Andri Ljoebka
Roasted Uganda
Andri Ljoebka (geboren in Riga in 1987)
is wellicht de populairste en meest getalenteerde
vertegenwoordiger van de
generatie jonge Oekraïense schrijvers
die de Sovjettijd zelf niet bewust hebben
meegemaakt. Bekend om zijn charismatische
verschijning en zijn actief sociaal
engagement debuteerde Ljoebka in 2007
als dichter, maar heeft sindsdien drie romans,
meerdere gedichten- en verhalenbundels,
alsook tal van essays en literaire
vertalingen gepubliceerd. In zijn literaire
werk steekt Ljoebka graag de draak met
de oubollige traditionele narratieven uit
de Oekraïense literatuur en schuwt daarbij
de ironie niet (zoals wanneer het gaat
om het concept van een groots Oekraïens
nationaal idee in zijn eerste roman Carbide,
of om de vermeende verantwoordelijkheid
van literatoren om opvoeders
te zijn van hun volk in zijn ‘Kleine Oekraïense
Roman’). Daarnaast stelt hij zich
(voornamelijk in zijn essayistiek) vragen
over de plek van Oekraïne in een bredere
Europese context, alsook over de rol van
grensgebieden als plekken waar men met
‘de vreemde’ in contact komt en over hoe
men uit die contrasterende ontmoetingen
tegelijk ook meer over zichzelf te weten
komt. Niet toevallig is zijn thuisstreek,
de relatief kleine oblast Transkarpatië,
in het uiterste westen van Oekraïne gelegen,
en grenzend aan Polen, Slowakije,
Hongarije en Roemenië. Allicht heeft dit gegeven eerder ook zijn keuze voor Balkanstudies
beïnvloed – als vertaler heeft
Ljoebka tal van boeken uit het Servisch,
het Kroatisch en het Pools voor de Oekraïense
lezer toegankelijk gemaakt.
Enkele
van zijn eigen boeken zijn ondertussen
eveneens vertaald, voornamelijk in
andere Centraal- en Oost-Europese talen.
Na de aanvang van de grootschalige Russische
invasie in Oekraïne heeft Ljoebka
zijn literaire carrière tijdelijk op een
laag pitje gezet en zich vrijwel voltijds
op vrijwilligershulp aan de Oekraïense
strijdkrachten toegelegd. Zo heeft hij met
de schenkingen van zijn lezers en met de
hulp van een team eensgezinden tot augustus
2023 bijna 180 voertuigen aangekocht,
voor legerdienst opgelapt en naar
het front getransporteerd.
roasted uganda
Van alle dingen die ik ooit voor de Oekraïense militairen naar het
front heb gebracht, was het belangrijkste een pak koffie. Een kiloverpakking
vers gebrande koffie van een hipstercafé-branderij
in het centrum van Oezjhorod.1 Rechthoekig en glanzend, voorzien
van een stijlvolle sticker ‘Roasted Uganda’. Iets dat meer op
Instagram zou passen dan aan het front.
Toch vervulde het een volkomen defensieve functie – zij het
niet ter bescherming van het lichaam, maar van iets dat belangrijker
is. Het menselijke in de mens. Vroeger, toen ik gedichten
schreef, zou ik deze eigenaardige substantie als ziel bestempelen,
nu zou ik eerder van psyche spreken. Die koffie hielp om de psyche
te beschermen, door je het gevoel te geven dat je niet zomaar
een homp vlees bent, niet zomaar een doelwit voor scherpschutters
en bommen, maar een mens. Een mens met zijn eigen smaken,
voorkeuren en gewoonten.
Ik herinner me die ochtend nog goed. Het was begin mei,
wanneer de nachten nog koud zijn, maar de lucht ’s ochtends snel
warmte en geuren opneemt. In een dorp ergens voorbij Slovjansk
in de Donbas. Een dorp, waar zich nu enkele malen meer militairen
dan plaatselijke bewoners ophouden. Het gros van de dorpsbewoners
is vertrokken omdat de omgeving van het dorp bijna
dagelijks wordt beschoten, ’s nachts kan je geen oog dichtdoen
door het geluid van de explosies. ’s Nachts zijn deze overigens
beter hoorbaar, ze worden voller en weerklinken onheilspellend in
de duistere stilte, net de hartslag van een vreemde.
