Lidia Zinovjeva-Annibal was een interessante
en excentrieke vrouw, die in de tijd
van het symbolisme (ook wel de Zilveren
Eeuw genoemd) leefde en schreef. Ze was
van de generatie van Zinaïda Hippius, die
als schrijfster veel bekender is geworden
dan zij.
Zinovjeva-Annibal kwam uit een
adellijke familie. Haar grootvader, broer
en oom bekleedden hoge posities in de
Russische maatschappij; haar moeder was
barones en net als Poesjkin afstammelinge
van Abram Petrovitsj Gannibal, ook wel
de Moor van Peter de Grote genoemd.
Gedisciplineerd en oppassend was
Zinovjeva-Annibal bepaald niet. Vanwege
haar rebelse gedrag werd ze van
school gestuurd – ze zat op een meisjesgymnasium
in Petersburg – en trouwde,
om uit haar ouderlijk huis weg te komen,
op haar achttiende met haar huisleraar,
Konstantin Sjvarlason. Met hem ging ze
naar het buitenland om zang te studeren.
Ze nam les van Pauline Viardot, de door
Toergenjev aanbeden zangeres, en zou in
het Scala te Milaan debuteren. Op de dag
van haar optreden kreeg ze echter een
verlamming in haar stembanden, zodat
ze haar zangcarrière abrupt moest afbreken.
Wel bleef ze met haar echtgenoot,
met wie ze drie kinderen kreeg, in het
buitenland wonen.
In 1893 ontmoette Zinovjeva-Annibal
in Rome de symbolistische dichter en filosoof
Vjatsjeslav Ivanov. Beiden waren getrouwd,
maar ze verlieten hun partners om
hun leven verder samen door te brengen.
Met Ivanov woonde Zinovjeva-Annibal
op diverse plekken in Zwitserland, Italië,
Griekenland, Egypte en het Heilige Land,
om in 1905 naar Petersburg te verhuizen.
Daar stichtten ze in hun hoekhuis, bijgenaamd
de Toren, een literaire salon, die
algauw het intellectuele en artistieke centrum
van Petersburg werd. Wekelijks kwamen
allerlei beroemde dichters, schrijvers
en kunstenaars bijeen in hun huis. Aan de
salon kwam een einde in 1907 toen Lidia,
vrij plotseling, aan roodvonk overleed.
Naast poëzie, beoefende Zinovjeva-
Annibal verschillende genres: toneelstukken
zoals Koltsa (‘Ringen’, 1904), romans, waaronder de eerste Russische
lesbische roman Tridtsat tri oeroda
(‘Drieëndertig mismaakten’, 1906) en
korte verhalen, onder meer de bundel
Tragitsjeski zverinets (‘Een tragische
menagerie’, 1907). Deze bundel werd
positief ontvangen door onder anderen
Marina Tsvetajeva. Uit deze laatste autobiografische
bundel van negen verhalen
heb ik de twee dierenverhalen gekozen
die hieronder in vertaling zijn afgedrukt.
Deze autobiografische verhalen troffen
me door de moderne en ongebruikelijke
manier waarop Lidia Zinovjeva-Annibal
over dieren schreef. Ze laat zien hoe
wreed en ondoordacht veel mensen met
dieren omspringen. De hoofdpersoon,
een jong meisje, is zeer betrokken bij de
dieren en toont diepe emoties; jammer alleen
dat het einde van het tweede verhaal
over de kraanvogel wel erg sentimenteel
religieus is.
Opgedragen aan Margarita Vasiljevna Sabasjnikova
Mijn broers keerden terug van de jacht, met drie pasgeboren beertjes
tegen hun borst gedrukt. Ze hadden een grote berin gedood.
Het was nog winter en de beertjes werden in onze grote, warme
keuken in het souterrain van het dorpshuis grootgebracht. Ik
herinner me dat ik ze voor het eerst zag. Er stond een diepe mand.
Iemand liet hem kantelen. Ik keek erin. Er steeg een scherpe, nare
geur uit op. Op de bodem lagen kleine, pluizige pups dicht tegen
elkaar aangedrukt. Grappige babybeertjes.
De rest van de winter hebben we waarschijnlijk in de stad
doorgebracht, want de tweede keer dat ik de beertjes zag waren het
al vrije, bijna volgroeide wilde diertjes geworden met een donzen,
gladde vacht en een fris snuitje. Hun vrolijke oogjes keken slim en
enthousiast de wereld in. Het waren er nog maar twee. Het derde
beertje was gestorven toen het nog aan de fles was.
Dat was het begin van onze heerlijke zomer op het platteland,
onze, dat wil zeggen die van mij en mijn twee vriendjes, de beertjes.
Ik herinner me het zonovergoten, met zand bestrooide erf voor
de deur van ons oude, grote, houten huis. Er was een schommel,
die bestond uit een lange, buigzame plank die aan touwen tussen
twee paaltjes hing. Ik zie mezelf nog schommelen onder een wilde,
volle, heerlijk geurende rozenstruik. Ik zet me zachtjes met mijn voet af tot ik omhoog zwaai en daarna probeer ik me zwaar
te maken om de schommel weer naar beneden te krijgen. De zitplank
kraakt en wiebelt een beetje. Opeens kwamen de beertjes,
de hemel mag weten waar vandaan, naar me toe hobbelen, met
grappige sprongetjes en waggelend op hun blote, brede pootjes.
