Eva van Santen



Lidia Zinovjeva-Annibal (1866-1907)



Lidia Zinovjeva-Annibal was een interessante en excentrieke vrouw, die in de tijd van het symbolisme (ook wel de Zilveren Eeuw genoemd) leefde en schreef. Ze was van de generatie van Zinaïda Hippius, die als schrijfster veel bekender is geworden dan zij.

Zinovjeva-Annibal kwam uit een adellijke familie. Haar grootvader, broer en oom bekleedden hoge posities in de Russische maatschappij; haar moeder was barones en net als Poesjkin afstammelinge van Abram Petrovitsj Gannibal, ook wel de Moor van Peter de Grote genoemd.

Gedisciplineerd en oppassend was Zinovjeva-Annibal bepaald niet. Vanwege haar rebelse gedrag werd ze van school gestuurd – ze zat op een meisjesgymnasium in Petersburg – en trouwde, om uit haar ouderlijk huis weg te komen, op haar achttiende met haar huisleraar, Konstantin Sjvarlason. Met hem ging ze naar het buitenland om zang te studeren. Ze nam les van Pauline Viardot, de door Toergenjev aanbeden zangeres, en zou in het Scala te Milaan debuteren. Op de dag van haar optreden kreeg ze echter een verlamming in haar stembanden, zodat ze haar zangcarrière abrupt moest afbreken. Wel bleef ze met haar echtgenoot, met wie ze drie kinderen kreeg, in het buitenland wonen.

In 1893 ontmoette Zinovjeva-Annibal in Rome de symbolistische dichter en filosoof Vjatsjeslav Ivanov. Beiden waren getrouwd, maar ze verlieten hun partners om hun leven verder samen door te brengen.

Met Ivanov woonde Zinovjeva-Annibal op diverse plekken in Zwitserland, Italië, Griekenland, Egypte en het Heilige Land, om in 1905 naar Petersburg te verhuizen. Daar stichtten ze in hun hoekhuis, bijgenaamd de Toren, een literaire salon, die algauw het intellectuele en artistieke centrum van Petersburg werd. Wekelijks kwamen allerlei beroemde dichters, schrijvers en kunstenaars bijeen in hun huis. Aan de salon kwam een einde in 1907 toen Lidia, vrij plotseling, aan roodvonk overleed. Naast poëzie, beoefende Zinovjeva- Annibal verschillende genres: toneelstukken zoals Koltsa (‘Ringen’, 1904), romans, waaronder de eerste Russische lesbische roman Tridtsat tri oeroda (‘Drieëndertig mismaakten’, 1906) en korte verhalen, onder meer de bundel Tragitsjeski zverinets (‘Een tragische menagerie’, 1907). Deze bundel werd positief ontvangen door onder anderen Marina Tsvetajeva. Uit deze laatste autobiografische bundel van negen verhalen heb ik de twee dierenverhalen gekozen die hieronder in vertaling zijn afgedrukt. Deze autobiografische verhalen troffen me door de moderne en ongebruikelijke manier waarop Lidia Zinovjeva-Annibal over dieren schreef. Ze laat zien hoe wreed en ondoordacht veel mensen met dieren omspringen. De hoofdpersoon, een jong meisje, is zeer betrokken bij de dieren en toont diepe emoties; jammer alleen dat het einde van het tweede verhaal over de kraanvogel wel erg sentimenteel religieus is.




de beertjes


Opgedragen aan Margarita Vasiljevna Sabasjnikova


Mijn broers keerden terug van de jacht, met drie pasgeboren beertjes tegen hun borst gedrukt. Ze hadden een grote berin gedood.

Het was nog winter en de beertjes werden in onze grote, warme keuken in het souterrain van het dorpshuis grootgebracht. Ik herinner me dat ik ze voor het eerst zag. Er stond een diepe mand. Iemand liet hem kantelen. Ik keek erin. Er steeg een scherpe, nare geur uit op. Op de bodem lagen kleine, pluizige pups dicht tegen elkaar aangedrukt. Grappige babybeertjes.

De rest van de winter hebben we waarschijnlijk in de stad doorgebracht, want de tweede keer dat ik de beertjes zag waren het al vrije, bijna volgroeide wilde diertjes geworden met een donzen, gladde vacht en een fris snuitje. Hun vrolijke oogjes keken slim en enthousiast de wereld in. Het waren er nog maar twee. Het derde beertje was gestorven toen het nog aan de fles was.

Dat was het begin van onze heerlijke zomer op het platteland, onze, dat wil zeggen die van mij en mijn twee vriendjes, de beertjes. Ik herinner me het zonovergoten, met zand bestrooide erf voor de deur van ons oude, grote, houten huis. Er was een schommel, die bestond uit een lange, buigzame plank die aan touwen tussen twee paaltjes hing. Ik zie mezelf nog schommelen onder een wilde, volle, heerlijk geurende rozenstruik. Ik zet me zachtjes met mijn voet af tot ik omhoog zwaai en daarna probeer ik me zwaar te maken om de schommel weer naar beneden te krijgen. De zitplank kraakt en wiebelt een beetje. Opeens kwamen de beertjes, de hemel mag weten waar vandaan, naar me toe hobbelen, met grappige sprongetjes en waggelend op hun blote, brede pootjes. Die al flink uit de kluiten gewassen diertjes kwamen als waakhonden op me afgestoven en gingen voor me op het zand zitten met hun ene voorpootje op mijn knieën. Het andere pootje staken ze in hun poezelige bekje om smakkend en kreunend op te sabbelen.

