Kees Mercks



Erben, ruim tweehonderd jaar springlevend



erben

Karel Jaromír Erben


Wie hoort over een negentiende-eeuwse ballade van de stadsarchivaris van Praag, een man wiens uiterlijk op afbeeldingen even saai en grauw lijkt als zijn beroep, zal dat werk niet zo gauw met rode konen openslaan. En wie weet dat de Praagse structuralist Mukařovský deze archivaris bij zijn typering van twee vertegenwoordigers van de Tsjechische romantiek als bedeesde en bedaarde tegenpool zag van een jeugdige, onstuimige, revolutionaire geest als K. H. Mácha, wiens dagboekaantekeningen zelfs de huidige lezer nog het schaamrood op de kaken jagen, zal eerder naar het werk van de laatste grijpen dan naar het ‘brave’, folkloristisch getinte werk van Erben.

Toch is Erben (1811-1870) als romantisch dichter van ballades en schrijver van sprookjes op zich niet minder belangrijk dan Mácha. Erben behoorde met zijn werk tot de andere poot van de romantiek: niet die van de subjectieve lyriek, zoals Mácha schreef, maar van een objectievere variant, zoals die in de volkskunst is te vinden. Erben was een verwoed verzamelaar van zulke volkskunst en trachtte vanuit de diverse versies van oorspronkelijk orale literatuur een ideale geschreven vorm te creëren. Dit streven mondde uit in ‘slechts’ één dichtbundel met literaire pretentie, Kytice (Een ruiker), die hij de Tsjechische lezers aanbood als een bos bloemen die hij had geplukt op het graf van het door germanisering overleden moederland. Hij gaf de toenmalige lezers hiermee de erfenis van eeuwenlange volkskunst mee, die hen zou moeten inspireren tot Kees Mercks Erben, ruim tweehonderd jaar springlevendhet weer gangbaar maken van de Tsjechische taal en Tsjechische poëzie.

De bundel, die in het midden van de negentiende eeuw het licht zag, telt slechts twaalf ballades, ingeleid met een korter gedicht dat de titel moet verklaren. De ballades zelf variëren in lengte: van drie bladzijdes (‘Polednice’, De middagheks) tot vierentwintig (‘Záhořovo lože’, Záhoř’ legerstee). Het is dus maar een piepklein bundeltje, dat echter door zijn stijl en thematiek nog steeds modern aandoet. Om dit te bewijzen wil ik hier twee ballades in het kort behandelen: ‘Vrba’ (De wilg) en ‘Vodník’ (De waterman).

‘De wilg’ is vrijwel geheel in dialoogvorm geschreven. De tweeregelige berijmde strofes hebben een trocheïsche inslag (/ X), in overeenstemming met het Tsjechisch, waar het woordaccent altijd op de eerste lettergreep valt. Ik noem het een ‘inslag’ of aanzet omdat vele accenten niet worden gerealiseerd en het metrum niet dwingend aanwezig is. Het rijm is eenvoudig, net als de zinsbouw. Met andere woorden: de gebruikte dichterlijke taal doet heel natuurlijk aan, hetgeen ook gewoon is bij zo’n folkloristisch genre, dat gemakkelijk gereciteerd moet kunnen worden. In dat kader passen ook klank- en regelherhalingen, of zelfs herhalingen van een hele strofe (een refrein). Opvallend is verder de dialoogvorm, gemarkeerd met aanhalingstekens: van de zevenenvijftig strofes zijn er slechts acht die beschrijvend zijn. Deze combinatie van literair en ongedwongen taalgebruik in gesproken vorm doet heel fris aan. De lezer wordt meteen een geïnteresseerd toeluisterende deelgenoot van het gesprek dat zich aan hem ontvouwt en waarin hij herkenbare problematiek zal tegenkomen.

