In 1886 lag met de ‘dubbelaar’ Kozakken/
Tafereelen uit het beleg van Sebastopol
voor het eerst een Nederlandse vertaling
van Tolstoj in de boekhandel. De daaropvolgende
jaren zouden tientallen titels
volgen. Dit literair-historisch overzicht
wil een bijdrage leveren tot de vroege receptiegeschiedenis
van Tolstoj in het Nederlands,
en sluit aan bij een eerder artikel
over de eerste vertaling van Tolstoj in een
Nederlandse krant (TSL 82, juni 2019).
Met Tafereelen uit het beleg van Sebastopol
verscheen in 1886 de allereerste Nederlandse
vertaling van de Sevastopolskië
rasskazy, de verhalen die Tolstoj schreef
toen hij als militair deelnam aan de verdediging
van Sebastopol tijdens de Krimoorlog
(1853-1856). In de uitgave van de
Amsterdamse uitgever Adrianus Rössing
zijn de drie verhalen gebundeld met De
kozakken (Kazaki); beide werden vertaald
door Frederik van Burchvliet. Van Burchvliets
vertaalactiviteit beperkte zich niet
tot deze dubbele titel: in dezelfde periode
vertaalde hij ook De kerstboom (Jolka i
svadba) en Schuld en boete (Prestuplenië
i nakazanië) van Dostojevski (Boulogne
2011: 215). Van Burchvliet ontpopte zich
tot een van de meest productieve Tolstoj-vertalers
van de eerste generatie. Hij vertaalde Mijne gedenkschriften. Kindsheid-
Jeugd-Jongelingsjaren
(Detstvo. Otrotsjestvo.
Joenost, 1852-1854-1857), Mijn
geloof (V tsjom moja vjera, 1887) en Mijn
zwanezang. Geschiedenis van een musicus
(Albert, 1858).
Over Van Burchvliet zelf weten we niet erg veel, het valt zelfs niet uit te sluiten dat het om een pseudoniem gaat. Een zoektocht in de kranten brengt wel aan het licht dat Van Burchvliet ook de vertaler is van Wilskracht (‘Volonté’), een roman van de Franse populaire auteur Georges Ohnet (1848-1918) die hij in 1888 vertaalde voor de koloniale krant De Locomotief. Van Burchvliet waagde ook zelf zijn kans als auteur. In 1891 verscheen zijn novelle ‘Vergeten?...’ in vijf afleveringen in het Bataviaasch Handelsblad, ook al een koloniale krant uit Nederlands-Indië. Een jonge schrijver die maar niet aan de bak komt, schakelt in het verhaal zijn vriendin Dora in om een uitgever van zijn literaire kunnen te overtuigen. Had Van Burchvliet literaire aspiraties en was het vertalen een opstapje naar een leven als schrijver? En geeft hij in de novelle zijn visie over hoe hij aankeek tegen de receptie van literatuur?
Hoofdpersonage Frans Bergmans slaagt wonderwel in zijn opzet, waarna hij zijn vriendin als een baksteen laat vallen. De novelle laat geen onuitwisbare indruk na, en is Van Burchvliets laatst bekende wapenfeit. In de fameuze vertalerstypologie van Nabokov zou Van Burchvliet wellicht belanden in de lade van ‘the well meaning hack’, de ‘goedbedoelende broodvertaler’ (Nabokov 1981: 319). Dat Van Burchvliet een onzichtbare figuur blijft hoeft niet te verbazen. Literaire vertalers waren eind negentiende eeuw (nog) minder zichtbaar dan vandaag, en het is twijfelachtig of men toen uit het vertalen een voltijds inkomen kon puren. Het aanzien dat vertalers genoten was overigens omgekeerd evenredig met het indrukwekkende aantal vertalingen dat de Nederlandse markt overspoelde.