Die al flink uit de kluiten gewassen diertjes kwamen als
waakhonden op me afgestoven en gingen voor me op het zand
zitten met hun ene voorpootje op mijn knieën. Het andere pootje
staken ze in hun poezelige bekje om smakkend en kreunend op
te sabbelen.
Ik moest denken aan het gezegde: ‘Een hongerige beer sabbelt
in de winter op zijn poot.’ Maar nu was het geen winter, maar
zomer. Onze schatjes hadden helemaal geen honger en toch zaten
ze op hun bruine, ruige pootjes te sabbelen. Onze Bruintjes eten
havermoutpap tot ze geen pap meer kunnen zeggen. Daar zijn ze
tam op geworden. Moet je zien hoe eentje me helemaal is vergeten
en wegrent nu hij Krotik, het teckeltje, ziet. Krotik keft naar
Bruintje. Die springt op Krotik af. In een oogwenk bungelt Krotik
al tussen de kaken van Bruintje, maar zijn tanden zijn zachter dan
mijn liefkozende handen en de teckel wringt zich blij piepend tussen
de kaken van Bruintje uit, keft opnieuw enthousiast en bijt in
de volle, bruinwollen vacht van zijn grote, vrije vriend.
Ik ben jaloers. Ik trek mijn andere, trouwe kameraadje aan zijn
pootjes. Ik spring van de schommel af en we rennen om het hardst.
Al heel gauw rollebollen we door het zachte, geurende gras. Het
ruikt naar de aarde in de lente en naar een warme vacht. Van zijn
hete adem pal in mijn gezicht moet ik lachen en word ik blij, zijn
platte, stevige pootjes ploffen op me neer. We springen op en zitten
elkaar achterna. Het beertje klimt als een aap in een boom en
klemt zich vast aan een tak. Het laat zijn goeiige, domme kopje,
het lieve kopje van een schepsel Gods, hangen en kijkt naar me
met zijn duivelse, slimme oogjes.
Wat een heerlijke, zonnige, blije lente! Een gave Gods, die
kameraadjes uit het bos!
Na het middageten drinken we zoals gewoonlijk om vier uur
thee of koffie op het grote, halfronde balkon met de withouten
zuiltjes. Daarbij krijgen we gele pruimpjes, broodjes met komijn,
zacht grijs brood van ons eigen noordelijke graan, zelfgebakken
honingkoekjes, priklimonade en kasaardbeitjes, met vijgen en
jam als extraatjes. Iedereen is er: mijn twee oudste broers en hun
vriendjes, een vroegere huisleraar, een stuk of wat gasten, mijn
zusje en haar vriendinnetje, mama en mijn gouvernante, dezelfde
die ooit verklaarde dat een hongerige beer ’s winters op zijn poot
sabbelt.
Wat waren die honingkoekjes lekker! De vrouw van de oude
kok had ze gebakken. Ze waren knapperig vers en roken naar honing.
Ja, daar dachten de beertjes net zo over. En beren hebben
nog een fijnere neus dan mensen. Ze werden natuurlijk in de gaten
gehouden. Ze klauterden onhandig vanuit het weelderige bloemperk,
de trots van mijn moeder, via een zijtrapje naar het balkon en
gingen ons naar ons zitten kijken. We schreeuwden naar ze, waarop ze meteen verdwenen en ons even later aan het lachen maakten
met hun nieuwsgierige oogjes en snuffelende snuitjes.
Maar wij, onnozele kindertjes, dachten nergens aan en gingen
meteen van tafel om lekker te gaan spelen, waarop de beertjes hun
kans schoon zagen en gauw op de tafel klommen.
‘O jee, de koekjes!’ riep moeder. Ze rende naar het balkon, ik
er achteraan. De beren – geen kleine beertjes meer! - waren heel
lomp midden op de ronde familietafel gaan zitten en deden zich
te goed aan de koekjes. Ze kieperden de schaaltjes met jam om
en likten smakkend en grommend van genot hun zoete pootjes af,
terwijl hun slimme oogjes alle kanten opschoten.
Zodra ze ons zagen, stoven ze op. De zware tafel wiebelde en
de glazen en bordjes rolden alle kanten op.
Ze ploften op de grond en je zag alleen hun schommelende,
dikke achterwerken met de korte pluimstaartjes over de traptreden
verdwijnen. Maar mama had er geen moeite mee.
Mama was een schat, ze hield van die domme beertjes.
De zomer vorderde. De beertjes groeiden niet met de dag, maar
met het uur. Ze werden nog groter dan een stevige waakhond. Als
vanouds speelden en ravotten ze met de teckel en met mij, en zoals
altijd hielden ze scherp in de gaten waar wat lekkers te halen viel,
terwijl ze ook hun havermoutpap dankbaar en likkebaardend op
lebberden.
