Marie Majerová



Staten worden gekraakt en gemaakt1



Michals vrouw ging tot zes uur door met haar naaiwerk, want de echo van wat er op straat gebeurde, drong niet door tot het atelier op de derde binnenplaats waar aanpassingen aan snelle namaakjurkjes van een confectiebedrijf werden uitgevoerd. Ze stond lang in gedachten verzonken op de tramhalte te wachten en het duurde enige tijd voor ze doorhad dat er niets reed en dat er op straat een ongewoon gespannen sfeer heerste. Daarna zei ze bij zichzelf dat ze dan maar ging lopen en zo kwam het dat ze over de Na příkopě2 wandelde, waarbij ze af en toe een blik wierp op de etalages, als de winkels tenminste nog open waren, en wel of om te zien hoe concurrerende firma’s hun bloesjes versierden, dan wel om zichzelf in de spiegel te bekijken en haar neus bij te poederen.

‘Wat schiet ik ermee op,’ mopperde ze wat voor zichzelf, ‘ook al was ik zo knap als de koningin van Sheba, hij weet dat toch niet te waarderen, want hij ziet niets aan me, die rooie rakker. Hij heeft alleen maar oog voor één geliefde… de partij. Eerst de partij dan zijn vrouw. Het is me niet gegeven gelukkig te zijn.’

Ze had zin om een beetje zelfbevestiging te krijgen via de ogen van de mannen die haar tegemoet kwamen en die aldoor even hun blik op haar lieten rusten, soms kort, soms langer en uitdagend, en ze deden dat ofwel om haar te laten merken dat ze best tevreden waren over haar uiterlijk, ofwel omdat ze zelfs bewust verlangend waren naar haar. De ene keer spraken ze haar aan, dan weer waren ze zich van niets bewust, in dat geval prezen ze haar met een glimlach of met een glansje in hun ogen. Maar ook al wierp ze een paar mannen een vorsende blik toe, toch trof ze bij geen van hen een voor haar welbekend teken aan van ontwaakte interesse voor haar. Iedereen had haast, in beslag genomen door iets onbekends, ze waren rusteloos en verstoken van elke vorm van erotiek.

‘Het zal toch niet waar zijn dat alle mannen een soort Michal zijn geworden en bezeten zijn van de partij?’

Opeens ontwaarde Michals vrouw een mannetje op straat dat een grijs bolhoedje paste en daarbij lachte alsof hij er zeker van was dat zijn grapje geslaagd was.

Dit detail opende haar de ogen voor de werkelijke straat die om haar heen een eigen leven leidde en niet in dienst van haar. Ze zag plukjes mensen bezig met het leegplunderen van met geweld opengebroken winkels, ze deinsde terug voor de opeenhopingen van mensen, waarbij voetgangers de kleren van het lijf werden gescheurd, en plotsklaps kwam daar politie te paard zomaar uit de Rytířská aanstormen, over de hele breedte van de straat, tot aan de huizen toe, zodat niemand tijd of plek had om weg te springen en ze een seconde later onder de paardenhoeven rolden.

Uit de Panská trad hun echter een stoet voetgangers tegemoet. Twee rijen hoofden golfden, een pistoolschot knalde, een tweede, derde. De paarden schudden wild met hun hoofd heen en weer, steigerden op hun achterbenen, sommigen struikelden en smakten zwaar op de grond neer.

De overgebleven ruiters maakten een scherpe bocht naar links en baanden voortdurend schietend een vluchtweg voor zich.

Michals vrouw stond even aan de grond genageld, maar begreep toen meteen de hele situatie. Ze bukte en de galopperende wervelwind van verschrikte paarden vloog over haar heen. Toen het gedruis geluwd was, richtte ze zich van de rijweg op en hief een gebalde vuist dreigend naar de verdwijnende politie. Ze was furieus: ‘Durven jullie wel? En waarom mij? Hè?’

Ze keek om zich heen, verfomfaaid en verkreukeld, vervuld van haat en de plotselinge vastberadenheid om te vechten en zich te wreken. ‘En misschien is hij ook al…,’ klonk het zachtjes aan het einde van haar waanzinsmonoloog.

Die angst dreef haar van de ene gesneuvelde naar de andere, ze keek ze allemaal in het gezicht en zocht haar strijder eerst op Na příkopě, daarna steeds verder, in andere straten, op andere strijdtonelen totdat haar speurtocht door het donker werd beëindigd.

Nieuwsgierigen op de rivierkade kregen een griezelig schouwspel te zien. Het was niet een vloedgolf van water, maar een vloedgolf van soldaten die hen verstijfd liet staan.

De soldaten buiten de stad hadden het niet slecht zolang ze geen honger hadden. Maar op het middaguur moesten ze opeens van de met goulash gevulde ketels wegrennen, als ze die al niet omvergooiden in hun dienstijver om er een perfect alarm van te maken. Zo hadden ze een stukje gespurt om het eten goed te laten verteren en nu hadden ze een heel gewone, normale honger.

Daarom waren ze niet lang tegen het aanbod bestand om de stad in te trekken, maar wel zonder wapens en zonder officieren.

‘Het nieuwe leger kan ’t ook af met lager kader,’ was hun gezegd.

‘Zo is ’t maar net. Als er maar lager kader is,’ hadden ze lachend geantwoord.

Het was een spontaan besluit geweest, hun meerderen hadden niet eens tijd gehad om vast te stellen wie de aanstichters waren geweest en als eersten het slechte voorbeeld hadden gegeven.

