Olga Tokarczuk



Empusion (fragment)




Wojnicz keerde terug naar het pension met een schriftje, waarin vanaf dat moment het verloop van zijn behandeling moest worden opgetekend, en hij liet zijn gedachten gaan over wat dokter Semperweiß had gezegd. Het belangrijkste van de kuur was het regime. Er werd vroeg opgestaan, heel vroeg in de ochtend. Temperaturen. Optekenen in het cahier. Nog voor het ontbijt, dat tussen zeven en acht uur genuttigd werd, verplicht gymnastiek, na het ontbijt een wandeling en tussendoor eventueel baden volgens de methode van de eerwaarde Kneipp en andere toepassingen. Wandelingen over een afgepast traject. Het tweede ontbijt was om tien uur: steevast vers brood met boter en melk. Daarna de ligkuur op een van de vele terrassen. Het middagmaal tussen half een en half twee (soep met vlees, een stevige vleesmaaltijd met groenten, daarna dessert en compote; op zondag werd er in plaats van compote iets zoets geserveerd, taart of een zoet meelgerecht). Na het diner verplicht koffie drinken in de wintertuin of in de paviljoens. Opnieuw een ligkuur, opnieuw een wandeling, maar het middagtraject moest een ander zijn dan dat van eerder op de dag. High tea van vier tot half vijf en het avondeten werd geserveerd om zeven uur – warm vlees met aardappelen, daarbij onvoorwaardelijk een glas melk. ’s Avonds opnieuw de thermometer en een paar zinnen in het cahier over de gemoedsgesteldheid. Veel slaap. Geen opwinding. Goed voedzaam eten. Veel vlees, melk en schapenkaas. Wojnicz had besloten voor zijn middageten en ontbijt naar het kurhaus te gaan; het avondeten zou hij in het Pension voor Heren gebruiken. Zo was hem geadviseerd. Wanneer hij naar het kurhaus zou verhuizen, zou hij daar de rest van de maaltijden nemen. De gasten werden opgeroepen met een trompetsignaal.

Hij barstte van de opwinding en goede wil, het was het soort euforie die ontstaat als men aan iets nieuws begint, iets dat onherroepelijk een nieuwe aanvang aankondigt, als men zich losmaakt van het oude en wat geweest is prijsgeeft aan de vergetelheid. Nu kwam zelfs de strenge en ironiserende Semperweiß hem voor als een heraut van de verandering.

Onder het lopen probeerde hij te onthouden hoe de huizen en de gastverblijven waren gelokaliseerd. Hij bekeek het wat merkwaardig ogende bouwwerk van de sterrenwacht, waar dokter Brehmer naar het scheen de invloed van de kosmos en het weer op de behandeling van tuberculose had onderzocht. Vervolgens kwam hij uit bij het imposante gebouw van de Villa Rosa en daar keerde hij om.

Er scheen een volle, gouden herfstzon. Mieczysław Wojnicz zette zijn stappen precies in het midden van de grote platte stenen waarmee de weg was geplaveid. De twee oudere vrouwen zaten nog steeds in stilzwijgen op de bank voor het huis en dopten tuinbonen, waarvan ze de droge stengels met een knakkend geluid braken. Een van de bonen sprong plotseling uit een van de gerimpelde handen en belandde vlak voor zijn schoen. Hij raapte die voorzichtig met twee vingers op en wilde haar al teruggeven aan de eigenaressen, maar om een onduidelijke reden stonden die onverhoeds op van de bank en verdwenen onder medeneming van hun kommetjes en manden in het huis. Hun zwarte, glimmende rokken lichtten slechts even op in de zon. Nou ja, er was niets gebeurd. Wojnicz veegde het bruine tuinboontje af met zijn mouw; het leek volmaakt. Hij wierp het in de lucht en ving het op. Niet wetende wat hij ermee aan moest stopte hij het in zijn zak.

