Het was eind 1991 toen Lela Zečković
(1936-2018), met wie ik sinds 1980 samenwerkte
en die ik nog altijd als mijn
vertaalkundige mentor beschouw, me
vertelde dat er iemand bij haar logeerde,
ze heette Dubravka Ugrešić. Ze was op
weg naar de Verenigde Staten, waar ze
een kennis in New York zou bezoeken en
dan als gastdocent college ging geven aan
de Wesleyan University. Ze had een stuk
geschreven dat door NRC-Handelsblad
zou worden gepubliceerd en mij werd
gevraagd het te vertalen, wat ik graag
deed. In het voorjaar van 1992 schreef
ze een column voor die krant: My American
Fictionary. In 1993 verschenen deze
stukken met een paar nieuwe bij Nijgh
& Van Ditmar in het boek Nationaliteit:
geen. Daarbij speelde redacteur en jeugdboekenschrijver
Henk Figee, die op 17
september 1994 overleed en aan wiens
nagedachtenis Dubravka De cultuur van
leugens opdroeg, een belangrijke rol.
Dubravka’s laatste boek was Tijdperk
van de huid (2019) en haar laatste essay,
getiteld ‘Sobrona-snoepjes en mijn
universiteiten’, verscheen in De Groene
Amsterdammer nr. 13 van 30 maart 2023.
Het was gebaseerd op een voordracht die
Dubravka op 23 oktober 2019 hield bij de
aanvaarding van het eredoctoraat dat haar
door de universiteit Kliment Ochridski in
Sofia werd toegekend.
Dubravka Ugrešić studeerde in Zagreb
Russisch taal- en letterkunde en algemene
literatuurwetenschap en verbleef vanaf 1975 enige tijd in de Sovjet-Unie. Ze
kreeg vervolgens een aanstelling bij de
universiteit waar ze gestudeerd had en samen
met Aleksandar Flaker werkte ze aan
het project Encyclopedisch overzicht van
de Russische avant-garde. Haar kennis
van en voorliefde voor de Russische letterkunde
komt – net als haar belezenheid
in het algemeen – in haar werk op alle mogelijke
manieren naar voren.
Op 23 oktober 1992 verscheen in Die
Zeit Dubravka’s essay Saubere kroatische
Luft, dat in 1995 onder de titel ‘Analyse
van een korte tekst’ in het boek De cultuur
van leugens werd opgenomen.
Het gaat over de blikjes ‘zuivere
Kroatische lucht’ die in 1991 een tijdlang
te koop waren. Pieter Hilhorst schreef
in De Groene van 28 oktober 1998 dat
Dubravka Ugrešić met haar stuk liet zien
hoe deze grap al snel uitmondde in een
heksenjacht op alles wat onzuiver was.
Samen met het essay ‘Palindroomverhaal’
in hetzelfde boek, diende het in 2019 als
basis voor de theatervoorstelling Een palindroomverhaal
van ’t Barre Land, met
op de folder het palindroomjaartal 1991
– het jaar waarin de desintegratie van Joegoslavië
begon.
De toon was in Kroatië gezet en de positie
waarin ze daar, en met name aan de
universiteit van Zagreb, kwam te verkeren
toen het nationalisme zich steeds duidelijker
manifesteerde, was voor haar in 1993
reden om Zagreb te verlaten. In 1994 verbleef
ze in Berlijn en na op verschillende adressen in Amsterdam gewoond te hebben,
vestigde ze zich in Amsterdam-West
en nam ze de Nederlandse nationaliteit aan.
Ook al had ze een vast woonadres gevonden,
toch trok Dubravka, vooral naar haar
eigen gevoel, als een balling de wereld
in en vroeg ze zich af waar ze vandaan
kwam en wie of wat ze was.
Nationaliteit: geen, p. 15
Nationaliteit: geen, p. 21
‘Waar slordig is geschreven is doorgaans
slordig gedacht. Ugrešić denkt en schrijft
precies. Ze heeft alles wat je van een intellectueel
mag verwachtten,’ aldus Arnon
Grunberg op de cover van Europa in sepia.
Inderdaad: al haar teksten, met een
ontembare werkdrift geschreven, werden
keer op keer gereviseerd en minutieus bijgewerkt. Wat mij vooral opviel waren
de vele gezichten die haar werk heeft. Ze
kon als een onderzoeksjournalist of academicus
met soms uitgebreide voetnoten
schrijven over grote, internationale –
vooral literaire en sociologische – thema’s
en persoonlijke verhalen vertellen over
kleinmenselijk lief en leed. Door al haar
stukken lopen subtiele en spitsvondige lijnen
en lijntjes.
Was Dubravka een jugonostalgičarka
– een joegonostalgica? Of zoals Rosa
van Gool het formuleerde: bleef zij Joegoslavisch?
1 In elk geval beleefde zij de
teloorgang van Joegoslavië als een rampzalige
gebeurtenis die veel ellende bracht
en leidde tot de desintegratie van haar
taalgebied. Het land onderscheidde zich
van de ‘echte’ Oostbloklanden doordat
er veel buitenlandse literatuur werd vertaald
en westerse films werden vertoond.
Bovendien werd geprobeerd de immer
sluimerende etnische conflicten beheersbaar
te houden, wat ook doorwerkte in het
onderwijs.
De cultuur van leugens, p. 23
Meermalen hekelt ze het culturele en politieke
klimaat in Kroatië, waar Joegoslavische
symbolen werden vernield, vervangen
of aan verval prijsgegeven, en waar
obscure figuren, soms uit een duister verleden,
het voor het zeggen krijgen.
Toch was Dubravka niet blind voor
misstanden en in Het tijdperk van de huid heeft ze het over het beruchte strafeiland
Goli Otok:
Tijdperk van de huid, p. 217
Het gevoel haar land en haar positie in
Zagreb te hebben moeten opgeven klinkt
in haar hele oeuvre door en ze refereert
meer dan eens aan de manier waarop ze in
Kroatië werd bejegend.
Europa in sepia, p. 265

