Roel Schuyt



Dertig jaar met Dubravka Ugrešić – Teruglezen in verwondering




Het was eind 1991 toen Lela Zečković (1936-2018), met wie ik sinds 1980 samenwerkte en die ik nog altijd als mijn vertaalkundige mentor beschouw, me vertelde dat er iemand bij haar logeerde, ze heette Dubravka Ugrešić. Ze was op weg naar de Verenigde Staten, waar ze een kennis in New York zou bezoeken en dan als gastdocent college ging geven aan de Wesleyan University. Ze had een stuk geschreven dat door NRC-Handelsblad zou worden gepubliceerd en mij werd gevraagd het te vertalen, wat ik graag deed. In het voorjaar van 1992 schreef ze een column voor die krant: My American Fictionary. In 1993 verschenen deze stukken met een paar nieuwe bij Nijgh & Van Ditmar in het boek Nationaliteit: geen. Daarbij speelde redacteur en jeugdboekenschrijver Henk Figee, die op 17 september 1994 overleed en aan wiens nagedachtenis Dubravka De cultuur van leugens opdroeg, een belangrijke rol.

Dubravka’s laatste boek was Tijdperk van de huid (2019) en haar laatste essay, getiteld ‘Sobrona-snoepjes en mijn universiteiten’, verscheen in De Groene Amsterdammer nr. 13 van 30 maart 2023. Het was gebaseerd op een voordracht die Dubravka op 23 oktober 2019 hield bij de aanvaarding van het eredoctoraat dat haar door de universiteit Kliment Ochridski in Sofia werd toegekend.

Dubravka Ugrešić studeerde in Zagreb Russisch taal- en letterkunde en algemene literatuurwetenschap en verbleef vanaf 1975 enige tijd in de Sovjet-Unie. Ze kreeg vervolgens een aanstelling bij de universiteit waar ze gestudeerd had en samen met Aleksandar Flaker werkte ze aan het project Encyclopedisch overzicht van de Russische avant-garde. Haar kennis van en voorliefde voor de Russische letterkunde komt – net als haar belezenheid in het algemeen – in haar werk op alle mogelijke manieren naar voren.

Op 23 oktober 1992 verscheen in Die Zeit Dubravka’s essay Saubere kroatische Luft, dat in 1995 onder de titel ‘Analyse van een korte tekst’ in het boek De cultuur van leugens werd opgenomen. Het gaat over de blikjes ‘zuivere Kroatische lucht’ die in 1991 een tijdlang te koop waren. Pieter Hilhorst schreef in De Groene van 28 oktober 1998 dat Dubravka Ugrešić met haar stuk liet zien hoe deze grap al snel uitmondde in een heksenjacht op alles wat onzuiver was. Samen met het essay ‘Palindroomverhaal’ in hetzelfde boek, diende het in 2019 als basis voor de theatervoorstelling Een palindroomverhaal van ’t Barre Land, met op de folder het palindroomjaartal 1991 – het jaar waarin de desintegratie van Joegoslavië begon.

De toon was in Kroatië gezet en de positie waarin ze daar, en met name aan de universiteit van Zagreb, kwam te verkeren toen het nationalisme zich steeds duidelijker manifesteerde, was voor haar in 1993 reden om Zagreb te verlaten. In 1994 verbleef ze in Berlijn en na op verschillende adressen in Amsterdam gewoond te hebben, vestigde ze zich in Amsterdam-West en nam ze de Nederlandse nationaliteit aan. Ook al had ze een vast woonadres gevonden, toch trok Dubravka, vooral naar haar eigen gevoel, als een balling de wereld in en vroeg ze zich af waar ze vandaan kwam en wie of wat ze was.



‘Waar komt u vandaan?’ vraagt een jonge Belgische fotograaf aan me, in een poging met die vraag mijn stilzwijgen te doorbreken.

‘Uit Zagreb,’ zeg ik.

‘Waar ligt dat?’ vraagt de jonge Vlaming in zijn onschuld, terwijl hij op zijn kauwgom kauwt.

Ja, inderdaad, waar ligt dat? In Kroatië. In een land dat nog niet bestaat. En waar ligt dat? In Joegoslavië. In een land dat niet meer bestaat. Als een land niet bestaat, dan gebeurt ook niet wat daar gebeurt, …


Nationaliteit: geen, p. 15



In New York bel ik een kennis op. ‘Met wie spreek ik? Kunt u uw achternaam nog eens herhalen?’ vraagt de secretaresse.