Toen hij bij het pension aankwam, stond de deur wagenwijd open, wat hem bevreemdde, en meteen daarna zag hij op de grond een klein missaal in een regenplas liggen. De crèmekleurige bladzijden waren al doorweekt van het smerige water. Hij raapte het gebedenboek op en liep vol plotselinge onrust naar binnen. De salon beneden was leeg – alle bewoners van het pension waren waarschijnlijk nog bezig aan een behandeling. Hij legde het met modder besmeurde boekje op een kleine tafel en stond al op het punt om naar boven te gaan, toen zijn aandacht getrokken werd door de halfgeopende deur naar de eetzaal en daarachter een paar schoenen – op tafel, ze kwamen hem bekend voor. Zonder na te denken, bijna gehypnotiseerd, liep hij op de deur toe en duwde die wat verder open om een en ander van dichtbij te bezien.

De schoenen vormden de onderkant van een bundel met een onduidelijke vorm, die uiteindelijk een menselijk lichaam bleek te zijn. Het lag in de eetzaal op de tafel waaraan de maaltijden werden gegeten. Het leek goed verpakt in lagen stof – Wojnicz had de indruk dat er een heleboel rokken, blouses, korsetten en pelerines overheen lagen. Wojnicz had nog nooit een vrouw van zo dichtbij gezien en zo onbeweeglijk, altijd flitsten ze voorbij, waren ze in beweging. Het was onmogelijk je aandacht op hen te vestigen en alle details te aanschouwen. Maar nu had hij zo’n lichaam voor zich liggen en het was zonder twijfel een dood lichaam. Hij keek naar de zwarte rijglaarsjes, die onder de rokken en onderjurken vandaan kwamen. Die laatste waren afgezet met een soort borduurwerk dat al enigszins versleten was, want de randen ervan rafelden een beetje. De veters van de laarsjes zaten zorgvuldig tot een dubbele strik geknoopt – vreemd dat iemand, die ’s middags al niet meer leefde, diezelfde ochtend nog zo zorgvuldig die rijglaarsjes had vastgesnoerd. De van licht glimmende stof met dunne zwarte en grijze strepen vervaardigde bovenrok lag netjes geschikt. Daarboven zat een strak jacquet van donker, bijna zwart laken, dat was dichtgeknoopt met ronde knoopjes, zoals die op de soutanes van Poolse priesters. Vanonder dit deel van de garderobe stak een witte, tamelijk slordige blouse die een knoopje miste, waarvan het draadje nog aan de stof vastzat, terwijl het boordje van deze blouse tot vlak onder de kin was opgetrokken, maar net niet hoog genoeg, zodat Mieczysław op de hals een choquerende paarsrode streep zag, die fel afstak tegen de witte huid. Ten slotte moest hij wel omhoogkijken, naar het gezicht. Met ontzetting zag hij de half geloken ogen en onder de wimpers twee dunne, glimmend witte streepjes: de oogbollen. Het hoofd lag naar zijn kant toe gekeerd, alsof het iets wilde bekennen. Op de smalle, al een beetje grijze mond ontwaarde hij het spoor van een glimlach – hij vond die absoluut ongepast, bijna ironisch. Onder de bovenlip staken de droge randjes van haar tanden uit. En nog iets: het gezicht was bedekt met minuscule, blonde haartjes, een soort dons. Hij stond als versteend, hij ademde vrijwel niet.

Eigenlijk had hij al meteen in de gaten dat het de vrouw was die hem vanochtend zijn ontbijt had gebracht. Toen had hij alleen het rijglaarsje onthouden dat de deur had opengeduwd. En de weelderige, door een korset ingesnoerde vormen. Meer niet. Pas nu, na haar dood, kon hij die vrouw in haar geheel aanschouwen.

‘Ze heeft zich opgehangen,’ zei Wilhelm Opitz, staande in de deuropening.

Wojnicz sidderde, opgeschrikt door de lage, welluidende stem van zijn gastheer. Opitz gaf dit op een toon te kennen alsof hij een laakbare veronachtzaming vaststelde, een onacceptabele gebeurtenis.

Maar zijn stem trilde.

