Andrej Koerkov



Laatste landing



De Russischtalige Oekraïense schrijver Andrej Koerkov werd in 1961 geboren in Leningrad. Hij verhuisde samen met zijn ouders naar Kiyv toen hij twee was. Koerkov schreef een twintigtal boeken en is zowel in zijn eigen land als ver daarbuiten bekend en populair. Zijn oeuvre is in 36 talen vertaald: dat is meer dan om het even welke hedendaagse romanschrijver in Oekraïne. Hij is de auteur van onder meer Picknick op het ijs (1997) en Grijze bijen (2018) – de laatstgenoemde roman speelt zich af in de Donbas op het moment dat de separatisten daar hun volksrepubliekjes oprichten.

Het verhaal ‘Laatste landing’ verscheen in 2011 als onderdeel van de bundel Тонкая математика страсти (‘Verfijnde wiskunde van de passie’). Dit verhaal speelt zich af in de woelige jaren negentig van de vorige eeuw, toen Oekraïne zich nog niet lang had losgewrikt uit de Sovjet-Unie. Het was de tijd dat de georganiseerde misdaad hoogtij vierde in de voormalige Sovjetrepublieken, een tijd waarin sommige zakenlui en politici spoorloos verdwenen.

Met hun vertaling van een fragment van Koerkovs verhaal wonnen Titia Vuyk en Jos Moortgat in 2022 de vertaalwedstrijd van de sectie Russisch van Stichting Levende Talen. Voor TSL vertaalden zij het hele verhaal.



korte geschiedenis van een inwendig orgaan



In de koude lente van het vijfde jaar van de onafhankelijkheid keerde ik vanuit Duitsland terug naar huis. De oude Boeing van de Oekraïense luchtvaartmaatschappij – voorzien van gesjabloneerde Chinese karakters, die blijkbaar duidelijk moesten maken wat te doen bij een noodlanding – naderde met trillende duraluminium vleugels de betonnen landingsbaan van de internationale luchthaven Kyiv Boryspil. Een mollige stewardess deelde douaneformulieren uit. Ik kreeg er ook een en grinnikte voor de zoveelste keer toen ik las dat je ‘aangifte diende te doen’ van het bedrag aan in te voeren nationale valuta.

Al gauw raakte ons vliegtuig het beton en snelde voort over de grond. Een toevallig onder de passagiers verzeild geraakte buitenlander begon aarzelend te klappen, maar hield daar meteen mee op toen hij de gespannen blikken in zijn richting opmerkte.

Een minuut of vijf nadat de motoren waren uitgezet kwam er een bus; de passagiers namen er haastig in plaats. In de comfortabele wachtruimte voor de douanehal begon het te ruisen en te ritselen van de formulieren. De passagiers splitsten zich in twee rijen; gewoontegetrouw sloot ik me aan bij de linker. Die vorderde traag, maar ik had geen haast. Uiteindelijk kwam ik bij de controle; ze liepen me na met een scanner en de in camouflagepak geklede functionaris knikte dat het in orde was. Daarna zou er nog een algemeen röntgenonderzoek volgen. De douane zocht naar drugskoeriers die, zo wist ik, in speciale zakjes verpakte opium doorslikten vóór het passeren van de grens.

Al snel stapte ik in de metalen cabine en drukte gehoorzaam mijn borst tegen een vierkant metalen frame. Ik hoorde het ratelende geluid van iets dat zich buiten mijn gezichtsveld bevond en voelde de rillingen over mijn rug lopen.

Nog een kwartiertje of zo, dacht ik, dan ben ik hier weg. Eindelijk ging de deur van de cabine open en volgde ik de op de vloer geschilderde gele streep die de route aangaf. ‘Paspoort?’ vroeg de douanebeambte bij de bagagecontrole beleefd. Met een glimlach toonde ik mijn sovjetrelict.

‘Andrej Joerjevitsj?’ las de douanier hardop en hij keek mij aan alsof ik met een knikje moest bevestigen dat hij het bij het rechte eind had. ‘Heeft u maar één tas?’ Ik knikte. ‘Gaat u alstublieft door die deur daar!’ Met een weidse armbeweging wees hij me de juiste richting. ‘En neemt u de tas mee!’

