Semezdin Mehmedinović
Twee verhalen
de ring van tito
Mijn ingewikkelde verhouding met deze stad begon precies veertig
jaar geleden. Op een zonnige zomerochtend in 1979 arriveerde
ik met de bus in Sarajevo. En laat ik meteen maar zeggen: het
werd de langste dag van mijn leven. Ik werd van het busstation
afgehaald door Graaf. De schilder. Hij stond voor me in een wit
overhemd met korte mouwen, en uit zijn borstzak stak een pakje
Drina zonder filter. Hij vroeg:
‘Wat zit er in je tas?’
En alsof ik aan de grens een douanier tegenover me had, bekende
ik gehoorzaam:
‘Boeken!’
Ik schreef me die zomer in voor de studie literatuurwetenschap
aan de letterenfaculteit, de colleges zouden in de eerste week van
september beginnen. Graaf was een paar jaar ouder dan ik, enigszins
door Warhol geobsedeerd, hij schilderde op T-shirts, kussens,
op doeken in alle vormen behalve op het soort schildersdoeken dat
op een leeg raam wordt gespannen (‘ik schilder traditioneel enkel
op bestelling, en als het moet’). Onderweg naar zijn huis vertelde
hij me waar hij op dat moment mee bezig was, en vervolgens, op
gedempte toon, dat hij in de loop van die dag een van zijn schilderijen
naar Zagreb moest versturen, voor een of andere gewichtige
tentoonstelling. Zijn haar was kortgeknipt als van een gevangene,
hij had een verticaal litteken dat van zijn neus omhoog klom tot
halverwege zijn voorhoofd, en zo kwam het dat alles wat hij zei
serieus en overtuigend was.
Ik had een flat nodig. Het plan was dat ik een paar dagen bij
Graaf zou logeren, en intussen zou hij me helpen om een blijvend
onderkomen te vinden. Zijn familiehuis stond in Alifakovac, aan
de rand van de canyon. Vanaf het balkon zag je de uitlopers van de
oude witte begraafplaats, aan de overzijde, waar de wijk Vratnik
is, de stenen vesting, daar tussen de diepe en wijde kloof. Een
uitzicht dat je naar adem deed happen. Ik moet hier ook vermelden
dat een van de boeken in mijn blauwe linnen plunjezak Botten en
vlees van Abdullah Sidran was. Het leek wel of het zicht op Sarajevo
dat ik vanaf het balkon van Graaf had, voorspeld was in Sidrans gedichten. En ik kreeg de indruk dat wat ik zag de waarachtigheid
van zijn poëzie benadrukte.
We zaten op het balkon dat boven de afgrond zweefde en met
veel aandacht keek ik naar de werkzaamheden aan het viaduct in
aanbouw in de kloof. Van zoveel afstand leek het bouwwerk net
een stuk speelgoed, minuscule menselijke gestalten op steigers,
vrachtwagens geparkeerd naast de pijlers van een brug waar geen
water onder door liep, en vanwege de verkleinde schaal wekte dat
alles in mij een onderdrukt verlangen naar kinderspel. Op het gele
tafelzeil voor ons lagen walnoten te drogen, uit de gebarsten groene
dop verspreidde zich een bittere, kruidige geur. We bevonden
ons in het gezelschap van de vader van Graaf, een toegewijde duivenmelker,
die geen aandacht op ons sloeg, verdiept als hij was
in zijn witte vogels die zich in de lucht boven ons hoofd omhoog
vochten en tegen de blauwe hemel met hun vleugels klapperden;
hij riep ze fluitend bij zich en bewonderde hun vliegkunsten.
Maar toen gebeurde er iets onverwachts. Het viaduct begon
voor onze ogen in te storten. Ik zag de bouwvakkers met hun witte
miniatuurhelmen gezamenlijk van het viaduct vallen, ik zag het
beton barsten, en nadat de hele constructie naar beneden was gekomen,
steeg er een grote grijze wolk op. Het leek niet waarschijnlijk
dat ook maar een van de bouwvakkers dit kon hebben overleefd.