Dat gesprek wordt aanvankelijk gevoerd door twee echtelieden, waarvan de man zich bij zijn vrouw erover beklaagt dat ze weliswaar overdag een en al activiteit is, maar er ’s nachts levenloos bij ligt, zozeer zelfs dat ze het huilen van hun baby niet hoort. Twee huwelijkse plichten worden hier verzaakt: primair de moederlijke zorg, maar in tweede instantie (niet expliciet) ook wellicht de zorg voor de echtgenoot, ofwel de fysieke aandacht voor hem. Zijn vrouw verzekert hem dat er niets tussen hen mis is, maar dat het nu eenmaal is zoals het is: zij kan er niets aan doen. Hier baat geen medicijn, hier is ook geen kruid tegen gewassen, want zij is ’s nachts in de ban van een hogere macht.

Een waarzegster brengt de man raad: ’s nachts zou de ziel van de vrouw in een wilg langs de beek huizen. De man weet daar wel een eenvoudige oplossing voor: hij pakt een bijl en hakt de boom om. Op hetzelfde moment sterft echter ook zijn vrouw. De wilg valt in de beek. Op aanraden van de (pratende) wilg vlecht de man van wilgentenen een bootje en legt dat met de baby erin in het water, zodat de moederziel het kan blijven wiegen. Dat motief lijkt op het Bijbelse (maar vast ook oudere) biezen mandje.

Het is een prachtig verhaal: enerzijds gaat het met het thema van zielsverhuizing terug op voorchristelijke, animistische verschijnselen, anderzijds speelt het in op algemeen menselijke morele plichten en behoeftes die tot op de dag van vandaag herkenbaar zijn, al zullen we hier tegenwoordig eerder geen magische, maar eerder een psychologische verklaring voor zoeken. Tot de heidense, bijgelovige motieven behoren het heilzame kruid, waarmee de man zijn vrouw wil genezen, de waarzegster die het fatale advies geeft, maar die wel in de logica van het verhaal de waarheid spreekt en ten slotte de magische krachten, die de ziel van de vrouw ’s nachts in de wilg gevangen houden.

Deze voorchristelijke motieven kunnen teruggaan op de Latijnse, of nog verder: op de Keltische cultuur die vrij uitgebreid op Boheems grondgebied aanwezig is geweest. De Latijnse benaming voor wilg/vrba is ‘calix’, dat op het Keltisch teruggaat en ‘nabij water’ aanduidt. In de Keltische cultuur zou de wilg ook een symbool zijn van niet alleen vruchtbaarheid (man-vrouw-baby), maar ook van ongelukkige liefde (de haperende fysieke man-vrouwrelatie).

De eenvoudige vorm van deze ballade doet vermoeden dat zo’n tekst ook gemakkelijk te vertalen zou zijn. Dat valt echter behoorlijk tegen. Het natuurlijke taalgebruik in de brontekst moet als functionele taal zonder meer gehandhaafd worden, zo ook zoveel mogelijk het natuurlijk aandoende rijmschema en de (vrij korte) regellengte. Tegelijkertijd mogen niet al te veel motieven (betekenissen) ten prooi vallen aan deze beperkende omstandigheden van de vorm. Hieronder een kleine proeve, waaruit tegelijkertijd de frisheid van het gegeven spreekt.


de wilg


’s Morgens aan het ontbijt gezeten
Laat hij gelijk zijn vrouwtje weten:

‘Vrouwtje van me, lieve vrouw!
Altijd was je te goeder trouw,

Altijd was je te goeder trouw –
Iets heb je me niet toevertrouwd.

Vrouwtje van me, lieve vrouw,
Twee jaar zijn we nu getrouwd –

Eén ding maakt me ongerust:
Hoe zit het toch met je nachtrust?

’s Avonds ga je heel gezond naar bed,
’s nachts lig jij dood daarin temet.


Dan volgt het refrein:


Geen gerucht en geen gezucht, (Ani ruchu, ani sluchu,
Je ziel lijkt dan wel op de vlucht. (Ani zdání o tvém duchu.)

Je lichaam voelt dan steenkoud aan,
Alsof ‘t vermolmd dood zal gaan.