Ik moest denken aan het gezegde: ‘Een hongerige beer sabbelt in de winter op zijn poot.’ Maar nu was het geen winter, maar zomer. Onze schatjes hadden helemaal geen honger en toch zaten ze op hun bruine, ruige pootjes te sabbelen. Onze Bruintjes eten havermoutpap tot ze geen pap meer kunnen zeggen. Daar zijn ze tam op geworden. Moet je zien hoe eentje me helemaal is vergeten en wegrent nu hij Krotik, het teckeltje, ziet. Krotik keft naar Bruintje. Die springt op Krotik af. In een oogwenk bungelt Krotik al tussen de kaken van Bruintje, maar zijn tanden zijn zachter dan mijn liefkozende handen en de teckel wringt zich blij piepend tussen de kaken van Bruintje uit, keft opnieuw enthousiast en bijt in de volle, bruinwollen vacht van zijn grote, vrije vriend.

Ik ben jaloers. Ik trek mijn andere, trouwe kameraadje aan zijn pootjes. Ik spring van de schommel af en we rennen om het hardst. Al heel gauw rollebollen we door het zachte, geurende gras. Het ruikt naar de aarde in de lente en naar een warme vacht. Van zijn hete adem pal in mijn gezicht moet ik lachen en word ik blij, zijn platte, stevige pootjes ploffen op me neer. We springen op en zitten elkaar achterna. Het beertje klimt als een aap in een boom en klemt zich vast aan een tak. Het laat zijn goeiige, domme kopje, het lieve kopje van een schepsel Gods, hangen en kijkt naar me met zijn duivelse, slimme oogjes.

Wat een heerlijke, zonnige, blije lente! Een gave Gods, die kameraadjes uit het bos!

Na het middageten drinken we zoals gewoonlijk om vier uur thee of koffie op het grote, halfronde balkon met de withouten zuiltjes. Daarbij krijgen we gele pruimpjes, broodjes met komijn, zacht grijs brood van ons eigen noordelijke graan, zelfgebakken honingkoekjes, priklimonade en kasaardbeitjes, met vijgen en jam als extraatjes. Iedereen is er: mijn twee oudste broers en hun vriendjes, een vroegere huisleraar, een stuk of wat gasten, mijn zusje en haar vriendinnetje, mama en mijn gouvernante, dezelfde die ooit verklaarde dat een hongerige beer ’s winters op zijn poot sabbelt.

Wat waren die honingkoekjes lekker! De vrouw van de oude kok had ze gebakken. Ze waren knapperig vers en roken naar honing. Ja, daar dachten de beertjes net zo over. En beren hebben nog een fijnere neus dan mensen. Ze werden natuurlijk in de gaten gehouden. Ze klauterden onhandig vanuit het weelderige bloemperk, de trots van mijn moeder, via een zijtrapje naar het balkon en gingen ons naar ons zitten kijken. We schreeuwden naar ze, waarop ze meteen verdwenen en ons even later aan het lachen maakten met hun nieuwsgierige oogjes en snuffelende snuitjes.

Maar wij, onnozele kindertjes, dachten nergens aan en gingen meteen van tafel om lekker te gaan spelen, waarop de beertjes hun kans schoon zagen en gauw op de tafel klommen.

‘O jee, de koekjes!’ riep moeder. Ze rende naar het balkon, ik er achteraan. De beren – geen kleine beertjes meer! - waren heel lomp midden op de ronde familietafel gaan zitten en deden zich te goed aan de koekjes. Ze kieperden de schaaltjes met jam om en likten smakkend en grommend van genot hun zoete pootjes af, terwijl hun slimme oogjes alle kanten opschoten. Zodra ze ons zagen, stoven ze op. De zware tafel wiebelde en de glazen en bordjes rolden alle kanten op.

Ze ploften op de grond en je zag alleen hun schommelende, dikke achterwerken met de korte pluimstaartjes over de traptreden verdwijnen. Maar mama had er geen moeite mee. Mama was een schat, ze hield van die domme beertjes.

De zomer vorderde. De beertjes groeiden niet met de dag, maar met het uur. Ze werden nog groter dan een stevige waakhond. Als vanouds speelden en ravotten ze met de teckel en met mij, en zoals altijd hielden ze scherp in de gaten waar wat lekkers te halen viel, terwijl ze ook hun havermoutpap dankbaar en likkebaardend op lebberden.

