Recensies en signalementen




Benjamin Balint, Bruno Schulz. An Artist, a murder, and the hijacking of history. W.W. Norton & Company, New York 2023.



Benjamin Balint, Bruno Schulz. An Artist, a murder, and the hijacking of history. W.W. Norton & Company, New York 2023.

In 1924 begon de Poolse schrijver Bruno Schulz (1892-1942) handenarbeid te onderwijzen aan de middelbare school in Drohobycz, een baan die hij de volgende 17 jaar zou bekleden. Door de sleur van het lesgeven voelde hij zich ‘dagelijks gebrutaliseerd en innerlijk vervuild’, schreef hij. Zijn studenten herinnerden zich Schulz, die tenger en verlegen was, als een magische verhalenverteller. In plaats van les te geven, verzon hij verhalen voor de klas. ‘Hij vertelde verhalen, en we hingen aan zijn lippen – zelfs de wildste kinderen luisterden’, herinnerde een oud-student zich. ‘Hij was nooit boos, verhief nooit zijn stem’, zei een ander, ‘een zachtaardige man’.

Schulz zocht zijn toevlucht in zijn fantasiewereld, de enige plek waar hij echt kon bestaan. Zijn tekeningen tonen heerszuchtige femmes fatales. Zij domineren de kleine, beschaamde mannen die op Schulz zelf lijken. De mannen sluipen en kruipen rond onder de heerschappij van de onverbiddelijke vrouwen en aanbidden hun benen en voeten. Zij negeren de mannen die hen verafgoden. In zijn verhalen komen ook toespelingen van Schulz’ masochisme voor. Zijn vrouwen zijn slank, heerszuchtig en afstandelijk, en ze vinden het heerlijk om de mannen te plagen, vooral Jakub, de vader van de jeugdige verteller Jozef. Jozef fixeert zich vaak op de dienstmeid: ‘Warm van de slaap en met verward haar maalde Adela koffie in de keuken boven, ze drukte de molen tegen haar witte borst, zodat de bonen warm en glanzend werden.’

De Amerikaan Benjamin Balint heeft uitgebreid onderzoek gedaan naar zowel het leven als de dood van de Poolse schrijver en graficus Bruno Schulz (1892-1992). Net als zijn vorige boek, Kafka’s laatste proces (2019), dat ging over de juridische strijd om de manuscripten van Franz Kafka, die uiteindelijk naar de Nationale Bibliotheek van Israël zijn gebracht, gaat zijn nieuwste boek over een auteur die verschillende culturen bestrijkt en door beide wordt opgeëist: in het geval van Kafka, joods en Duits en in het geval van Schulz, joods en Pools.

Schulz was geboren als een Oostenrijker, in de Habsburgse Dubbelmonarchie van Franz Joseph. Hij leefde als een Pool. Hij schreef in het Pools. Hij kende weinig Jiddisch en wist nog minder van de joodse godsdienst. Hij voelde met Poolse schrijvers als Witold Gombrowicz en Stanisław Ignacy Witkiewicz, en zijn grootste pleitbezorger was Jerzy Ficowski. Schulz stierf echter als een jood. Hij werd slachtoffer van de Holocaust. Hij werd in 1941 ontslagen als leraar handenarbeid als gevolg van antisemitische wetten. Bovendien had hij zijn ouderlijk huis moeten verlaten, omdat hij werd verbannen naar het getto. In Drohobycz was de SS-officier Felix Landau benoemd tot leider van de Joodse Dwangarbeid. Schulz overleefde aanvankelijk door het maken van muurschilderingen in de kinderkamer van Landau’s villa en werd zo de protegé van Landau. Terwijl Landau zich bezighield met de executies van joden, schilderde Schulz zijn afbeeldingen van sprookjes.

Op 19 november 1942 werd Schulz doodgeschoten in het getto van Drohobycz. Eerder die maand had Landau een joodse tandarts neergeschoten die tot slaaf was gemaakt door Karl Günther, een rivaliserende SS’er. “Jij hebt mijn jood vermoord, ik heb de jouwe vermoord”, zei Günther tegen Landau nadat hij Schulz had vermoord. Dat is de omgekeerde versie van de dood van Schulz die de Israëlische schrijver David Grossman vertelt in zijn roman Zie: Liefde (1990). Günther zei tegen Landau: ‘Ik heb je jood gedood’, en Landau antwoordde: ‘In dat geval ga ik nu jouw jood doden.’

