Gaëtan Regniers



De vroege receptie van Tolstoj



In 1886 lag met de ‘dubbelaar’ Kozakken/ Tafereelen uit het beleg van Sebastopol voor het eerst een Nederlandse vertaling van Tolstoj in de boekhandel. De daaropvolgende jaren zouden tientallen titels volgen. Dit literair-historisch overzicht wil een bijdrage leveren tot de vroege receptiegeschiedenis van Tolstoj in het Nederlands, en sluit aan bij een eerder artikel over de eerste vertaling van Tolstoj in een Nederlandse krant (TSL 82, juni 2019).

Met Tafereelen uit het beleg van Sebastopol verscheen in 1886 de allereerste Nederlandse vertaling van de Sevastopolskië rasskazy, de verhalen die Tolstoj schreef toen hij als militair deelnam aan de verdediging van Sebastopol tijdens de Krimoorlog (1853-1856). In de uitgave van de Amsterdamse uitgever Adrianus Rössing zijn de drie verhalen gebundeld met De kozakken (Kazaki); beide werden vertaald door Frederik van Burchvliet. Van Burchvliets vertaalactiviteit beperkte zich niet tot deze dubbele titel: in dezelfde periode vertaalde hij ook De kerstboom (Jolka i svadba) en Schuld en boete (Prestuplenië i nakazanië) van Dostojevski (Boulogne 2011: 215). Van Burchvliet ontpopte zich tot een van de meest productieve Tolstoj-vertalers van de eerste generatie. Hij vertaalde Mijne gedenkschriften. Kindsheid- Jeugd-Jongelingsjaren (Detstvo. Otrotsjestvo. Joenost, 1852-1854-1857), Mijn geloof (V tsjom moja vjera, 1887) en Mijn zwanezang. Geschiedenis van een musicus (Albert, 1858).



frederik van burchvliet


Over Van Burchvliet zelf weten we niet erg veel, het valt zelfs niet uit te sluiten dat het om een pseudoniem gaat. Een zoektocht in de kranten brengt wel aan het licht dat Van Burchvliet ook de vertaler is van Wilskracht (‘Volonté’), een roman van de Franse populaire auteur Georges Ohnet (1848-1918) die hij in 1888 vertaalde voor de koloniale krant De Locomotief. Van Burchvliet waagde ook zelf zijn kans als auteur. In 1891 verscheen zijn novelle ‘Vergeten?...’ in vijf afleveringen in het Bataviaasch Handelsblad, ook al een koloniale krant uit Nederlands-Indië. Een jonge schrijver die maar niet aan de bak komt, schakelt in het verhaal zijn vriendin Dora in om een uitgever van zijn literaire kunnen te overtuigen. Had Van Burchvliet literaire aspiraties en was het vertalen een opstapje naar een leven als schrijver? En geeft hij in de novelle zijn visie over hoe hij aankeek tegen de receptie van literatuur?



Hoevele, thans beroemde, mannen hebben niet den steun, zoowel den zedelijken, als den materieelen steun noodig gehad van hen, die zich reeds een plaats in de maatschappij veroverd hadden; mannen, die misschien onbekend en ongewaardeerd in den strijd om het bestaan zouden zijn ondergegaan, als niet een invloedrijk man hen aanbevelend bij het publiek had binnengeleid (Van Burchvliet, 22-4-1891: 5).


Hoofdpersonage Frans Bergmans slaagt wonderwel in zijn opzet, waarna hij zijn vriendin als een baksteen laat vallen. De novelle laat geen onuitwisbare indruk na, en is Van Burchvliets laatst bekende wapenfeit. In de fameuze vertalerstypologie van Nabokov zou Van Burchvliet wellicht belanden in de lade van ‘the well meaning hack’, de ‘goedbedoelende broodvertaler’ (Nabokov 1981: 319). Dat Van Burchvliet een onzichtbare figuur blijft hoeft niet te verbazen. Literaire vertalers waren eind negentiende eeuw (nog) minder zichtbaar dan vandaag, en het is twijfelachtig of men toen uit het vertalen een voltijds inkomen kon puren. Het aanzien dat vertalers genoten was overigens omgekeerd evenredig met het indrukwekkende aantal vertalingen dat de Nederlandse markt overspoelde.