‘Niets om zich druk om te maken. Zo dadelijk komen de mensen van het lijkhuis om het lichaam mee te nemen. Rajmund is hen gaan halen.’

Wojnicz wist niet wat te zeggen. Zijn tong was gortdroog, om zijn keel voelde hij een halsband.

‘Wanneer is het gebeurd,’ vroeg hij alleen.

‘Wanneer? Wel, een uur geleden. Ik was naar boven gegaan om te kijken waar ze was, omdat ze niet naar beneden was gekomen om de groente van de leverancier aan te nemen. En daar hing ze. Ik heb haar losgesneden. Ga jij maar naar je kamer, jongen. Ah, daar zijn ze al van het lijkhuis.’

‘Ze heeft me vanmorgen nog mijn ontbijt gebracht,’ zei Wojnicz en onbedoeld klonk er ontroering in zijn stem. ‘Zij was uw dienstbode, nietwaar?’

‘Ach, nee, nee hoor. Ze was mijn vrouw.’ Opitz maakte een wegwerpgebaar, alsof hij een wesp van zich afsloeg, en hij deed de deur open voor de sombere werknemers van het lijkhuis, die in een zacht dialect met hem begonnen te overleggen. Mieczysław trok zich terug uit de eetzaal en terwijl hij gehaast naar boven liep, hoorde hij hun gedempte stemmen, maar hij verstond niet wat ze zeiden. Het hele gesprek kwam hem voor als van mensen die geen woorden nodig hebben om zich met elkaar te verstaan.


*



Wojnicz ging in een rode fauteuil zitten die versierd was met een gehaakte hoofdsteun. Hij was geschokt. Vreemd dat hij er niet aan had gedacht, dat die aardige Willi Opitz getrouwd was. Hij had moeten weten dat mannen gewoonlijk vrouwen hebben, die soms nauwelijks zichtbaar vanuit de keuken of de wasruimte de belangen van hun gezinnen behartigen. Bezig met zichzelf en in beslag genomen door zijn komst hier en zijn ziekte had hij haar niet eens opgemerkt. En nu was ze dood.

Plotseling werd hij overspoeld door een golf van herinneringen, want deze dode vrouw deed hem op een bepaalde manier denken aan zijn kinderjuffrouw. Zij zat nauwelijks zichtbaar in zijn geheugen, ze woonde daar als een vage gedaante met onduidelijke contouren, altijd door iets omhuld, onscherp, in de weer, uitgerekt tot een streep. Zo was hij eens met haar aan het spelen en zag hij haar handen met daarop de gerimpelde huid. Hij pakte die huid tussen twee van zijn kleine vingertjes en deed net of hij een gander was (het heette dat hij haar beet) en op die manier trok hij haar handen glad, zodat ze bijna jong werden. Hij fantaseerde zelfs dat als hij haar, die hele Gliceria (deze zonderlinge naam was indertijd bijzonder populair onder boerenmeisjes uit de buurt van Lemberg), nu eens helemaal zou uitrekken, zou werken aan alleen haar uiterlijke vorm, het hem misschien zou lukken zijn kinderjuffrouw te redden van de ouderdom. Maar dat was niet gelukt. Gliceria was altijd oud gebleven en zou alleen nog maar ouder worden. Omdat het steeds moeilijker voor haar werd om haar taken te verrichten: de was doen, koken, strijken, schoonmaken, was ze bij hen weggegaan toen hij zeven was, het moment waarop Mieczysław zijn schoolleeftijd had bereikt. Zijn vader was trouwens van mening, dat zij niet langer nodig was en dat een internaat haar nu zou kunnen vervangen. Hij deed hem op een school met een internaat, na met de directeur van de school, meneer Szuman, al het nodige te hebben afgesproken. Helaas, lang had de jongeman, door zijn vader en zijn oom in die tijd ‘Mieczyś’ genoemd, niet vertoefd in deze instelling, om redenen die zijn vader later tegenover bekenden kwalificeerde als ‘gevoeligheid’ en ‘een zekere onaangepastheid’, wat voor de jongen een complete vernedering betekende en voor de vader een wanhopige poging zin te geven aan deze hele teleurstellende situatie was.