Achter de elegante zwarte deuren kwam ik in een soort lounge terecht vol zacht, gestoffeerd meubilair. Er was niemand in de kamer. Ik ging in de dichtstbijzijnde fauteuil zitten. Ik keek om me heen; in een hoek onder het plafond zag ik een zwarte videocamera. Ik was de rust zelve en dat verbaasde me, want waarom hadden ze me eigenlijk hierheen laten gaan?

Geruisloos ging de deur open. Er kwam een man van een jaar of vijfenveertig binnen, in een duur donkerblauw pak. Eerlijk gezegd pasten zijn knalrode das en alledaagse, nogal rode gezicht niet erg goed bij het pak. In zijn handen hield hij een röntgenfoto. Hij kwam op me af en ging in de fauteuil naast me zitten.

‘Andrej Joerjevitsj?’ vroeg hij.

Ik knikte.

Hij keek me aan, bracht de foto op ooghoogte en tuurde er aandachtig naar.

‘Bent u arts?’ vroeg ik.

‘Nee, maar ik heb wel een cursus röntgenologie moeten volgen...’

antwoordde hij op schertsende toon. ‘U heeft problemen met uw gezondheid...’ en hij wees mij iets aan dat op de foto rood was omcirkeld.

‘Ik weet welke problemen ik heb.’

‘Andrej Joerjevitsj, in uw plaats zou ik nu, laten we zeggen, erg nerveus zijn.’

‘Waarom?’ vroeg ik verbaasd.

‘Nou, u komt na een zware operatie naar uw vaderland, laten we zeggen, en om een of andere reden wordt u vastgehouden. En thuis zit uw vrouw op u te wachten en maakt zich zorgen.’

Ik keek hem strak aan. Ergens had hij gelijk, maar sinds mijn operatie was ik opvallend kalm en onverstoorbaar – alsof ze mijn complete zenuwstelsel hadden verwijderd. Mijn anonieme gesprekspartner slaakte een diepe zucht.

‘Weet u, Andrej Joerjevitsj, ik hou niet van bedaarde gesprekken.

Ik ben gewend aan felle discussies met veel geschreeuw en emotie, net als vroeger. Tegenwoordig gaat het er allemaal overdreven beschaafd aan toe, begrijpt u?’

‘Nee,’ moest ik toegeven.

‘Goed, als u dan zo koppig bent, zal ik u een interessante geschiedenis vertellen. Een half jaar geleden – u herinnert het zich misschien nog wel, de kranten stonden er vol van – verdween een kandidaat-parlementslid van de oppositie spoorloos. Goed, de man was onvindbaar, en zonder lijk geen rechtszaak. Welnu, vijf maanden later reist een schrijver uit Kyiv naar Duitsland voor een zware medische ingreep. Hij had namelijk in zijn jonge jaren stevig gedronken – goedkope cognac – en zijn lever begaf het, vanzelfsprekend.

Een delicaat orgaan, de lever. Dus meneer de schrijver gaat naar Duitsland om daar zijn aangetaste lever te laten behandelen.

Gelukkig heeft hij daar vrienden die een ziekteverzekering voor hem regelen en doen alsof de lever van meneer de schrijver nou juist in Duitsland aangetast is geraakt. Laat de Duitse belastingbetaler of de verzekeringsmaatschappij er maar voor opdraaien, het maakt niet uit. Van belang is alleen dat de Duitse artsen de door de drank verwoeste lever in ogenschouw nemen, het hoofd schudden en verklaren dat het nutteloos is om zo’n lever te willen genezen. Genezing is uitgesloten. De schrijver heeft een nieuwe lever nodig.