Ik herhaal mijn achternaam. Ik spel hem.

‘Aha!’ zegt de secretaresse vrolijk. ‘It is with those little guys above the letters?’

Plotseling voel ik me op mijn gemak. Ik ben iemand with those little guys boven de letters van mijn achternaam.


Nationaliteit: geen, p. 21


‘Waar slordig is geschreven is doorgaans slordig gedacht. Ugrešić denkt en schrijft precies. Ze heeft alles wat je van een intellectueel mag verwachtten,’ aldus Arnon Grunberg op de cover van Europa in sepia. Inderdaad: al haar teksten, met een ontembare werkdrift geschreven, werden keer op keer gereviseerd en minutieus bijgewerkt. Wat mij vooral opviel waren de vele gezichten die haar werk heeft. Ze kon als een onderzoeksjournalist of academicus met soms uitgebreide voetnoten schrijven over grote, internationale – vooral literaire en sociologische – thema’s en persoonlijke verhalen vertellen over kleinmenselijk lief en leed. Door al haar stukken lopen subtiele en spitsvondige lijnen en lijntjes.

Was Dubravka een jugonostalgičarka – een joegonostalgica? Of zoals Rosa van Gool het formuleerde: bleef zij Joegoslavisch? 1 In elk geval beleefde zij de teloorgang van Joegoslavië als een rampzalige gebeurtenis die veel ellende bracht en leidde tot de desintegratie van haar taalgebied. Het land onderscheidde zich van de ‘echte’ Oostbloklanden doordat er veel buitenlandse literatuur werd vertaald en westerse films werden vertoond. Bovendien werd geprobeerd de immer sluimerende etnische conflicten beheersbaar te houden, wat ook doorwerkte in het onderwijs.



In mijn leesboekje zijn de Kroatische en Servische namen eerlijk verdeeld. Je komt Petar even vaak tegen als Mitar en Đorđe even vaak als Ivan.


De cultuur van leugens, p. 23


Meermalen hekelt ze het culturele en politieke klimaat in Kroatië, waar Joegoslavische symbolen werden vernield, vervangen of aan verval prijsgegeven, en waar obscure figuren, soms uit een duister verleden, het voor het zeggen krijgen.

Toch was Dubravka niet blind voor misstanden en in Het tijdperk van de huid heeft ze het over het beruchte strafeiland Goli Otok:



Het politieke gevangenenkamp Goli Otok was van 1949 tot 1956 in gebruik als ‘politiek heropvoedingskamp’, maar in feite was het de Joegoslavische Goelag, en dus een heel wat gruwelijkere plek dan een heropvoedingsinrichting. Na het uiteenvallen van Joegoslavië roofden de bewoners van de omliggende eilanden alles wat er te roven viel en maakten ze alles kapot wat ze kapot konden maken.


Tijdperk van de huid, p. 217


Het gevoel haar land en haar positie in Zagreb te hebben moeten opgeven klinkt in haar hele oeuvre door en ze refereert meer dan eens aan de manier waarop ze in Kroatië werd bejegend.



De professor trekt een gek gezicht Het is een ijskoude januaridag, wat voor Nederland met zijn zeeklimaat vrij uitzonderlijk is. Ik zit in mijn warme Amsterdamse werkkamer en handel mijn ochtendritueel af: ik bekijk op internet de kranten, waaronder die uit Kroatië.

Mijn blik valt op een foto van een oude man [Aleksandar Flaker] die de lezer met een kinderlijke, ondeugende grijns aankijkt en een gek gezicht trekt. Een lange neus maken is een gebaar waarbij je de duim van je gespreide hand tegen je neus houdt. De man op de foto houdt zijn beide handen ongeveer net zo, maar dan bij zijn oren. Het zijn infantiele, spottende gebaren, net als je tong uitsteken, en op die leeftijd doet bijna niemand dat nog.