De boeren die naar onze boerderij kwamen begonnen bang
te worden voor onze onschuldige vriendjes. Zij vonden het een
slecht plan om deze viervoetige beschermelingen van de landheren
als huisdieren te behandelen. Ze zagen het met lede ogen aan
en durfden niet meer op bezoek te komen. Later hoorde ik dat de
opzichter bij mijn broer was komen klagen en gevraagd had om de
beren weg te doen.
‘Voor je het weet vallen ze een mens aan en verwonden die
dodelijk. Of ze nemen het vee te grazen. Het blijven wilde dieren
uit het bos ook al zijn ze met de fles groot gebracht,’ zeiden ze.
De beide Bruintjes werden in een stenen schuur ondergebracht.
De deuren bleven op slot. De arme dieren brulden, heel zielig, ze
verlangden naar vrijheid, zon en vrienden. Ik wist niet waar ik het
zoeken moest en er was geen land met me te bezeilen. Ik deed
onaardig tegen mijn gouvernante en moest huilen.
Er kwam een familieberaad, met de boswachter erbij, om te
beslissen wat er uiteindelijk met de beertjes moest gebeuren. De
zomer was half voorbij en tegen de herfst zouden de beertjes volwassen
zijn. Het was al te laat om ze los te laten in de vrije natuur
en het was ook geen goed idee om ze in de schuur te houden. Bovendien
was het tijd dat ze vlees kregen.
‘Misschien moeten we ze doodschieten,’ zei de boswachter.
Ik barstte in huilen uit, in een hoekje van een grote, oude bank,
waar ik me, onzichtbaar voor de anderen, had verstopt. Mijn oudste
broer twijfelde.
‘Tsja, dat is wel het beste…ja, natuurlijk… Dan hoeven ze niet
te lijden…’
Mijn andere grote broer, die door ons de Wilde Jager werd genoemd, omdat hij zo graag alleen in de bossen rondstruinde, was het er niet mee eens.
‘We zijn aan ze gewend, wij hebben ze opgevoed en met de fles
gevoed. Wij gaan ze niks aandoen!’
Ik kreeg weer een huilbui die niet te stuiten was, toen ik dit allemaal
hoorde. Mijn zusje zei met tranen in haar ogen: ‘Mamaatje,
bedenk iets!’
‘Laten we ze in het bos loslaten!’ vond mama.
Ik hield op met huilen. Iedereen zweeg.
Mijn oudste broer haalde zijn schouders op. De boswachter
protesteerde: ‘Volgens mij is dat is heel stom. Het blijven wilde
dieren: ze slachten koeien af.’
Ik haatte hem. Mijn beertjes waren geen wilde dieren.
‘Stom, stom!’ herhaalde mijn oudste broer zonder overtuiging.
Mijn zusje keek met smekende, vochtige ogen naar mijn moeder.
Ik wilde weer gaan grienen en deed mijn mond al open. Maar de
Wilde Jager zei geïrriteerd: ‘Mama heeft gelijk. Zo moeten we het
doen. We moeten ze naar het bos brengen. We hebben niet het
recht de beertjes dood te schieten.’
En mama voegde daar snel aan toe: ‘We hebben ze uit het bos
gehaald en als we dat niet hadden gedaan, zouden ze daar nu rondlopen.’
Ook mijn oudste broer stemde daar ten slotte mee in. De boswachter
was overtroefd en we bespraken hoe we de vrijlating van
de beertjes moesten aanpakken. We besloten ze in grote dichtgespijkerde
kisten naar het bos brengen te brengen tot voorbij het
Duivelsmoeras. Dat was ver weg en echt de wildernis. Nadat we
de kisten in het bos hadden gedumpt, zouden we de spijkers eruit
halen en snel wegrijden. Tegen de tijd dat de beren de kisten hadden
open gekregen om zich te bevrijden, zou de boerenkar al een
eind weg zijn. Ze zouden in geen honderd jaar de weg terugvinden.
Ze zouden in vrijheid, in het dichte naaldwoud verwilderen.
De Wilde Jager begon te lachen: ‘Dan moet ik ze niet toevallig
tegenkomen. Dan herkennen we elkaar niet en schiet ik ze neer!’
Ze werden weggebracht.
Het moment dat hun lot bezegeld werd was afschuwelijk, maar
voor mijn radeloosheid kwam allengs iets heel anders in de plaats:
de hoop dat mijn beertjes de vrijheid tegemoet gingen. Het maakte
me waanzinnig blij, en ik vergat te treuren om mijn weggevoerde
vriendjes. Bovendien hield ik met andere dingen bezig. Tot er iets
gebeurde dat mij diep raakte.
Ik weet niet hoeveel dagen voorbij waren gegaan, op zijn
hoogst één of twee dagen, toen ik het laatste wrede nieuws hoorde.
Ik weet niet meer hoe, waar en met welke woorden mij dat ter ore
kwam. Het draaide in feite om één enkel woord, of liever gevoel,
omdat het woord zich pas veel later aandiende. Verraad. Iemand
had iemand verraden. Een vorm van liefde, een vorm van blij en
kinderlijk, nee nog simpeler, een dierlijk vertrouwen… was verraden…
verraden.