Goed, nieuw is altijd beter dan oud, nietwaar? Dus meneer de schrijver gaat direct akkoord met een operatie. Men bezorgt meneer de schrijver een nieuwe lever, lapt hem op en brengt hem voor een maand onder in een pension in een kuuroord. Een prachtig stadje, waar van gezondheid blakende gepensioneerden rondwandelen. Onze schrijver voelt zich er helemaal thuis. Na een maand komen zijn Duitse collega’s hem ophalen, brengen hem naar Keulen, organiseren een afscheidsdiner in restaurant Marredo en doen zich tegoed aan een flinke, goed doorbloede biefstuk. Maar onze schrijver is op dieet, hij krijgt speciaal een lamskotelet zonder vet. Met sla natuurlijk. Vervolgens overnacht meneer de schrijver in Hotel Engelbertz en begeeft zich de volgende ochtend naar het vliegveld. Bent u nog steeds even kalm, Andrej Joerjevitsj? Of voelt u zich misschien niet zo goed?’ vroeg mijn gesprekspartner hoopvol.

‘Ik voel me prima,’ antwoordde ik, hoewel het langzaam tot me doordrong dat wat de man vertelde tamelijk nauwkeurig was.

Het was mijn eigen geschiedenis en dat betekende dat iemand mij de hele tijd had gevolgd! Maar waarom? Waar had ik het aan verdiend dat ik zo zorgvuldig geschaduwd werd?

‘Zo, eindelijk heb ik u aan het denken gezet,’ sprak mijn gesprekspartner tevreden. ‘U zat hier zo kalm alsof geen zonde uw ziel bezwaart! Mooi, rust u even uit, ik ben zo terug.’ Hij stond op en liep naar de deur.

‘Wacht,’ riep ik, ‘moet ik hier blijven zitten? Ik moet naar huis. Daar kunt u me altijd vinden, mocht het nodig zijn.’

‘Nee, nee, blijft u zitten!’ zei hij terwijl hij zich omdraaide. ‘U hoeft zich niet te haasten. U heeft nog niet de hele geschiedenis gehoord.’

Hij ging naar buiten en ik hoorde het slot van de deur klikken. Ik bleef in mijn fauteuil zitten. Ik was behoorlijk verbaasd, maar niet meer dan dat. Vanuit de linkerhoek van het plafond keek het oog van de videocamera me oplettend aan. Ik knipoogde ernaar.

Het was heel stil in de kamer. Ik vond die stilte steriel, overdreven medisch, kunstmatig. In het gewone leven kwam zo’n stilte niet voor. Weer klikte het slot van de deur en verscheen er een jonge stewardess. Ze reikte me precies hetzelfde dienblaadje met een vliegtuiglunch aan als ik eerder aan boord had gekregen.

‘Eet smakelijk!’ zei ze, en ging de kamer uit.

Ik zat in mijn fauteuil met het blad op mijn knieën. Ik had weinig trek, maar de stilte zette me ertoe aan om tenminste iets te doen. Ik haalde het cellofaan van de vliegtuigmaaltijd, pakte het wegwerpbestek en begon te eten. Vijf minuten later bracht hetzelfde meisje in stewardessuniform koffie. Eigenlijk was ik gestopt met koffie drinken – mijn oude lever verdroeg geen koffie – maar het voelde op dat moment onprettig om te weigeren, en ik had nu toch een gloednieuwe lever, dus om hem hoefde ik me niet ongerust te maken. Ik bedankte het meisje. Ze glimlachte naar me en ging weer weg. Even later keerde mijn gesprekspartner terug. ‘Zo, heeft u de inwendige mens kunnen versterken?’ vroeg hij.

Zonder mijn antwoord af te wachten vervolgde hij: ‘Ik heb ook een hapje gegeten, dus we hebben nu allebei een heldere geest en ik zal mijn interessante verhaal voortzetten. Weet u nog wat ik vertelde over die verdwenen politicus? Een bedaard, rustig mens, maar hij hield er vrij extremistische opvattingen op na. Hij was dol op koffie... Kortom, een aanhanger van het Westen, een onvervalste nationalist. En ineens was hij verdwenen. Niet uit vrije wil natuurlijk. Er werd lange tijd naar hem gezocht. Intussen leefde hij nog. Bepaalde personen, laten we ze bandieten noemen, hadden hem ontvoerd. Ze hielden hem aanvankelijk verborgen in een huis op het platteland, niet ver van Kyiv. Toen daarna de eerste golf zoekacties voorbij was, brachten ze hem vastgebonden in een auto naar de Karpaten en gooiden het daar op een akkoordje met een officier van de grensbewaking. De officier bracht hen per legerhelikopter naar Polen – voor weinig geld, welgeteld driehonderd dollar, maar u begrijpt, militairen krijgen tegenwoordig slecht betaald en zijn blij met elke bijverdienste. In Polen stond er al een auto op hen te wachten, en ze reden verder naar het noorden.

