Kees Mercks
Een liefdesbrief
In de zomer van 1987 volgde April Gifford
een zomercursus in Praag. Ze was
een Amerikaanse slaviste, die een paar
uur Russische les gaf aan de vermaarde
Stanford Universiteit in Californië en
die er graag zelf ook nog een beetje Tsjechisch
bij wilde leren, gefascineerd als ze
was door het werk van Bohumil Hrabal.
In Praag zocht ze hem op – hij was 73 jaar
oud en weduwnaar – in zijn stamkroeg De
Gouden Tijger. Hier ontving Hrabal dagelijks
zijn vrienden en zaten zij in een nis,
afgeschermd van de gelagkamer, aan een
grote tafel en dronken er hun biertje. Aan
die tafel werd ook April Gifford uitgenodigd
plaats te nemen en algauw werd daar
haar voornaam vertsjechischt tot Dubenka
(‘duben’ is in het Tsjechisch de naam van
de maand april).
Er ontstond tussen hen beiden een bijzondere
relatie en April/Dubenka beloofde
dat ze voor Hrabal een collegetour zou
organiseren tussen diverse universiteiten
in de Verenigde Staten, die hij zelf gekscherend
de Veredelde Staten noemde.
Deze reis zou hij ondernemen samen met
‘Zuzana’ (Susanna Roth), zijn Zwitserse
zaakwaarneemster in het buitenland en
goede vriendin, die haar proefschrift aan
zijn literaire werk had gewijd. Miss April
zou in Californië op hen wachten en Zuzana
zou een beetje op Hrabal passen en
voor hem tolken.
Deze reis vond plaats in het voorjaar
van 1989, dat wil zeggen een halfjaar
voor de Fluwelen Revolutie uitbrak. Een
verslag van de reis en van de politieke gebeurtenissen
in november legde hij neer
in de vorm van (nooit verzonden) brieven
aan Dubenka. Deze verschijnen komend
voorjaar in vertaling bij uitgeverij
Prometheus onder de titel Een driebenig
paard. Dit is de naam van een van die
brieven en geeft aan hoe Hrabal al struikelend
dit parcours langs de Amerikaanse
universiteiten aflegde. ‘Het sprookje van
Het Gouden Praag’ is (een fragment van)
de openingsbrief, die eigenlijk door zijn
datering in 1991 een terugblik op zijn reis
door de Verenigde Staten is.
het sprookje van het gouden praag
Miss April,
Uw en mijn lot zijn verbonden met De Gouden Tijger, hier zijn
we over elkaar gestruikeld, dit is mijn love story, nooit heb ik een
brief van u beantwoord, ook al heb ik u zo vaak geschreven, ik heb
namelijk de brief gekozen als literaire vorm en zo kwam het dat
ik mijn brieven aan Dubenka, dus die brieven aan u, geadresseerd
heb aan de lezers van mijn uitgeverij Pražská imaginace,1 daarheen
stuurde ik intieme mededelingen over mijn relatie tot u en
alles wat er in rebus politicis aan de hand was in het land waarin
ik leef en waar u enige tijd Tsjechisch studeerde…
Miss April,
alles wat ons scheidt, verbindt ons tegelijkertijd, deze luchtafstand
tussen ons is een permanente, onzichtbare schrijfmachine waarop
ik het gezang typ over mijn verschrikkelijke relatie met u… Waar
ik ook maar ben, zie ik u niet alleen, maar spreek ik ook met u.