Voorbij het Duivelsmoeras waren boeren en boerinnen op een
open plek in het bos aan het maaien. Plotseling zagen ze pal voor hun neus twee beren uit het bos komen. Van pure angst zagen
ze niet dat het nog jonge beren waren. De boeren en boerinnen
schrokken zich een ongeluk en gingen met hun zeis op ze af.
De beertjes waren gewend enthousiast op mensen te reageren,
op hun vriendelijke stemmen. Dus ze holden vrolijk op de boeren
af, met hun guitige oogjes, grappig waggelend met hun brede
achtersten op hun scheve, stevige poten. Dat was het beeld dat ik
voor me zag.
De doodsbange boeren liepen met hun zeis op de beertjes af.
Ze hakten er duchtig op los. Een van de beertjes konden ze levend
te pakken krijgen en meenemen. Ze brachten hem naar het park
van de tsaar om hem voor de jacht te verkopen. Zijn poten werden
gebroken voor de jacht om hem makkelijk en zonder risico te kunnen
neerschieten. Het andere beertje, dat gruwelijk verwond was
en onder het bloed zat, wist niet wat hem overkwam en had zich
zonder ook maar iets te begrijpen losgerukt en was halfdood naar
het bos ontkomen.
Mijn broer, de Wilde Jager, zat op dat moment op zijn paard
met een geweer over zijn schouder. Hij was in gedachten verzonken,
hij dacht aan de beertjes waar hij zo dol op was. Daar hoorde
hij gekreun. Het leek wel een mens. Hij ging op het gekreun af en
drong het dichte struikgewas in. Ons lieve beertje lag daar dood te
gaan. Het keek zijn oude vriend aan. Mijn broer nam zijn geweer
van zijn schouder en schoot zijn geweer helemaal leeg in het oor
van de beer.
Zo kwamen onze beertjes aan hun einde.
Dat het zo gebeurd is weet ik nog heel goed, maar ik weet
niet meer wie het me verteld heeft en waar dat was en dat doet
er ook niet toe. De Wilde Jager zal het me wel verteld hebben.
Ik herinner me ook het gezicht van mijn moeder. Dat moet zijn
geweest toen mijn broer het over de dood van de beertjes had. Wat
ik me sindsdien het beste herinner van mijn moeder is haar gezicht
op dat moment. Ze was erg bleek en haar onderlip trilde. In haar
lichte, grote ogen las ik angst. Ze kwam overeind. Ze wankelde. Ik
sprong op. Mijn broer kwam ook aanrennen. Toen zei ze zachtjes,
met bevende mond, alsof ze zich verontschuldigde: ‘Het is niets,
Mitja. Ik kreeg gewoon een beetje medelijden met onze beertjes.
Ik kom zo terug.’
En ze vertrok… Het werd heel stil, iedereen was kennelijk vertrokken.
Op dat moment hoorde ik woorden die me toen niet duidelijk
waren, maar die ik me nu met een absurde precisie herinner.
De oude huisleraar van mijn broers, die schijnbaar vlak bij me
stond, zei op beschuldigende toon: ‘Zo zie je maar wat er gebeurt
als de mens ingrijpt in de natuur.’
Waarop onze nuchtere gouvernante opmerkte: ‘Nou, wat zou
u dan hebben gedaan? Zou u bevel hebben gegeven de beertjes te
sparen, zodat ze het vee van de boeren konden afslachten?’
Het huilen stond me nader dan het lachen. Ik begreep er niets
van. Ik wilde huilen maar ik kon het niet.
Ik herinner me dat het al donker was en dat ik al in bed lag in
de kinderkamer en dat ik nog steeds niet kon huilen. De ijzeren windhaan maakte een zacht piepend geluid op het dak. Ik voelde
me verschrikkelijk. Het kwaad was geschied. Het was een groot
onrecht. Het vertrouwen en de liefde waren beschaamd. Er was
verraad gepleegd. Het was een verraad aan liefde en vertrouwen.
En… niemand was schuldig.
En niemand was schuldig. De nacht was helderder in de
stilte. Bij het piepen van de ijzeren windhaan vormde zich een gedachte,
bijna in woorden. Ik huilde niet. De onuitgesproken vraag
beklemde me. Mijn gevoelens werden me te machtig.
Ik kroop uit bed. In de duisternis, op de tast, liep ik door de
lange gang naar mijn moeder. Mama zal spreken, mama zal antwoorden,
mama, mama…Mama weet alles, mama kan ons overal
voor beschermen.
‘Mama, mama! Waarom laat God dit gebeuren?’
‘Lieverdje, rechtvaardigheid op aarde bestaat niet en kan niet
bestaan! Maar jij moet de aarde liefhebben, en streven naar rechtvaardigheid,
bid ervoor, zet je er met je hele hart voor in, liefje ,
dan zal er beslist een wonder geschieden. Er zal een rechtvaardige
wereld komen. Als je ziel daar zo naar verlangt, zal het gebeuren!’