Naar het oude gezegde ‘geen kwaad dat zich niet ten goede keert’ kreeg Mieczyś vervolgens thuis les van een aangenomen onderwijzer, eerst een, daarna nog een en toen een derde, wat zijn vader behoorlijk wat geld en zenuwen kostte, onderwijzers behoorden namelijk tot de meest chimerische soort van wezens – niets beviel hun en altijd en eeuwig hadden ze pretenties. Zijn vader was de mening toegedaan dat aan zowel alle nationale rampen, alsook aan alle opvoedkundige mislukkingen een al te zachte opvoeding debet was, die verwijfdheid, overgevoeligheid en recentelijk nieuwmodisch ‘individualisme’ genoemde gelatenheid met zich meebracht. Daar hield hij niet van. Wat telde waren kloekheid, energie, vrijwilligerswerk voor het algemeen welzijn, rationalisme, pragmatisme… Vooral op het woord ‘pragmatisme’ viel bij hem in de smaak.

Hij was een vijftiger met donker, bijna niet grijzend haar en een dichte baardgroei; hij schoor zich met grote verbetenheid, waarbij hij slechts een fraaie snor intact liet, die hij ooit gewoon was te permanenten en met op basis van dierlijk vet vervaardigde fixatieven geaccentueerd had, waardoor Mieczysław zich van zijn kindertijd de zo voor zijn vader karakteristieke geur van ranzig vet herinnerde. Het was zijn tweede huid. Maar sinds een paar jaar draaide zijn vader zijn snor niet langer en beschouwde het zich na het scheren besprenkelen met Engelse Bay Rum als enige cosmetische handeling. Hij was een bekoorlijke man, zoals ze in Lemberg zeiden. Knap en een en al waardigheid. Met gemak zou hij opnieuw een goede partij kunnen trouwen. Maar hoofdingenieur Wojnicz had elke interesse in vrouwen verloren, alsof de dood van zijn vrouw hem voor altijd had beroofd van zijn vertrouwen in het vrouwelijke geslacht, alsof hij zich door haar bedrogen voelde, ja zelfs te schande gemaakt. Ze had een kind gebaard en was gestorven! Wat een impertinentie! Of misschien had geen enkele van hen zich meer kunnen meten met die mysterieuze mejuffrouw uit Brzeżany, de enige dochter van een notaris, eveneens een weduwnaar.

De moeder van Wojnicz senior was ook voortijdig heengegaan. Er was iets mis met die moeders; het had er alle schijn van dat ze een of ander buitengewoon hachelijk werk verrichtten, dat ze in hun boudoirs en slaapkamers hun in kant verstrikte leven riskeerden, dat ze tussen hun lakens en de messing pannen en potten, tussen de handdoeken, poeders en stapels spijskaarten voor elke dag van het jaar een levensgevaarlijk bestaan leidden. In het gezinsleven van Mieczysław Wojnicz leefden de vrouwen schimmig, kort en gevaarlijk, daarna gingen ze dood en werden ze in het geheugen van de mensen opgetekend als vluchtige en van contourloze wezens. Ze werden teruggebracht tot een verafgelegen en vage oorzaak, die in dit universum slechts voor even en alleen met het oog op de biologische consequenties ervan was opgenomen. Toen Mieczysław in het kader van een betere educatie en een echte mannelijke opvoeding nog naar school moest, had zijn vader besloten een deel van zijn grond alsook het landgoed van zijn vrouw te verkopen en had hij in Lemberg een comfortabele, lichte woning gekocht, waar hij Gliceria als kokkin, dienstbode en kinderjuffrouw mee naartoe nam – en vanaf dat moment waren zij, zoals het een fatsoenlijk, zij het onvolledig gezin betaamde, Lembergse burgers geworden.