Voor onze ogen had zich net de dood voltrokken, en toch bleef dit
alles veraf, mogelijk vanwege de afstand van het bouwwerk, de
anonimiteit van de mensen en de afwezigheid van geluid, en het
leek niets met ons te maken te hebben. De duivenmelker keek even
naar de ravage, herpakte zich snel en richtte zijn blik weer op de
hemel; net alsof er niets was gebeurd wijdde hij zich weer aan zijn
vogels, alleen floot hij niet meer naar ze.
Aldus begon mijn eerste dag in Sarajevo.
Maar daarmee was het nog niet voorbij, Graaf trok nu eenmaal
als een magneet gebeurtenissen aan. Vroeg in de avond verscheen
zijn broer, een taxichauffeur, die was moe (‘ik heb meer dan twintig
uur aan een stuk gereden, naar Triëst en terug’), hij begroette
ons kort en ging slapen. Graaf zei daarop dat hij zijn schilderij naar
Zagreb moest versturen en vroeg of ik hem kon helpen. Ik stemde
toe, keus had ik niet.
Uit zijn kamer bracht hij een tas en twee emmertjes verf, waarop
we het huis verlieten. De tas en de verf laadde hij achter in de
lichtblauwe Fiat 1300, de taxi van zijn broer, waarop wij voorzichtig,
om de vermoeide chauffeur niet te wekken, zacht de portieren
van de auto sloten; met Graaf achter het stuur daalden we
langzaam af naar de stad. Ik had geen idee waar we heen gingen.
Het was al volledig donker geworden. We waren inmiddels al bij
Marijin Dvor, en daar sloegen we af naar het treinstation. We passeerden
het stationsplein en parkeerden in een van de zijstraten,
stapten uit, Graaf verzocht me de verf te dragen, hij nam de tas, we
glipten door een gat in de omheining en staken zo het spoor achter
het stationsgebouw over.
Op het spoor stonden twee gerangeerde vrachttreinstellen, en
toen we die hadden bereikt bekeek Graaf aandachtig de verschillende wagons, net zolang tot hij ‘de zijne’ gevonden had. Vervolgens
droeg hij mij op om tussen de wagons te klimmen, om een
wakend oog op de andere kant te werpen, de wacht te houden, en
hem te waarschuwen mocht een spoorwegbeambte onze kant op
komen. Hij was inmiddels begonnen met schilderen, op de wand
van een van de wagons. Eerst gebruikte hij krijt, daarop opende hij
de verf, uit de tas haalde hij kwasten in verschillende maten. Het
interesseerde me natuurlijk hevig wat hij aan het schilderen was,
maar ik moest de wacht houden en keek in de richting van het station.
Op het perron stonden reizigers, er liep personeel in uniform
van de spoorwegen, maar niemand maakte aanstalten onze kant
op te komen.
Ik weet niet hoeveel tijd er verstreek, het was een lange dag
geweest, ik was moe en wilde slapen. Ik wilde alleen maar dat het
voorbij was. Ik werd verrast toen de trein in beweging kwam, je
hoorde het metalen stoten van de wagons, in paniek sprong ik in
het grint en rende naar Graaf terug, die nog altijd, gehaast, door
schilderde. Daarop hoorden we stemmen van mensen die onze
richting uitkwamen, inderhaast verzamelden we de kwasten, de
emmertje verf en gingen terug. Maar toen we de omheining bereikten
bleven we staan en keken vanuit de schaduw naar de trein
die langzaamaan vaart won. Toen pas had ik aandacht voor wat
hij geschilderd had. Op de wand van de trein was een raam van de
Blauwe Trein geschilderd, je zag de linkerhand van een passagier
met een Cubaanse sigaar tussen de vingers, een kostbare ring aan
de ringvinger, terwijl de rechterhand naar beneden wees, naar een
tros verstrengelde armen van onzichtbare mensen die de hand van
de Maarschalk wilden schudden, die ik op dat moment herkende,
ook al kon je in de schildering alleen zijn handen zien. En op dat
moment kon ik precies voelen hoe de angst van beneden, vanaf
mijn voeten, door mijn lijf trok.