uitgever adrianus rössing



Uitgever Adrianus Rössing (1844-1925) was er snel bij om Tolstoj binnen te loodsen in zijn catalogus, en hij wedijverde in het najaar van 1886 om een primeur. Met zijn eerste Tolstojvertaling in het Nederlands stak Rössing concurrent Van Kampen & Zoon en diens Katia (Semejnoje stsjastië) de loef af. In september kondigde De Portefeuille de verschijning aan van De Kozakken/Tafereelen uit het beleg van Sebastopol, en nog voor 15 november lag het in de boekhandel. Dezelfde maand nog verscheen ook Katia. ‘Dit is het eerste werk van Tolstoï dat in het Nederlandsch vertaald is,’ klopte Rössing zichzelf in een advertentie op de borst (Algemeen Handelsblad, 21-11-1886: 4). Het is duidelijk dat de uitgever er in 1886 geen gras over liet groeien. Op 12 maart kondigde het vakblad Nieuwsblad voor den boekhandel aan dat bij de Parijse uitgever Hachette Les Cosaques/Souvenirs de Sébastopol was verschenen en al meteen de volgende dag legt Rössing de vertaalrechten vast bij de ‘Commissie tot regeling van het vertalingsrecht’. Les Cosaques/Souvenirs de Sébastopol was een vertaling uit het Russisch door ‘une Russe’ (het pseudoniem van Irina Paskevitsj, 1835-1925), van wie in november 1885 al haar vertaling van ‘Sebastopol in mei’ in feuilletonvorm was verschenen in de Revue des Deux Mondes. Paskevitsj was in 1879 ook de eerste geweest om Oorlog en vrede in het Frans te vertalen.

Het is bekend dat voor de eerste uitgevers van Russische literatuur de wind uit Parijs kwam. Dat De Kozakken/Tafereelen uit het beleg van Sebastopol als eerste werk van Tolstoj in het Nederlands vertaald werd, is wellicht deels toeval. Het is aannemelijk dat Rössing al voor maart 1886 gelezen had over Tolstoj. Eugène- Melchior de Vogüé (1848-1910), een Franse burggraaf en diplomaat die lange tijd in Rusland had doorgebracht, publiceerde vanaf oktober 1883 in de Revue des Deux Mondes een reeks invloedrijke artikelen over Toergenjev, Tolstoj, Dostojevski en Gogol. De Revue werd in grote delen van Europa gelezen, zo ook in Nederland. Boekhandelaars publiceerden de inhoudsopgave van het tijdschrift in advertenties, en ook kranten besteedden geregeld aandacht aan het tijdschrift. Een uitgever die op zoek was naar literair talent kon al ruim voor 1886 kennismaken met Tolstoj. Dat Rössing begin 1884 al de vertaling van Raskolnikow (Prestuplenië i nakazanië) van Dostojevski aankondigde lijkt een bevestiging van het feit dat hij zijn informatie rechtstreeks uit Frankrijk haalde.

Eind 1885 verscheen het eerste uitgebreide Nederlandse artikel over Tolstoj. Conrad Busken Huet (1826-1886), Nederlands criticus met Parijs als standplaats, ging in het literaire tijdschrift Nederland in op de ‘Nieuwe Russische letteren’. Busken Huet verwijst daarin onder andere naar ‘Soldateleven, herinneringen van de Krim-oorlog, door den schrijver medegemaakt […]’ (Busken Huet 1885: 255).

