Julia Fiedorczuk



Julia Fiedorczuk (Warschau, 1975) is dichteres, schrijfster en vertaalster, en als onderzoeker en universitair docent Amerikaanse literatuur verbonden aan de Universiteit van Warschau.


Ze debuteerde in 2000 met haar dichtbundel Listopad nad Narwią (‘November aan de Narew’) en heeft sindsdien naast meerdere bekroonde dichtbundels, zoals Psalmy (‘De Psalmen’), ook verhalen, essays en enkele veelgeprezen romans geschreven, zoals Nieważkość (‘Gewichtsloosheid’) en Pod Słońcem (‘Onder de zon’). In de zomer van 2023 zijn haar nieuwe roman Dom Oriona (‘Het huis van Orion’) en verzamelbundel Astrostrada z girlandami (‘Astroweg met guirlandes’) uitgekomen.

Haar werk is in zo’n twintig talen vertaald. In Nederland zijn haar verhaal Zetka en twee gedichten uit haar bundel Psalmy in vertaling van Eric Metz verschenen (in resp. TSL in 2017 en het literaire tijdschrift DW B in 2020).

In eigen land wordt Fiedorczuk wel vergeleken met Wisława Szymborska, die Julia Fiedorczuk Onder de zon (fragment) 1996 de Nobelprijs voor Literatuur won. Deze vergelijking steunt op de gevoeligheid waarmee ze niet alleen andere mensen, maar ook andere levende wezens benadert. In Fiedorczuks werk, zowel haar literaire als wetenschappelijke, staat de verhoudung tussen mens en natuur centraal. Als een pionier van de ecokritiek wil ze de antropocentrische blik op de wereld overstijgen en onze kijk op wat menselijk of niet-menselijk is veranderen. Het fragment hieronder is afkomstig uit de roman Pod Słońcem (‘Onder de zon’, 2020). In het boek worden de complexe levenslotten van mensen in het naoorlogse Podlachië in Oost-Polen beschreven. Al deze levens zijn verweven met elkaar, het heden is verweven met het verleden, en het innerlijke leven, de emoties en hoop zijn verweven met het leven buiten, met het landschap en de seizoenen.

Als rode draad door de roman loopt het Bijbelboek Prediker: Wat er geweest is, dat zal er weer zijn. Wat er plaatsvindt, dat zal weer plaatsvinden. Er is niets nieuws onder de zon.




onder de zon





En de zon
gaat weer onder



Toen hij weer bij bewustzijn kwam, viel er rozig licht door de open gordijnen de kamer in en wist hij meteen dat het avond was en geen ochtend, en dat het buiten bewolkt was. Hij wist dat nog voordat hij zich herinnerde waar hij was, hoe hij heette, hoe oud hij was. Het schuin binnenvallende licht wakkerde de nog altijd smeulende restjes leven in de uithoeken van zijn oude lijf aan, hoewel het leven, het leven zelf, aan niemand toebehoorde en geen leeftijd kende, net als water in een rivier dat almaar blijft stromen en zich altijd naar zee spoedt. ‘Uw onbekende schemeringen’, die zin dook op uit de stroom van zijn herinneringen, en verder: ‘En uw bloemen zonder naam’, ‘vasji tsvjety’. ‘Kakije tsvjety?’1 Hij moet het hardop hebben gezegd, want de vrouw - daar dook ze op uit het roze schijnsel - fronste haar wenkbrauwen. Ze was gekleed in het wit, had donkere, dikke en uitgesproken wenkbrauwen en kastanjebruin haar met grijze strengen dat strak naar achteren was gekamd. Hij begreep dat deze plek vol onrustig licht een ziekenzaal was; dat het bed, omgeven door machines waarmee hij was verbonden, zoals een plant met haar wortels met de bodem, zijn laatste verblijfplaats was.