Europa in sepia, p. 265



Iets verderop lezen we:



… Door mijn literair ingestelde natuur kan ik het niet laten om een (door mezelf geselecteerde) bloemlezing te presenteren van alle scheldwoorden en beschuldigingen die ikzelf en de leden van mijn heksengroepje2 door de meest geletterden onder de Kroatische geletterden, namelijk journalisten, schrijvers en critici, over ons uitgestort kregen. Ik werd in hun geschriften omschreven als:

- iemand met een ‘gedeformeerde blik’;

- iemand die geen begrip heeft voor ‘een volk dat zich verblijdt in een eigen staat en de vrijheid van het woord’;

- iemand die ‘elk gevoel voor maat en goede smaak’ heeft verloren;

- iemand met een ‘beperkt perspectief’; een schrijfster met ‘wel een heel speciaal talent’ die alleen maar ‘minderwaardige troep’ produceert;

-‘iemand die met haar pen onze natie wil vermoorden’;

- ‘een toverkol die door Kroatië rondspookt’;

- iemand uit een ‘cel van een internationale organisatie die zich tegen ons vaderland afzet en de naam van de Kroatische vaderlandse oorlog door het slijk haalt’; iemand uit een clubje van ‘lichtelijk ongelukkige, en in ieder geval gefrustreerde vrouwen’;

- ‘een joegonostalgica’;


Uit: Europa in sepia, p. 278


In haar werk proef je niet alleen een heimwee naar het Joegoslavië van haar jeugd, maar ook de hang naar een nog ouder, Oostenrijks-Hongaars aandoend cultuurelement. Zoals in onderstaand fragment, waarin de bijna iconische Singer-naaimachine figureert:



‘Tante, heeft u nog wat lapjes?’ De enorme vrouw zit op haar stoel en kijkt ons met haar heldere, doordringende ogen aan. We staan naast elkaar, als appels op een rij, we zijn net groot genoeg om over de vensterbank naar binnen te kunnen kijken. Met grote armbewegingen haalt de vrouw uit een zak wat lapjes, ze grabbelt erin als in een zak dorre bladeren, en geeft aan elk van ons door het open raam een handvol.

Die vrouw was de belangrijkste persoon in ons kleine straatje. Ze heette van haar achternaam Grof – de Graaf – en iedereen noemde haar eerbiedig Grofica – de Gravin.

Die reusachtige vrouw leek met haar naaimachine – een Singer – te zijn vergroeid. Ze vormden samen één geheel: de Singergravin. Het grote lichaam van de Singergravin bewoog met een voet zichzelf (de andere lag rustig naar achteren), met een hand draaide het aan het zwarte wiel en met de andere temde het de levende stof en doorboorde die met zijn naalden.


Museum van onvoorwaardelijke overgave, p. 100-102



Dubravka’s gevoel van ontheemding blijkt ook uit haar verlangen en streven om door organisatoren van bijeenkomsten en door uitgevers, redacteuren, recensenten en het lezerspubliek als schrijver en intellectueel voor vol te worden aangezien. Ze wist zichzelf overal in woord en geschrift duidelijk te manifesteren, daarbij geholpen door haar immer parate kennis.

Verder kwam ze op voor erkenning van haar beroep en ageerde ze tegen de dreigende teloorgang van de literatuur en de afnemende publieke belangstelling daarvoor.



Ik word altijd een beetje kregel als ik zo’n pretentieus cliché hoor als ‘het leven schrijft zijn eigen romans’. Want laten we wel wezen: als het leven romans schreef, was er geen literatuur geweest. Misschien is de literatuur op haar retour, alleen komt dat niet doordat het leven een historische overwinning op haar heeft behaald, maar doordat een literaire zelfdestructie aan de gang is waar iedereen die bij het literaire proces betrokken is ijverig aan meewerkt: geldbeluste uitgevers, gemakzuchtige redacteuren, omkoopbare critici en van alle ambitie en talent gespeende schrijvers die hunkeren naar roem.