Miss April, wanneer ik in mijn buitenhuisje in Kersko ben, dat
daar verscholen ligt tussen de stammen van twee berkenbomen,
ligt u ook nu nog uitgestrekt op de grond, onder uw hoofd heeft
u uw rugzakje gelegd met daarin een Tsjechisch-Amerikaans en
Amerikaans-Tsjechisch woordenboek, u ligt hier nog steeds, de
permanente afdruk van uw liggende lichaam is hier nog steeds,
ook dat dutje van u is hier voor eeuwig gebleven, ik zie u telkens
weer wanneer ik hier ben om mijn katten te eten te geven en ik zo
nu en dan een brief schrijf, aan u en voor u, hoewel ik u die nooit
verstuur… U bent hier dus permanent, de katers en poesjes lopen
om u heen, snuffelen aan u wanneer u slaapt of zomaar wat naar
de kruinen van de berken kijkt… De poezen lopen om u heen en
u bent voor hen Doornroosje en u bent voor ons het geschenk der
geschenken, zoals Duo de taart der ijstaarten is… Telkens wanneer
ik voor de poesjes melk inschenk, doe ik die in een grote witte
kom die ik daar neerzet waar u bij uw eerste bezoek uw hoofd met
daaronder het woordenboek had, de poesjes staan dus eigenlijk
om uw hoofd heen hun melk te lebberen, als een velg rond de naaf van een karrenwiel zijn die poezen, kopje naast kopje, en hun roze
tongetjes lebberen, nu en dan snuiven ze een beetje melk op in
hun roze neusjes, verslikken zich, proesten het eruit… En u, miss
April, u hoort vast wel via die luchtroute in uw oortjes bij uw haarlokken
hoe de poesjes mijn boodschap aan u vanuit het Kerskose
bos daar helemaal naar Californië doorfluisteren. Miss April, in
Praag had ik u aangeboden een nachtje bij me te komen slapen, u
mocht toen op de divan liggen, ik had daar de kussens en het dekbed
van mijn vrouw op gelegd, u hebt één nacht bij me geslapen
en sindsdien slaapt u hier telkens weer, dan bent u opnieuw bij me
en bent u binnen het bereik van mijn innerlijke monoloog, vaak
word ik wakker, net als u, en dan loop ik naar het raam, de hele
nacht brandt de straatverlichting, als gebroken snoeren van barnsteenhalssnoeren
strekt de verlichting zich van paal tot paal uit, de
lampen van auto’s en autobussen zorgen daarbij voor oplichtende
vonken en wat ik zie, vanuit mijn nachtelijk raam, hebt u destijds
ook gezien, één keer slechts, maar dat was wel voor de eeuwigheid.
Net zo is het dat wanneer ik naar bed ga, u naast me ligt, en
net zo is het dat wanneer de maan straalt en na middernacht door
mijn raam naar binnen schijnt, ik bij volle maan nooit kan slapen
en als u me niet wakker maakt, wekt de maan me wel aan een onbewolkte
hemel, want ik lijd bij volle maan onder dat maanlicht,
net zoals ik zo heerlijk lijd onder u die naast me ligt, alhoewel
uw lichaam daar ergens bij de Pacific ligt… Uiteindelijk kan zich
alles wat verliefd is, heel menselijk, door de lucht voortbewegen,
ik denk zo vaak aan u, miss April en mogelijk hebt u daar niet eens
weet van, ik ben zelfs blij dat wij elkaar maar enkele malen hebben
gezien, Rilke schrijft over minnezangers dat wanneer zij hun
amoureuze liefdesliederen voor hun dames zongen, zij huiverden
en bang waren dat deze liefdeszang per ongeluk gehoord werd en
de liefde beantwoord zou worden…
Miss April, we hebben elkaar voor het laatst gezien toen ik u
vergezelde naar metrostation Florenc waar u de ondergrondse zou
nemen en ik u een ringetje gaf met een robijnen oogje… en daarna
onze laatste handdruk en laatste blik, waarna de metro met u erin
door de tunnel werd opgeslorpt…
Miss April, u bent en zult hier altijd aanwezig zijn, zoals in
De Gouden Tijger toen we samen bier dronken en ons lieten fotograferen
met een opengeslagen boek van Ladislav Klíma,2 u hebt
me die ingelijste foto per post vanuit die Veredelde Staten van u
toegestuurd, trouwens, wanneer ik die foto’s die Zuzana me gaf,
stuk voor stuk bekijk… Die zijn zo levensecht dat ik ze ik ook in
mijn universiteitsrugzakje bij me draag, ik kijk vaak naar u, in de
autobus, in de metro, die foto’s zeggen me evenveel als wanneer u
naast me zou zitten… U bent hier aanwezig, ook al zou u sterven,
want voor mij kunt u nooit doodgaan, we horen bij elkaar als twee
met boter besmeerde boterhammen, want, miss April, in De Gouden Tijger gebeuren dingen die bewijzen dat vriendschap en liefde
niet door de dood worden beëindigd…