De boeren die naar onze boerderij kwamen begonnen bang te worden voor onze onschuldige vriendjes. Zij vonden het een slecht plan om deze viervoetige beschermelingen van de landheren als huisdieren te behandelen. Ze zagen het met lede ogen aan en durfden niet meer op bezoek te komen. Later hoorde ik dat de opzichter bij mijn broer was komen klagen en gevraagd had om de beren weg te doen.

‘Voor je het weet vallen ze een mens aan en verwonden die dodelijk. Of ze nemen het vee te grazen. Het blijven wilde dieren uit het bos ook al zijn ze met de fles groot gebracht,’ zeiden ze. De beide Bruintjes werden in een stenen schuur ondergebracht. De deuren bleven op slot. De arme dieren brulden, heel zielig, ze verlangden naar vrijheid, zon en vrienden. Ik wist niet waar ik het zoeken moest en er was geen land met me te bezeilen. Ik deed onaardig tegen mijn gouvernante en moest huilen.

Er kwam een familieberaad, met de boswachter erbij, om te beslissen wat er uiteindelijk met de beertjes moest gebeuren. De zomer was half voorbij en tegen de herfst zouden de beertjes volwassen zijn. Het was al te laat om ze los te laten in de vrije natuur en het was ook geen goed idee om ze in de schuur te houden. Bovendien was het tijd dat ze vlees kregen.

‘Misschien moeten we ze doodschieten,’ zei de boswachter.

Ik barstte in huilen uit, in een hoekje van een grote, oude bank, waar ik me, onzichtbaar voor de anderen, had verstopt. Mijn oudste broer twijfelde.

‘Tsja, dat is wel het beste…ja, natuurlijk… Dan hoeven ze niet te lijden…’

Mijn andere grote broer, die door ons de Wilde Jager werd genoemd, omdat hij zo graag alleen in de bossen rondstruinde, was het er niet mee eens.

‘We zijn aan ze gewend, wij hebben ze opgevoed en met de fles gevoed. Wij gaan ze niks aandoen!’

Ik kreeg weer een huilbui die niet te stuiten was, toen ik dit allemaal hoorde. Mijn zusje zei met tranen in haar ogen: ‘Mamaatje, bedenk iets!’

‘Laten we ze in het bos loslaten!’ vond mama.

Ik hield op met huilen. Iedereen zweeg.

Mijn oudste broer haalde zijn schouders op. De boswachter protesteerde: ‘Volgens mij is dat is heel stom. Het blijven wilde dieren: ze slachten koeien af.’

Ik haatte hem. Mijn beertjes waren geen wilde dieren. ‘Stom, stom!’ herhaalde mijn oudste broer zonder overtuiging. Mijn zusje keek met smekende, vochtige ogen naar mijn moeder. Ik wilde weer gaan grienen en deed mijn mond al open. Maar de Wilde Jager zei geïrriteerd: ‘Mama heeft gelijk. Zo moeten we het doen. We moeten ze naar het bos brengen. We hebben niet het recht de beertjes dood te schieten.’

En mama voegde daar snel aan toe: ‘We hebben ze uit het bos gehaald en als we dat niet hadden gedaan, zouden ze daar nu rondlopen.’

Ook mijn oudste broer stemde daar ten slotte mee in. De boswachter was overtroefd en we bespraken hoe we de vrijlating van de beertjes moesten aanpakken. We besloten ze in grote dichtgespijkerde kisten naar het bos brengen te brengen tot voorbij het Duivelsmoeras. Dat was ver weg en echt de wildernis. Nadat we de kisten in het bos hadden gedumpt, zouden we de spijkers eruit halen en snel wegrijden. Tegen de tijd dat de beren de kisten hadden open gekregen om zich te bevrijden, zou de boerenkar al een eind weg zijn. Ze zouden in geen honderd jaar de weg terugvinden.

Ze zouden in vrijheid, in het dichte naaldwoud verwilderen. De Wilde Jager begon te lachen: ‘Dan moet ik ze niet toevallig tegenkomen. Dan herkennen we elkaar niet en schiet ik ze neer!’ Ze werden weggebracht.

Het moment dat hun lot bezegeld werd was afschuwelijk, maar voor mijn radeloosheid kwam allengs iets heel anders in de plaats: de hoop dat mijn beertjes de vrijheid tegemoet gingen. Het maakte me waanzinnig blij, en ik vergat te treuren om mijn weggevoerde vriendjes. Bovendien hield ik met andere dingen bezig. Tot er iets gebeurde dat mij diep raakte.

Ik weet niet hoeveel dagen voorbij waren gegaan, op zijn hoogst één of twee dagen, toen ik het laatste wrede nieuws hoorde. Ik weet niet meer hoe, waar en met welke woorden mij dat ter ore kwam. Het draaide in feite om één enkel woord, of liever gevoel, omdat het woord zich pas veel later aandiende. Verraad. Iemand had iemand verraden. Een vorm van liefde, een vorm van blij en kinderlijk, nee nog simpeler, een dierlijk vertrouwen… was verraden… verraden.