‘Mama, je hebt gezegd dat die niet kan bestaan op aarde…’
‘Er is een wonder voor nodig, lief meisje, een wonder. Een
hemelse gift. Maar het is niet de moeite waard om alleen voor deze
aarde te leven. Het is de moeite waard om voor die gift te leven,
lieverd, alleen voor die gift. Daarvoor moeten we lijden en huilen,
strijden en bidden!’
‘Maar hoe moeten we leven, mama, als het leven zo droevig is?’
‘Hoe we moeten leven? Je moet liefhebben. Zo moet je leven.
Dat is het enige wat ik weet. De liefde zal je leiden… Ze is een
strenge meesteres. Hoe groter en heiliger ze is, hoe strenger ze zal
worden. Ze zal je leren om onrechtvaardigheid niet te vergeven.
Je hand zal krachtig worden en je hart sterk… Je moet je verder
ontwikkelen dan ik, meer begrijpen. Je moet je hart openstellen en
meer van jezelf eisen!’
Ik lag op mijn knieën op het kleedje voor haar bed met mijn
gezicht verborgen in haar handen en plotseling kwamen de tranen,
die op de lieve handen van mijn moeder druppelden.
Ik voelde me beter… Ik wilde slapen.
Moeder liet me niet alleen door de lange, donkere gang teruggaan
naar de kinderkamer. Ik mocht naast haar liggen, heerlijk
warm. Ik voelde me veilig en gekoesterd door die lieve moederwarmte.
Zo viel ik in slaap.
Mijn moeder stierf toen ik nog klein was. Ik zou haar woorden
niet zo precies hebben onthouden als er na haar dood niet een kleine
blauwe envelop was gevonden met het opschrift: ‘Voor mijn
lieve Vera als ze zestien wordt.’ In de envelop zat een briefje of liever
een notitie, met daarop de datum waarop mijn broer het gemartelde,
lieve beertje doodschoot. Mama had die nacht ons gesprek
opgeschreven zodat ik het voor altijd zou onthouden.
Voor Olga Aleksandrovna Beljajevskaja
Ik heb ooit een kraanvogel gehad. Die had mijn lieve broer, bijgenaamd
de Wilde Jager, uit zijn jagerstas gehaald en aan mij gegeven.
Twee dagen en nachten had hij met zijn twee jachthonden
door het bos gezworven. Hij had twee zakken bij zich. Een met
dode vogels, die met hun hun koppen aan slappe, uitgemergelde
nekken bungelden en een tweede met vijf hazen met doffe, troebele
oogjes. En daar was zowaar nog een derde zak, daaruit haalde
hij in de hal een levende kraanvogel voor mij. Het was een nog
onbeholpen, kaal jong op absurd hoge poten met een kleine koppie
en spiedende oogjes op een lange nek.
Aanvankelijk groeide de vogel bij ons in huis op in een goed
verlichte voorraadkamer, waar we ook kanaries hielden. Toen hij in
de zomer al was uitgegroeid tot een ranke en sterke vogel met een
glad, grijs verenkleed, nam ik hem mee naar de appelboomgaard.
De boomgaard was van het park afgescheiden met een hoge
schutting. De kraanvogel kon één vleugel niet goed gebruiken en
bovendien waren beide vleugels gekortwiekt zodat hij niet kon
wegvliegen. Daar bleef hij en daar kon hij smullen van de heerlijke
rupsen en wormen onder de frambozenstruiken. Ik bracht daar
heel wat prettige uurtjes met mijn vriendje door. Hij was zo’n vrolijke
deugniet!
Af en toe verlieten we de appelboomgaard om door het hele
park te lopen. Ik rende dan over de paadjes en de kraanvogel vloog
tussen de bomen klapwiekend met me mee. Ik ging in het gras liggen.
De kraanvogel plukte aan mijn jurk en mijn haar tot het pijn
deed en brabbelde schor iets onbegrijpelijks.
De kraanvogel was mijn gevleugelde hondje, mijn spirituele,
vrije vriend en mijn trots. Ik was altijd blij als ik met hem speelde.
‘Waar denk je aan?’ vroeg mijn gouvernante dan. Meestal aan
mijn lieve kraanvogeltje natuurlijk.
Vervolgens kreeg ik een kleur, alsof ik iets stouts had gedaan.
Op een keer was ik de kraanvogel kwijt. Ik werd schor van
het roepen, haalde mijn knieën open in de kruisbessenstruiken en
barstte in huilen uit. Ik was wanhopig en helemaal in de war.
Het was een grijze dag. Ik voelde me eenzaam en treurig en
tegelijkertijd boos en opstandig. Ik kon ’s nachts niet slapen en lag
te huilen. Toen raapte ik al mijn moed bij elkaar: ik stond stilletjes
op, kroop naar het raam (mijn kamer was op de eerste verdieping),
stapte via een plank op het dak van het grote balkon en gleed langs
een door de maan beschenen witte paal de tuin in.
Ik was helemaal niet bang, omdat ik wist dat ik in het park zou
uitkomen. Daar in de boomgaard, onder de appelbomen, die allang
uitgebloeid waren, ging ik op zoek naar de vogel. Huilend riep ik
zijn naam, rende over door de maan beschenen bloembedden tussen
de onbeweeglijke en de scherpe schaduwen door.
