Zyta Rudzka
Dokter Josefs mooiste
In Dokter Josefs mooiste staan ouderdom
en het wachten op de dood centraal. De
personages – de kokette mevrouw Czechna
en haar tweelingzus, een voormalig
consul, huisvrouwen, ingenieurs - zitten
vast in een Warschaus verpleegtehuis en in
hun aftakelende lichamen en geesten. Ze
hebben geen familie meer, ze weten niet
precies meer wie ze zijn en waren, maar
er blijft iets smeulen. De hoofdpersoon,
de relatief goed geconserveerde mevrouw
Czechna, is een slachtoffer van naziarts
Josef Mengele en lijkt hier trots op te zijn,
terwijl het haar leven heeft verwoest.

Zyta Rudzka (Warschau, 1964) is dichter,
(scenario)schrijver en docent psychologie.
Ze debuteerde in 1989 met een poëziebundel
en in 1991 verscheen haar eerste
roman, Białe klisze (‘Witte beelden’)
die direct werd onderscheiden met diverse
literaire prijzen. In 2006 verscheen
Ślicznotka doktora Josefa (‘Dokter Josefs
mooiste’), waaruit onderstaand fragment
afkomstig is. In 2011 is het boek herzien;
het vormt het eerste deel van een trilogie
over ouderdom en de laatste levensfase.
De andere delen zijn Krótka wymiana ognia
(‘Een korte vuurwisseling’, 2018) en
Tkanki miękkie (‘Zachte weefsels’, 2020),
beide genomineerd voor en winnaars van
diverse literaire onderscheidingen.
Rudzka’s proza is erg melodieus en sensueel,
ze schrijft in beelden, geuren, structuren.
Vooral haar laatste boek, Ten się
śmieje, kto ma zęby (‘Wie tanden heeft, lacht’), waarin een voormalige herenkapster
op zoek gaat naar begrafenisschoenen
voor haar overleden man, is vlijmscherp
en ware taalkunst, maar (schier?) onvertaalbaar.
Rudzka’s werk wordt onder andere
vertaald in het Duits, Frans, Engels en Italiaans,
maar nog niet in het Nederlands.
Deze vertaling werd mede mogelijk
gemaakt door het programma Sample
Translations © POLAND van het Poolse
Boekinstituut. Dank aan de deelnemers van
de korte cursus van de Vertalersvakschool
voor de puntjes op de i.
dokter josefs mooiste
De eerste keer dat ze voor dokter Josef stond, twaalf jaar oud en
naakt, kon ze zijn verrukking voelen. Een krachtige, aandachtige
blik. Een gebalde hand in een witte handschoen. Het regelmatige
klappen van de zweep tegen de opgepoetste laarzen.
Hij had haar direct opgemerkt. Gratig. Pezig. Capillair. Een gezicht
omsluierd door dichte krullen. Een berijpte onderbuik. Kromme
kuiten. Dijen waartussen zich een bel winterlucht had gewurmd.
Ze stond in de groep tweelingen, gebochelden, kreupelen en
dwergen. Tussen de kinderen met misvormde ledematen die over
een paar weken in het biologiemuseum tentoongesteld zouden
worden. Naast haar huilden blozende kleintjes, nog warm van hun
moeders armen. Ze lieten hem ook zigeunerbaby’s zien met prachtige
tanden en perfect gewelfde schedels, die na het uitkoken vele
bureaus zouden tooien. Ze zouden passen bij de stilte van Berlijnse
werkkamers en bibliotheken.
Hij keek alleen naar haar. Ze hadden haar tweelingzus bij haar
geschoven. Hij wierp een blik. Anders. Hij knikte amper. Zond
zijn wijsvinger naar rechts en wijdde haar tot onderzoeksmateriaal.
Weer bekeek hij alleen haar. Hij gunde haar geen woorden,
aanraking. Zijn bewondering was stil. Hij betastte haar met zijn
blik. Bezoedelde in gedachten. Gleed met zijn ogen langs haar
borsten. Kinderlijke. Ineengekrompen. Met minuscule tepelhoven.
Tepels die leken op bleekroze aardbeien in de vroege zomer.