De actie van de hoofdcommissaris van politie voor de eerste mei was dit jaar het verbod van de arbeiderskrant 100%. ’s Ochtends vroeg had de politie de rotatiepers verzegeld en een agent bij de drukkerij geposteerd. De redacteuren bleven op vrije voeten maar ze gingen niet ver: naar het koffiehuis aan de overkant. Daar ontvingen ze koeriers en redigeerden ze er artikelen en plaatselijk nieuws.

Intussen werkten de arbeiders natuurlijk elders op eigen houtje verder en ’s avonds, nog voor de drukkerij onder leiding van Petrlík was veroverd, verschenen enkele vlugschriften met leuzen die als koppen boven de tekst waren gezet:



verdeel de grond!
te wapen, arbeiders!
pak terug wat van je is gestolen!



Rechercheurs die in de straten indrukken en informatie verzamelden over de stemming onder de burgerij, brachten armenvol van dit soort drukwerk mee naar bureau Bartolomějská-straat.

Een uur nadat de redacteuren van 100% weer feestelijk hun kamers met Amerikaanse bureaus betrokken hadden, met een Tsjechische telefooncentrale en parlograaf, kwam een bijzondere uitgave uit van het dagblad, waarin het program stond van de nieuwe regering.

Een van de overijverige rechercheurs bracht een nummer van deze bijzondere uitgave naar de commissaris van politie en wel juist op het moment dat de hoogste politiefunctionaris in gedachte naar een hem bekende parlementariër gelopen was, wiens zoon hij behoed had voor arrestatie wegens fraude.

‘Zulke diensten vergeet je niet. Misschien komt hij mij ook ’ns tegemoet,’ zei het corpulente diensthoofd verheugd.

Maar nauwelijks had hij een blik geworpen op de kolom met de namen van de nieuwe regering of hij moest vaststellen dat die van zijn parlementariër eraan ontbrak. Hij greep zich naar de hals, maar daarna zakte zijn hand van het rood aangelopen hoofd naar beneden: de corpulente man stortte volledig in.

Hij overleefde het niet.

Een samaritaanse uit de wijk Košíře dacht dat ze nog een greintje leven in hem bespeurde, toen ze even later met een patrouille door het gebouw van het politiebureau liep. Ze liet hem in een wagen van een eerstehulppost leggen, die ijverig af en aan reed naar het Algemene Ziekenhuis en onderweg nog een paar gewonden oppikte.

Het ontruimde ziekenhuis vulde zich zo weer naarmate het later werd. Michals vrouw holde nu achter elke auto aan die gewonden vervoerde. Ze ging bij de ingang van het ziekenhuis staan en keek alle aangevoerden in het gezicht. Ze vond haar rooie rakker niet, maar ze hervond haar kalmte ook niet, want vele gezichten zaten onder wanstaltige builen, veroorzaakt door klappen met de gummistok, en de kleren aan vele rompen waren bebloed en gescheurd, zodat de mannen een soort rebellenuniform van vodden aanhadden.

Om tien uur ’s avonds was de rust vrijwel weergekeerd. Patrouilles van het nieuwe regime liepen in groepjes over straat en doorzochten hotels en andere openbare gebouwen. Portiers en huisbewaarders deden met een quasi onverschillige dienstvaardigheid de deur voor hen open. Zo werden er een paar belangrijke hotelratten gevonden.

In hotel Rivièra vond men in een appartement met uitzicht op de rivier een knap meisje dat buiten bewustzijn was. In de badkamer van de woning hingen mannenkleren met daarin de papieren van Frank Kavalír, de directeur van de cementfabriek in Radotín.3

De patrouille sloeg alarm en doorzocht het hele hotel naar Kavalír. Vergeefs. Men zag slechts hoe overal de schouders werden opgehaald, enigszins uit leedvermaak.

‘De vogel is waarschijnlijk al gevlogen,’ zei de hotelhouder, ‘en die jongedame krijg je niet meer wakker.’

Hij wees op de dunne, doorzichtige neusvleugels: ‘Ziet u dat poeder? Dat is cocaïne. Daar weet ik alles van, geloof me.’

‘Cocaïne? Naar ‘t ziekenhuis!’ gelastte de samaritaan die lid was van de patrouille.

Toen ze haar op een draagbaar legden van een wagen van de eerstehulppost, brulde een luidspreker op de hoek van het Karelsplein: ‘Spaar de gebouwen, die zijn van iedereen!’

En bij het eerste aanknipperen van het elektrische licht, dat in een al vredige en verstilde stad terugkeerde, werden vanuit de hoogte van lantaarnpalen de platgetreden gazons met lentezaaigoed zichtbaar: geknakte tulpenstengels, stukgetrapte hyacinten en gehavende krokussen, verwoeste grasveldjes, bedolven onder steentjes en verloren spullen.

Om elf uur sliep de stad, alleen de portiers van de universitaire faculteiten prikten briefjes op de informatieborden, zodat men de volgende morgen kon weten dat de colleges aan de hogescholen gewoon doorgang zouden vinden, onder alle omstandigheden.

Vertaling Kees Mercks






1 Uit de roman Přehrada (‘De stuwdam’, 1932).


2 Grote winkelstraat in het centrum van Praag.


3 Destijds een dorp even buiten Praag, thans deel uitmakend van de hoofdstad.



<

TSL 77

>