Voordat ze Szczecin bereikten, sloegen ze een landweg in en kwamen bij een kleine boerderij. Spannend, niet? Goed verhaal voor een thriller! Hou het maar in gedachten. De boerderij was een jaar of vijf eerder gekocht door een man uit Kyiv, voorzitter van een beleggingsfonds dat niet meer bestaat. U zult zich herinneren dat uw vader al zijn geld in drie fondsen belegde en alles verloor. Welnu, het gaat hier om een van die drie fondsen. De man uit Kyiv woont tegenwoordig in Praag, en de boerderij wordt door zijn oudere broer bestierd. Die richtte alle ruimtes opnieuw in en kocht dure medische apparatuur. Hij had ooit geneeskunde gestudeerd en op de spoedeisende hulp gewerkt. Daarna had hij een groothandel in sterke drank, maar onlangs is hij tot de geneeskunde teruggekeerd en zijn zaken floreren, kun je wel zeggen. De verdwenen politicus werd dus naar die boerderij gebracht en ze legden hem, laten we zeggen, in een ziekenhuisbed en onderzochten hem nauwkeurig.

Men ontdekte een paar problemen en pakte die aan. Zijn lever werd opgelapt – ik had u al verteld dat die een beetje aangetast was door overmatig koffiegebruik. Ook andere organen werden opgekalefaterd. Het is een interessante wetmatigheid dat intelligente mensen hun gezondheid vaak veronachtzamen. U bijvoorbeeld… u zou meer aandacht aan uzelf moeten besteden! Nu goed, laten we terugkeren naar Polen. Vindt u mijn verhaal trouwens interessant?’

Hij keek me indringend aan.

‘Ja,’ antwoordde ik.

Mijn gesprekspartner bezat inderdaad de gave van het vertellen en op sommige ogenblikken vergat ik helemaal waar ik was en waarom.

‘Terwijl de politicus werd opgelapt, maakte de baas van die medische boerderij, laten we zeggen, een inventaris op van alle min of meer gezonde inwendige organen van de politicus, en vervolgens stelde hij een gedetailleerde lijst samen van die organen, met een beschrijving ervan. Die lijst stuurde hij per fax naar een aantal telefoonnummers in Europa. Zijn systeem was, dat moet gezegd, voortreffelijk uitgewerkt. Een getalenteerd organisator.

Een half uur later had hij al reacties binnen. Het lot van de politicus was beslist. De volgende avond werd hij, laten we zeggen, onder volledige narcose geopereerd. Ze haalden hem uit elkaar en stopten zijn organen in speciale flessen met een oplossing erin. In die oplossing kun je zowel de lever als de nieren lang bewaren.

Niet ver van de boerderij bevindt zich een privé-vliegveld voor amateurs. Daar landden enkele kleine vliegtuigen om de organen op te halen. Het hart werd bijvoorbeeld naar Frankrijk gevlogen en klopt nu in de borst van een bejaarde bankier. Een nier vond zijn weg naar een Oostenrijkse operazangeres. En de lever… Tja, die bezit u nu. Begrijpt u wat dat betekent?’

Ik schrok. Eerlijk gezegd had ik er in Duitsland niet over nagedacht en niet gevraagd wie de donor was van mijn nieuwe lever. Men had me alleen verteld dat organen meestal afkomstig zijn van verkeersslachtoffers. Het was eigenlijk een beetje onaangenaam om over na te denken.

‘Zo staan de zaken, meneer de schrijver. Begrijpt u nu waarom u hier zit en niet thuis?’

‘Maar wat kan ik eraan doen?’ vroeg ik. ‘U gaat die lever toch niet weer uit mij wegsnijden? Waar heeft u hem trouwens voor nodig?’