Graaf zei:
‘Daar gaat mijn schilderij naar Zagreb.’
De trein won verder aan snelheid. Ik zweeg, en hij zei alleen
nog, en enigszins teleurgesteld:
‘Ik heb de ring niet afgekregen.’
En daarop vertrokken we.
een onvoltooide partij schaak
Half maart van dit jaar, 2020, vlak voordat vanwege het coronavirus
de restaurants gesloten werden en het openbaar vervoer tot
stilstand kwam, kwam ik onderweg naar Hotel Europa door die
ene smalle straat langs het Literatuurmuseum. Louter uit nieuwsgierigheid
opende ik de zware houten poort en liep de binnenplaats
op. Er was niemand, ik liep een rondje en inspecteerde de gevel
van het pand. Sinds mijn terugkeer wandel ik door de stad en neem
bekende plaatsen in me op. Zo stond ik ook aandachtig het pand
van het Literatuurmuseum te observeren. Ik geef toe dat ik het
amusant vind, en dat het me soms ook van mijn stuk brengt, om te vergelijken wat er ooit was en wat er nu is. Het verschil tussen
toen en nu is tijd die nooit meer gecompenseerd kan worden.
Het is de tijd waarin ik hier niet was. Ik ging het museum binnen
overtuigd iemand te vinden die daar werkt, maar ik trof een lege
expositieruimte aan. Aan de wanden zag ik tekeningen en schilderijen,
vooral witte doeken met reliëf; werken die opvielen door
een feminiene puurheid. Maar ik had geen tijd me daarmee bezig
te houden, ik keek naar een lege ruimte. Daar achterin de ruimte
stond ooit een tafel. Op die tafel een schaakbord. Het is het jaar
1992, eind oktober. Aan de tafel zit Graaf, hij steekt een sigaret op,
af en toe werpt hij een blik door het raam naar buiten.
Maar om dit verhaal volledig te vertellen moet ik nog vijftien
maanden verder teruggaan, naar juli van het jaar 1991.
In Sarajevo werd destijds een grote protestbijeenkomst tegen
de oorlog georganiseerd. Ik had toen een kleine boekhandel in het
Schrijvershuis. We waren een tijdschrift begonnen dat zich hoofdzakelijk
met literatuur en kunst bezighield, en Zdravko Grebo, de
man achter de protestbijeenkomst, vroeg me of ik een activiteit
kon bedenken, iets wat weinig voorbereiding vergde want daar
was geen tijd voor. Ik stelde een bescheiden expositie voor met
schilders uit Sarajevo, degenen die naar mijn mening op dat moment
het sterkste werk in de stad maakten, dat intrigerend genoeg
was om de interesse van het publiek te wekken. Hij vond het een
goed idee, en de volgende dag kwam ik al met mijn lijst favorieten,
allemaal lokale schilders, waartussen ook mijn vriend Graaf prijkte.
Aan elk van hen zou een avond gewijd worden, waar Nermina
Kurspahić zou spreken, en ook Petar Čuković, een kunsthistoricus
uit Podgorica. Ik bracht de schilders op de hoogte, ze hadden
geen probleem met de korte voorbereidingstijd, integendeel, ze
verheugden zich erop. Toen ik Graaf mijn idee uiteen zette, vroeg
hij: ‘En wat zou je willen dat ik tentoonstel?’ ‘De werken waar jij
tevreden over bent,’ zei ik. ‘Maar liever niet al te provocerende
werken, zodat de gasten ook van hun maaltijd kunnen genieten.’
Daar was hij het mee eens. Hij beloofde er in de loop van die dag
over na te denken en een selectie te maken die ‘bij uitstek geschikt
is voor een horecaruimte’.
Alles voltrok zich zeer snel, er was te weinig tijd voor serieuze
voorbereidingen, hooguit een week, toch ging alles volgens plan.