Voorbij het Duivelsmoeras waren boeren en boerinnen op een open plek in het bos aan het maaien. Plotseling zagen ze pal voor hun neus twee beren uit het bos komen. Van pure angst zagen ze niet dat het nog jonge beren waren. De boeren en boerinnen schrokken zich een ongeluk en gingen met hun zeis op ze af. De beertjes waren gewend enthousiast op mensen te reageren, op hun vriendelijke stemmen. Dus ze holden vrolijk op de boeren af, met hun guitige oogjes, grappig waggelend met hun brede achtersten op hun scheve, stevige poten. Dat was het beeld dat ik voor me zag.

De doodsbange boeren liepen met hun zeis op de beertjes af. Ze hakten er duchtig op los. Een van de beertjes konden ze levend te pakken krijgen en meenemen. Ze brachten hem naar het park van de tsaar om hem voor de jacht te verkopen. Zijn poten werden gebroken voor de jacht om hem makkelijk en zonder risico te kunnen neerschieten. Het andere beertje, dat gruwelijk verwond was en onder het bloed zat, wist niet wat hem overkwam en had zich zonder ook maar iets te begrijpen losgerukt en was halfdood naar het bos ontkomen.

Mijn broer, de Wilde Jager, zat op dat moment op zijn paard met een geweer over zijn schouder. Hij was in gedachten verzonken, hij dacht aan de beertjes waar hij zo dol op was. Daar hoorde hij gekreun. Het leek wel een mens. Hij ging op het gekreun af en drong het dichte struikgewas in. Ons lieve beertje lag daar dood te gaan. Het keek zijn oude vriend aan. Mijn broer nam zijn geweer van zijn schouder en schoot zijn geweer helemaal leeg in het oor van de beer.

Zo kwamen onze beertjes aan hun einde.

Dat het zo gebeurd is weet ik nog heel goed, maar ik weet niet meer wie het me verteld heeft en waar dat was en dat doet er ook niet toe. De Wilde Jager zal het me wel verteld hebben. Ik herinner me ook het gezicht van mijn moeder. Dat moet zijn geweest toen mijn broer het over de dood van de beertjes had. Wat ik me sindsdien het beste herinner van mijn moeder is haar gezicht op dat moment. Ze was erg bleek en haar onderlip trilde. In haar lichte, grote ogen las ik angst. Ze kwam overeind. Ze wankelde. Ik sprong op. Mijn broer kwam ook aanrennen. Toen zei ze zachtjes, met bevende mond, alsof ze zich verontschuldigde: ‘Het is niets, Mitja. Ik kreeg gewoon een beetje medelijden met onze beertjes.

Ik kom zo terug.’

En ze vertrok… Het werd heel stil, iedereen was kennelijk vertrokken. Op dat moment hoorde ik woorden die me toen niet duidelijk waren, maar die ik me nu met een absurde precisie herinner.

De oude huisleraar van mijn broers, die schijnbaar vlak bij me stond, zei op beschuldigende toon: ‘Zo zie je maar wat er gebeurt als de mens ingrijpt in de natuur.’

Waarop onze nuchtere gouvernante opmerkte: ‘Nou, wat zou u dan hebben gedaan? Zou u bevel hebben gegeven de beertjes te sparen, zodat ze het vee van de boeren konden afslachten?’

Het huilen stond me nader dan het lachen. Ik begreep er niets van. Ik wilde huilen maar ik kon het niet.

Ik herinner me dat het al donker was en dat ik al in bed lag in de kinderkamer en dat ik nog steeds niet kon huilen. De ijzeren windhaan maakte een zacht piepend geluid op het dak. Ik voelde me verschrikkelijk. Het kwaad was geschied. Het was een groot onrecht. Het vertrouwen en de liefde waren beschaamd. Er was verraad gepleegd. Het was een verraad aan liefde en vertrouwen.

En… niemand was schuldig.

En niemand was schuldig. De nacht was helderder in de stilte. Bij het piepen van de ijzeren windhaan vormde zich een gedachte, bijna in woorden. Ik huilde niet. De onuitgesproken vraag beklemde me. Mijn gevoelens werden me te machtig.

Ik kroop uit bed. In de duisternis, op de tast, liep ik door de lange gang naar mijn moeder. Mama zal spreken, mama zal antwoorden, mama, mama…Mama weet alles, mama kan ons overal voor beschermen.

‘Mama, mama! Waarom laat God dit gebeuren?’

‘Lieverdje, rechtvaardigheid op aarde bestaat niet en kan niet bestaan! Maar jij moet de aarde liefhebben, en streven naar rechtvaardigheid, bid ervoor, zet je er met je hele hart voor in, liefje , dan zal er beslist een wonder geschieden. Er zal een rechtvaardige wereld komen. Als je ziel daar zo naar verlangt, zal het gebeuren!’

‘Mama, je hebt gezegd dat die niet kan bestaan op aarde…’

‘Er is een wonder voor nodig, lief meisje, een wonder. Een hemelse gift. Maar het is niet de moeite waard om alleen voor deze aarde te leven. Het is de moeite waard om voor die gift te leven, lieverd, alleen voor die gift. Daarvoor moeten we lijden en huilen, strijden en bidden!’