Ja, zelfs ons kleine kindje lief,
Bitter schreiend, wekt je niet…

Vrouwtje van me, lieve schat,
Heeft soms een ziekte je gevat?’
[…]


En de vrouw antwoordt hem dan als volgt:


‘O, man van mij, o lieve man,
Je begrijpt er ook geen zier van!
[…]
Als ik er zielloos bij lig in de nacht,
Hebben de goden me in hun macht.
[…]
Ook al lig ik zielloos op mijn rug,
’s Morgens keert mijn ziel weer terug.’
[…]

Wanneer de man verneemt dat de ziel van zijn vrouw ’s nachts in een wilg vertoeft, besluit hij als volgt die boom om te hakken:


‘Wat heb ik dan aan een vrouw thuis,
Die ’s nachts met haar ziel in ‘n wilg huist?

Mijn vrouw moet ook ’s nachts hier zijn en
Die wilg mag heus ter aarde zijgen.’

Hij pakte toen een bijl terstond
En hakte d’wilg om bij de grond.

(Als de man daarna naar huis teruggaat en daar de verzamelde buren ziet, melden dezen hem:)

‘Je lieve vrouw is plots doodgegaan,
Als door een zeis is ze neergegaan.

Ze was aan het werk, gezond en wel,
En viel als een boom die werd geveld.

Stervend slaakte ze een diepe zucht,
zocht nog haar kind, haar liefdesvrucht.’

Waarop de man wanhopig uitroept:


‘O wee mij, welk een gewetensnood,
Onwetend heb ik mijn vrouw gedood!

En van mijn eigen bloed en vlees
Maakte ik ongewild een wees!

O wilg, u ontnam me mijn vrouw
En dompelde me in diepe rouw!’

Iemand doden zonder dat je weet wie die persoon is, of zoals hier: iets doen waardoor je iemand doodt die je helemaal niet wilde doden, is het hoofdmotief van het lange poëem De mei van Erbens tijdgenoot Mácha (1810-1836), de vertegenwoordiger van de subjectieve poot van de romantiek. Zijn hoofdpersonage Vilém doodde de verleider van zijn geliefde Jarmila. Die snoodaard bleek achteraf zijn vader geweest te zijn. Vilém wordt voor die onbewuste vadermoord ter dood veroordeeld. Mácha vervlocht dit drama in een complex dichtwerk, met een geraffineerd klank-betekenisspel, veel symboliek en met momenten van filosofische reflectie. Hij weidt uit over het landschap, betrekt de kosmos erbij en gebruikt voor zijn karakteriseringen tal van vergelijkingen. Door die overwegende beschrijving is er minder ruimte voor dialoog. Mácha’s held is ook geïsoleerd in zijn kerker, zodat er van een echte gesprekspartner nauwelijks sprake kan zijn. Wel zijn er hele passages met monologue intérieur.

vodnik

De waterman. Illustratie van Josef Lada.

Erben koos voor een sprookjesachtig thema, simpel als een volksvertelling en gegoten in de vorm van een volksballade, maar ingebed in een oerwereld van magie en animisme. Zijn zinsbouw is ‘opener’, minder compact dan bij Mácha, en is soms zelfs elliptisch. Erbens natuurbeschrijvingen blijven beperkt tot een schetsmatig aanduiden van een enkel onderdeel ervan: een kerkje, heuvel, boom. Daarnaast gebruikt Erben bij voorkeur de dialoogvorm. Zo manifesteren zich twee typen van romantische poëzie, die behoorlijk van elkaar verschillen, maar die elk op zich buitengewoon boeiend zijn.

De tweede ballade uit Erbens bundeltje die ik hier in het kort behandel, heet ‘De waterman’ (Vodník). De titel verwijst naar een in Midden-Europa bekende volksmythologische figuur, die volgens de Tsjechische en Slowaakse variant onder water huist en zieltjes opspaart van de verdronkenen, die hij in potjes stopt. Hoewel zo’n watergeest in diverse vormen in de literatuur verschijnt, schildert Erben hem klassiek: een knorrig mannetje met groene kleren aan, druipend van het water, die op een tak zit van een populier aan de waterkant. Hij is ook minder ‘braaf’ dan men zou vermoeden bij een redder van zieltjes.

de waterman


’s Avonds zat hij op een keer
In een peppel aan een meer:
‘Schijn toch, maantje, schijn,
Schijn mijn naaiwerk bij.