Op de dag van de opening was het Schrijvershuis veranderd in
een vooraanstaande galerie, de werken hingen redelijk gelukkig
gerangschikt aan de muren, er waren gasten te over, ten dele omdat
er een groot aantal deelnemers voor onze protestbijeenkomst
was. Vanaf de balustrade sprak ik de aanwezigen toe, een korte
inleiding waarin ik de motieven voor de selectie uiteenzette, en ik
opende de expositie. Daarop voerde Jusuf Hadžifejzović zijn inmiddels
bekende performance uit, Van kitsch naar bloed is slechts
één stap, een daad van publiekelijk scheren en knippen, al met al
nogal schokkend, met heel wat bloed. Het was uiterst plastisch en
suggestief, het bracht de aanwezigen in een lichte staat van schok.
Nermina Kurspahić zou Jusufs performance de volgende dag voor
ons tijdschrift beschrijven als een ‘bloedige dans voor het publiek,
voor de toekomstige lijken’. Ik citeer uit het hoofd, want ik heb
het tijdschrift niet bij de hand. Hoe dan ook, ze maakte zich geen
enkele illusie over de oorlog die er voor onze stad aankwam. Er
waren die avond flink wat tv-ploegen in het Schrijvershuis, en
niet alleen uit onze republiek. Er was zelfs een ploeg van de ZDF,
de Duitse televisie, die de opening van de expositie filmde. Het
maakte al met al serieus indruk.
Na Jusufs performance gingen we een verdieping lager, daar in
het restaurant hingen de werken van Graaf. Twaalf kleine kussens,
elk hing afzonderlijk aan het plafond boven een tafel, het betrof telkens
een naaktportret van een vrouw. Enkele van de geportretteerden
waren kennissen van ons, anderen waren publieke personen,
zodat de gasten in het restaurant hen onmiddellijk herkenden. Mijn
verwachting was dat zijn werken provocerend zouden werken,
maar een serieuze reactie van het publiek bleef uit. Ze wierpen er
een blik op en wijdden zich dan weer snel aan hun glas wijn en hun
conversatie. Sarajevo bevond zich in een vreemde promiscue staat,
mogelijk een teken van de naderende oorlog, mensen haastten zich
om zoveel mogelijk voldoening uit de wereld te halen, en er werd
geleefd alsof elke dag de laatste kon zijn. Dat Graaf naaktportretten
van zijn minnaressen tentoonstelde was voor de critici een blijk van
narcisme van een jonge en wat wilde kunstenaar die zijn agressie
middels kunst kanaliseerde. Maar te midden van de bezoekers aan
het restaurant bevond zich die avond ook Adem, een jonge kerel die
zich dat jaar snel had verrijkt, met schimmige zaken. Het vermoeden
was dat hij sigaretten uit Bulgarije smokkelde.
Ik was er niet toen het gebeurde, maar degenen die er wel bij
waren geweest, legden me uit dat Adem om meer ketchup voor
zijn pizza napolitana had gevraagd. Daarop smeerde hij zijn handen
vol met de rode saus, stond op van tafel, en voordat iemand
hem kon tegenhouden veegde hij zijn handen af aan het kussentje
van Graaf dat daar aan het plafond hing. Mij beviel dit niet, de
avond was verder redelijk succesvol verlopen, dit was een smet
op het evenement, maar Graaf stelde me gerust, hij zei: ‘Zie je,
door deze toevoeging,’ en hij wees op de rode afdruk van Adems
handen op het linnen, ‘is mijn tekening een stuk rijker geworden,
het heeft wat bloed gekregen.’ Als Graaf het zo goed vond, dacht
ik, dan was ik ook tevreden.
Hoe dan ook, in de daaropvolgende dagen kwamen die dagen
bekenden langs die hoofdzakelijk moesten glimlachen om Adems
‘performance’, die ze ook navertelden. De tekening die hij had
ontwijd beeldde zijn jonge echtgenote uit. Ook het kussen waarop
ze was getekend was Adem niet vreemd. Graafs verdediging
luidde dat de tekening ver voor het huwelijk van het meisje was
ontstaan.