Het tijdperk van de huid, p. 9


Tegelijk ijverde ze voor de positie en de mondigheid van haar vrouwelijke collega’s en voor die van vrouwen in het algemeen. Een typisch stuk in die stijl is ‘Een schandmasker voor praatzieke feeksen’ in Het tijdperk van de huid. Onderstaand fragment komt uit het virtuoze, pamfletistisch aandoende slotbetoog van Baba Jaga legde een ei:



… Denkt u eens aan de honderdduizenden meisjes die door toedoen van geesteszieken, pedofielen of zelfs hun eigen, wettige echtgenoten en vaders met aids besmet raakten, en stelt u zich dan voor dat zij ook ten strijde trekken. En versterking krijgen van alle Afrikaanse vrouwen met metalen ringen om hun hals; van de vrouwen bij wie de clitoris werd weggenomen en de vagina dichtgenaaid, van de vrouwen met siliconenborsten, botoxlippen en een gekloonde glimlach; van de miljoenen uitgehongerde vrouwen die uitgehongerde kinderen ter wereld brengen. Denkt u eens aan de miljoenen vrouwen die worden gedwongen hun gebed te richten tot mannelijke goden en hun vertegenwoordigers hier op aarde: schaamteloze grijsaards met purperen, witte, gouden en zwarte hoofddeksels, met tiara’s, mijters, kamilavkia, baretten, keppeltjes, geruite Arabische hoofddoeken, fezzen en tulbanden, met al die penissymbolen die ze tegelijk kunnen gebruiken als een antenne om ongestoord contact met hun goden te onderhouden.



Baba Jaga legde een ei, p. 347


Heel bijzonder vond ik de stukken die ze schreef over de band met haar moeder, die in 1946 uit Varna door een verwoest Joegoslavië naar Kroatië reisde, haar geliefde achterna – die echter niet kwam opdagen. Dubravka (tijdens telefoongesprekken soms liefkozend Bubi genoemd) volgt en begeleidt haar leven tot het laatste moment, als ze diabetes krijgt en geleidelijk dementeert. Een opmerkelijke passage vinden we in ‘Het leven is een droom’ uit Verboden te lezen:



Iedere zaterdag bel ik mijn moeder in Zagreb. We praten even, volgens een vast patroon. Mama is om een of andere reden altijd geïnteresseerd in hoe laat het is in het land waar ik op dat moment ben. We vergelijken de tijd en praten wat over het leven. Mijn moeder, die al jarenlang geen voet buiten Zagreb heeft gezet, verzuchtte onlangs: ‘Weet je, het is alsof mijn leven helemaal niet mijn leven is. Ik weet niet van wie dan wel. Ik weet alleen dat het niet het mijne is.’ Ik was met stomheid geslagen. Ik wist niet wat ik daarop moest zeggen. Wat mijn moeder zei, had de authentieke uitspraak van een balling kunnen zijn.


Verboden te lezen, p. 177-178


Later zou haar nichtje haar entree maken, wat grappige cultuur- en generatieverschillen aan het licht bracht:



Naar films voor volwassenen kijkt ze helemaal niet, ze vindt er niets aan, maar vreemd genoeg is ze wel dol op de Turkse televisieserie Süleyman de Grote. Ik had op haar leeftijd al een hele reeks grote- mensenfilms gezien, maar in mijn tijd waren veel dingen anders dan nu. Ze houdt ook niet van lange 3D-animatiefilms, ze moest er een keer in de bioscoop om huilen, en sindsdien kijkt ze er niet meer naar. Maar ze kijkt nog wel altijd, en ik snap niet waarom, naar filmpjes over een spons waarvan ik eerst dacht dat het een stuk gatenkaas was.

‘Tanteee, dat is geen stuk kaas, maar een spons!’ riep ze op verwijtende toon, alsof dat heel veel uitmaakte, en ze zei erbij: ‘En hij heet Bob!’



De vos, p. 324-325


Dubravka was van huis al een uitmuntend observator, begiftigd met een groot gevoel voor humor en het groteske, en haar opmerkingsgave leek door haar bestaan als ‘ontheemde’ nog te worden versterkt. In ‘De Karaokecultuur’ (Europa in sepia, p. 158 e.v.) presenteert ze een uitvoerige, persoonlijke beschouwing over nieuwe, modieuze cultuurfenomenen. Verder had ze een scherp oog voor ‘de onzen’, dat wil zeggen de emigranten uit Oost- en Centraal Europa en van de Balkan, en voor alle mogelijke schilderachtige mensen en situaties elders op de wereld: immigranten die een nagelstudiootje beginnen of een winkeltje met producten ‘van thuis’ opzetten. In New York herkent ze direct de geëmigreerde Russen. In Berlijn ziet ze diverse vluchtelingen en op rommelmarkten bekijkt ze en passant de materiële sporen van de ingestorte Russische overheersing, en in Amsterdam-West observeert ze een groepje mannen:



Ze zijn te herkennen aan de manier waarop ze lopen en zich kleden. Ze dragen meestal een spijkerbroek en een leren jasje, of een windjack, alsof ze van een skivakantie terugkomen. Hun jasje komt tot aan hun middel. Als ze lopen duwen ze hun buik en heupen iets vooruit. Ze hebben thuis geleerd dat deze houding iets autoritairs en mannelijks uitstraalt, zoiets als ‘ik ben de baas in huis’. Ze hebben hun handen in hun zakken, want ze weten niet goed waar ze die anders moeten laten.