Men is lang van oordeel geweest dat Le roman russe (1886) van de Vogüé cruciaal was bij de ‘Russomanie’ waar ook uitgevers van in de ban waren (Willemsen 1989: 74-76), maar voor de introductie van Dostojevski, Tolstoj, Gontsjarov en Gogol spreekt de chronologie dit tegen: de Vogüé’s reeks in de Revue des Deux Mondes had zijn werk toen al gedaan. Ook Huet stond duidelijk onder invloed van de artikelen van De Vogüé. De bewering van Praamstra (2007: 787) ‘Het is aan zijn kritieken over Tolstoj en Dostojevski te danken dat 1886 het jaar werd van de doorbraak van de Russische letterkunde in Nederland’ is dan ook sterk overdreven.

De eerste Nederlandse Tolstojvertalingen – De Kozakken en Katia – bleken de katalysator van een hele rits nieuwe. Net zoals in andere Europese landen en in de Verenigde Staten werd Tolstoj in de tweede helft van de jaren 1880 volop vertaald (Coudenys 2011: 2560-2562). In 1887 waren er al meteen zeven uitgevers die uiteenlopend werk van Tolstoj in Nederlandse vertaling op de markt brachten, waaronder Anna Karenina en Oorlog en vrede. Zelf publiceerde Rössing Tolstojs toneelstuk Macht der duisternis (Vlast tmy, 1887). De uitgever hield De Kozakken/ Tafereelen uit het beleg van Sebastopol ondertussen onverdroten onder de aandacht. Tot 4 december 1887 verscheen de titel in de frequente advertenties van Rössing. Om De Kozakken niet te laten overschaduwen door Anna Karenina en Oorlog en vrede noemde hij het, met de nodige overdrijving, ‘één van Tolstoï’s hoofdwerken’ (Het nieuws van den dag, 16-2-1887: 4). Ook uitgever Van Kampen liet zich niet onbetuigd: tot in december 1890 verschenen advertenties om Katia onder de aandacht te brengen (Groene Amsterdammer, 4-12-1887: 4 en Groene Amsterdammer, 7-12-1890: 8). Geen van beide titels lijkt dan ook een onmiddellijke bestseller te zijn geworden. Een gebrek aan interesse, of was de markt eenvoudigweg verzadigd door de plotse tsunami aan Tolstojtitels?

In termen van Bourdieus cultuurbegrip kunnen we ons de vraag stellen of het cultureel kapitaal van Tolstoj al voldoende toegenomen was om er economisch kapitaal uit te puren. Eerder waren Rössings uitgaven van Dostojevski evenmin een commercieel succes (Boulogne 2011: 216). Hij mag dan wel weinig succesvol zijn geweest als uitgever, voor de introductie van de Russische literatuur bleek Rössing een schakelfiguur. Begonnen als boekhandelaar/uitgever in Breda (1872) was hij als uitgever actief in Den Haag (1882-1886) en Amsterdam (1886- 1890). Hij was de eerste om zowel Dostojevski (Schuld en boete, 1885) als Tolstoj (De kozakken/Tafereelen uit het beleg van Sebastopol, 1886) in het Nederlands uit te geven. Lijkt het enthousiasme voor Tolstoj in eerste instantie vooral de uitgevers in haar greep gehad te hebben, het publiek had iets meer tijd nodig. Toch blijkt uit de frequente zoekertjes van boekhandelaren en particulieren vanaf 1887 dat tweedehandsexemplaren van Tolstojs werk veelgevraagd waren.

Rössing publiceerde nadien nog de eerste Nederlandse vertalingen van zowel Mjortvië doesji (Doode zielen. Russische typen, 1888) als van Taras Boelba (Taras Bulba. De hetman der Kozakken, 1888) van Gogol, maar net zo goed de eerste Nederlandse Oblomov van Gontsjarov (1887), en Groza (Het Onweer. Drama in vijf bedrijven, 1889) van Ostrovski. Rössing was daarnaast ook de uitgever van De Lantaarn (1885-1889), een maandblad met recensies dat bijzondere aandacht besteedde aan de Russische literatuur en waarvan zijn broer Johan Herman (1847-1918) de redacteur was. Rössing zag zijn inspanningen voor de Russische literatuur niet beloond. In het najaar van 1890 ging zijn uitgeverij failliet. Een roemloos einde voor de pionier van de Russische literatuur in het Nederlands.