‘Maar hoe moeten we leven, mama, als het leven zo droevig is?’

‘Hoe we moeten leven? Je moet liefhebben. Zo moet je leven.

Dat is het enige wat ik weet. De liefde zal je leiden… Ze is een strenge meesteres. Hoe groter en heiliger ze is, hoe strenger ze zal worden. Ze zal je leren om onrechtvaardigheid niet te vergeven. Je hand zal krachtig worden en je hart sterk… Je moet je verder ontwikkelen dan ik, meer begrijpen. Je moet je hart openstellen en meer van jezelf eisen!’

Ik lag op mijn knieën op het kleedje voor haar bed met mijn gezicht verborgen in haar handen en plotseling kwamen de tranen, die op de lieve handen van mijn moeder druppelden.

Ik voelde me beter… Ik wilde slapen.

Moeder liet me niet alleen door de lange, donkere gang teruggaan naar de kinderkamer. Ik mocht naast haar liggen, heerlijk warm. Ik voelde me veilig en gekoesterd door die lieve moederwarmte.

Zo viel ik in slaap.

Mijn moeder stierf toen ik nog klein was. Ik zou haar woorden niet zo precies hebben onthouden als er na haar dood niet een kleine blauwe envelop was gevonden met het opschrift: ‘Voor mijn lieve Vera als ze zestien wordt.’ In de envelop zat een briefje of liever een notitie, met daarop de datum waarop mijn broer het gemartelde, lieve beertje doodschoot. Mama had die nacht ons gesprek opgeschreven zodat ik het voor altijd zou onthouden.


de kraanvogel


Voor Olga Aleksandrovna Beljajevskaja



Ik heb ooit een kraanvogel gehad. Die had mijn lieve broer, bijgenaamd de Wilde Jager, uit zijn jagerstas gehaald en aan mij gegeven. Twee dagen en nachten had hij met zijn twee jachthonden door het bos gezworven. Hij had twee zakken bij zich. Een met dode vogels, die met hun hun koppen aan slappe, uitgemergelde nekken bungelden en een tweede met vijf hazen met doffe, troebele oogjes. En daar was zowaar nog een derde zak, daaruit haalde hij in de hal een levende kraanvogel voor mij. Het was een nog onbeholpen, kaal jong op absurd hoge poten met een kleine koppie en spiedende oogjes op een lange nek.

Aanvankelijk groeide de vogel bij ons in huis op in een goed verlichte voorraadkamer, waar we ook kanaries hielden. Toen hij in de zomer al was uitgegroeid tot een ranke en sterke vogel met een glad, grijs verenkleed, nam ik hem mee naar de appelboomgaard. De boomgaard was van het park afgescheiden met een hoge schutting. De kraanvogel kon één vleugel niet goed gebruiken en bovendien waren beide vleugels gekortwiekt zodat hij niet kon wegvliegen. Daar bleef hij en daar kon hij smullen van de heerlijke rupsen en wormen onder de frambozenstruiken. Ik bracht daar heel wat prettige uurtjes met mijn vriendje door. Hij was zo’n vrolijke deugniet!

Af en toe verlieten we de appelboomgaard om door het hele park te lopen. Ik rende dan over de paadjes en de kraanvogel vloog tussen de bomen klapwiekend met me mee. Ik ging in het gras liggen. De kraanvogel plukte aan mijn jurk en mijn haar tot het pijn deed en brabbelde schor iets onbegrijpelijks.

De kraanvogel was mijn gevleugelde hondje, mijn spirituele, vrije vriend en mijn trots. Ik was altijd blij als ik met hem speelde. ‘Waar denk je aan?’ vroeg mijn gouvernante dan. Meestal aan mijn lieve kraanvogeltje natuurlijk. Vervolgens kreeg ik een kleur, alsof ik iets stouts had gedaan.

Op een keer was ik de kraanvogel kwijt. Ik werd schor van het roepen, haalde mijn knieën open in de kruisbessenstruiken en barstte in huilen uit. Ik was wanhopig en helemaal in de war. Het was een grijze dag. Ik voelde me eenzaam en treurig en tegelijkertijd boos en opstandig. Ik kon ’s nachts niet slapen en lag te huilen. Toen raapte ik al mijn moed bij elkaar: ik stond stilletjes op, kroop naar het raam (mijn kamer was op de eerste verdieping), stapte via een plank op het dak van het grote balkon en gleed langs een door de maan beschenen witte paal de tuin in.

Ik was helemaal niet bang, omdat ik wist dat ik in het park zou uitkomen. Daar in de boomgaard, onder de appelbomen, die allang uitgebloeid waren, ging ik op zoek naar de vogel. Huilend riep ik zijn naam, rende over door de maan beschenen bloembedden tussen de onbeweeglijke en de scherpe schaduwen door.