Iets verderop lezen we:
Uit: Europa in sepia, p. 278
In haar werk proef je niet alleen een heimwee
naar het Joegoslavië van haar jeugd,
maar ook de hang naar een nog ouder,
Oostenrijks-Hongaars aandoend cultuurelement.
Zoals in onderstaand fragment,
waarin de bijna iconische Singer-naaimachine
figureert:
Museum van onvoorwaardelijke
overgave, p. 100-102

Dubravka’s gevoel van ontheemding blijkt
ook uit haar verlangen en streven om door
organisatoren van bijeenkomsten en door
uitgevers, redacteuren, recensenten en het
lezerspubliek als schrijver en intellectueel
voor vol te worden aangezien. Ze wist
zichzelf overal in woord en geschrift duidelijk
te manifesteren, daarbij geholpen
door haar immer parate kennis.
Verder kwam ze op voor erkenning
van haar beroep en ageerde ze tegen de
dreigende teloorgang van de literatuur
en de afnemende publieke belangstelling
daarvoor.
Het tijdperk van de huid, p. 9
Tegelijk ijverde ze voor de positie en de
mondigheid van haar vrouwelijke collega’s
en voor die van vrouwen in het algemeen.
Een typisch stuk in die stijl is ‘Een
schandmasker voor praatzieke feeksen’
in Het tijdperk van de huid. Onderstaand
fragment komt uit het virtuoze, pamfletistisch aandoende slotbetoog van Baba
Jaga legde een ei:

Baba Jaga legde een ei, p. 347
Heel bijzonder vond ik de stukken die ze
schreef over de band met haar moeder, die
in 1946 uit Varna door een verwoest Joegoslavië
naar Kroatië reisde, haar geliefde
achterna – die echter niet kwam opdagen.
Dubravka (tijdens telefoongesprekken
soms liefkozend Bubi genoemd) volgt en
begeleidt haar leven tot het laatste moment,
als ze diabetes krijgt en geleidelijk
dementeert. Een opmerkelijke passage
vinden we in ‘Het leven is een droom’ uit
Verboden te lezen:
Verboden te lezen, p. 177-178
Later zou haar nichtje haar entree maken,
wat grappige cultuur- en generatieverschillen
aan het licht bracht:

De vos, p. 324-325
Dubravka was van huis al een uitmuntend
observator, begiftigd met een groot gevoel
voor humor en het groteske, en haar opmerkingsgave
leek door haar bestaan als ‘ontheemde’ nog te worden versterkt. In
‘De Karaokecultuur’ (Europa in sepia,
p. 158 e.v.) presenteert ze een uitvoerige,
persoonlijke beschouwing over nieuwe,
modieuze cultuurfenomenen. Verder had
ze een scherp oog voor ‘de onzen’, dat wil
zeggen de emigranten uit Oost- en Centraal
Europa en van de Balkan, en voor
alle mogelijke schilderachtige mensen en
situaties elders op de wereld: immigranten
die een nagelstudiootje beginnen of
een winkeltje met producten ‘van thuis’
opzetten. In New York herkent ze direct
de geëmigreerde Russen. In Berlijn ziet ze
diverse vluchtelingen en op rommelmarkten
bekijkt ze en passant de materiële sporen
van de ingestorte Russische overheersing,
en in Amsterdam-West observeert ze
een groepje mannen:
Europa in sepia, p. 147
Doordat ze dikwijls in de ik-vorm schreef,
dacht ik wel eens dat het om waar gebeurde
episoden ging, terwijl er sprake was
van fictie, zij het met verwijzing naar de
realiteit. Zo is haar verhaal ‘De tuin van
de duivel’ in De vos deel 3, p. 131 e.v. een
als mooi verhaal vormgegeven onderzoek naar de desastreuze effecten van achtergebleven
landmijnen in ex-Joegoslavië.
Deel 5 van datzelfde boek, ‘Little
Miss Footnote’ (p. 275 e.v.) is een literaire
reconstructie van de tocht die de vrijwel
anoniem gebleven bibliotheekmedewerkster
Dorothy Leuthold in haar auto samen
met het echtpaar Nabokov in 1941 door
de Verenigde Staten maakte.
De vos, p. 278.
Een andere literaire reconstructie, in een
meer publicistische stijl, is te vinden in
De vos, deel 4, ‘Kom op, Behemoth, hier
met die roman!’ Daarin gaat Dubravka in
op het leven van ‘De vergeten Oberioet’
Dojvber
Levin en geeft ze een levendig
beeld van Rusland in de jaren 20 en misschien
nog begin ’30 toen er in literatuur,
film, toneel en schilderkunst nog zo veel
kon en mocht. Een frappant voorbeeld van
de sfeer in die dagen vinden we op p. 230:
Dubravka had een warm hart voor film,
beeldende kunst en theater, vooral performances.
In een van haar essays beschrijft
ze uitvoerig de installaties van de onlangs
overleden uit Rusland afkomstige kunstenaar
Ilja Kabakov. In New York bekijkt ze
de performance van Marina Abramović
en ziet ze een expositie met nostalgische
zaken uit voormalig Joegoslavië. In Baba
Jaga legde een ei passeert een complete
schilderijengalerij rond het thema ‘vrouw
en vogel’ de revue.
Hoe Dubravka – een geboren vertelster
en onderzoekster – haar boeken ook omschreef,
en ook al sprak ze een enkele
keer, zoals bij De vos, van een roman, ze
zijn altijd gebaseerd op essays, al dan niet
gegroepeerd om een gemeenschappelijk
thema of op een andere manier gestructureerd,
zoals Verboden te lezen met een
duidelijk begin, een middenstuk en een
slot. In Museum van onvoorwaardelijke
overgave heeft de terugkerende opsomming
van de maaginhoud van zeeolifant
Roland de werking van een leidmotief.
In de jaren negentig werd haar werk
soms denigrerend afgedaan gesproken
als ‘patchwork’.
Maar die kwalificatie
doet haar werk geen recht. In haar essays
bundelde en combineerde ze inderdaad
alle mogelijke gegevens uit alle denkbare
bronnen en voor haar was het internet een zegen. Maar haar stukken waren op meer
gebaseerd dan alleen het bijeenzoeken of
vergaren van gegevens en motieven en ze
leverden unieke en veelkleurige combinaties
op, waarop zonder meer het label
‘Made by Dubravka’ van toepassing was.
Op de cover van Nationaliteit: geen zien
we over Dubravka’s nog jeugdige portret
heen de plaatsnamen Zagreb, Amsterdam
en New York. Je zou daaraan een voorspellende
waarde kunnen toedichten. Ze beweerde
zich weliswaar nergens echt thuis
te voelen, maar bezat een brede, internationale
culturele oriëntatie, was overal een
graag geziene gast en heeft zich in de wereldliteratuur
een vaste plaats verworven.

In het Nederlands verschenen:
Steffie Steek in de klauwen van het leven, vertaald door Tom Eekman.
Amber, Amsterdam 1991
De sleutelroman ontsloten, vertaald door Tom Eekman. Amber, Amsterdam
1991.
Het leven is een sprookje, vertaald door Tom Eekman. Rainbow BV, Amsterdam
1992.
‘My American Dictionary’. Column in NRC-Handelsblad, 1991-1992,
vertaald door Roel Schuyt, evenals de volgende werken.
De identiteit van de Joego-schrijver. De Balie 1992.
Nationaliteit: geen. Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam 1993.
‘De cultuur van de leugen’. In: Het mijnenveld. Over journalistiek en
moraal. Onder redactie van Jacqueline Wesselius. Nijgh & Van Ditmar,
Amsterdam 1994.
De cultuur van leugens - antipolitieke essays. Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam
1995.v
‘Het leven als soap opera’. Vrij Nederland, zomer 1995.
‘Confiscatie van de herinnering’. Raster nr. 75, najaar 1996.
Museum van onvoorwaardelijke overgave. Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam
1997.
Een reeks artikelen in Vrij Nederland, juni-september 1998.
‘Vragen bij een antwoord’. Vrij Nederland 2000.
Verboden te lezen. De Geus, Breda 2001.
Amsterdam, Amsterdam. De Geus, Breda 2002, reprint 2009.
Ministerie van pijn, roman. De Geus, Breda 2005.
Niemand thuis, essays. De Geus Breda 2007.
Baba Jaga legde een ei. De Bezige Bij, Amsterdam 2010.
Europa in sepia. Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam 2015.
‘Zoete strategieën – De realisatie van een metafoor’. Nexus No.73, 2016.
De vos. Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam 2017.
‘Op een bankje met Ninotchka’. De Groene Amsterdammer No. 17, 2017.
‘De les van Sheherazade’, in samenwerking met Het Concertgebouw. 2018.
‘De tijd van de huid – De mummie in leven laten of laten begraven’. De
Groene Amsterdammer No. 10, 2018.
‘Kuuroorden – een gelaagde geschiedenis’. De Groene Amsterdammer No. 43, 2018.
Het tijdperk van de huid. Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam 2019.
‘De met gele stenen geplaveide weg’. De Groene Amsterdammer No. 7,
2022.
‘Sobrona-snoepjes en mijn universiteiten’. De Groene Amsterdammer No. 13, 2023.