de kritiek



De kozakken/Tafereelen uit het beleg van Sebastopol kreeg vrij veel weerklank in de pers, wat voor Tolstojs Nederlandstalige debuut niet helemaal onverwacht is, gezien de faam die hij al in Frankrijk genoot. De critici apprecieerden vooral het exotische van het boek. ‘Er gaat een wonderbare macht van dezen schrijver uit. Handeling paart zich hier aan stemming, de stemming van een vreemd land, grootsch, schier eindeloos, en vreemd wat de daden en roerselen der menschen betreft’ (Nieuws van den dag, 15-11-1886: 3). H. Tépé, de recensent van het gematigde liberale tijdschrift De Tijdspiegel, bespreekt zowel De kozakken/ Tafereelen uit het beleg van Sebastopol als Katia en kijkt al uit naar de vertaling van Oorlog en vrede, waarvan de reputatie het boek vooruitsnelt. ‘Eerst sedert enkele jaren werd meer dan één roman van dezen auteur in 't Fransch en Duitsch vertaald en daardoor onder de aandacht ook van onze letterkundigen gebracht.’ Tépé bespreekt op zwierige wijze De kozakken en ook hij heeft vooral oog voor het exotische aspect. ‘Ge treft er mannen aan als de woudberen hunner wildernissen, forsche, frissche vrouwenfiguren, met al de deugden en gebreken van de dochteren Eva’s van alle tijden.’ Zijn waardering gaat echter vooral uit naar de Sebastopolverhalen:



Hooger nog dan dit verhaal stellen wij de Tafreelen uit het beleg van Sebastopol, , die de kleinste en laatste helft van dit boekdeel innemen. Heftig woedt de strijd om de bedreigde stad.. Weken achtereen worden de bastions daaromheen door het vijandelijk geschut geteisterd en tot vormlooze massa's steen en puin vergruizeld. Steeds meer, ondanks, menigen stouten uitval der belegerden, naderen de loopgraven der Franschen en week aan week, dag bij dag, nadert met noodlottige zekerheid het einde. Wat gaat er om in de zielen dier heldhaftige verdedigers, die daar, tusschen puinhoopen, lijken en gewonden , geen oogenblik zeker van hun leven , hun plicht vervullen tegenover het vaderland en den hoogvereerden Czaar en vader aller Russen (Tépé 1887: 539).


De bespreking neemt de vorm aan van een fantasierijk stuk proza geïnspireerd op het boek, waarbij geen enkel voorbeeld overeenkomt met een passage uit de tekst (noch de rokende soldaten, noch het ruiterloze paard, de brief of het visioen van het afscheid):



In het vuur beproefde helden staan doodsangsten uit; in zachtmoedige naturen openbaart zich de leeuwenaard; pas gisteren in liet vuur gedoopten rooken kalm hunne sigarette naast het vuurbrakend kanon; onder een kogelregen in slagorde schertsen de soldaten met elkander over de dolle sprongen van een ruiterloos paard op de vlakte. En intusschen drukt daar een echtgenoot den laatst ontvangen brief zijner gade dicht aan het hart, terwijl voor het oog van den jongen vaandrig het visioen verrijst van zijn laatste afscheid uit het ouderlijk huis. Het zieleleven van den soldaat in oorlogstijd – ziedaar, wat men deze tafereelen zou kunnen noemen. En Tolstoï verstaat de kunst, dat leven in zijne fijnste nuances te beschrijven (Ibidem).


Hoe lovend Tépé ook is, het is volgens hem evident dat het boek voor een publiek van fijnproevers bestemd is. ‘Dat hier geene lichte lectuur wordt aangeboden en niet zulk eene, wier schoonheid en waarde terstond door een groot deel onzer romanlezers zal worden gevat, ligt voor de hand. Maar in menigen kring zal de kennismaking met dezen auteur eene bron openen van rein en rijk genot.’

