< TSL 17 – REDACTIONEEL >

Voordat de communistische censuur de Russische literatuur met een
grauwsluier bedekte, kende deze een korte, maar hevige periode van bijna
absolute vrijheid, waarin ruimte was voor experimenten en radicale
vernieuwing. We zien dat het duidelijkste bij de groep van de Russische
futuristen, waartoe behalve de flamboyante Majakovski ook het buitengewone
talent Velimir Chlebnikov (1885-1922) behoorde. Chlebnikov
is vooral bekend geworden als dichter, maar heeft ook talrijke proza- en
drama-achtige teksten geschreven. Uit dat rijke arsenaal publiceren we
er enkele in vertaling.
Ook in andere Slavische literaturen heeft het futurisme zijn sporen
nagelaten, hoewel Alexander Wat beweert dat dat voor Polen eigenlijk
niet opgaat. Zijn eigen teksten bewijzen het tegendeel. In Tsjechië was
er de belangrijke beweging van de 'poëtisten', Devětsil, met anti-traditionele
dichters als Karel Teige en Vitěslav Nezval. Het ABC van de
laatste is een opmerkelijke verbinding van woord en beeld.
Negentig jaar geleden stierf Tsjechov, tachtig jaar geleden begon de
Eerste Wereldoorlog. Tsjechov zien we door de ogen van een bewonderende
collega-schrijver, Thomas Mann, de Eerste Wereldoorlog door die
van Anna Achmatova. Uit de hier opgenomen gedichten blijkt wederom
dat zij als weinig anderen de kunst verstaat het gevoel van de geschiedenis
te verwoorden.
Nog verder terug in het verleden brengt ons de Russische vertaler
van Nederlandse poëzie, Pjotr Korsakov, die zich in het begin van de vorige
eeuwervoor beijverde onze nationale grootheden als Vondel en Cats
in Rusland bekend te maken. Geschiedenis speelt- wie weet dat inmiddels
niet - ook een doorslaggevende rol in Bosnië. En het thema van de
dood is daar bepaald niet nieuw.
We besluiten dit nummer met een van de Baltische literaturen, de
Estische en met recensies van boeken over en van Majakovski, Jerofejev,
Lustig, Praag, Nurowska en Zaniewski.
Juli 1994
< TSL 17 >