De volgende avond werd de kraanvogel thuisgebracht. Hij leefde nog, dat wel, maar… hij was gewond en had een gebroken vleugel. Dat hadden kraanvogels gedaan. Die andere, wilde kraanvolgels zitten op akkers waar veel haver groeit. Onze jonge kraanvogel was naar ze toegevlogen. Zij begrepen hun broertje niet, moesten niks van die vreemde knakker hebben en sloegen hem met hun snavel.

Mijn broer, de Wilde Jager, reed tegen de avond op zijn paard vanuit het bos naar huis en besloot de vraatzuchtige kraanvogels op de akkers dood te schieten. Kraanvogels zijn sluw: zonder geweer laten ze je dichtbij komen, maar zodra ze een geweer zien vliegen ze met piepend gekrijs een halve werst hoog de lucht in. Ze vlogen dus op, maar één plofte op de grond na een vergeefse poging om weer op te vliegen. Mijn broer liep er naartoe en zag dat het mijn kraanvogeltje was!

De kraanvogel werd in de oranjerie opgesloten. Hij verveelde zich daar tussen de rijen kwetsbare planten. Er zaten geen lekkere vette wormen en rupsen in de potten en er waren geen kikkers die na een regenbuitje sloom over de simpele, platgetreden paadjes sprongen.

Maar ik ging elke dag naar hem toe. Hij rende me piepend tegemoet en dan ontsnapten we naar de vrije wereld. Hij werd koppig en sterk.

We gingen naar de paardenstal. Maar hij hield niet van het pad tussen de wei en de opgedroogde vijver. Hij had zijn eigen fantasieën! Waarom zou hij niet van dat pad houden? Ik begreep het niet. Ik gaf het eigenwijze beest een duw door met kracht van een achtjarige mijn handen tegen zijn platte, weerbarstige rug op de sterke, lange poten te drukken. We renden dan drie passen vooruit en een achteruit.

Ik was helemaal bezweet en buiten adem van inspanning. Ik werd boos en moest tegelijkertijd lachten om mijn koppige en sterke vriendje.

Op het erf van de paardenstal lagen langs de schuur planken op de bruine, glimmende mest, die vies en scherp rook. Daar zat ook een goot voor vloeibare mest. Die was diep en modderig onder een metaal- en regenboogkleurige laagje schimmel. Het was griezelig.

We strompelden, duwend en vechtend, over de smalle planken. We duwden tegen een hek. O, daar lag een kortere plank. Ik zakte door mijn knieën en draaide hem met veel moeite om. Mijn kraanvogel stond er boos en zwijgend bij. Plotseling ging hij keihard snateren. Wormen! Wormen! O, wat een fantastische wormen! Ze zijn roze, nee, ze zijn zo vet dat ze bijna gelig zijn als de zalm die we in de vastentijd eten. Ze liggen in de mest en bewegen nauwelijks. De kraanvogel slokt de een na de ander met een vet klokkend geluid naar binnen. Dat is nog eens smullen! Te gek! Jammer dat ik niet mee kan doen! Ach, geeft ook niet, ik begrijp toch niet hoe lekker dat is, hoe verschrikkelijk lekker dat is!

De herfst duurde lang en was saai. Het werd moeilijk om met de kraanvogel te wandelen en ik kreeg er een beetje genoeg van. Het was niet meer zo bijzonder voor me en ik verlangde niet meer zo naar mijn vriendje dat nu in zijn eentje daar ver weg in die onverwarmde oranjerie zat.

Daar stonden potten met aarde en daar zouden zeker ook wormen in zitten. Daar waren ook bakken met water die ingegraven waren. Waarom zouden daar geen kikkers in zitten? Dat wist ik wel zeker.

Ik bracht de kraanvogel trouwens gerst. Hij hield van graan. Hij was blij me te zien en wilde graag naar buiten. Maar ik had heel vaak geen tijd! Ik moest naar mijn lessen, in de herfst kreeg ik meer les en mijn gouvernante werd strenger. Ik werd luier, eigenwijzer en vaak brutaal. Dan kreeg ik straf. Dan had ik geen zin in mijn kraanvogel. Maar hij kreeg tenminste nooit straf. Ik was jaloers op hem. Ik zou het fijn vinden om bij hem te zijn, maar hoe kon ik dat elke dag voor elkaar krijgen? Als de lente kwam zouden we weer vriendjes worden.

Ik was drie dagen niet bij hem geweest. Ik ging erheen om hem graan te brengen en zijn bak met water te vullen. Water was het belangrijkste, want de waterbakken in de oranjerie waren diep en tot de rand ingegraven. Maar heel vaak waren ze na het vullen weer half leeggelopen, en ze waren smal. Als mijn kraanvogel erin zou vallen, dan zou hij er met zijn vleugels niet uit kunnen komen…

Op een keer was ik hem vier dagen vergeten. Maar daarna dacht ik aan hem en bracht hem eten.