In het in Vlaanderen uitgegeven tijdschrift Belfort gaat de publicatie ook niet onopgemerkt voorbij. Recensent Julien Claerhout citeert uit wat hij noemt ‘De Gedenkenissen van Sebastopol’:



’t Is binst het beleg van Sebastopol. Een soldaat, Prakouskine ligt op den grond. Eene bomme gaat uitbersten. ‘Een rood vuur schittert eene stonde door zijne gesloten oogschelen; iets slaat hem met eenen afgrijselijken schok, te midden in de borst. Hij springt recht en loopt wat rond, vernestelt in zijnen sabel, subbelt en stort neer op zijn zij: – God zij gedankt, ’k en ben maar gekneusd!... ’t Is zijn eerste gedacht. Hij wilt tasten aan zijne borst, maar zijne handen zijn lijk gebonden, zijn hoofd zit lijk in eene schroeve. Voor zijne oogen loopen soldaten, hij telt ze zonder achterdenken: een, twee, drie soldaten; daar is een officier, die zijnen mantel verliest. Een nieuw licht glinstert voor zijne oogen: ’t is eene kanonschoot. Nieuwe schoten weerhelmen: ’t loopen soldaten voor hem: vier, vijf, zes: en eensklaps wordt hij schromelijk benauwd van onder de voeten vertrapt te worden. Hij wilt schreeuwen, zeggen dat hij gekneusd is: maar zijn mond is droog; zijne tong plakt aan den hemel van zijnen mond; hij lijdt eenen geweldigen dorst. Hij voelt dat zijne borst nesch is en ’t gedacht dier neschheid doet hem op water peizen: hij zou willen drinken van ’t gene hem nat maakt. – ’t Vel is afgestropt van den val, peist hij en meer en meer in den angst van door de soldaten vertrapt te worden, poogt hij wederom te roepen. Maar hij zucht zoo schrikkelijk dat hij er zelve van verschiet. Roode sperken dansen voor zijne oogen; ’t denkt hem dat de soldaten steenen op zijn lijf opeen stapelen. De sperken gaan uit; de steenen versmachten hem meer en meer: hij poogt ze weg te stooten. Hij strekt zich uit: hij houdt op van te zien en te hooren, te denken en te voelen: een stuk van de bomme had hem flak in de borst getroffen en ter plaatse doodgeslegen’ (Claerhout 1886: 457).


Los van de verbastering van de naam ‘Praskoukine’ is het fragment blijkbaar door Claerhout zelf vertaald uit het Frans, met de nodige Vlaamse streektaal zoals ‘binst’ (terwijl), ‘subbelt’ (struikelt), ‘uitbersten’, (uitbarsten) ‘sperken’ (‘vonken”). Het toont aan dat literatuur in België hoofdzakelijk in het Frans werd geconsumeerd.

‘Alphonsus’, de recensent van Vragen van den dag, heeft op zijn beurt vooral oog voor de vertelkracht van de ‘Schilderingen der belegering van Sebastopol’:



Hij (Tolstoj) heeft de natuur op heeterdaad betrapt. Zelfs in zijne taal ruischt er iets van het legerleven en van het gedonder van het geschut. Hij verhaalt niet meer dan hij gezien heeft, doch zijn oog zag het beter en scherper dan dat van anderen’ (Alphonsus 1887: 1214).


Het verschijnen van recensies en kritieken betekent niet noodzakelijk dat de literaire wereld wild was van De Kozakken/ Tafereelen uit het beleg van Sebastopol want er was doorgaans sprake van flink wat kruisbestuiving, en recensies lokten nieuwe recensies uit. En dan zwijgen we nog over het fenomeen van recensenten die hand- en spandiensten verleenden aan uitgevers. De gretigheid waarmee uitgevers in advertenties naar recensies verwezen, toont het belang dat ze eraan hechtten. Omgekeerd blijkt dat uitgevers van naam en faam vaker op persaandacht konden rekenen. Een laatste bedenking is voor de latere Tolstojreceptie relevant: tot diep in de negentiende eeuw kreeg ‘stichtelijke’ of religieuze literatuur in de kritiek meer aandacht dan fictie, en daar lag voor Tolstoj een opportuniteit.