Benjamin Balint legt uit dat de dood van Schulz zeer omstreden is. Hij is zeker op 19 november 1942 vermoord; een dag die in Drohobycz bekend is komen te staan als ‘Zwarte Donderdag’. Een joodse apotheker had een pistool bemachtigd en op een Gestapo-bewaker geschoten, en als vergelding schoten de Duitsers honderden joden op straat neer. Verschillende ooggetuigen beweren echter verschillende dingen. In sommige verhalen werd hij vermoord door Günther, in andere door Landau, in weer andere door een onbekende Nazi gendarme, een Gestapo officier of een Gestapo agent die hem duiven zag voeren.

Ondanks een intensieve zoektocht na de Tweede Wereldoorlog door Ficowski, werden de muurschilderingen die hij maakte voor Landau niet gevonden. Zestig jaar na de dood van Schulz, werden deze op wonderbaarlijke wijze herontdekt, in februari 2001 toen de Duitse documentairemaker Benjamin Geissler de verloren gewaande afbeeldingen vond. Enkele maanden later, in mei 2001, claimde een Israëlische geheime missie de kunst van Schulz voor de joden. Een team van Yad Vashem verwijderde de muurschilderingen die Schulz maakte voor de kinderkamer in het huis van Landau en bracht ze naar Jeruzalem. Israël werd beschuldigd van kunstdiefstal, hoewel het werk van Schulz niet door Oekraïne was aangewezen als cultureel erfgoed. John Czaplicka, een historicus van de Oekraïense cultuur aan Harvard, vroeg zich af: ‘Heeft Israël het recht op alle door joden geproduceerde cultuurgoederen?’

Yad Vashem beweerde in een officiële verklaring: “Schulz werd vermoord omdat hij een jood was, en dus horen zijn muurschilderingen in Israël thuis.” In de fresco’s van Schulz zat allerlei artistiek verzet verborgen. Zo had hij zichzelf geportretteerd als een vorst op de bok van een rijtuig, wat voor joden verboden was. De muurschilderingen bevatten sprookjesachtige motieven en de gezichten van ridders, schildknapen en koningen hebben opvallend joodse trekken. Bovendien waren de muurschilderingen, volgens Yad Vashem, in een staat van ernstige achteruitgang, na jaren verwaarloosd te zijn geweest, en werden ze nu hersteld.

Drohobycz is tegenwoordig een Oekraïense stad, grotendeels onbewust van zijn multiculturele verleden. Nadat Yad Vashem de muurschilderingen van Schulz had meegenomen, protesteerde de Oekraïense regering. Drohobycz, waar Schulz zo van hield, had het alleenrecht op zijn nalatenschap. Ook Poolse functionarissen veroordeelden de Israëlische actie. Maar totdat de muurschilderingen werden verwijderd, gaf Drohobycz, die nooit een monument voor Schulz had opgericht, weinig om hem. Dit is misschien niet verwonderlijk, aangezien Schulz de Oekraïense bijdrage aan de cultuur van Drohobycz nauwelijks opmerkte.

Balint nodigt de lezer uit zijn boek te lezen, niet zozeer als een biografie, maar als een poging om de uitgewiste lijnen van verbondenheid tussen Schulz en ons te herstellen, als een portret van een man die op zijn eigen kenmerkende manier het heft in handen nam om onder onmogelijke omstandigheden op te komen voor zijn vrijheid.

André Roosen


5ja volna / 5th wave. No. 1. Vesna / Spring 2023. 196 / 192 blz.



5ja volna / 5th wave. No. 1. Vesna / Spring 2023. 196 / 192 blz. Een nieuw Russisch literair tijdschrift! In zowel een Russische als Engelse editie, ditmaal niet uitgegeven in Parijs of Amerika, zoals zoveel van de eerdere emigrantentijdschriften, maar in Amsterdam door uitgeverij Van Oorschot, bekend van de Russische Bibliotheek en talloze vertalingen van Russische literatuur. Dat Van Oorschot het op zich heeft genomen dit tijdschrift uit te geven is voor een groot deel te danken aan het feit dat Maksim Osipov, een van Ruslands beste schrijvers van nu, in Amsterdam woont, na vanwege de oorlog in Oekraïne zijn land te hebben verlaten. Bij Van Oorschot publiceerde Osipov tot nog toe twee verhalenbundels, De wereld is niet stuk te krijgen (2021) en Kilometer 101 (2022). Voor het nieuwe tijdschrift, een project waarvoor hij vermoedelijk zelf de uitgever heeft warm gemaakt, treedt hij op als hoofdredacteur.