Toen gebeurde er iets heel naars. Ik rende naar Maria op de akker en hielp haar de hele dag met de aardappelen, op de kar staande vuurde ik het paard aan. ’s Avonds kwam ik helemaal vuil van het aardappelrooien thuis. Ik was een schoen kwijtgeraakt. Ik moest twee dagen thuisblijven en werd woedend. Ik verloor elk gevoel van medelijden en wist niks meer. Zo ging een week voorbij. Ze hadden me vergeven, maar ik was ontroostbaar. Ik zat mijn huiswerk te maken. Tegenover me zat Jelena Prochorovna, mijn lerares, doodop en bleek en aan het eind van haar latijn van al mijn strapatsen… Plotseling, o jee, arm kraanvogeltje! Je hebt geen graan! En geen water!

Zonder iets te vragen schoot ik overeind, rende de gang door, stortte de trap af en daarna kwam nog een gang en nog een trap, die was al donker en helemaal van steen en toen rende ik de kelder in, waar onze grote keuken was. De meid bracht me gerst, waar ze een beetje kokend water overheen goot. De kraanvogel was daar dol op. Ik haalde de kruiwagen en legde de pot erin. Jelena Prochorovna riep wat vanaf de stoep naar me, zonder te antwoorden draafde ik beneden over het weggetje in de richting van de oranjerie.

Ik was opgetogen, hij zou wel honger hebben, daarom kreeg hij vandaag zijn lievelingskostje, in heet water geweekt. Wat zou dat lekker smaken! Ik zou hem nooit meer vergeten. Vandaag was mijn hele hart met liefde gevuld, mijn hart viel daardoor bijna uit mijn lijf en ik kon haast niet lopen met zo’n vol hart. Ik had zin om even te blijven staan en in huilen uit te barsten en hard te fluisteren: ‘Ik ben gek op je, echt waar! Vergeef me! Ik zal je nooit meer vergeten! Ach, wat ben ik gek op je!...’

In de Oranjerie is het stil en leeg. Griezelig stil. ‘Kraanvogeltje, mijn lieve vogeltje!’

Het bleef stil. Ach, wat een angstwekkende stilte! ‘Kraanvogeltje, mijn vogeltje!’

Ik ren de hele oranjerie door. De tuinman zal hem toch niet hebben meegenomen? Hij is toch niet van honger omgekomen? In die weerzinwekkend schone potten zit geen enkele worm! Het is niet waar dat kikkers hier zonder open lucht en regen kunnen rondspringen.

Ik ren weer naar de deur. Bij de deur is een wastobbe, ingegraven in de grond. Er is iets grijs met een lange hals vanuit de diepte naar boven komen drijven, het ligt stil in het water, verwelkt en slapjes, een dof oog van een levend wezen rijst op vanuit de diepte, donker en troebel en tot mijn dichterbij komende ogen… Ik roep en roep en mis de kracht om naar hem toe te gaan. Ik weet dat alles is afgelopen.

Ik rende naar de tuinman en bleef schreeuwen.

De tuinman ging met me mee naar de tobbe en haalde de kraanvogel eruit.

‘Hij wilde drinken. Wat heb je gedaan, Verotjska, heb je hem geen water gebracht? Hij is al een poosje geleden verdronken. Kijk maar, hij is al helemaal stijf geworden.

Ik kon niet kijken. En niet praten. Ik was wanhopig. Ik hoorde hem en schreeuwde. Met een wilde snik smoorde ik mijn wanhoop en slenterde zachtjes omhoog naar ons huis. Ik bleef snikken en jammeren zonder mijn mond dicht te doen. Mijn moeder, de gouvernante, mijn zus, de huishoudster, mijn broer en nog een broertje kwamen al naar me toe.

Maar ik bleef janken zonder hoop of troost. Het was alsof mijn hart met een tang werd samengeknepen en in een klont veranderde. Mijn hart bonsde.

Het was te laat, te laat, echt te laat…

Het werd winter. Wij waren al weer in de stad. Was het echt vergeten? Het was vergeten en we hadden het gememoreerd. Ik kon die winter niet goed bidden. Mijn zonde was onvergeeflijk en ik wist niet hoe ik God hiervoor vergiffenis moest vragen. Er brak een nieuwe lente aan. Op Goede Vrijdag en met Pasen gingen we naar ons landhuis.

Ik besloot voor het eerst te vasten en ik ging stil en in volle overtuiging naar de kerk, terwijl ik daar vroeger te lui en moe voor was. Ik lag uren op mijn knieën te bidden en te huilen. Ik was gehoorzaam en lief.