de dood (1888)



Tafereelen uit het beleg van Sebastopol kreeg nooit een herdruk. In 1888 kreeg het lezerspubliek wel een herkansing. ‘De dood op het slagveld’, een fragment uit het twaalfde hoofdstuk van ‘Sebastopol in mei’, is opgenomen in De dood, een bloemlezing met de integrale novelle ‘De dood van Ivan Iliitch’ (‘Smert Ivana Ilitsja’, 1886) en verder ook nog ‘Drie dooden’ (‘Tri Smerti’, 1859) en de fragmenten ‘De dood van een paard’ (uit ‘Cholstomer. Istoria losjadi’, 1885), ‘De dood van prins Andrei’ (uit Vojna i mir, 1869) en ‘De dood van Nicolaï Levine’ (uit Anna Karenina, 1877). De onbekende auteur van de inleiding tot de bloemlezing, wellicht de vertaler, maakt duidelijk dat de uitgave wil bijdragen aan de introductie van Tolstoj bij Nederlandstalige lezers.



De hedendaagsche letterkunde levert voorzeker niets op dat in vergelijking kan komen met deze aangrijpende beschrijving van den dood, waarin zoowel een indrukwekkend realisme als een bijzondere diepte van opmerking en die gave op den voorgrond treedt, welke den grooten priester der Russischen letteren in zoo hooge mate eigen is, om nimmer ons kunstenaarsgevoel te kwetsen (Tolstoï 1888: I).


We krijgen ook een blik in de keuken van de vertaler, die een uitspraak van de Vogüé uit Le roman russe aanhaalt: ‘de verschillende talen verraden de wijsgeerige opvattingen van de rassen, die ze spreken’.



Ook hier is de origineele tekst zoo getrouw mogelijk gevolgd; niet alleen omdat dit de beste wijze is om den juisten zin der woorden te vertolken, maar ook om de bijzondere kleur van het werk zelf en van den kring, waarin de beschreven gebeurtenissen voorvallen, zo goed mogelijk weder te geven (Tolstoï 1888: VI).


De originele tekst waarvan sprake is, is niét de Russische tekst, maar wel La mort, de Franse compilatie van vertaler Ely Halpérine-Kaminsky (1858-1936) die in 1887 bij Hachette verscheen. Aangezien de Nederlandse versie van het fragment uit ‘Sevastopol v maje’ gebaseerd is op Les Cosaques/Souvenirs de Sébastopol in een vertaling van Irina Paskevitsj, en niét op de vertaling van Ely Halpérine-Kaminsky (die officieel als broneditie was aangemeld bij het registreren van de vertaling), moeten we er rekening mee houden dat de praktijk van het vertalen niet altijd overeenstemt met wat er officieel op papier werd gezet.



feuilleton (1917)



Dertig jaar na de boekuitgave verscheen De Kozakken/Tafereelen uit het beleg van Sebastopol opnieuw, ditmaal als feuilleton. De Nederlandse krant De Tribune publiceerde Van Burchvliets vertaling tussen 8 mei en 10 september 1917 in negenendertig afleveringen. De tekst is identiek, met dit verschil dat de voetnoten zijn vervangen door toevoegingen tussen haakjes in de tekst zelf. De publicatie werd niet aangekondigd en al evenmin ingeleid, zodat we enkel kunnen gissen naar de motieven van de redactie. Feuilletons waren een manier om aan klantenbinding te doen, en voorzagen de lezer van ideologisch passend leesvoer. In het neutrale Nederland werden de krantenkolommen in 1917 gedomineerd door nieuws van de diverse oorlogsfronten, en het is bekend dat de Oktoberrevolutie (die uitbrak kort na de publicatie van het feuilleton) de belangstelling voor Russische literatuur aanzwengelde (Boulogne 2011: 526). Het communistische dagblad volgde de onrust in Rusland alvast op de voet en sympathiseerde met de bolsjewieken. In de editie waarin de slotaflevering van De Kozakken/Tafereelen uit het beleg van Sebastopol verscheen zijn dan ook artikelen te lezen over de dictatuur van het proletariaat en een congres van de bolsjewieken (De Tribune, 10 september 1917: 1 en 4). Mogelijk speelde ook de figuur van Henriette Roland Holst een rol in de keuze voor Tolstoj. De redactrice van De Tribune was een bekende bewonderaarster van Tolstoj, vertaalde dagboekfragmenten en brieven van Tolstoj en publiceerde in 1930 de eerste Nederlandstalige Tolstojbiografie.