‘Gaan wij dat niet doen? Hoe zal ik het zeggen, het is een delicate zaak. Begrijpt u, de lever is een corpus delicti, een deel van het lichaam. En als er een lichaam is, is er ook een zaak die we kunnen sluiten. Het volk moet gerustgesteld worden, want de kranten hebben er een politieke zaak van gemaakt. Nee, het is een dood normale strafzaak. U ziet het zelf! De familie van de overledene kan eindelijk rustig slapen: liever bittere zekerheid dan totale onwetendheid.

Ik denk dat de nabestaanden van de politicus ook graag over een grafje zouden beschikken, dus is het goed mogelijk dat ze uw lever opeisen voor de begrafenis. U ziet hoezeer u in het nauw zit.

Je zou kunnen zeggen dat u in alle opzichten in het nauw zit!’

‘Wacht even.’ Ik keek mijn gesprekspartner indringend aan. ‘U wist dus alles van tevoren, u wist waar ze die man naartoe brachten en waarvoor?’

‘Ik persoonlijk? Nee, ik houd me alleen bezig met de buitenlandse opsporing van inwendige organen. In Polen en elders. Ja, mijn collega’s wisten natuurlijk wel het een en ander. Maar wij zijn nu eenmaal geen politie, ons werk beperkt zich uitsluitend tot het verzamelen van concrete informatie en het gebruik ervan in bijzondere gevallen. Als ze in Duitsland bijvoorbeeld bij u de lever van Stepan Zacharovitsj Koeprinenko hadden getransplanteerd – een boswachter uit de Karpaten – dan zat u nu rustig thuis met uw vrouw thee te drinken. Koeprinenko’s lever is echter bij een andere meneer getransplanteerd, een professor in Keulen. Koeprinenko’s lever was iets beter dan uw nieuwe lever, en ook duurder. Maar aangezien u een lever heeft gekregen met, laten we zeggen, een politiek kleurtje, valt er niets aan te doen. Nu goed, u krijgt zo uw avondeten en ik moet op huis aan. Het beste en tot morgen!’

Ik bleef weer alleen achter in de steriele stilte van de kamer zonder ramen. Mijn lichamelijke conditie was abrupt verslechterd. Ik had lichte hoofdpijn en mijn lever liet zich op een of andere manier voelen. Nee, hij deed geen pijn, maar het leek alsof hij plotseling groter en zwaarder was geworden – ik nam hem waar als iets buitenaards, iets vreemds waar ik dringend vanaf moest. Ik stond op uit mijn fauteuil en ging op een divan met fluwelen overtrek liggen. Ik begon me iets beter te voelen.

Een paar uur later bracht een andere stewardess me een dienblad met precies dezelfde vliegtuigmaaltijd als de vorige. Weer een kwartier later verscheen ze met een kleine thermoskan sterke koffie die ze bij mij achterliet.

De politicus was verzot op koffie, herinnerde ik me, en ik streek even over mijn nieuwe lever, waarvan ik de geschiedenis al tot in detail kende.

Ondanks de uiterst oncomfortabele divan sliep ik goed en vast, maar toen ik wakker werd voelde ik me opnieuw niet al te best. Ik stond op, ging weer in mijn fauteuil zitten en keek op mijn horloge. Het stond stil – ik kon mijn ogen niet geloven! Mijn nieuwe Zwitserse horloge, een cadeau van mijn Duitse vrienden, met tien jaar garantie en een microbatterij voor vijf jaar, was stilgevallen en op middernacht blijven staan. Het garantiebewijs en de gebruiksaanwijzing zaten in mijn tas; ik greep er automatisch naar. Ik haalde het elegante doosje eruit, dat qua stijl beter leek te passen bij een diamanten collier. Ik pakte de gedetailleerde, meertalige gebruiksaanwijzing, zocht de Engelse tekst en ontdekte tot mijn verbazing plotseling een kolom in cyrillisch schrift. De letters waren te priegelig voor het licht in de kamer. Ik hield de gebruiksaanwijzing dichter bij mijn ogen. ‘Nieuwste verworvenheid van Zwitserse horlogemakerskunst’, ‘in de eeuwenoude traditie van de meester-horlogemakers’, ‘de meest geslaagde combinatie van moderne wetenschap en eigentijds design’. Ik stond al op het punt om de gebruiksaanwijzing – die meer weghad van een reclametekst – opnieuw in het luxueuze doosje te stoppen, toen ik onderaan de kolom een rood uitroepteken zag dat naar een alinea rechts verwees. Ik las: ‘Waarschuwing! Naast bovengenoemde functies heeft uw nieuwe horloge nog een belangrijke eigenschap. Het kan u attent maken op mogelijke gezondheidsrisico’s. Als u een risicogebied nadert (hoog stralingsniveau, verontreinigde lucht etc.) staat uw horloge onmiddellijk stil. In dat geval dient u onmiddellijk de functie ecologisch kompas te activeren (zie afbeelding 5).