Die keer kwam ons vrijwilligersteam heel laat aan op de plaats
waar de militaire eenheid was gestationeerd. We kregen lange
controles aan de checkpoints, de weg was lastig, doordat er geen
netwerkverbinding was reden we vaak verkeerd langs ons onbekende
wegen, dus kwamen we op onze bestemming aan op dat
tijdstip wanneer het nog niet donker is, maar je al wel het licht wilt
aansteken. Dat betekende dat we genoodzaakt waren te overnachten
bij de militairen: daar ’s nachts vertrekken was onmogelijk
vanwege van de verplichte verduisteringsmaatregelen. De online
kaarten lieten het afweten, we waren niet bekend met de omgeving,
koplampen aanzetten was verboden – in zulke omstandigheden
konden we makkelijk per abuis op Russische posities stuiten.
Dus bleven we daar overnachten.
En toen we wakker werden na een korte en nerveuze nachtrust,
die voortdurend verstoord werd door knallen dichtbij en veraf,
moesten we snel verder rijden naar onze volgende bestemming.
Een vriend, die na 24 februari een militair uniform had aangetrokken
en nu in deze legereenheid diende, hield ons echter tegen:
wacht nog even, zei hij, ik zal koffie voor jullie maken. Er was
geen elektriciteit, dus zette hij een dieselgenerator in gang en sloot er een kleine koffiemachine op aan, goot water bij, en uit de doos
die ik hem gisteren had bezorgd haalde hij een pak koffie tevoorschijn.
Roasted Uganda stond erop geschreven. Hij deed de koffie
in de machine – en een minuut later vulde de geur van voortreffelijke
Arabica de meiochtendlucht.
Volgens mij werd ongeveer zo de Bijbel geschreven. Toen Jezus
de vissen en het brood onder de mensen begon te verdelen,
waren ze waarschijnlijk niet minder verrast geweest dan wij. Want
het was werkelijk bijna een wonder – op de ergste plek ter wereld
op dat moment, ergens bij Slovjansk in de Donbas, te midden
van de oorlog een metalen kroes ideaal bereide espresso voorgezet
krijgen. Misschien was dat wel de lekkerste koffie van mijn leven.
Dat klinkt banaal, maar wat doe je eraan als het echt zo is.
Toen hij onze verraste blikken had opgevangen, hield mijn
vriend even een theatrale pauze aan, en beantwoordde dan de
vraag die niemand luidop had durven stellen: ‘Wat dan? Misschien
sneuvel ik vandaag wel. Waarom zou dit dan de dag moeten zijn
waarop ik mijn gewoonlijke fatsoenlijke ochtendkoffie niet heb
gehad? Ze kunnen mijn kloten kussen, maar ik ga mijn koffie echt
niet opgeven. En geen poetin2 die daar iets aan kan doen. Ik ben
het gewend om ’s ochtends een goeie espresso te drinken, dan heb
ik dat recht toch, of niet?!’
Later heb ik nog veertien keer verscheidene legereenheden
bezocht: in het noorden, in het zuiden en in het oosten; tegen de
Russische grens aan in de regio Charkiv, op bevrijd Oekraïens gebied
in de Zwarte Zeeregio nabij Cherson, en in de Donbas, die
ik nu eigenlijk bijna beter ken dan mijn thuisstreek Transkarpatië.
Kortom, in de afgelopen maanden heb ik veel gezien, gehoord en
meegemaakt, maar die woorden zijn me steeds bijgebleven. Want
er klinkt iets belangrijkers in door dan geopolitiek, strijdtonelen
en nieuwsfeeds.
Stel je iemand voor die tot 24 februari niets met het leger te
maken had, misschien zelfs een latente pacifist was, maar na het
begin van de grootschalige invasie aan het front is beland. Zijn
leven is compleet veranderd: ver weg van zijn thuis en zijn familie,
van zijn werk en zijn kennissenkring, van zijn levenswijze
en zijn toekomstplannen, gekleed in een camouflage-uniform dat
ervoor zorgt dat hij niet alleen tussen een miljoen andere soldaten
kan verdwijnen, maar ook in de natuur rondom hem – zo iemand
is plots helemaal naakt, ook al is hij gehuld in het dikste pantser.
Omdat hij niets meer heeft wat van hem precies hem maakt, hij
heeft zelf vlees noch bloed – alles komt ten dienste te staan van
een gemeenschappelijk, algemeen doel.
Het is dan dat er nog een andere oorlog begint – een oorlog
voor het recht om jezelf te zijn, om eigen voorkeuren te hebben en
je vertrouwde routine tegen een buitengewoon hoge prijs in stand
te houden. Want een kopje favoriete koffie ’s ochtends – dat is net
een beetje thuiskomen, tijd doorbrengen met je gezin. Even jezelf
zijn. Ook al zijn het maar drie minuten per dag die je niet voor
globale doelen, niet voor je land, maar enkel voor jezelf hebt. De
woorden van mijn vriend gaan over het fundamentele recht van de
mens om zijn individualiteit te behouden, een eigen gezicht, over
het recht om niet slechts één uit een miljoen Oekraïense militairen
te zijn die hun vaderland verdedigen, maar ook om een enkeling te
blijven. Enig in zijn soort.