De volgende avond werd de kraanvogel thuisgebracht. Hij
leefde nog, dat wel, maar… hij was gewond en had een gebroken vleugel. Dat hadden kraanvogels gedaan. Die andere, wilde
kraanvolgels zitten op akkers waar veel haver groeit. Onze jonge
kraanvogel was naar ze toegevlogen. Zij begrepen hun broertje
niet, moesten niks van die vreemde knakker hebben en sloegen
hem met hun snavel.
Mijn broer, de Wilde Jager, reed tegen de avond op zijn paard
vanuit het bos naar huis en besloot de vraatzuchtige kraanvogels
op de akkers dood te schieten. Kraanvogels zijn sluw: zonder geweer
laten ze je dichtbij komen, maar zodra ze een geweer zien
vliegen ze met piepend gekrijs een halve werst hoog de lucht in.
Ze vlogen dus op, maar één plofte op de grond na een vergeefse
poging om weer op te vliegen. Mijn broer liep er naartoe en zag dat
het mijn kraanvogeltje was!
De kraanvogel werd in de oranjerie opgesloten. Hij verveelde
zich daar tussen de rijen kwetsbare planten. Er zaten geen lekkere
vette wormen en rupsen in de potten en er waren geen kikkers die
na een regenbuitje sloom over de simpele, platgetreden paadjes
sprongen.
Maar ik ging elke dag naar hem toe. Hij rende me piepend
tegemoet en dan ontsnapten we naar de vrije wereld. Hij werd koppig
en sterk.
We gingen naar de paardenstal. Maar hij hield niet van het pad
tussen de wei en de opgedroogde vijver. Hij had zijn eigen fantasieën!
Waarom zou hij niet van dat pad houden? Ik begreep het
niet. Ik gaf het eigenwijze beest een duw door met kracht van een
achtjarige mijn handen tegen zijn platte, weerbarstige rug op de
sterke, lange poten te drukken. We renden dan drie passen vooruit
en een achteruit.
Ik was helemaal bezweet en buiten adem van inspanning. Ik
werd boos en moest tegelijkertijd lachten om mijn koppige en sterke
vriendje.
Op het erf van de paardenstal lagen langs de schuur planken op
de bruine, glimmende mest, die vies en scherp rook. Daar zat ook
een goot voor vloeibare mest. Die was diep en modderig onder een
metaal- en regenboogkleurige laagje schimmel.
Het was griezelig.
We strompelden, duwend en vechtend, over de smalle planken.
We duwden tegen een hek. O, daar lag een kortere plank.
Ik zakte door mijn knieën en draaide hem met veel moeite om.
Mijn kraanvogel stond er boos en zwijgend bij. Plotseling ging
hij keihard snateren. Wormen! Wormen! O, wat een fantastische
wormen! Ze zijn roze, nee, ze zijn zo vet dat ze bijna gelig zijn
als de zalm die we in de vastentijd eten. Ze liggen in de mest en
bewegen nauwelijks. De kraanvogel slokt de een na de ander
met een vet klokkend geluid naar binnen. Dat is nog eens smullen!
Te gek! Jammer dat ik niet mee kan doen! Ach, geeft ook
niet, ik begrijp toch niet hoe lekker dat is, hoe verschrikkelijk
lekker dat is!
De herfst duurde lang en was saai. Het werd moeilijk om met
de kraanvogel te wandelen en ik kreeg er een beetje genoeg van.
Het was niet meer zo bijzonder voor me en ik verlangde niet meer zo naar mijn vriendje dat nu in zijn eentje daar ver weg in die onverwarmde
oranjerie zat.
Daar stonden potten met aarde en daar zouden zeker ook wormen
in zitten. Daar waren ook bakken met water die ingegraven
waren. Waarom zouden daar geen kikkers in zitten? Dat wist ik
wel zeker.
Ik bracht de kraanvogel trouwens gerst. Hij hield van graan.
Hij was blij me te zien en wilde graag naar buiten. Maar ik had
heel vaak geen tijd! Ik moest naar mijn lessen, in de herfst kreeg
ik meer les en mijn gouvernante werd strenger. Ik werd luier, eigenwijzer
en vaak brutaal. Dan kreeg ik straf. Dan had ik geen zin
in mijn kraanvogel. Maar hij kreeg tenminste nooit straf. Ik was
jaloers op hem. Ik zou het fijn vinden om bij hem te zijn, maar hoe
kon ik dat elke dag voor elkaar krijgen? Als de lente kwam zouden
we weer vriendjes worden.
Ik was drie dagen niet bij hem geweest. Ik ging erheen om
hem graan te brengen en zijn bak met water te vullen. Water was
het belangrijkste, want de waterbakken in de oranjerie waren diep
en tot de rand ingegraven. Maar heel vaak waren ze na het vullen
weer half leeggelopen, en ze waren smal. Als mijn kraanvogel
erin zou vallen, dan zou hij er met zijn vleugels niet uit kunnen
komen…
Op een keer was ik hem vier dagen vergeten. Maar daarna
dacht ik aan hem en bracht hem eten.