Loop in de richting die de minutenwijzer aangeeft en verwijder u van de gevarenbron. Zodra u de risicozone heeft verlaten, geeft uw horloge automatisch opnieuw de juiste tijd aan. denk aan uw gezondheid, kijk vaker op uw horloge!’ Nu begreep ik de bedoeling van dit cadeau. Omdat ik toch niets anders te doen had, bestudeerde ik aandachtig afbeelding vijf en activeerde de functie ecologisch kompas. De minutenwijzer draaide onzeker in het rond en toen ik het horloge voor mijn gezicht hield, wees hij naar de hemel en bleef zo staan. Ik begreep dat mijn horloge het deed. Het gaf alleen niet de tijd aan.

Even later bracht een lange stewardess van een jaar of vijfendertig me een vliegtuigontbijt en een nieuwe thermoskan koffie.

‘Weet u misschien hoe laat het is?’ vroeg ik.

‘Half tien. Eet smakelijk’, zei ze met vlakke stem. En ze ging weg.

Met enige weerzin haalde ik het cellofaan van de warme bonenpuree en twee rimpelige, gekweld uitziende worstjes. Ik at mijn wegwerpontbijt op en schonk koffie uit de thermos in een plastic bekertje. Meteen drong een overweldigende koffiegeur mijn neus binnen. Deze koffie was nog veel sterker dan die van gisteren. Ik stelde me voor hoe schadelijk hij voor mijn gezondheid kon zijn en voor mijn nieuwe lever. Tegelijkertijd kwam er een mij voorheen onbekende behoefte aan koffie in me op en ik dronk met gemak de hele thermos leeg, waarin ik vier en een halve beker telde. Daarna voelde ik de vloeistof in mij bewegen. Niet dat ik dit nooit eerder had gevoeld, maar nu was alles op een bepaalde manier anders… alsof die beweging een andere richting uitging. En weer voelde ik de aparte zwaarte van mijn nieuwe lever. Het leek of hij speciaal mijn aandacht op zich wilde vestigen. Waarschijnlijk, dacht ik, voelen mijn andere inwendige organen zich niet zo op hun gemak bij mijn nieuwe lever. Ze moeten aan hem wennen en zich misschien zelfs wat aanpassen. Geen probleem, ik hoop dat ze het goed met elkaar kunnen vinden. De deur ging open en mijn gesprekspartner van gisteren kwam de kamer in.

‘Goedemorgen, Andrej Joerjevitsj. Heeft u goed geslapen?’

Ik knikte.

Hij ging in de fauteuil naast me zitten.

‘Hoe gaat het met uw lever?’ vroeg hij.

‘Goed.’

Hij knikte peinzend.

‘Ja,’ zuchtte hij, ‘u bent niet te benijden. De nabestaanden van de politicus zijn al op de hoogte gebracht. De zaak loopt ten einde. Trouwens, mijn zoon kent u. Hij zegt dat hij enkele keren een literaire avond met u heeft bezocht. Hij vond het leuk, zegt hij. Kom, laten we teruggaan naar onze geschiedenis. Eigenlijk weet u alles al. We kunnen alleen maar wachten op de beslissing,’ – hij wees naar boven – ‘over de lever van de politicus. Als het u interesseert, kan ik u nog een andere geschiedenis vertellen, niet over u, maakt u zich geen zorgen. Een heel andere geschiedenis, maar een die u als schrijver ook zal interesseren.’