Ja, dat is nog een andere type oorlog – een onzichtbare oorlog
om wat tijd voor jezelf. Van tientallen strijders heb ik gehoord
dat ze tijdens hun frontdienst actief lezen in de loopgraven en de
dug-outs. Voornamelijk die boeken waar ze in hun universiteitsjaren
aan voorbij zijn gegaan, maar ook recente bestsellers over
marketing en oprichtingsverhalen van zakenimperia. Ze lezen
omdat ze op die manier het gevoel krijgen dat ze deze dagen niet
zinloos verdoen, maar die tijd voor zelfontwikkeling benutten.
Want oorlog ontneemt ons alles, maar in de eerste plaats wellicht
onze tijd, onze productieve jaren, de periode die doorgaans met de
uitdrukking ‘de bloei van je leven’ wordt bestempeld. Dit is een
onherroepelijk verlies, dus wat moeten gewezen burgers die in de
loopgraven terecht zijn komen anders dan die tijd bij de staart proberen
te grijpen, en ook nog een stukje voor hun eigen (burger-)
bestaan eraan te ontfutselen? Daarom leren ze aan het front ook
Duits met Duolingo op hun smartphone, lezen ze over de oprichtingsgeschiedenis
van het IKEA-concern of nemen ze autorijlessen
pal naast het slagveld. Ze lezen en leren, opdat die tijd niet
zinloos verspild zou lijken. Ja, ik weet dat dit zelfbedrog is, maar
het helpt een mens om vol te houden.
Misschien is het wel omwille van deze wetenschap dat ik
onze militairen aan het front bezoek. Alles begon in april, toen
die vriend – gisteren nog een burger, nu een militair – mij had
opgebeld en tijdens ons gesprek had laten vallen dat hun eenheid
nu het meeste behoefte had aan wagens met vierwielaandrijving.
Het Oekraïense leger is sinds het begin van de oorlog namelijk
zeven keer groter geworden: soldaten zijn gerekruteerd, ze hebben
uniformen en machinegeweren ontvangen, maar voor hun vervoer
kregen ze hoogstens zware vrachtwagens of oude bussen, voertuigen
die goed wendbaar en voor elk terrein geschikt zijn bleven
een knelpunt.
Laat ik het volgende voorbeeld noemen. Een pas gevormde
eenheid uit mijn thuisstad Oezjhorod werd begin maart naar de
Donbas gestuurd. En aangezien deze eenheid, zoals gezegd, pas
gevormd was, had die helemaal geen transportmiddelen. Voor hun
verplaatsing kregen de militairen een ouwe schoolbus. Van Oezjhorod
naar de Donbas is verder dan naar Venetië, dus hoeft het
niet te verwonderen dat die gele bus onderweg panne kreeg. De
soldaten hadden bijna een hele dag in de vrieskou gewacht, maar
in die eerste dagen van maart verkeerde het land nog in chaos, bijgevolg
werd er niets gestuurd om hen te depanneren. Uiteindelijk
hadden de militairen – die, nogmaals, een tweetal weken eerder
nog gewoon burgers waren geweest – zelf geld samengelegd en de laatste tweehonderd kilometer op eigen kosten met de taxi afgelegd.
Een Oekraïense soldaat die met de taxi naar het front trekt
– dat is ook een van de symbolen van deze oorlog.
Dus toen ik in de lente van 2022 van mijn vriend te horen
kreeg dat hun eenheid dringend een terreinwagen nodig had, voelde
ik de natuurlijke drang om te helpen. In mijn hoofd begon ik
een voor een kennissen of hulporganisaties te overlopen die deze
kwestie snel zouden kunnen regelen, maar kwam algauw tot de
conclusie dat niemand zoiets met de nodige spoed zou kunnen
klaarspelen. Ik moest met andere woorden niet naar een liefdadigheidsinstelling
zoeken, maar eens goed in de spiegel kijken – en
zelf de handen uit de mouwen steken. Diezelfde avond postte ik
een aankondiging op Facebook dat ik geld inzamelde voor een
terreinwagen voor een militaire eenheid in de Donbas met de vermelding
van mijn rekeningnummer. En toen ik de volgende dag
wakker werd, stond er genoeg geld voor twee terreinwagens op
mijn bankrekening.
Op die manier – vanzelf eigenlijk – tekende mijn huidige verantwoordelijkheidsgebied
in deze oorlog zich uit. Sinds 3 april
2022 ben ik geen schrijver, want ik schrijf helemaal niets meer.