Uitgever Adrianus Rössing (1844-1925)
was er snel bij om Tolstoj binnen te loodsen
in zijn catalogus, en hij wedijverde in
het najaar van 1886 om een primeur. Met
zijn eerste Tolstojvertaling in het Nederlands
stak Rössing concurrent Van Kampen
& Zoon en diens Katia (Semejnoje
stsjastië) de loef af. In september kondigde
De Portefeuille de verschijning aan
van De Kozakken/Tafereelen uit het beleg
van Sebastopol, en nog voor 15 november
lag het in de boekhandel. Dezelfde maand
nog verscheen ook Katia. ‘Dit is het eerste
werk van Tolstoï dat in het Nederlandsch
vertaald is,’ klopte Rössing zichzelf in een
advertentie op de borst (Algemeen Handelsblad,
21-11-1886: 4). Het is duidelijk
dat de uitgever er in 1886 geen gras over
liet groeien. Op 12 maart kondigde het
vakblad Nieuwsblad voor den boekhandel
aan dat bij de Parijse uitgever Hachette
Les Cosaques/Souvenirs de Sébastopol
was verschenen en al meteen de volgende
dag legt Rössing de vertaalrechten vast bij
de ‘Commissie tot regeling van het vertalingsrecht’. Les Cosaques/Souvenirs de
Sébastopol was een vertaling uit het Russisch
door ‘une Russe’ (het pseudoniem
van Irina Paskevitsj, 1835-1925), van wie
in november 1885 al haar vertaling van
‘Sebastopol in mei’ in feuilletonvorm was
verschenen in de Revue des Deux Mondes.
Paskevitsj was in 1879 ook de eerste geweest
om Oorlog en vrede in het Frans te
vertalen.
Het is bekend dat voor de eerste uitgevers
van Russische literatuur de wind uit
Parijs kwam. Dat De Kozakken/Tafereelen
uit het beleg van Sebastopol als eerste
werk van Tolstoj in het Nederlands vertaald
werd, is wellicht deels toeval. Het
is aannemelijk dat Rössing al voor maart
1886 gelezen had over Tolstoj. Eugène-
Melchior de Vogüé (1848-1910), een
Franse burggraaf en diplomaat die lange
tijd in Rusland had doorgebracht, publiceerde
vanaf oktober 1883 in de Revue
des Deux Mondes een reeks invloedrijke
artikelen over Toergenjev, Tolstoj, Dostojevski
en Gogol. De Revue werd in grote
delen van Europa gelezen, zo ook in
Nederland. Boekhandelaars publiceerden
de inhoudsopgave van het tijdschrift in
advertenties, en ook kranten besteedden
geregeld aandacht aan het tijdschrift. Een
uitgever die op zoek was naar literair talent
kon al ruim voor 1886 kennismaken
met Tolstoj. Dat Rössing begin 1884 al de
vertaling van Raskolnikow (Prestuplenië i
nakazanië) van Dostojevski aankondigde
lijkt een bevestiging van het feit dat hij
zijn informatie rechtstreeks uit Frankrijk
haalde.
Eind 1885 verscheen het eerste uitgebreide
Nederlandse artikel over Tolstoj.
Conrad Busken Huet (1826-1886), Nederlands
criticus met Parijs als standplaats,
ging in het literaire tijdschrift Nederland
in op de ‘Nieuwe Russische letteren’.
Busken Huet verwijst daarin onder andere
naar ‘Soldateleven, herinneringen van de
Krim-oorlog, door den schrijver medegemaakt
[…]’ (Busken Huet 1885: 255).
Men is lang van oordeel geweest dat Le
roman russe (1886) van de Vogüé cruciaal
was bij de ‘Russomanie’ waar ook uitgevers van in de ban waren
(Willemsen 1989: 74-76), maar voor
de introductie van Dostojevski, Tolstoj,
Gontsjarov en Gogol spreekt de chronologie
dit tegen: de Vogüé’s reeks in de Revue
des Deux Mondes had zijn werk toen
al gedaan. Ook Huet stond duidelijk onder
invloed van de artikelen van De Vogüé.
De bewering van Praamstra (2007: 787)
‘Het is aan zijn kritieken over Tolstoj en
Dostojevski te danken dat 1886 het jaar
werd van de doorbraak van de Russische
letterkunde in Nederland’ is dan ook sterk
overdreven.
De eerste Nederlandse Tolstojvertalingen
– De Kozakken en Katia – bleken
de katalysator van een hele rits nieuwe.