Ineens naderde hij. Een stap. Twee. Bleef dichtbij staan. Stak
zijn arm uit. Raakte haar met de zweep. Het lichaam gaf mee. De
huid verzakte tot een geultje. Hij duwde. Het deed pijn. Ze bewoog
niet. Ja, gut. Ze beviel hem wel.
Hij haalde de zweep weg. Ze was anders. Huilde niet. Alsof ze
de kou niet voelde. De stank niet rook. De lucht van verbrand mensenvlees.
Ze stond daar verveeld. Leunde van het ene op het andere
been. Met een dreigend gezicht. Gespannen. Ze voerde de opdrachen uit. Hurkte. Ging op haar tenen staan. Hief haar armen. Draaide.
Met haar zij naar hem toe. Met haar rug. Ze bukte. Stak haar achterste
uit. Ging rechtop staan. Keek hem recht in de ogen. Dat vond hij
verrassend, maar ook vermakelijk. Er kleefden wat haren aan haar
mond, ongehaast streek ze die weg. Ze bracht daarbij een vinger
naar haar lippen, alsof ze hem gebood te zwijgen.
Hij was tevreden. Het was een gecondenseerd genoegen dat ze
zoiets voor hem hadden meegebracht.
Hij wilde haar een zet geven. Haar zien gaan. Op het zand.
Hij duwde haar uit alle macht. Ze viel. Lag. Met gespreide armen.
Benen uit elkaar. In het grind gedrukt. Maar nog niet dood. Ze verroerde
zich. Bewoog. Herrees. Strekte zich. Veegde de afscheiding
van haar gezicht dat het bij de val had gespoten.
***
Iedereen was bang voor de zomer, maar niemand sprak erover.
Maar die naderde. Traag. Ongehaast. Onverbiddelijk. Eerst
had het kort fris geregend, maar het gras had de dauw al snel afgeschud.
Toen begon de zon harder en harder te branden. De stromen
fel licht groeiden en veroverden de ene na de andere beschaduwde
plaats in de tuin.
De knaagdieren waren verhuisd naar de velden. De penetrante
lucht van muizenurine was niet eenvoudig uit de eetzaal te verjagen.
De gewitte tafels waren buiten gezet. Daar werd nu gegeten,
gerust, gewacht op familiebezoek. Op het terras lagen tuintegels.
Gekartelde. Gebarsten. Enkele grassprieten wrongen zich eronder
uit.
Mevrouw Czechna zette een eerste stap. Ze bewoog behoedzaam,
alsof ze vanbinnen helemaal verbrokkeld was. Haar hoofd
deinde vervaarlijk, het paste niet bij de romp en leek met kracht op
de slappe hals te zijn geplant.
Al lopende keek ze naar de bewoners. Ze zaten op het terras.
Keken voor zich uit. Genoten van de zon als roerloze hagedissen
tussen de stenen. Ze boden zich aan voor zalving door de warmte.
Schedels begroeid met enkele dorre haren. Gezichten die van
meerdere stukken huid leken te zijn genaaid. Wangen bezaaid met
blauwe plekken, wonden, etterende krassen. Oogleden van vloeipapier.
Ziekelijk gezwollen buiken. Gegroefde handen. Knoestige
vingers. Dijen als jabots. Losjes hangend. Die schommelden bij
elke lichaamsbeweging. Uit schoenen en muiltjes bevrijde voeten.
Knobbeltenen. Aanhangsels. Gezwelletjes. Weke uitstulpingen.
Ze leken ergens op te wachten. Urenlang tuurden ze naar de
toegangspoort. Tegen het middaguur was die nog amper te zien, ze
smolt in de zonnehitte, loste op te midden van de roestige tralies
van de omheining. Het aangeslagen deurtje leek altijd gesloten te
blijven. Alsof het nep was en niemand erdoor naar buiten zou kunnen.
Waarachter niets bestond.
Mevrouw Czechna bleef staan. Ze kreeg een kop met warme
vloeistof te pakken. Haar vingers sloten zich om het glas. Ze kneep erin zoals iemand die duizelig is steun zoekt tegen een muur. Ze
kneep haar kleefogen tot spleetjes.