Op dat moment werd er op de deur geklopt. Mijn metgezel ging kijken. Ik hoorde onverstaanbaar maar verontrustend gefluister. De deur viel in het slot en ik was weer alleen.

Is er misschien al een besluit genomen over mijn lever, dacht ik niet zonder angst. De steriele stilte werkte me op de zenuwen. Mijn zelfbeheersing van gisteren liet me in de steek.

Ik moet me niet opwinden, hield ik mezelf voor. Er zal niets ergs gebeuren. We leven aan het einde van de twintigste eeuw, niet in de bloedige middeleeuwen. Toch nam mijn inwendige nerveuze rilling toe en veranderde in pijn, ergens in mijn buik. De pijn kwam in golven waarvan ik de richting voelde. De golven werden hoger, de pijn heviger. In mijn binnenste stak een storm van pijn op. Mij interesseerde echter maar één ding: had dit te maken met mijn nieuwe lever? Op een gegeven moment werd ik overmand door een golf van pijn en verloor ik het bewustzijn.

Ik kwam weer bij in een gewone ziekenhuiskamer, voor even. Op hetzelfde moment hoorde ik de bekende stem van mijn recente gesprekspartner.

‘Neem me niet kwalijk, Andrej Joerjevitsj. Men heeft u op mijn verzoek bij bewustzijn gebracht. Ik heb net een van uw boekjes gekocht, een kinderboek. Ik vond het grappig. Wilt u er uw handtekening in zetten als aandenken?’

De mist voor mijn ogen trok enigszins op en ik zag het bekende nogal rode gezicht.

‘Zet uw handtekening alstublieft! Ik heet Taras Belonenko.’

Hij gaf me een pen, hielp me overeind en draaide me iets naar toe. Ik zag mijn laatste kinderboek voor me. ‘Hier graag, op pagina twee.’

In beverige letters schreef ik: ‘Voor Tarasje, van de auteur’. ‘Wees zo goed om de datum weg te laten’, zei mijn gesprekspartner. Ik ging weer liggen en sloot mijn ogen.

‘Dank u, Andrej Joerjevitsj,’ hoorde ik. ‘Er is nog geen besluit genomen in uw zaak. Misschien valt het allemaal nog mee. Denk vooral niet dat wij u gevolgd hebben in de oude betekenis van het woord. U heeft zelf alles aan uw vrouw verteld aan de telefoon.’

Ik begreep plotseling dat mijn gesprekspartner niet wilde dat ik slecht over hem dacht. Dat ontroerde me; ik haalde mijn nieuwe Zwitserse horloge van mijn pols en gaf het hem.

‘Voor mij?’ Hij glimlachte verheugd, terwijl hij mijn cadeau aannam.

Ik knikte en fluisterde voor zover mijn krachten het toelieten: ‘Het doet het hier niet.’

‘Geeft niet,’ stelde hij me gerust. ‘We hebben hier geweldige horlogemakers die het kunnen repareren!’

De volgende morgen stierf ik. De autopsie wees op een zwaar hartinfarct. De lever was in orde, zij het iets vergroot. Mijn vrouw werd het spoedig eens met de weduwe van de politicus en goddank besloten ze me in mijn geheel te begraven. Op mijn begrafenis verschenen allerlei mensen die ik niet kende. Er klonken fraaie Oekraïense woorden. Bij het graf werd een bijeenkomst gehouden. In de marmeren grafplaat werden twee namen gegraveerd – zo hadden beide weduwen het met elkaar afgesproken – en sindsdien worden er voortdurend verse bloemen gelegd. Bij het graf verzamelen zich sympathieke jonge mensen die uitvoerig over de toekomst praten. Ik voel met hen mee, maar eigenlijk heb ik met heel deze geschiedenis niets te maken. En de bloemen op het graf zijn niet voor mij bedoeld, maar voor mijn lever.

Inleiding Eric Metz, vertaling Titia Vuyk en Jos Moortgat




TSL 94

   >