Net zoals in andere Europese landen en
in de Verenigde Staten werd Tolstoj in
de tweede helft van de jaren 1880 volop
vertaald (Coudenys 2011: 2560-2562). In
1887 waren er al meteen zeven uitgevers
die uiteenlopend werk van Tolstoj in Nederlandse
vertaling op de markt brachten,
waaronder Anna Karenina en Oorlog en
vrede. Zelf publiceerde Rössing Tolstojs
toneelstuk Macht der duisternis (Vlast
tmy, 1887). De uitgever hield De Kozakken/
Tafereelen uit het beleg van Sebastopol
ondertussen onverdroten onder de
aandacht. Tot 4 december 1887 verscheen
de titel in de frequente advertenties van
Rössing. Om De Kozakken niet te laten
overschaduwen door Anna Karenina en
Oorlog en vrede noemde hij het, met de
nodige overdrijving, ‘één van Tolstoï’s
hoofdwerken’ (Het nieuws van den dag,
16-2-1887: 4). Ook uitgever Van Kampen
liet zich niet onbetuigd: tot in december
1890 verschenen advertenties om Katia
onder de aandacht te brengen (Groene
Amsterdammer, 4-12-1887: 4 en Groene
Amsterdammer, 7-12-1890: 8). Geen van
beide titels lijkt dan ook een onmiddellijke
bestseller te zijn geworden. Een gebrek
aan interesse, of was de markt eenvoudigweg
verzadigd door de plotse tsunami
aan Tolstojtitels?
In termen van Bourdieus
cultuurbegrip kunnen we ons de vraag
stellen of het cultureel kapitaal van Tolstoj
al voldoende toegenomen was om er economisch kapitaal uit te puren. Eerder
waren Rössings uitgaven van Dostojevski
evenmin een commercieel succes (Boulogne
2011: 216). Hij mag dan wel weinig
succesvol zijn geweest als uitgever, voor
de introductie van de Russische literatuur
bleek Rössing een schakelfiguur. Begonnen
als boekhandelaar/uitgever in Breda
(1872) was hij als uitgever actief in Den
Haag (1882-1886) en Amsterdam (1886-
1890). Hij was de eerste om zowel Dostojevski
(Schuld en boete, 1885) als Tolstoj
(De kozakken/Tafereelen uit het beleg van
Sebastopol, 1886) in het Nederlands uit te
geven. Lijkt het enthousiasme voor Tolstoj
in eerste instantie vooral de uitgevers
in haar greep gehad te hebben, het publiek
had iets meer tijd nodig. Toch blijkt uit de
frequente zoekertjes van boekhandelaren
en particulieren vanaf 1887 dat tweedehandsexemplaren
van Tolstojs werk
veelgevraagd waren.
Rössing publiceerde
nadien nog de eerste Nederlandse vertalingen
van zowel Mjortvië doesji (Doode
zielen. Russische typen, 1888) als van Taras
Boelba (Taras Bulba. De hetman der
Kozakken, 1888) van Gogol, maar net zo
goed de eerste Nederlandse Oblomov van
Gontsjarov (1887), en Groza (Het Onweer.
Drama in vijf bedrijven, 1889) van
Ostrovski. Rössing was daarnaast ook de
uitgever van De Lantaarn (1885-1889),
een maandblad met recensies dat bijzondere
aandacht besteedde aan de Russische
literatuur en waarvan zijn broer Johan
Herman (1847-1918) de redacteur was.
Rössing zag zijn inspanningen voor de
Russische literatuur niet beloond. In het
najaar van 1890 ging zijn uitgeverij failliet.
Een roemloos einde voor de pionier
van de Russische literatuur in het Nederlands.
De kozakken/Tafereelen uit het beleg van Sebastopol kreeg vrij veel weerklank in de pers, wat voor Tolstojs Nederlandstalige debuut niet helemaal onverwacht is, gezien de faam die hij al in Frankrijk genoot. De critici apprecieerden vooral het exotische van het boek. ‘Er gaat een wonderbare macht van dezen schrijver uit. Handeling paart zich hier aan stemming, de stemming van een vreemd land, grootsch, schier eindeloos, en vreemd wat de daden en roerselen der menschen betreft’ (Nieuws van den dag, 15-11-1886: 3). H. Tépé, de recensent van het gematigde liberale tijdschrift De Tijdspiegel, bespreekt zowel De kozakken/ Tafereelen uit het beleg van Sebastopol als Katia en kijkt al uit naar de vertaling van Oorlog en vrede, waarvan de reputatie het boek vooruitsnelt. ‘Eerst sedert enkele jaren werd meer dan één roman van dezen auteur in 't Fransch en Duitsch vertaald en daardoor onder de aandacht ook van onze letterkundigen gebracht.’ Tépé bespreekt op zwierige wijze De kozakken en ook hij heeft vooral oog voor het exotische aspect. ‘Ge treft er mannen aan als de woudberen hunner wildernissen, forsche, frissche vrouwenfiguren, met al de deugden en gebreken van de dochteren Eva’s van alle tijden.’ Zijn waardering gaat echter vooral uit naar de Sebastopolverhalen:
De bespreking neemt de vorm aan van een fantasierijk stuk proza geïnspireerd op het boek, waarbij geen enkel voorbeeld overeenkomt met een passage uit de tekst (noch de rokende soldaten, noch het ruiterloze paard, de brief of het visioen van het afscheid):
Hoe lovend Tépé ook is, het is volgens
hem evident dat het boek voor een publiek
van fijnproevers bestemd is. ‘Dat hier
geene lichte lectuur wordt aangeboden en
niet zulk eene, wier schoonheid en waarde
terstond door een groot deel onzer romanlezers
zal worden gevat, ligt voor de hand.