In bakken waren eenjarige planten gepoot. In aardewerken
potten gevangen ficussen waren in de frisse lucht gezet. Hun gezwollen,
vlezige bladeren torenden boven het gazon uit. De oude
ranken van de wingerd maakten plaats voor jonge, groene, die algauw
het hoge hek om het terrein bedekten.
De parasols van verleden jaar waren afgestoft. Ligbedden,
plastic stoelen, campingtafeltjes waren op het terras gezet.
Aha, dus het is zo weer juni.
Zei ze zachtjes, in zichzelf.
Ze ging even zitten. Pakte haar poederdoos. Deed de pluk haar
boven haar oor goed. Bekeek zichzelf een poos in het kleine ovale
spiegeltje. Ze was trots op haar gladde huid. Als ze een bril zou
dragen, zou ze een dicht net van kleine sneetjes in haar wangen
zien, zoals die door de rand van papier worden gemaakt. Ze leek
op een pop met een porseleinen gezicht uit een antiekzaak.
Dat ben ik vergeten jullie te vertellen.
Begon haar tweelingzus, mevrouw Leokadia. Ze had een kinderstemmetje.
Luister, gister kwam er een lieveheersbeestje op m’n rok zitten.
Een schitterend klein lieveheersbeestje. Op de radio zeiden ze
dat er weiden zijn met achtendertig varianten wilde orchideeën en
twintig bijensoorten. Is dat niet schitterend?
Ze glimlachte haar bruine tandvlees bloot.
Een poosje later sprak ze weer:
Voelen jullie het? Het is al zomer, hè? Het liefst zou je naar
je buitenhuisje gaan. Alles wat leeft, is in de weer, bruist, bloeit.
Moedertje natuur maakt zich mooi voor ons. Alsof ze over een dag
of twee een belangrijke dag te vieren heeft. Een schitterende gebeurtenis.
Kijk nu toch, wat is het hier mooi. Zie je dat, Czechna?
Je bent blij, hè? Gisteren waren we hier twee jaar, we hebben wat
gehuild, maar vandaag kunnen we weer gelukkig zijn. Schitterend.
De lente is voorbij, maar het is nog altijd prachtig.
Ze keek om zich heen. Haar kin trilde.
Ik ben het volledig met u eens, mevrouw Leokadia. We zijn
geluksvogels.
Beaamde meneer Henoch knikkend.
Hij was bijna tachtig. Hij was opgeblazen, opgezwollen en zijn
eivormige schedel was bedekt met restjes haar waar levervlekken
doorheen schemerden.
We kunnen recreëren. Frisse lucht scheppen. Naar hartenlust
ontspannen.
Riep hij verrukt.
Hij wierp een blik op de huismeester bij het schuurtje met het
tuingereedschap. Zijn bouw kwam hem log voor, roerloos als een
obelisk. Toen keek hij naar mevrouw Czechna. Ze showde haar
slanke benen in een bietenrood broekpak. Naast haar mevrouw
Leokadia. Ze ging schuil onder een jurk van dunne crêpe met een
door een ruche omzoomd groot decolleté, waarover ze een sjaal
met een geel sleutelbloemenmotief had geslagen.
Meneer Henoch glimlachte om zijn eigen gedachten. Aan de
kleding van de zussen kon je zien dat het zomer was geworden.
Ze hadden de donkere kleuren losgelaten. Het vilten hoedje van
mevrouw Leokadia had plaatsgemaakt voor een strohoed met een
golvende rand, mevrouw Czechna droeg haar haar nu liever los.
Ze waren altijd perfect gekleed. Zelfs aan tafel deden ze hun
verfijnde handschoenen niet uit. Ze hadden bleke, bijna aristocratische
gezichten. Meneer Henoch had een zwak voor bleke
vrouwen. Ook al wilde mevrouw Leokadia wel eens baksteenrood
blozen, dat ging gepaard met haar vermoeiende bloeddrukschommelingen.
Bovendien werd haar schoonheid ontsierd door haar
neus, met een bot zo puntig dat het leek alsof het bij een volgende
grimas de huid zou doorprikken.
Mevrouw Czechna was fijner. Frêle. Een fijn ovaal gezicht.