Ik naai schoenen, die zijn voor later
Voor op het land en in het water:
Schijn toch, maantje, schijn,
Schijn mijn naaiwerk bij.

Nu is het donderdag, straks vrijdag,
dan naai ik, naai ik een wijd jak.
Schijn toch, maantje, schijn,
Schijn mijn naaiwerk bij.

Groene kleren, rode schoenen,
Morgen ga ik mijn bruidje zoenen.
Schijn toch, maantje, schijn,
Schijn mijn naaiwerk bij.

Dit deel van de ballade wordt apart aangeduid met een Romeinse I, als introductie van de waterman. De korte vorm en de herhalingen zijn hier goed herkenbaar. De strofes bestaan nu echter niet uit twee regels, maar uit twee maal twee. In de delen III en IV wordt de vorm iets losser (twee maal vier is achtregelige strofen en vrijere rijmcombinaties).

Deze waterman is niet te vertrouwen en wil ook wel eens iemand doen verdrinken, zoals hier een jong meisje dat hij tot zijn bruid zal nemen en meevoeren naar zijn onderwaterpaleis. Dat bewuste meisje woont bij haar moeder en voelt tegen de avond een sterke drang om naar het meer te gaan en daar haar kleren te wassen. De moeder waarschuwt haar echter:

‘Dochter lief, ga niet naar het meer,
Blijf lekker thuis en ga niet weer!
Want ik heb vannacht een boze droom gehad,
Ga niet naar de waterkant, mijn schat!’

Maar de dochter is eigenwijs en gaat toch:

Toen ze daar haar goed nat maakte,
Ving de steiger aan te kraken
En met een hele hoop geklater,
Viel toen het meisje in het water.

De boosdoener is natuurlijk de waterman die het meisje op deze wijze schaakt. Hij neemt haar mee naar zijn paleis, waar hij met haar trouwt en zij spoedig een baby krijgt:
Het meisje krijgt echter heimwee naar het ‘droge’ en naar haar moeder. Ze smeekt de waterman deze op het land te mogen bezoeken. De waterman is bang dat ze niet terug zal keren en stelt als eis dat zij haar kindje bij hem achterlaat en voor twaalven ’s avonds weer thuis is. Dolgelukkig zoekt het meisje haar moeder op en het samenzijn is zo gezellig dat haar moeder haar om twaalf uur vraagt nog even langer te blijven en lak te hebben aan die griezel van een waterman (boze-schoonmoedermotief). Maar de waterman neemt wraak. Hij gaat naar het huisje en bonst op de deur.

Viel daar niet iets, ziet zij het goed?
Onder de deur een straaltje bloed.
Toen haar moeder angstig opendeed:
Wat was dat schrikken, wat een leed!
Langs hun ruggen liepen rillingen:
In een plasje bloed twee dingen –
Een kinderhoofdje zonder lijf
En een lijfje zonder hoofd.

Zo besluit deze ballade, net als ‘De wilg’, als een ware moordballade. Een waarschuwing wordt in de wind geslagen en de gevolgen zijn fataal. Waar Mácha zijn held zich in schuldgevoelens en existentiële nood laat wentelen, daar kiest Erben hardvochtig voor een strenge moraal. In ‘De wilg’ toont de hoofdpersoon geen respect voor de magische bovenwereld, in ‘De waterman’ niet voor deze volksmythologische figuur. De Tsjechische componist Dvořák componeerde een symfonisch gedicht (Opus 107, 1896) op deze populaire ballade van Erben en de Tsjechische cineast František Brabec verfilmde al Erbens ballades (2000), ook weer een bewijs voor de tijdloosheid ervan.




   <

TSL 62

   >