Toen gebeurde er iets heel naars. Ik rende naar Maria op de akker
en hielp haar de hele dag met de aardappelen, op de kar staande
vuurde ik het paard aan. ’s Avonds kwam ik helemaal vuil van het
aardappelrooien thuis. Ik was een schoen kwijtgeraakt. Ik moest
twee dagen thuisblijven en werd woedend. Ik verloor elk gevoel
van medelijden en wist niks meer.
Zo ging een week voorbij. Ze hadden me vergeven, maar ik
was ontroostbaar. Ik zat mijn huiswerk te maken. Tegenover me
zat Jelena Prochorovna, mijn lerares, doodop en bleek en aan het
eind van haar latijn van al mijn strapatsen… Plotseling, o jee, arm
kraanvogeltje! Je hebt geen graan! En geen water!
Zonder iets te vragen schoot ik overeind, rende de gang door,
stortte de trap af en daarna kwam nog een gang en nog een trap, die
was al donker en helemaal van steen en toen rende ik de kelder in,
waar onze grote keuken was. De meid bracht me gerst, waar ze een
beetje kokend water overheen goot. De kraanvogel was daar dol
op. Ik haalde de kruiwagen en legde de pot erin. Jelena Prochorovna
riep wat vanaf de stoep naar me, zonder te antwoorden draafde
ik beneden over het weggetje in de richting van de oranjerie.
Ik was opgetogen, hij zou wel honger hebben, daarom kreeg
hij vandaag zijn lievelingskostje, in heet water geweekt. Wat zou
dat lekker smaken! Ik zou hem nooit meer vergeten. Vandaag was
mijn hele hart met liefde gevuld, mijn hart viel daardoor bijna uit
mijn lijf en ik kon haast niet lopen met zo’n vol hart. Ik had zin om
even te blijven staan en in huilen uit te barsten en hard te fluisteren:
‘Ik ben gek op je, echt waar! Vergeef me! Ik zal je nooit meer
vergeten! Ach, wat ben ik gek op je!...’
In de Oranjerie is het stil en leeg. Griezelig stil.
‘Kraanvogeltje, mijn lieve vogeltje!’
Het bleef stil. Ach, wat een angstwekkende stilte!
‘Kraanvogeltje, mijn vogeltje!’
Ik ren de hele oranjerie door. De tuinman zal hem toch niet
hebben meegenomen? Hij is toch niet van honger omgekomen?
In die weerzinwekkend schone potten zit geen enkele worm! Het
is niet waar dat kikkers hier zonder open lucht en regen kunnen
rondspringen.
Ik ren weer naar de deur. Bij de deur is een wastobbe, ingegraven
in de grond. Er is iets grijs met een lange hals vanuit de diepte
naar boven komen drijven, het ligt stil in het water, verwelkt en
slapjes, een dof oog van een levend wezen rijst op vanuit de diepte,
donker en troebel en tot mijn dichterbij komende ogen… Ik roep
en roep en mis de kracht om naar hem toe te gaan. Ik weet dat alles
is afgelopen.
Ik rende naar de tuinman en bleef schreeuwen.
De tuinman ging met me mee naar de tobbe en haalde de kraanvogel
eruit.
‘Hij wilde drinken. Wat heb je gedaan, Verotjska, heb je hem
geen water gebracht? Hij is al een poosje geleden verdronken. Kijk
maar, hij is al helemaal stijf geworden.
Ik kon niet kijken. En niet praten. Ik was wanhopig. Ik hoorde
hem en schreeuwde. Met een wilde snik smoorde ik mijn wanhoop
en slenterde zachtjes omhoog naar ons huis. Ik bleef snikken en
jammeren zonder mijn mond dicht te doen. Mijn moeder, de gouvernante,
mijn zus, de huishoudster, mijn broer en nog een broertje
kwamen al naar me toe.
Maar ik bleef janken zonder hoop of troost. Het was alsof mijn
hart met een tang werd samengeknepen en in een klont veranderde.
Mijn hart bonsde.
Het was te laat, te laat, echt te laat…
Het werd winter. Wij waren al weer in de stad. Was het echt
vergeten? Het was vergeten en we hadden het gememoreerd. Ik
kon die winter niet goed bidden. Mijn zonde was onvergeeflijk en
ik wist niet hoe ik God hiervoor vergiffenis moest vragen.
Er brak een nieuwe lente aan. Op Goede Vrijdag en met Pasen
gingen we naar ons landhuis.
Ik besloot voor het eerst te vasten en ik ging stil en in volle
overtuiging naar de kerk, terwijl ik daar vroeger te lui en moe voor
was. Ik lag uren op mijn knieën te bidden en te huilen. Ik was gehoorzaam
en lief.
Op Goede Vrijdag ging ik ’s avonds te biecht. Er ging een lichte
rilling door me heen, toen ik door de donkere kerk naar het koor
liep, waar de oude priester op de biechtelingen wachtte. Ik stond
daar met gebogen hoofd en antwoordde op alle vragen: ‘Ik ben
zondig, eerwaarde vader!’ Toen hij daarna vroeg of er iets bijzonders
was, vertelde ik over het kraanvogeltje, dat door mijn toedoen
verdronken was, omdat ik geen belangstelling meer voor hem had
en niet meer van hem hield. Ik zweeg en wachtte… Zou hij me
vergeven? Kon hij me vergeven? Nee, natuurlijk niet, dat kon niet.