Onze inspanning om middels kunst de oorlog tegen te houden
bleek vergeefs. Negen maanden later lag Sarajevo al onder beleg.
Graaf was eerst soldaat, maar nadat hij bij Zlatište gewond raakte
verloor hij zijn interesse voor oorlogvoering. In de zomer van
1992 kwam hij naar de Danijel Ozmastraat om te zien of ik hem
kon helpen een werkvergunning te krijgen, zodat hij niet opnieuw
in uniform naar de loopgraven moest. Zdravko Grebo richtte in
die tijd de Persdienst op, ik maakte deel uit van die ploeg, en hij
had veel invloed bij het leger en de politici, en zo bedacht hij voor
Graaf een of andere werkverplichting. Wat die precies was? Dat
herinner ik me niet meer, maar zeker een maand lang kwam ik hem
niet tegen in de stad. Maar begin oktober kwam ik te weten dat hij
in het Literatuurmuseum een ruimte had gevonden waarin hij een
klein atelier had gemaakt. Mij werd verteld dat hij daar overdag
zijn tijd doorbracht, en dat hij schilderde.
Vervolgens kwam ik op straat Aco Ljiljko tegen, een bijzonder
aardig mens, die destijds in het Literatuurmuseum werkte. Ook hij
vertelde me dat Graaf daar inderdaad verbleef, dat hij schilderde,
en dat hij ‘sedert enkele dagen’ was begonnen te schaken met een
vriend van hem, een militair. Ik moet bekennen dat mij hevig interesseerde
wat voor nieuw werk Graaf aan het maken was, dus ging
ik een van die dagen naar het Literatuurmuseum, in de ochtendlijke
uren, tijdens het schaken.
Het was dus oktober 1992. Waar nu de expositieruimte is, met
de intrigerende witte doeken aan de muur, was achtentwintig jaar
geleden een lege ruimte met een tafel. Toen ik binnenkwam zat
Graaf aan die tafel, met daarop een schaakbord en opgestelde stukken.
Hij was verrast me te zien, hij ging met zijn vingers door
zijn haar en leek wat zenuwachtig. We begroetten elkaar, ik keek
om me heen, ik wilde vooral zien waar hij mee bezig was. Op dat
moment ging de deur van de galerie open en stoven er twee honden
binnen. Twee levendige pitbulls renden verdwaasd rond, aan
hun bek en oren de bloederige sporen van hondengevechten, in die
dagen een zeer populair tijdverdrijf in de stad. Achter hen dook
een militair op. Ook hij was verrast me te zien. Ik had evenmin
verwacht hier Adem aan te treffen, de voormalige smokkelaar van
Bulgaarse sigaretten. En ik was niet verheugd hem te zien, want hij
had dat jaar het bevel over een militaire eenheid die ook door de lokale mensen werd gevreesd. Zo waren de tijden, elke buurt had
zijn eigen leger. Hij kalmeerde zijn honden en kwam op de tafel af.
Hij bekeek mij met ongeloof. ‘ Wie mag dit wel zijn?’ vroeg hij, en
Graaf antwoordde kortaf: ‘een vriend.’ Adem nam plaats aan tafel,
legde zijn Colt 45 naast het schaakbord en deed de openingszet.
Hij speelde met wit. Daarop keek hij naar het raam, en alsof hem
net iets te binnen was geschoten nam hij zijn revolver van tafel en
zette het stuk dat hij daarnet verplaatst had terug op de oorspronkelijke
positie. Zo zag hij af van de partij schaak. Hij zei dat hij
iets belangrijks te doen had en dat hij morgen terug zou komen. Hij
floot en de honden schoten achter hem aan naar de ingang.
‘Wat heeft dit te betekenen?’ vroeg ik aan Graaf.
‘Dat weet ik
niet,’ zei hij.
‘Wat wil hij van je?’
‘Dat weet ik niet. We schaken.
Soms wil hij nieuw werk van me zien. Maar hij komt vooral om te
schaken. En hij wacht tot ik een verkeerde zet doe.’
Vertaling Guido Snel