Daar bij het raam, achter een kamerscherm, direct waar de tapkast
afbuigt, daar zitten in De Gouden Tijger jonge kerels, schilders,
grafici, afgestudeerden van academies en grafische scholen,
zij die de kost verdienen met design en reclames… Het zijn leden
van Het Gouden Praag, een club die hier elke dag na vieren bier
komt drinken en elk jaar uitstapjes met de plezierboot organiseert
of wandelingen in de natuur, dit is Het Gouden Praag dat elk jaar
’s winters dansavonden organiseert of carnavalsfeesten, dit is Het
Gouden Praag dat elk jaar een kalender uitgeeft, een beroemde
kalender, bekend in alle werelddelen… Soms zit daar Het Gouden
Praag met vijfentwintig man achter het scherm, en wanneer
iemand naar het toilet moet, tillen ze allemaal als op een teken de
tafel met hun handen een eindje in de hoogte, compleet met asbakken
en glazen bier erop, en de man die zo nodig moet, duikt dan
naar de grond en kruipt onder de tafel door, en vervolgens zetten
diezelfde mensenhanden de tafel ook weer op de grond om wanneer hun vriend terugkomt op een gegeven teken de tafel opnieuw
even op te tillen…
Miss April, maar op een dag gebeurde het dat het bericht kwam
dat een van hen – ik zal hem hier maar Míla noemen – was heengegaan…
En omdat Het Gouden Praag in De Gouden Tijger niet
alleen bruiloften, dopen, maar ook begrafenissen organiseert, was
Het Gouden Praag om negen uur ’s ochtends in het zwart aanwezig
voor de crematie van hun kameraad die maar drieënveertig
was geworden, en vervolgens was er vanaf tien uur een rouwplechtigheid
in De Gouden Tijger, iedereen zat daar net zoals ze
anders zaten, alleen de plek waar Míla zat, was leeg, of eigenlijk
ook niet helemaal leeg, er lagen bloemen en het was net alsof Míla
nog leefde, levender dan ooit, want nadat er een meter bier werd
besteld, zette de kelner ook op de plek waar Míla placht te zitten,
een halve liter Prazdroj-pils neer… en telkens wanneer de anderen
hun glas leeg hadden gedronken, goten ze Míla’s glas ritueel in de
spoelbak leeg en werd er voor Míla een nieuw glas bier neergezet…
En, miss April, daarna kwam weer dat moment … de handen
van de begrafenisgangers verenigden zich en tilden op een teken
de tafel vol glazen Prazdroj een eindje op om de overledene de
gelegenheid te geven om onder de opgetilde tafel door te kruipen
en naar het herentoilet te gaan… iedereen stond rechtop en keek
ernaar hoe Míla toiletwaarts ging, en toen hij terugkeerde zagen
ze hem op handen en voeten onder de tafel doorkruipen om weer
op de plek te gaan zitten waar hij altijd zat en nu na de crematie
opnieuw zat… en toen iedereen er zich van had vergewist dat Míla
gezeten was, zetten die vriendenhanden ritueel die langwerpige
eikenhouten tafel weer op de grond… En vervolgens bestelde Het
Gouden Praag het laatste rondje Prazdroj, want Míla hield het bij
zijn dagelijkse portie van vijf halve litertjes…
Miss April, dit gebeurde dus in De Gouden Tijger toen een van
de leden van Het Gouden Praag was overleden. Is dit voorbeeld
van verbeeldingskracht nu werkelijk of onwerkelijk? In het Praag
waar rabbi Ben Löw3 en zijn Golem hebben geleefd, is alles mogelijk
en dus ook dat ik met u via de luchtpost spreek en dat hier
in Kersko een wit wief4 bij maanlicht ruisend rondwaart, ook hier
zijn overledenen aanwezig bij de uitvaart en ik ben zo vrij u ook
hiervandaan de groeten te doen, lieve Dubenka, op wie miss April
past als de drukknoopjes van het merk Koh-i-Noor Waldes.
Miss April, doet u Dubenka mijn beleefde groeten, ik ga nu
liever een brief aan haar schrijven, wellicht worden dan mijn toon
en stijl hoffelijker…
[april 1991]
1 Pražská imginace (Praagse imaginatie): naam van de uitgeverij die
Hrabals verzameld werk in 19 delen heeft bezorgd en uitgegeven.
2 Ladislav Klíma (1878-1928): buitenissig filosoof en schrijver, beïnvloed
door Nietzsche, schreef onder andere de roman Het lijden van
vorst Sternenhoch (Nederlandse vertaling KM 2009). Zie ook TSL 37.
3 Rabbi Ben Löw: de 16de-eeuwse wonderrabbijn van Praag die van
rivierklei uit de Moldaubedding de Golem, een kunstmatig mens,
schiep en deze met een magische spreuk tot leven wekte. Vgl. Gustav
Meyrinks roman De Golem (1915), die op deze legende teruggrijpt.
4 Wit wief: in sagen en sprookjes de geest van een overleden vrouw die
ergens rondwaart.