Maar in menigen kring zal de kennismaking
met dezen auteur eene bron openen
van rein en rijk genot.’
In het in Vlaanderen uitgegeven tijdschrift
Belfort gaat de publicatie ook niet
onopgemerkt voorbij. Recensent Julien
Claerhout citeert uit wat hij noemt ‘De
Gedenkenissen van Sebastopol’:
Los van de verbastering van de naam
‘Praskoukine’ is het fragment blijkbaar
door Claerhout zelf vertaald uit het
Frans, met de nodige Vlaamse streektaal
zoals ‘binst’ (terwijl), ‘subbelt’ (struikelt),
‘uitbersten’, (uitbarsten) ‘sperken’
(‘vonken”). Het toont aan dat literatuur
in België hoofdzakelijk in het Frans werd
geconsumeerd.
‘Alphonsus’, de recensent van Vragen
van den dag, heeft op zijn beurt vooral
oog voor de vertelkracht van de ‘Schilderingen
der belegering van Sebastopol’:
Het verschijnen van recensies en kritieken betekent niet noodzakelijk dat de literaire wereld wild was van De Kozakken/ Tafereelen uit het beleg van Sebastopol want er was doorgaans sprake van flink wat kruisbestuiving, en recensies lokten nieuwe recensies uit. En dan zwijgen we nog over het fenomeen van recensenten die hand- en spandiensten verleenden aan uitgevers. De gretigheid waarmee uitgevers in advertenties naar recensies verwezen, toont het belang dat ze eraan hechtten. Omgekeerd blijkt dat uitgevers van naam en faam vaker op persaandacht konden rekenen. Een laatste bedenking is voor de latere Tolstojreceptie relevant: tot diep in de negentiende eeuw kreeg ‘stichtelijke’ of religieuze literatuur in de kritiek meer aandacht dan fictie, en daar lag voor Tolstoj een opportuniteit.
Tafereelen uit het beleg van Sebastopol kreeg nooit een herdruk. In 1888 kreeg het lezerspubliek wel een herkansing. ‘De dood op het slagveld’, een fragment uit het twaalfde hoofdstuk van ‘Sebastopol in mei’, is opgenomen in De dood, een bloemlezing met de integrale novelle ‘De dood van Ivan Iliitch’ (‘Smert Ivana Ilitsja’, 1886) en verder ook nog ‘Drie dooden’ (‘Tri Smerti’, 1859) en de fragmenten ‘De dood van een paard’ (uit ‘Cholstomer. Istoria losjadi’, 1885), ‘De dood van prins Andrei’ (uit Vojna i mir, 1869) en ‘De dood van Nicolaï Levine’ (uit Anna Karenina, 1877). De onbekende auteur van de inleiding tot de bloemlezing, wellicht de vertaler, maakt duidelijk dat de uitgave wil bijdragen aan de introductie van Tolstoj bij Nederlandstalige lezers.
We krijgen ook een blik in de keuken van de vertaler, die een uitspraak van de Vogüé uit Le roman russe aanhaalt: ‘de verschillende talen verraden de wijsgeerige opvattingen van de rassen, die ze spreken’.