Ze komen en gaan in groepjes van twee, drie of vier. Als je slechts één exemplaar waarneemt, krijg je het onbestemde gevoel dat er aan je studieobject iets ontbreekt. Ze lopen altijd in groepjes en steunen op elkaar als op onzichtbare krukken.


Europa in sepia, p. 147


Doordat ze dikwijls in de ik-vorm schreef, dacht ik wel eens dat het om waar gebeurde episoden ging, terwijl er sprake was van fictie, zij het met verwijzing naar de realiteit. Zo is haar verhaal ‘De tuin van de duivel’ in De vos deel 3, p. 131 e.v. een als mooi verhaal vormgegeven onderzoek naar de desastreuze effecten van achtergebleven landmijnen in ex-Joegoslavië.

Deel 5 van datzelfde boek, ‘Little Miss Footnote’ (p. 275 e.v.) is een literaire reconstructie van de tocht die de vrijwel anoniem gebleven bibliotheekmedewerkster Dorothy Leuthold in haar auto samen met het echtpaar Nabokov in 1941 door de Verenigde Staten maakte.



Een van de onvermijdelijke voetnoten in de moderne literatuurgeschiedenis was Dorothy Leuthold, en dat terwijl ze geen enkele moeite deed om het te worden, er niet voor was gekwalificeerd (kan iemand zich als voetnoot kwalificeren? Jazeker!) en het ook niet had gewild. Hoe het ook zij, ze werd een telkens opduikende voetnoot in de omvangrijke cultuurtekst die ‘Vladimir Nabokov’ heet. En terwijl deze tekst met de dag groter wordt, blijft Dorothy Leuthold onveranderd de kleine en raadselachtige voetnoot die ze aan het begin was, wat in onze tijd – waarin veel teksten onder hun talrijke en uitgebreide voetnoten dreigen te bezwijken – een grote zeldzaamheid mag worden genoemd.


De vos, p. 278.


Een andere literaire reconstructie, in een meer publicistische stijl, is te vinden in De vos, deel 4, ‘Kom op, Behemoth, hier met die roman!’ Daarin gaat Dubravka in op het leven van ‘De vergeten Oberioet’ Dojvber Levin en geeft ze een levendig beeld van Rusland in de jaren 20 en misschien nog begin ’30 toen er in literatuur, film, toneel en schilderkunst nog zo veel kon en mocht. Een frappant voorbeeld van de sfeer in die dagen vinden we op p. 230:



Dankzij het voorwoord van Salamandra P.V.V. wordt Levins status enigermate hersteld. Er worden enkele overtuigende bewijzen geleverd van Levins activiteiten, bijvoorbeeld om aan de optredens van de Oberioeten een theatrale vorm te geven. Toch blijft Levin op de achtergrond, als een figurant op het toneel van belangrijke avantgardistische experimenten waarbij de meest getalenteerden, zoals Daniil Charms en Aleksandr Vvedenski, terecht hun vleugels mochten uitslaan.


Dubravka had een warm hart voor film, beeldende kunst en theater, vooral performances. In een van haar essays beschrijft ze uitvoerig de installaties van de onlangs overleden uit Rusland afkomstige kunstenaar Ilja Kabakov. In New York bekijkt ze de performance van Marina Abramović en ziet ze een expositie met nostalgische zaken uit voormalig Joegoslavië. In Baba Jaga legde een ei passeert een complete schilderijengalerij rond het thema ‘vrouw en vogel’ de revue.