De invloed van de eerste vertaling van de Sebastopolverhalen was niet gering, niet enkel omdat deze Tolstoj introduceerde op de Nederlandse boekenmarkt. De vertaling zelf liet ook sporen na. In 1895 publiceerde het maandblad De Vrouw een gedeeltelijke vertaling van ‘Sebastopol in december’, het eerste van de drie Sebastopolverhalen. Die vertaling door Petronella Bouten- Stronck is tot op zekere hoogte een hervertaling, maar gedeeltelijk ook een stilistische revisie van Van Burchvliets vertaling. Ook de vertaling ‘Sebastopol’ die in 1904 verscheen in de reeks Tolstoy’s Novellistische Meesterwerken (P.M. Wink) is, ondanks duidelijke sporen van een Duitse vertaling uit 1901, schatplichtig aan Van Burchvliet, van wie de voetnoten, maar ook natuurbeschrijvingen en integrale dialogen werden overgenomen. Dat laat zien hoe een vertaling uit 1886 niet enkel in 1917, na ruim dertig jaar, werd heropgevist, maar ook de vertalingen die in tussentijd waren verschenen beïnvloedde.


bibliografie



Alphonsus, ‘Graaf L.N. Tolstoï’. Vragen van den dag 2, 1887, 1206-1220.
Boulogne, Pieter, Het temmen van de Scyth. De vroege Nederlandse receptie van F.M. Dostoevskij. Leuven: K.U. Leuven, 2011.
Busken Huet, Conrad, ‘Nieuwe Russische letteren’. Nederland 3, 1885, 241-260.
Claerhout, J.[Julien], ‘Tolstoï’. Het Belfort. Tijdschrift toegewijd aan Letteren, Wetenschap en Kunst, 1, 1886, 456-459.
Coudenys, Wim, ‘Translation and the international dissemination of the novels of Tolstoy’. In: Kittel H., et al. (Eds.), Übersetzung-Translation- Traduction: Ein internationales Handbuch zur Übersetzungsforschung. Berlin: Walter de Gruyter, 2011, 2559-2570.
Praamstra, Olf, Busken Huet. Een biografie. Nijmegen: SUN, 2007.
Regniers, Gaëtan, ‘“God ziet de waarheid”. Tolstojs Nederlandstalige debuut’. Tijdschrift voor Slavische Literatuur 82, 2019, 15-19. Tépé, H., ‘Nieuwe uitgaven en vertalingen’. De Tijdspiegel, 1887, 538-540.
Tolstoï, Léo, De kozakken. Tafereelen uit het beleg van Sebastopol. Amsterdam: A. Rössing, 1886.
Tolstoï, Léo, De dood. Amsterdam: A. Rössing, 1888.
Van Burchvliet, F. [Frederik], ‘Vergeten?...’. Bataviaasch Nieuwsblad, op 17-4-1891, 22-4- 1891, 24-4-1891, 25-4-1891 en 27-4-1891: 5.
Waegemans, Emmanuel en Willemsen, Cees, Bibliografie van Russische literatuur in Nederlandse vertaling 1789-1985. Leuven: University Press, 1991.
Willemsen, Cees, ‘De receptie van de Russische literatuur in Nederland: 1789-1989 (II)’. Tijdschrift voor Slavische Literatuur 5, 1989, 68-77.





<   

TSL 93

   >