Het was een goed besluit geweest. Door geld te investeren in de moderniteit gedroeg hij zich zeer pragmatisch, en uiteindelijk putte hij aanzienlijke voordelen uit het wonen in de stad; zijn nieuwe belangen begonnen te fleureren, het was gemakkelijker om er ter plekke zicht op te hebben dan vanuit de lome Galicische provincie, waar elk vertrek naar de stad op een zeereis leek. January Wojnicz was een ondernemend en dapper mens. Een deel van het geld dat hij uit de verkoop van het landgoed had verkregen, stopte hij in een niet al te groot alleenstaand huis en een tegelfabriek in een dorp in de buurt van Brzeżany, de rest belegde hij in aandelen van de Galicische spoorwegen, wat hem ten slotte een aanzienlijke som gelds opleverde, waarvan hij gemakkelijk zichzelf en zijn zoon op een zeer behoorlijk niveau kon onderhouden. Hij was bedachtzaam en voorzichtig, op het vrekkige af. Hij kocht zelden dingen, en altijd eerste keus.

Uiteraard werden er pogingen ondernomen om hem nogmaals aan een vrouw te binden, maar in de geest van January Wojnicz werd zijn overleden vrouw een zo uitzonderlijk en ideaal wezen, dat alle op aarde levende vrouwen niet in haar schaduw konden staan, gestaltes die geen enkele aandacht waardig waren en zelfs irriteerden, alsof ze op een onbeholpen manier dat andere fenomeen probeerden te imiteren.

Daarom was de enige vrouw, die Mieczyś Wojnicz zich als zodanig herinnerde en die hij van dichtbij en in detail had aanschouwd, nu juist Gliceria. Zij moederde een beetje over hem, tenminste in de keuken, door hem te voorzien van allerlei smakelijke hapjes, maar aangezien haar macht op de gang eindigde en niet verder reikte dan de drempel van de kamers, werd de kleine Wojnicz alleen in de keuken verwend. Hier probeerde de vrouw de jongen zijn wees-zijn te compenseren door een beetje boekweithoning op een bordje te gieten of een knapperig kontje van een brood af te snijden en het dik te besmeren met verse boter. Eten verbond hij altijd met iets goeds.

Al die blijken van warme gevoelens accepteerde de kleine Wojnicz vol dankbaarheid, die zelfs had kunnen overgaan in gehechtheid en liefde, ware het niet dat zijn vader dat niet liet gebeuren. Hij behandelde Gliceria als een dienstbode van het zuiverste water, nooit werd hij vertrouwelijk met haar en hij was vervuld van een zekere achterdocht ten aanzien van deze mollige, ouwelijke, in rokken, ruches en mutsjes gehulde vrouw. Hij walgde van haar weelderige gezetheid en vermoedde dat ze hen uitvrat, vandaar dat hij haar minder betaalde dan had gemoeten.

Na Gliceria kwam Józef. Hij maakte meestal pierogi en bakte vis, die hij op de markt kocht. Op zondag gingen vader en zoon naar een restaurant op de Trybunalskastraat, waar ze het middagmaal, bestaande uit soep, een hoofdgerecht en dessert – en voor vader iets sterkers en koffie – genoten om zich ervan te overtuigen dat je ook zonder vrouw en onbekwame kok uit de voeten kon. Toen Mieczysław Wojnicz het dode lichaam op de tafel in de eetzaal had gezien, was Gliceria teruggekeerd in alle vormen en details die het wezen van een vrouw uitmaakten, zoals plooien, rimpels, ruches, tussenzetsels, kant, passanten, dat hele heidendom van materiaal, waarvan het de taak was het vrouwelijk lichaam te bedekken. Hij herkende in deze dode bundel op tafel iets van zijn kindertijd en zijn moeder, maar vooral van zijn Gliceria, hoewel die lang geleden hun huis had verlaten, in tranen en kwaad op January Wojnicz vanwege de krenkingen of onterechte beschuldigingen.