Het gebeurt weleens dat een bepaald moment in de tijd aan een ander vastkleeft, zoals de pagina’s van een boek. Ze worden dan één moment dat twee menselijke waarheden in zich draagt. De bijzondere kleur van het zonlicht versmolt twee verre werelden: in die andere, op de keerzijde van de verkleefde bladzijden van zijn herinneringen was hij gezond, sterk, jong; hij had zijn hele leven nog voor zich. Hij bleef staan op de drempel van de keuken. Het was een krappe en lage ruimte, armoedig, maar verzorgd, van een armoedige schoonheid. Hij stond daar maar in de deuropening met een tas over zijn schouder, klaar om te vertrekken. De vrouw stond met haar gezicht naar het raam en leunde met beide handen op het tafelblad. In de felle middagzon merkte hij grijze strengen in haar dikke, kastanjebruine haar op. In de verte klonk een doffe donderslag. Het was juni: op de tafel stond een vaas met een veldboeket, een deel van de blaadjes was al op het tafelkleed gedwarreld. Hij merkte dat op en onthield het - zeventig jaar lang. Bij regen, sneeuw en wind, bij alles onder de zon: de kamilleblaadjes en het zilver in het haar van de vrouw.

‘Ik heb je nooit iets beloofd’, zei hij tegen haar rug.

Hij was nog maar net geen kind meer en nu al ontvluchtte hij zijn verantwoordelijkheid. De vrouw stond roerloos, ze vertrok geen spier. Een wolk schoof voor de zon en deelde de keuken op in twee helften: een lichte en een donkere. De vrouw stond al in de schaduw, en hij nog in het zonlicht. Weer donderde het. Meteen stak de wind op, blies wolken aan, deed bladeren en zand opstuiven. De jongen aarzelde niet, keek niet om. Hij stak het marktplein over en besloot niet op de bus te wachten. Gedreven door een vage impuls begaf hij zich naar de rivier. Hij daalde de steile oever af. Het water was donkergrijs en gerimpeld. Het maakte hem niet uit dat hij nat zou worden. Hij wilde alleen maar gaan, gaan, gaan en zich uitputten.

Toen hij voorbij de laatste bebouwing was, vielen de eerste druppels. De wind rukte aan de loodgrijze rivier. De bliksem sloeg in het water, dichtbij, en liet hem uit zijn gedachten opschrikken. Hij schrok, maar niet van het onweer, eerder van iets in hemzelf. Misschien van een innerlijke kracht? Van de jeugd die hem in staat stelde om tot in de vroege uurtjes te zitten lezen, die zijn verlangens aandreef, zijn lichaam in beweging bracht, hem vooruit liet rennen zonder om te kijken, ook al bleef er een puinhoop achter? Die kracht pulseerde in zijn aderen, maar behoorde hem niet toe; het was iets machtigers waarover hij geen enkele controle had. Alle rivieren keren terug naar de zee, zowel kalme als woelige, en toch raakt de zee niet vol: net zo verzwelgt de tijd menselijke lotgevallen zonder er ooit genoeg van te krijgen. Hij versnelde zijn pas. De striemende regen ging over in een enorme wolkbreuk en het leek wel alsof de hele hemel zich schuin op de aarde stortte. De bliksem sloeg weer in, en meteen daarna opnieuw. In dit hele plots ontstane pandemonium van wind, licht, duisternis en water verloor de wereld haar contouren en keerde de werkelijkheid terug naar chaos, een toestand, waaruit echt alles kon ontstaan. De jongen was nog niet ver, hij kon nog terugkeren en beschutting zoeken in het stadje. Hij had nog kunnen omkeren, naar de tafel met het veldboeket, hij had de pijn die hij daar had achtergelaten nog kunnen verlichten; dan was de hele toekomst anders gelopen. Maar hij keek zelfs niet om, hij liep verder, en stelde die kracht, dat leven op de proef.

Hij was door en door nat geworden, zo ook de versleten leren tas met zijn schamele scholierenbezit: een paar boeken, een schetsblok, potloden. Het onweer was al gauw voorbij, zoals dat met onweersbuien in juni gaat, en uit de chaos verrees een prachtige heldere schemering. De jongen rilde van de kou. De rivier kwam tot rust, aan de andere kant hing laag boven het moeras de grote zon. En aan de andere kant van de verkleefde bladzijden ging een rilling door het lichaam van de oude man. De vrouw legde haar koele en gladde hand op zijn voorhoofd. ‘Prabatsjtje mjanje,’ bracht hij met moeite uit, ‘vergeef me’. ‘Sssst,’ antwoordde ze, met haar blik ergens boven zijn hoofd gericht. Het roze schijnsel doofde, alsof iemand het licht had uitgedaan.