Op Goede Vrijdag ging ik ’s avonds te biecht. Er ging een lichte rilling door me heen, toen ik door de donkere kerk naar het koor liep, waar de oude priester op de biechtelingen wachtte. Ik stond daar met gebogen hoofd en antwoordde op alle vragen: ‘Ik ben zondig, eerwaarde vader!’ Toen hij daarna vroeg of er iets bijzonders was, vertelde ik over het kraanvogeltje, dat door mijn toedoen verdronken was, omdat ik geen belangstelling meer voor hem had en niet meer van hem hield. Ik zweeg en wachtte… Zou hij me vergeven? Kon hij me vergeven? Nee, natuurlijk niet, dat kon niet. Ik was vervloekt omdat ik niet langer van de kraanvogel hield… Er druppelden bittere tranen over mijn wangen…

‘Verotjska, huil maar niet meer. In de liefde is de mens zwak. Hoe kan het ook anders! Daarom heeft Christus ons lief. Daarom vergeeft Christus, onze God, ons. Hij vergeeft ook jou. Hij is gekomen om zijn werk helemaal af te maken. Wij, mensen, kunnen dat niet. Maar wij kunnen bidden en om hulp vragen. En als Hij vergeeft, heeft Hij mededogen, Hij zal je ziel nemen en je doen verrijzen. Dan zal je ziel leren lief te hebben. Dat alles kan Hij, omdat Hij is gestorven en opgestaan!’

De oude priester gebood me te knielen, bedekte mijn hoofd met zijn ruwe stool, die naar wierook rook en fluisterde iets. Er voer een huivering over mijn rug, en ik hield op met huilen. Er viel zo’n stilte dat ik ophield met denken en er alleen nog vertrouwen overbleef.

Toen brak de paasnacht aan. De sneeuw smolt en water druppelde van het dak. Er was geruis, opwinding, gefluister van de hele aarde, een echo van de hemel, die met een warme ademtocht van de hoge, vuurrode sterren kwam aanwaaien…

De slee glijdt zonder te piepen over de compacte, smeltende sneeuw. Wiebelend glijdt de slee door de ontdooide plekken als de ijzers de nog gladde grond raken. Stilte. Het ruikt naar lentesappen. En iedere, nog zwarte boom, die goed zichtbaar is in de door sterren verlichte nevel, vormt een bron van onwaarschijnlijke en betoverende geuren…

Het hele dorp was druk in de weer…Er was iets dat bijna af was. Er was iets dat bijna voltooid was. De sterren, de wind, de aarde en de mensen wisten dat.

Ik was schoon, ik had me gewassen, ook mijn hoofd, tot mijn haar zowat uitviel, ik had mijn tanden zelfs met citroen bewerkt om ze wit te maken. Mijn jurk was ook wit. Ik zweeg als het graf. Vanaf vrijdagavond had ik mijn woorden geteld zodat mijn ziel wit bleef, nadat mijn zonden waren vergeven en na mijn heilige communie.

Het is helder en het licht van de kaarsen flikkert en trilt. De mensen zuchten zachtjes, slaan een kruis en buigen. Ze wachten met verhitte en stralende gezichten, ze zijn verwachtingsvol… De deemoedige en stille massa mensen ging uiteen. De priester en de diaken kwamen voorbij en het koor met kerkvaandels en kruisen… De massa volgde de processie. Er stroomde frisse lucht naar binnen. De wierook en was van de kaarsen roken sterk naar berkenbomen.

‘Christus is opgestaan! Christus is opgestaan! Christus is opgestaan!’ Drie keer werd hier enthousiast op geantwoord met: ‘Hij is waarlijk opgestaan!’

Natuurlijk waarlijk! Mijn hart is in mijn borst opgestaan. Mijn slappe hart, dat niet kon liefhebben, is opgestaan om zich over te geven. Het heeft zich overgegeven aan U, mijn Christus en mijn God!

En op een eigenaardige manier vloeiden leven en dood samen in mijn borst. Ze leken alleen maar verschillend te zijn. Er is niets meer dat dit hart dat in liefde is herrezen, angst kan aanjagen en noch ik noch een ander kan mijn hart pijn doen.

Jij leeft, mijn lieve kraanvogeltje! Heb ik niet van je gehouden? Hoe is dat mogelijk, want ik zou voor jou sterven als je dat wilde. Ook nu ter plekke, zodat jij in mijn plaats zou leven.

Jij leeft, kraanvogeltje, jij bent bij Christus. We zullen elkaar daar ontmoeten. Zou jij je domme, slappe, vergeetachtige vriendinnetje vergeven? Zij is veranderd. Vandaag, op dit moment, is zij veranderd. Zij is sterker dan de dood. Sterker dan het leven. Zij is vandaag volmaakt en jij bent volmaakt. Dat is Christus. Dacht ik toen echt zo? Zo herinner ik het me nu.

En zo, wanneer de treurige aarde van aanblik is veranderd, deze zieke aarde, deze fonkelende aarde, van dood naar leven en van leven naar dood, deze aarde die smeekt om te stoppen, maar die voort dendert in een zelfvernietigende wervelwind (dat is precies waar ik zelf in zat, in een wervelwind), wanneer de aarde dus van aanblik is veranderd en een eeuwig Pasen is gerealiseerd, dan zul jij mijn domme kraanvogeltje volmaakt zijn en met mij voor Christus staan. En we zullen samen langdurig in die vergevingsgezinde ogen kijken.

Vertaling Eva van Santen





<   

TSL 93

   >