Met de ‘vijfde golf ’, de vijfde emigratiegolf, wordt de groep Russen aangeduid die ten gevolge van de oorlog uit Rusland is vertrokken en elders in de wereld domicilie heeft gevonden. Eerdere golven waren er na de Revolutie, na de Tweede Wereldoorlog (vele gedwongen te werk gestelden bleven achter in het Westen), in de jaren zeventig (vooral vanwege de Joodse emigratie naar Israël en uit het land gezette dissidenten) en na de val van de Sovjet-Unie begin jaren negentig. In de vijfde golf bevinden zich schrijvers en kunstenaars, maar ook veel jonge mensen die niet willen worden opgeroepen voor het leger, of niet willen wonen in een land dat een onzinnige broederoorlog voert.

In zijn voorwoord bij het eerste nummer zegt Osipov dat zijn nieuwe blad is opgericht omdat zowel schrijvers als lezers behoefte hebben aan ongecensureerde publicaties. Tevens beoogt hij een literair en niet een socio-politiek tijdschrift, met aandacht voor zowel fictie, poëzie, memoires, geschiedenis en kunstgeschiedenis. Met alle lof voor zijn project vind ik dat toch een nogal gewaagde onderneming. De tijden van nu zijn heel anders dan de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw, toen de Sovjetmachthebbers doodsbang waren voor de literatuur en ieder kritisch geluid in de kiem probeerden te smoren. Vandaar de vele samizdat- publicaties in de Sovjet-Unie zelf en de in het Westen uitgegeven tijdschriften van dissidente schrijvers (Kontinent, Sintaksis en andere).

Na de val van de Sovjet-Unie werd begin jaren negentig de censuur afgeschaft en kon men in Rusland publiceren wat men wilde. Dit betekende het einde van de buitenlandse Russische literaire tijdschriften, waaraan nu geen behoefte meer was. Hun rol werd overgenomen door de eigen, vaak al heel lang bestaande zogenaamde ‘dikke’ tijdschriften als Novy mir (‘Nieuwe wereld’) en Znamja (‘De banier’), die decennia lang hadden geprobeerd dat wat nog enigszins de moeite waard was in de Sovjetliteratuur aan de lezer bekend te maken.

Opmerkelijk is dat na een korte bloeiperiode, waarin veel werd gepubliceerd van wat vroeger verboden was en de tijdschriften recordoplagen haalden (Novy mir, een maandblad, meer dan twee miljoen), de lezersbelangstelling snel terugliep. Dat had niet eens zozeer te maken met de kwaliteit van de nieuwste literatuur, die vaak minder was dan van werk dat vroeger verboden was (Platonov, Solzjenitsyn), maar vooral met de snel veranderende rol van de literatuur. In de Sovjettijd was de literatuur het enige medium waarin – indirect – kritiek werd geleverd op de Sovjetmaatschappij; alle andere media waren in handen van de staat, die niets toeliet wat hem onwelgevallig was. In de jaren negentig werd na het opheffen van de censuur de kritische rol van de literatuur overgenomen door de andere media, de kranten en de televisie. Literatuur werd, net zoals bij ons, een zaak voor liefhebbers, niet iets waaruit je de ‘waarheid over de werkelijkheid’ te weten kon komen, want daarvoor kon je wel elders terecht. De oplagen van literaire boeken en tijdschriften kelderden dramatisch. Een dichtbundel (Rusland heeft zo’n honderdveertigmiljoen inwoners) haalt vijfhonderd tot duizend exemplaren, de oplage van Novy mir (het belangrijkste literaire tijdschrift) is nu 1600.