Ik zamel wel geld in en koop auto’s voor het Oekraïense leger.
Samen met een team gelijkgezinden repareren we ze, spuiten ze
in camouflagekleuren en rijden ze helemaal tot aan het front. Tot
op heden3 heb ik 98 auto’s voor de Oekraïense krijgsmacht aangekocht
en 15 trips naar verscheidene militaire eenheden volbracht.
Dit alles werd mogelijk gemaakt door mijn lezers, die vroeger
mijn teksten lazen en mijn boekpresentaties bijwoonden, en vandaag
mijn vrijwilligerswerk ondersteunen met hun geld. Het is een
bijzonder genoegen en erkenning voor een schrijver om te zien
hoe je lezers jou in het echte leven vertrouwen, om te beseffen dat
de boeken die je vroeger geschreven hebt een onzichtbare, maar
trouwe gemeenschap hebben gevormd. Een schrijver die niets
schrijft – dat is waarschijnlijk nog zo’n symbool van de oorlog.
Ik zeg wel eens voor de grap dat mijn lezers mij hun bijdragen zo
actief overmaken opdat ik me alleen met auto’s zou bezighouden
en niets meer zou schrijven.
Nochtans heb ik best wel wat om over te schrijven. Wanneer
we met onze colonne terreinwagens naar het oosten rijden (en zo’n
reis duurt anderhalve dag), heb ik veel tijd om na te denken en te
dromen. In die uren stel ik me mijn eerste naoorlogse boek voor.
Het zal over van alles en nog wat gaan – alles behalve auto’s dan.
Na de oorlog zal ik überhaupt een fiets aanschaffen en zelfs niet
meer in de richting van een auto kijken – zo kotsmisselijk ben ik
van ze. En ik zal veel schrijven, om de pauze die de oorlog heeft
opgelegd in te halen.
Ik zal over mensen schrijven, over het menselijke, over allerlei
situaties en stemmen. Over de oorlog als een persoonlijke ervaring, en niet als een geopolitiek zootje. Ik zal schrijven over hoe
eng het was om de eerste keer van het vredige Oezjhorod naar
de Donbas-frontlijn te rijden. Maar eens aangekomen bleek dat er
daar, dicht bij de oorlog, geen angst was, want angst – dat is een
innerlijk begrip, en niet geografisch.
Ik zal over een van de chauffeurs uit ons team schrijven, die
tijdens een halte in Slovjansk boterhammen voor ons maakte en
in zijn hand had gesneden toen hij een conservenblik probeerde
te openen. Over vijftig jaar, wanneer zijn kleinkinderen hem vragen:
‘Opa, wat deed jij in de oorlog?’ – zal hij naar alle waarheid
kunnen antwoorden: ‘Veel kan ik niet vertellen – laten we het erop
houden dat mijn bloed bij Slovjansk is gevloeid.’
Ik zal echter niet schrijven over een gesprek dat ik heb gehad
met een soldaat, die thuis was gekomen voor een kort verlof, iets
te diep in het glas had gekeken en mij in vertrouwen had genomen:
‘Weet je, ik wil maar één ding. Dit is een artillerieoorlog, de meeste
tijd zitten we in de loopgraven en bidden dat er geen bommen
zullen inslaan. Ik zit al negen maanden in deze oorlog, maar heb
nog steeds geen levende Rus in mijn vizier gezien. Welnu, ik ben
bang dat er een bom op mij valt en ik zal sterven. Ik ben bereid om
te sterven, ik ben niet bang voor de dood. Maar ik ben wel bang
voor de dood door een bom in mijn slaap, tijdens het middagmaal,
aan tafel, of – ik wil er niet aan denken – op het toilet. Een bom
kijkt niet waar ze valt, hé. Ik ben naar de oorlog vertrokken en heb
de mogelijkheid van mijn dood aanvaard, maar ik vraag maar om
één ding: dat een mens mij mag doden, en geen bom, dat ik de
vijand met mijn ogen mag zien. Dat God mij die laatste menselijke
gunst moge schenken – te sterven door mensenhanden. Is dat dan
zoveel gevraagd?!’
26.12.2022
Vertaling Roman Nesterenco
1 Oezjhorod ligt in het uiterste westen van Oekraïne en is Ljoebka’s
thuisstad.
2 Staat met kleine letter in het origineel. In Oekraïne is het schrijven van
moskou, rusland, poetin, lavrov, et cetera momenteel heel courant, zelfs
door enkele belangrijke nieuwsredacties.
3 Deze tekst werd oorspronkelijk op 26 december 2022 gepubliceerd, op
10 maart stond de teller al op 128 wagens en 18 trips naar het front. Op
20 mei was het al 151 wagens en 21 trips.