Na het vallen van de duisternis bereikte de jongen een dorpje en bonsde op de deur van de eerste de beste boerenstulp. De aanvankelijk achterdochtige bewoners – hij was toch niet van een bende? – deden de deur uiteindelijk open en lieten hem in de schuur slapen, ze gaven hem ook wat vodden, zodat hij zijn natte kleren uit kon doen. Hij begroef zich in het hooi en viel meteen in slaap, alsof hij in een bodemloze put viel, in een donkere kloof die de beelden van herinneringen van elkaar scheidde. En toen hij bij dageraad wakker werd, moest hij zich voor de geest halen wie hij was, hoe hij hier kwam en waar hij heen ging.

Hij groef zich uit het hooi en ging het erf op. Zijn jeugd was zijn bondgenote. De wereld zag eruit alsof zij nog maar net was geboren en er nog niets menselijk op had plaatsgevonden, geen oorlog, geen liefde, geen verraad. Bij de waterput waste hij zich, het water rook naar aarde, de vogels floten. Aan de andere kant van de verkleefde bladzijden was het anders: daar was alles al voorbij.

Graag had hij de donkerharige vrouw erover verteld: dat alle gebeurtenissen uit een zelfde pot komen waaruit iedereen steeds weer een greep moet doen, waardoor iedereen uiteindelijk hetzelfde mee moet maken, maar dan wel op zijn eigen manier. Maar de woorden bleven in zijn vermoeide lichaam hangen en hij was niet meer bij machte om ze eruit te persen. Waarschijnlijk was hij in slaap gedommeld, want toen hij zijn oogleden weer opsloeg, was het helemaal donker. De vrouw was verdwenen. Hij tuurde ingespannen de duisternis en de leegte in, want ogen raken nooit uitgekeken, zelfs als er niks meer te zien valt.

De rivier stroomde breed en gemoedelijk. Door het ondiepe water stapte een zilverreiger, waarbij ze eerst de ene en dan de andere poot hoog optrok. Dat had hij wel vaker gezien, daarvoor en daarna, maar zijn geheugen sloeg precies dit beeld op en geen ander. In een wirwar van kalmoes mondde de Szysia uit in de Boeg – nu, gezwollen door de regen, trad zij buiten haar oevers en nam stukken land in, overgroeid met weelderig groen. In het veld bloeiden tussen het onrijpe graan kamille en korenbloemen, witte, gele en blauwe vlekjes.

Ongemerkt waren er drie jaar verstreken, het graan was gerijpt en hij liep daar niet meer alleen, maar met een meisje. Hij hield haar bij de hand en probeerde haar in de ogen te kijken. Ze wendde zich lachend af en hield haar hoofd schuin op een manier die enkel haar unieke bestaan toebehoorde: niemand ter wereld had dat ooit zo gedaan en niemand had ooit zulke ogen gehad, grijsgroene, met in de zon glinsterende vlekjes, net stukjes barnsteen. Wat zal het moeilijk zijn te sterven, dacht hij toen uit het niets. Kamilleblaadjes dwarrelden op het tafelblad, vele blaadjes. Of was het sneeuw? Het bleef maar sneeuwen, de velden waren al wit en ook de hemel was wit, en in de armen van een man lag het gloeiende, slappe lichaam van een kind. Wie was die man? Hij liep zo snel hij kon, ploeterde door het vochtige wit, tranen stroomden over zijn wangen terwijl hij in de sneeuwstorm zijn schat tegen zich aandrukte.

De wind danst en danst. Hij jaagt de lente voort, en na de lente de zomer, hij schudt blaadjes van bloemen, geel stuifmeel van bomen. Hij waait naar het zuiden en waait naar het noorden, hij draait, wervelt, keert… De zon gaat op en de zon gaat onder, en hijst zich weer boven de horizon uit. Rivieren stromen naar de zee, de mens zoekt zijn weg.



Het fragment is vertaald door een vertaalcollectief bestaande uit Małgosia Briefjes, Bob Muilwijk, Charlotte Pothuizen, Lennard van Uffelen en Melanie Zonderman.






1 ‘Uw bloemen.’ ‘Welke bloemen?’




<   

TSL 93

   >