Een bewogen en onrustige Wojnicz hoorde een soort schuifelen en gebrom, dus besloot hij zonder nog ergens acht op te slaan het huis te verlaten, dat tot de plaats van een gewelddadige dood was geworden. Het lukte hem onopgemerkt de salon te doorkruisen, en opgelucht begon hij aan een lange wandeling, om maar niet al te vroeg terug te hoeven keren in het pension. In Görbersdorf zelf waren echter niet veel wandelroutes, behalve dewelke de kuurgasten over de promenade van het sanatorium hoger het dorp in hadden uitgestippeld. Tijdens die wandeling passeerde je een voor het oog aangenaam houten kerkje en daarachter wat verderop enkele zich langs de hoofdweg opgetrokken, meer aanzienlijke huizen met hun in sierletters geschreven namen boven de ingang: Villa Elisa, Villa Schweiz, Villa Adelheid en dergelijke.

Bij de kerk splitste de weg zich. Je kon daar naar rechts en door het park langs een kleine drinkhal tot aan het orthodoxe kerkje, dat hier onlangs klaarblijkelijk ten behoeve van rechtzinnige kuurgasten was gebouwd: Russen die Wojnicz al eens eerder had gezien, daar ze zich onderscheidden door hun ostentatieve rijkdom en irritante luidruchtigheid. Achter het kerkje bevonden zich twee vijvers, waarin zwanen lui zwommen, terwijl er langs de weg opnieuw een aantal villa’s stond alsmede een elegant restaurant, waar hij met genoegen naar binnen was gegaan, desnoods voor een glas limonade, maar toen hij daar de stijve Frommer zag zitten maakte hij snel rechtsomkeer. Voorbij het restaurant verhief zich een beboste steile helling, die op het kerkje en de vijvers een eeuwige, vochtige en volle schaduw wierp.

Als de keuze op de weg rechtdoor viel – welke onze Wojnicz na te zijn omgekeerd uiteindelijk ook koos – ging het de hele tijd omhoog, waarbij je meerdere malen over ontelbare bruggetjes en vervolgens loopplanken een kronkelende beek over moest. De huizen werden almaar kleiner, alsof hier de wet gold van ‘hoe hoger hoe minder en eenvoudiger’. Het laatste huisje was een qua omvang nog aanzienlijke boswachterswoning van rondhout, waarin een ouder echtpaar woonde. In hun tuintje stonden een klein molentje alsook uit hout gesneden miniatuurvogels en huisdieren. Alle wandelaars hielden hier halt om wat uit te rusten en dit beestenspel in ogenschouw te nemen, alvorens hun weg voort te zetten over een steil oplopend pad naar het donkere rijk van het bos. Het platgetreden pad veranderde hier in een smalle stenen weg, waarover van tijd tot tijd met hoornvee gespannen houten karren trokken, die vanuit de bergen hout of hopen houtskool in die grandioze donkerbruine kleur vervoerden.

Wojnicz liep naar de rijke façades van de elegante huizen te kijken en toen hij ze allemaal had gezien, begon hij met het verzamelen van de vroegst gevallen bladeren. Het eerst waren de gewone esdoorns, waarvan er hier heel wat groeiden, en een paar tulpenbomen rood gekleurd. Wojnicz werd zo in beslag genomen door het uitzoeken van de mooist gekleurde bladeren, dat hij vergat wat er in het Pension voor Heren was gebeurd. Want we hebben het nog niet gehad over het herbarium, dat nog altijd in zijn koffer lag, maar dat binnenkort zijn vaste plaats op zijn nachtkastje zou krijgen en vanaf dat moment vaak zou worden ingekeken. Wojnicz had onmiddellijk besloten de bladeren van de hier voorkomende bomen te verzamelen – hun kleuren waren zo adembenemend, zoiets zag je alleen in de bergen. Sommige soorten trof je natuurlijk ook wel aan in Lemberg, bijvoorbeeld de esdoorn (de meester van het kameleontische gebladerte), of zelfs de beuk, waarvan de verspreiding precies samenvalt met die onalledaagse ruimte die Europa heet: die zou eigenlijk een plaats moeten krijgen in haar eventuele wapen. Andere planten waren al aan het verwelken, waren al uitgebloeid, dus was het zonneklaar dat Wojnicz’ herbarium slechts door boombladeren zou worden gevuld – het festijn van het vallen had een aanvang genomen, alsof de nabijheid van de dood in al deze bomen voorraden ongewone energie vrijmaakte die, in plaats van het leven in stand te houden, ze in staat stelden het sterven te vieren.