De originele tekst waarvan sprake is, is niét de Russische tekst, maar wel La mort, de Franse compilatie van vertaler Ely Halpérine-Kaminsky (1858-1936) die in 1887 bij Hachette verscheen. Aangezien de Nederlandse versie van het fragment uit ‘Sevastopol v maje’ gebaseerd is op Les Cosaques/Souvenirs de Sébastopol in een vertaling van Irina Paskevitsj, en niét op de vertaling van Ely Halpérine-Kaminsky (die officieel als broneditie was aangemeld bij het registreren van de vertaling), moeten we er rekening mee houden dat de praktijk van het vertalen niet altijd overeenstemt met wat er officieel op papier werd gezet.
Dertig jaar na de boekuitgave verscheen De Kozakken/Tafereelen uit het beleg van Sebastopol opnieuw, ditmaal als feuilleton. De Nederlandse krant De Tribune publiceerde Van Burchvliets vertaling tussen 8 mei en 10 september 1917 in negenendertig afleveringen. De tekst is identiek, met dit verschil dat de voetnoten zijn vervangen door toevoegingen tussen haakjes in de tekst zelf. De publicatie werd niet aangekondigd en al evenmin ingeleid, zodat we enkel kunnen gissen naar de motieven van de redactie. Feuilletons waren een manier om aan klantenbinding te doen, en voorzagen de lezer van ideologisch passend leesvoer. In het neutrale Nederland werden de krantenkolommen in 1917 gedomineerd door nieuws van de diverse oorlogsfronten, en het is bekend dat de Oktoberrevolutie (die uitbrak kort na de publicatie van het feuilleton) de belangstelling voor Russische literatuur aanzwengelde (Boulogne 2011: 526). Het communistische dagblad volgde de onrust in Rusland alvast op de voet en sympathiseerde met de bolsjewieken. In de editie waarin de slotaflevering van De Kozakken/Tafereelen uit het beleg van Sebastopol verscheen zijn dan ook artikelen te lezen over de dictatuur van het proletariaat en een congres van de bolsjewieken (De Tribune, 10 september 1917: 1 en 4). Mogelijk speelde ook de figuur van Henriette Roland Holst een rol in de keuze voor Tolstoj. De redactrice van De Tribune was een bekende bewonderaarster van Tolstoj, vertaalde dagboekfragmenten en brieven van Tolstoj en publiceerde in 1930 de eerste Nederlandstalige Tolstojbiografie.
Alphonsus, ‘Graaf L.N. Tolstoï’. Vragen van
den dag 2, 1887, 1206-1220.
Boulogne, Pieter, Het temmen van de Scyth.
De vroege Nederlandse receptie van F.M.
Dostoevskij. Leuven: K.U. Leuven, 2011.
Busken Huet, Conrad, ‘Nieuwe Russische letteren’.
Nederland 3, 1885, 241-260.
Claerhout, J.[Julien], ‘Tolstoï’. Het Belfort.
Tijdschrift toegewijd aan Letteren, Wetenschap
en Kunst, 1, 1886, 456-459.
Coudenys, Wim, ‘Translation and the international
dissemination of the novels of Tolstoy’.
In: Kittel H., et al. (Eds.), Übersetzung-Translation-
Traduction: Ein internationales Handbuch
zur Übersetzungsforschung. Berlin: Walter
de Gruyter, 2011, 2559-2570.
Praamstra, Olf, Busken Huet. Een biografie.
Nijmegen: SUN, 2007.
Regniers, Gaëtan, ‘“God ziet de waarheid”.
Tolstojs Nederlandstalige debuut’. Tijdschrift
voor Slavische Literatuur 82, 2019, 15-19.
Tépé, H., ‘Nieuwe uitgaven en vertalingen’.
De Tijdspiegel, 1887, 538-540.
Tolstoï, Léo, De kozakken. Tafereelen uit het
beleg van Sebastopol. Amsterdam: A. Rössing,
1886.
Tolstoï, Léo, De dood. Amsterdam: A. Rössing,
1888.
Van Burchvliet, F. [Frederik], ‘Vergeten?...’. Bataviaasch Nieuwsblad, op 17-4-1891, 22-4-
1891, 24-4-1891, 25-4-1891 en 27-4-1891: 5.
Waegemans, Emmanuel en Willemsen, Cees,
Bibliografie van Russische literatuur in Nederlandse
vertaling 1789-1985. Leuven: University
Press, 1991.
Willemsen, Cees, ‘De receptie van de Russische
literatuur in Nederland: 1789-1989 (II)’.
Tijdschrift voor Slavische Literatuur 5, 1989,
68-77.