Hoe Dubravka – een geboren vertelster en onderzoekster – haar boeken ook omschreef, en ook al sprak ze een enkele keer, zoals bij De vos, van een roman, ze zijn altijd gebaseerd op essays, al dan niet gegroepeerd om een gemeenschappelijk thema of op een andere manier gestructureerd, zoals Verboden te lezen met een duidelijk begin, een middenstuk en een slot. In Museum van onvoorwaardelijke overgave heeft de terugkerende opsomming van de maaginhoud van zeeolifant Roland de werking van een leidmotief. In de jaren negentig werd haar werk soms denigrerend afgedaan gesproken als ‘patchwork’.

Maar die kwalificatie doet haar werk geen recht. In haar essays bundelde en combineerde ze inderdaad alle mogelijke gegevens uit alle denkbare bronnen en voor haar was het internet een zegen. Maar haar stukken waren op meer gebaseerd dan alleen het bijeenzoeken of vergaren van gegevens en motieven en ze leverden unieke en veelkleurige combinaties op, waarop zonder meer het label ‘Made by Dubravka’ van toepassing was.

Op de cover van Nationaliteit: geen zien we over Dubravka’s nog jeugdige portret heen de plaatsnamen Zagreb, Amsterdam en New York. Je zou daaraan een voorspellende waarde kunnen toedichten. Ze beweerde zich weliswaar nergens echt thuis te voelen, maar bezat een brede, internationale culturele oriëntatie, was overal een graag geziene gast en heeft zich in de wereldliteratuur een vaste plaats verworven.






1 Zie https://www.volkskrant.nl/nieuwsachtergrond/schrijver-dubravkaugresic-1949-2023-bleef-altijdjoegoslaaf~ba92d5d0/
2 Degenen die destijds in de Kroatische media geregeld werden aangevallen, waren de schrijfster en journaliste Slavenka Drakulić, de journaliste Vesna Kesić, de hoogleraar in de wijsbegeerte Rada Iveković en de journaliste Jelena Lovrić; op een gegeven moment besloot men de krachten te bundelen en een collectieve zaak tegen de ‘vijf Kroatische heksen’ op te zetten. (Noot van de schrijfster).







In het Nederlands verschenen:

Steffie Steek in de klauwen van het leven, vertaald door Tom Eekman. Amber, Amsterdam 1991

De sleutelroman ontsloten, vertaald door Tom Eekman. Amber, Amsterdam 1991.

Het leven is een sprookje, vertaald door Tom Eekman. Rainbow BV, Amsterdam 1992.

‘My American Dictionary’. Column in NRC-Handelsblad, 1991-1992, vertaald door Roel Schuyt, evenals de volgende werken.

De identiteit van de Joego-schrijver. De Balie 1992.

Nationaliteit: geen
. Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam 1993.

‘De cultuur van de leugen’. In: Het mijnenveld. Over journalistiek en moraal. Onder redactie van Jacqueline Wesselius. Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam 1994.

De cultuur van leugens - antipolitieke essays. Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam 1995.v ‘Het leven als soap opera’. Vrij Nederland, zomer 1995.

‘Confiscatie van de herinnering’. Raster nr. 75, najaar 1996.

Museum van onvoorwaardelijke overgave. Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam 1997.

Een reeks artikelen in Vrij Nederland, juni-september 1998.

‘Vragen bij een antwoord’. Vrij Nederland 2000.

Verboden te lezen. De Geus, Breda 2001.

Amsterdam, Amsterdam. De Geus, Breda 2002, reprint 2009.

Ministerie van pijn, roman. De Geus, Breda 2005.

Niemand thuis, essays. De Geus Breda 2007.

Baba Jaga legde een ei. De Bezige Bij, Amsterdam 2010.

Europa in sepia. Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam 2015.

‘Zoete strategieën – De realisatie van een metafoor’. Nexus No.73, 2016.

De vos. Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam 2017.

‘Op een bankje met Ninotchka’. De Groene Amsterdammer No. 17, 2017.

‘De les van Sheherazade’, in samenwerking met Het Concertgebouw. 2018.

‘De tijd van de huid – De mummie in leven laten of laten begraven’. De Groene Amsterdammer No. 10, 2018.

‘Kuuroorden – een gelaagde geschiedenis’. De Groene Amsterdammer No. 43, 2018.

Het tijdperk van de huid. Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam 2019.

‘De met gele stenen geplaveide weg’. De Groene Amsterdammer No. 7, 2022.

‘Sobrona-snoepjes en mijn universiteiten’. De Groene Amsterdammer No. 13, 2023.




<   

TSL 93

   >