Ik was vervloekt omdat ik niet langer van de kraanvogel hield…
Er druppelden bittere tranen over mijn wangen…
‘Verotjska, huil maar niet meer. In de liefde is de mens zwak.
Hoe kan het ook anders! Daarom heeft Christus ons lief. Daarom
vergeeft Christus, onze God, ons. Hij vergeeft ook jou. Hij is gekomen
om zijn werk helemaal af te maken. Wij, mensen, kunnen
dat niet. Maar wij kunnen bidden en om hulp vragen. En als Hij
vergeeft, heeft Hij mededogen, Hij zal je ziel nemen en je doen
verrijzen. Dan zal je ziel leren lief te hebben. Dat alles kan Hij,
omdat Hij is gestorven en opgestaan!’
De oude priester gebood me te knielen, bedekte mijn hoofd
met zijn ruwe stool, die naar wierook rook en fluisterde iets. Er
voer een huivering over mijn rug, en ik hield op met huilen. Er viel
zo’n stilte dat ik ophield met denken en er alleen nog vertrouwen
overbleef.
Toen brak de paasnacht aan. De sneeuw smolt en water druppelde
van het dak. Er was geruis, opwinding, gefluister van de hele
aarde, een echo van de hemel, die met een warme ademtocht van
de hoge, vuurrode sterren kwam aanwaaien…
De slee glijdt zonder te piepen over de compacte, smeltende
sneeuw. Wiebelend glijdt de slee door de ontdooide plekken als de
ijzers de nog gladde grond raken. Stilte. Het ruikt naar lentesappen.
En iedere, nog zwarte boom, die goed zichtbaar is in de door
sterren verlichte nevel, vormt een bron van onwaarschijnlijke en
betoverende geuren…
Het hele dorp was druk in de weer…Er was iets dat bijna af
was. Er was iets dat bijna voltooid was. De sterren, de wind, de
aarde en de mensen wisten dat.
Ik was schoon, ik had me gewassen, ook mijn hoofd, tot mijn
haar zowat uitviel, ik had mijn tanden zelfs met citroen bewerkt
om ze wit te maken. Mijn jurk was ook wit. Ik zweeg als het graf.
Vanaf vrijdagavond had ik mijn woorden geteld zodat mijn ziel
wit bleef, nadat mijn zonden waren vergeven en na mijn heilige
communie.
Het is helder en het licht van de kaarsen flikkert en trilt. De
mensen zuchten zachtjes, slaan een kruis en buigen. Ze wachten
met verhitte en stralende gezichten, ze zijn verwachtingsvol…
De deemoedige en stille massa mensen ging uiteen. De priester
en de diaken kwamen voorbij en het koor met kerkvaandels en
kruisen… De massa volgde de processie. Er stroomde frisse lucht
naar binnen. De wierook en was van de kaarsen roken sterk naar
berkenbomen.
‘Christus is opgestaan! Christus is opgestaan! Christus is opgestaan!’
Drie keer werd hier enthousiast op geantwoord met: ‘Hij
is waarlijk opgestaan!’
Natuurlijk waarlijk! Mijn hart is in mijn borst opgestaan. Mijn
slappe hart, dat niet kon liefhebben, is opgestaan om zich over te
geven. Het heeft zich overgegeven aan U, mijn Christus en mijn
God!
En op een eigenaardige manier vloeiden leven en dood samen
in mijn borst. Ze leken alleen maar verschillend te zijn. Er is niets meer dat dit hart dat in liefde is herrezen, angst kan aanjagen en
noch ik noch een ander kan mijn hart pijn doen.
Jij leeft, mijn lieve kraanvogeltje! Heb ik niet van je gehouden?
Hoe is dat mogelijk, want ik zou voor jou sterven als je dat
wilde. Ook nu ter plekke, zodat jij in mijn plaats zou leven.
Jij leeft, kraanvogeltje, jij bent bij Christus. We zullen elkaar
daar ontmoeten. Zou jij je domme, slappe, vergeetachtige vriendinnetje
vergeven? Zij is veranderd. Vandaag, op dit moment, is
zij veranderd. Zij is sterker dan de dood. Sterker dan het leven.
Zij is vandaag volmaakt en jij bent volmaakt. Dat is Christus.
Dacht ik toen echt zo? Zo herinner ik het me nu.
En zo, wanneer de treurige aarde van aanblik is veranderd,
deze zieke aarde, deze fonkelende aarde, van dood naar leven en
van leven naar dood, deze aarde die smeekt om te stoppen, maar
die voort dendert in een zelfvernietigende wervelwind (dat is precies
waar ik zelf in zat, in een wervelwind), wanneer de aarde dus
van aanblik is veranderd en een eeuwig Pasen is gerealiseerd, dan
zul jij mijn domme kraanvogeltje volmaakt zijn en met mij voor
Christus staan. En we zullen samen langdurig in die vergevingsgezinde
ogen kijken.
Vertaling Eva van Santen