*



Het avondmaal werd die dag erg laat gebruikt. De schemer was allang ingevallen. In de eetzaal brandde alleen een elektrische lamp boven de tafel, een gloeilamp in een doorzichtige lampenkap, op de bodem waarvan het lichaam van een insect te zien was. Het gele licht ervan viel op het tafelblad, waarop een geborduurd linnen tafelkleed lag. Het belegsel was oud en verbleekt, het stelde trossen rijpe bessen van de zwarte vlier voor. In het licht van de gloeilamp flakkerden witte borden, blonken vorken en messen.

Volgens ons is juist dat wat in de schaduw blijft, dat wat aan het oog onttrokken wordt, het interessantst.

Welnu: onder de tafel bevinden zich vijf paren voeten en nog even en er zou nog een zesde bij komen. Elk ervan is geschoeid. Er zijn twee schoenen die we herkennen: hetzelfde miserabele paar dat gisteren op het station was opgedoken, lage leren schoenen op dunne zolen, nu stonden ze braaf naast elkaar, onbeweeglijk. Links ervan ging het er precies tegenovergesteld aan toe: twee beweeglijke zwarte schoenen met witte neuzen, volstrekt niet op hun plaats in de bergen, want het leken eerder stadsschoenen, rechtstreeks afkomstig uit een winkelpassage of een kunstgalerie; hun elegantie was weliswaar geforceerd, maar de beweging die de voeten er onophoudelijk in maken bevalt ons wel, de hielen gaan afwisselend omhoog en omlaag. Verder waren het keurig gepoetste en tot boven de enkels geveterde leren rijgschoenen. Hun smetteloze oppervlak weerkaatste in kleine, wazige vlekjes het licht uit de salon. Licht in ballingschap. Hun neuzen kwamen op kinderlijke wijze tegen elkaar. Op een open plek iets meer naar links zullen zo dadelijk klompen verschijnen, voeten in dikke wollen sokken verlaten dit lijkkistachtige schoeisel om met elkaar te gaan spelen, over elkaar te wrijven en om beurten op elkaar te gaan staan. Vervolgens zagen we een droevig insteeklaarsje zonder veters. Er verdronk een ranke, met een handgebreide sok overtrokken enkel in.

Het andere laarsje lag op een knie, onder tafel streek er een slanke hand overheen met bleke nagels die in het schemerlicht leken te fosforesceren. Zonde van die hand, zonde van die dunne enkels en melknagels. Het volgende paar was een stel elegante oxford schoenen, waarin grote voeten in wollen sokken staken. Een van de twee stond rustig stil, de andere tikte aritmisch, alsof hij kwaad was, op de vloer.

Wojnicz had zich achteloos aan iedereen voorgesteld, want het scheen hem toe dat de ernst van het moment niet meer toestond. Dus probeerde hij zijn metgezellen geen aanleiding te geven hem aan te spreken. De presentatie had voor ze aan tafel gingen plaatsgevonden. En nu serveerde Rajmund de schalen met gekookt rundvlees uit. Links van Mieczysław zat Herr August, August August, aangezien zijn ouders hem in een bevlieging van een anarchistisch gevoel voor humor een voornaam hadden gegeven die hetzelfde luidde als zijn achternaam. Hij was professor klassieke talen, een man met verbazingwekkend noordelijke trekken voor iemand die in het Roemeense Iași was geboren, zijn haar was met brillantine ingesmeerd en hij had verzorgde handen. Hij droeg een nette, lichtgrijze geklede jas en om zijn hals zat een zeegroene foulard. Zijn lichte baardgroei vroeg al om een scheermes, de professor had zich vast vanwege de opwinding vandaag niet geschoren. De volgende plaats werd ingenomen door die stijve Breslauer, Walter Frommer, tot aan zijn hals toegeknoopt en met een monocle in zijn oog. Keer op keer haalde hij een sneeuwwitte zakdoek met een geborduurd monogram tevoorschijn en wreef er zijn bezwete voorhoofd mee af. De lichte blos op zijn bleke wangen getuigde van koorts; of misschien wel helemaal niet – misschien was meneer Frommer gewoon aangedaan door de situatie. Aangezien hij geen vlees at, lag er op zijn bord – hij was de enige bij wie was opgeschept – een hoopje met boter overgoten aardappelen, waarnaast een spiegelei vrolijk lag te blinken.