Poetin, die net als de meeste Nederlandse politici (en heel anders dan Stalin) hoogstwaarschijnlijk nooit een literair werk heeft gelezen, heeft goed begrepen dat hij van de literatuur niets te duchten heeft. De publicatie van de vroeger verboden literatuur, met inbegrip van Solzjenitsyns De Goelag Archipel, die zelfs de Franse communisten tot inkeer heeft gebracht ten aanzien van hun positieve kijk op de Sovjet-Unie, heeft in Rusland slechts een rimpeling veroorzaakt en heeft niet geleid tot, zoals in Duitsland, een Vergangenheitsbewältigung.

De democratiseringskans is niet gegrepen en Rusland is weer terug bij af: een totalitaire staat met absolute staatscontrole over de voornaamste media. Een nieuwe kans voor de literatuur? Ik betwijfel het. Die wordt alleen gelezen door een kleine kring en heeft nauwelijks impact meer. Zelfs Osipov wordt, ook al is hij geëmigreerd en een tegenstander van het huidige Russische bewind, gewoon in Rusland uitgegeven.

Een gewaagde onderneming dus: een nieuw literair emigrantentijdschrift, terwijl nagenoeg alles wat literair gezien de moeite waard is zonder probleem ook in de bestaande Russische literaire tijdschriften zou kunnen worden gepubliceerd. Wat het eerste nummer van 5ja volna betreft geldt dat bijvoorbeeld voor de poëzie van de in Israël woonachtige Lena Berson (niet in de Engelse uitgave), Michail Ajzenberg, Dmitri Vedenjapin en Joeli Gogolev. Ook een stuk over Poesjkins ‘Kleine Tragedies’ van de naar Georgië uitgeweken dichter Sergej Gandlevski (niet in de Engelse versie), een artikel over Brodsky van de nu in Oezbekistan werkzame literaire criticus Oleg Lekmanov en fragmenten uit een later dit jaar in Rusland te verschijnen roman van Aleksandr Ilitsjevski zouden welkom zijn in Novy mir of Znamja. Dat geldt dan weer niet voor de langste bijdrage aan dit nummer (60 blz.), het verslag van de musicus Vasili Antipov over zijn ervaringen met de Witrussische gevangenis en psychiatrische kliniek, schokkend, maar literair gezien niet van hoge kwaliteit. Ook het artikel ‘Euripides en de oorlog’ van de classicus Boris Nikolski, die de twee toneelstukken Hipolytus en De Trojaanse vrouwen rechtstreeks verbindt met de oorlog in Oekraïne, zou nu niet door de redacties van de Russische tijdschriften worden geaccepteerd.

Zo schrijven over de oorlog is zelfs voor een ‘maatschappelijk weinig betekenend’ literair medium net een stap te ver. Je weet maar nooit, Poetin zou het tijdschrift, mocht hij het onder ogen krijgen, zomaar kunnen verbieden of zelfs de auteur van het artikel of de hele redactie laten arresteren. Er is tenslotte helemaal geen ‘oorlog’ in Oekraïne. De aardigste bijdrage aan het nummer is misschien wel de laatste: Osipovs verslag hoe hij zijn land kort na het begin van de oorlog verliet: eerst het pakken van de koffers, dan de vlucht naar Jerevan, vervolgens naar Frankfurt. Meer van dit soort memoire-achtige bijdragen en ook stukken over en reacties op de oorlog, ook al zou de literaire kwaliteit ervan wat minder zijn, zouden dit nieuwe tijdschrift ten goede komen en de uitgave ervan rechtvaardigen.

De Russische en Engelse uitgave van De vijfde golf tellen ongeveer evenveel bladzijden, ook al is niet alles voor de Engelse editie vertaald. Dat komt door de verschillende bladspiegels. De Russische heeft 38 regels op 17 cm en witmarges links en rechts van in totaal niet meer dan 3 cm, de Engelse heeft 31 regels op 16 cm met witmarges van 4 cm. Het Russisch is daardoor veel te compact: om een prozabladzij te kunnen lezen moet je het tijdschrift helemaal openvouwen en vervolgens platdrukken en dan nog leest het moeizaam. Niks voor Van Oorschot, die zich terecht kan beroemen op altijd fraai uitgegeven boeken. Misschien kan men zich laten inspireren door het roemruchte, uitstekend vormgegeven emigrantentijdschrift Kontinent. Willem G. Weststeijn





<   

TSL 93