Altijd halfgeloken ogen met kringen; zo zag ze er nu eenmaal uit,
of ze had overgevoelig bindvlies.
Ze had nog altijd het profiel dat dokter Josef ooit had bewonderd.
Het gebeurde wel dat hij haar aanraakte. Haar lange haar
aaide, het naar achteren streek zodat het een ruime cape vormde.
Haar kegelvormige borsten streelde. Naar de plek tastte waar een
assistent even later de bruinige vloeistof afkomstig uit de etterende
onderarm zou injecteren.
Die onderarm had mevrouw Czechna niet meer. Haar lege
mouw eindigde in de insteekzak van het broekpak. Ze was elke
week gefotografeerd. In de ziekenhuisbarak. Bij het afnemen van
bloed uit haar oren. Op een draagbaar bij daglicht. Dokter Josef was
trots op deze fotocollectie. Hij documenteerde zijn maandenlange
werk, toonde aan dat het menselijke materiaal niet verspild werd.
Ruiken jullie de zee, beste mensen?
Begon meneer Henoch, terwijl hij rechtop ging zitten in zijn
stoel.
Een duidelijke bries, nietwaar?
Zei hij en hij keek naar mevrouw Czechna, op zoek naar bevestiging.
Een zuchtje frisse lucht. De zee is te proeven. Zoute deeltjes.
Jodium, jodium, proeven jullie het?
Vroeg hij en hij ging met zijn tong langs zijn lippen. Ruwe lippen.
Gebarsten, van het afgezette zeezout, leek het wel.
Proeven jullie de zee?
Smakte hij vrolijk.
Ze antwoordden niet.
Ze keken uit naar kersen. Ze mijmerden over kersen in hun
slaapkamers, de recreatiezaal, de behandelruimte, op het terras en
op de gangen. Ze haalden herinneringen eraan op tijdens de ronde,
het liggen, in de rij voor het bad. Wanneer ze zich verveelden.
Terwijl de temperatuur werd opgenomen. Ze uitkeken naar hun
familie. Ze leden. Terwijl ze naar de rozen en anemonen in de
vazen keken.
Ze hadden het alleen nog maar over kersen. Wie van wat voor
kersen hield: grote met een dun velletje, kleine, zoete, waterige.
Vezelige, die op morellen leken. Of lichte, donkere, purperrode, vlezige, bijna melige. Mooie stevige, bijna zonde om op te eten.
Misvormde, stuk gepikt door spreeuwen, rottende, schimmelige,
met een bittere, waterige blaas. Met een piepklein pitje, een broze
dop. Of ook een enorme pit, die zich in het vruchtvlees had genesteld
en alle zoetheid voor zichzelf had gehouden.
Zo nu en dan deed meneer Henoch zich tegoed aan zijn herinneringen
aan de mango’s die hij in Afrika had gegeten. Hij beschreef
het weeë dikke sap, dat traag langs zijn kin droop. Maar ze
overschreeuwden hem dan altijd: kersen, onze kersen.
Iedereen wilde vertellen over de kersen waarvan ze in hun
jeugd hadden gesmuld. De mannen schepten op over hoe hoog de
bomen waren geweest waarin ze waren geklommen. Snel. Blootvoets.
Met hun knieën de weerbarstige stam vastklemmend. Hoe
ze het fruit helemaal uit de top plukten, hoe de takken schudden,
doorbogen tot de grond. De vrouwen haalden lieflijke herinneringen
op aan tweelingkersen. Die hingen ze aan hun oren. Ze droegen
ze trots, als oorbellen met robijnen.
Ze lieten elkaar niet aan het woord. Iedereen wilde gehoord
worden. Eens, heel lang geleden aten ze die allerbeste, allerlekkerste
kersen. Uit oma’s mandje. Uit opa’s eeltige handen. Uit
hun moeders mond. Van hun vader. Van een minnares. Verloofde.
Bruid. Een onbekende.
Ze keken uit naar kersen. Onderwijl vulden de dessertschaaltjes
zich met aardbeienpuree, rabarberbolletjes, perenmoes en kapotgekookte
appels bestrooid met kaneel.
Vertaling Charlotte Pothuizen