak maïs deden. De terroristen schoten
op hen, maar de boer had geen keus, niemand gaf hem een ander
stuk grond. Veel Palestijnen lieten op deze wijze het leven, op
hun eigen akker. Vervolgens staken de Israëli’s die grensdorpen in
brand. De boeren moesten vluchten naar de andere Jordaanoever,
omdat ze niets meer hadden, noch akker, noch huis.
De fedayins leren uit het in 1972 in Beiroet verschenen boek
getiteld Who Are the Terrorists? waarin driehonderdenacht acties
staan beschreven die door Palmach, Irgun, Stern en het Israëlisch
leger tegen de Palestijnen zijn gevoerd en waarbij slachtoffers onder
de onschuldige bevolking vielen.
Volgens de fedayins zal de optelsom van onrecht nog lange tijd
onvereffend blijven. Ze zeggen, dat tijdens deze oorlog duizenden vrouwen en kinderen, hun moeders en broers zijn omgekomen en
dat zij hen moeten wreken.
Wraak en vergelding bepalen het recht in deze oorlog. Elke kant
van het conflict maakt zijn eigen statistieken, elke kant doet mee
aan deze wrede rekenkunde. De Israëlische regering maakt bekend
dat het Palestijnse kamp in Chichine werd gebombardeerd als vergelding
van de actie van de fedayins in Qiryat Shemona. Maar de
fedayins rekenen anders: Qiryat Shemona was een vergeldingsactie
op het bombarderen van het Palestijnse kamp bij Bent Ibail.
Het is een ongelijke oorlog vanwege een enorm overwicht van
het Israëlische leger ten opzichte van de fedayins. Hun beweging
is pas in 1965 tot stand gekomen in antwoord op vele jaren van
activiteiten van Palmach, Irgun en Stern. De fedayins hebben niet
veel ervaring en ze beschikken over beperkte middelen. Vele acties
van de fedayins zijn uitingen van uiterste wanhoop en radeloosheid.
De schade die ze ondergaan is groter dan de schade die ze
veroorzaken. Eens hebben de Palestijnen een actie georganiseerd
waarbij een vrouw met een kind omkwamen. In antwoord erop
voerde de generaal Arik Sharon een vergeldingsactie uit in het
dorp Quibiya. Het resultaat: negenenzestig Arabieren werden in de
nacht levend verbrand in hun huizen, waaronder zestien vrouwen
en achtentwintig kinderen.
Als de wereld niet ingrijpt, zal geen van beide partijen deze
oorlog beëindigen. Te veel haat, te veel dood, te grote kloof, te
goed geheugen.
Het gaat om een strookje land dat op de wereldkaart moeilijk
te vinden is. Beide partijen ontmoeten elkaar dagelijks, in ieder
geval verblijven ze dicht bij elkaar. Ze raken elkaars ellebogen, ze
zien elkaar. De tijd verstrijkt, de tijd die de oplossing moet brengen.
Maar of het morgen of overmorgen gaat gebeuren valt te betwijfelen.
Vooralsnog heerst onzekerheid in de lucht en vliegen de
kogels in het rond.
Aan zee, op het zand, zat ik met fedayin Ahmed Shoury uit Bet
Shemesh. Naast ons, op een omgekeerde boot zaten fedayins Kamal
Bakr uit Jericho, Hasan Khatib uit Ramallah en Zuhair Saadeh
uit Balatah. Ik schrijf hun namen over om ze te onthouden, want
misschien leven die jongens niet meer.
Vertaling Ewa van den Bergen-Makala
1 Generaal Władysław Anders: bevelhebber van het Poolse leger in de
Sovjet-Unie (1941-1942), bevelhebber van het Poolse 2e Korps (onder
andere Slag om Monte Cassino in Italië), later opperbevelhebber
van de Poolse Strijdkrachten en politicus actief voor de Poolse regering
in ballingsschap.