Naast Frommer stond de stoel van de gastheer, Opitz, nog altijd leeg. Ze zaten op hem te wachten, onzeker over hoe zijn rouw zich zou manifesteren. Verderop zat Thilo von Hahn, een student uit Berlijn, heel slank en bleek. Op zijn hoge, gewelfde voorhoofd stonden, net als bij Frommer, zweetdruppels. Hij had van de koorts glazige ogen, die alles leken te weerspiegelen wat ze zagen. De jongen keek naar zijn bord, naar zijn stuk vlees, alsof het niet iets was om op te eten, maar iets wat rechtstreeks afkomstig was uit de kosmos en hier zojuist door middel van een magisch kunstje was beland. Thilo wierp zo nu en dan Wojnicz een hoopvolle blik toe, waarmee hij enige verbondenheid tussen generatiegenoten suggereerde. Mieczysław wist niet goed hoe hierop te antwoorden.

Zijn blik gleed naar de goedgebouwde man naast hem, iemand met een enorme bos grijze haren, die hij onmiddellijk in gedachten de Grijze Leeuw noemde – dit was Longin Lukas uit Königsberg, die zichzelf een gentleman noemde, waarbij hij zijn wangen optrok, als een wijnproever, die doende was een beslist niet voor de hand liggende wijn met twijfelachtige herkomst te proeven. Het was een plezier om naar hem te kijken – hij zag eruit als een toonbeeld van gezondheid, goed gebouwd, met een volle mannenborst, het was niet te geloven dat deze man ziek kon zijn. Bovendien was het moeilijk om zijn leeftijd te bepalen. Hij droeg een Engels tweed jasje en een handgebreid truivest van grafietgrijze wol – het geheel leek afgedragen en herinnerde zich voorzeker betere tijden. Eindelijk stond Willi Opitz dan in de deuropening. Hij keek zonder een woord te zeggen naar de aanwezigen, wat de dramatiek van het moment nog groter maakte, en daarna wendde hij zijn blik naar het midden van de tafel, daar waar nog een paar uur geleden het lichaam van mevrouw Opitz had gerust.

‘Ik moet de heren officieel in kennis stellen van de dood… van de dood van mijn vrouw. Ik weet dat de manier… dat de omstandigheden…’ Iedereen stond op en het schuiven van de stoelen verstomde voor een ogenblik de woorden van de gastheer. Herr August was de eerste die naar hem toeging en hem condoleerde: ‘We leven allemaal erg met u mee. Hoe schokkend!’ Hij zweeg even, alsof hij de onmacht om zijn eigen emoties te uiten wilde illustreren en vervolgens voegde hij er snel nogal banaal aan toe: ‘Maar weet u, het leven gaat verder.’

Ze herhaalden vergelijkbare zinnen in verschillende configuraties, waarbij ze om beurten naar hem toekwamen en hem de hand schudden.

‘Ik was van plan om mijn avondeten in afzondering te eten,’ zei Opitz, ‘maar staat u mij toe, heren, dat ik bij u blijf, het zal een vorm van steun voor me zijn, een hart onder de riem. U hebt er toch niets op tegen dat een weduwnaar zich bij u voegt?’ Hierop liet hij een flauw lachje volgen; het was vast een poging om grappig te zijn. ‘Helaas, vandaag heeft Rajmund zich moeten ontfermen over het avondeten, ik hoop dat het eetbaar is.’


Vertaling Karol Lesman




<   

TSL 93

   >