Arent van Nieukerken



Cyprian Norwid (1821-1883)



Aan Bronisław Z. [Zaleski]



Twee kleine kinderen die voor de drempel van een huisje
Samen met stukjes glas uit een gebroken venster spelen,
Een ruit die – aan diggelen – een tijdperk in het dorp markeerde,
Waar slechts zelden een glazenier komt en hagel lang wordt herdacht
Als hij verwoeste velden en afgebroken takken achterlaat…
Een wijs man zag het plezier van die kinderen om de regenboog in ʼt glas,
En zo werd de lens geboren, en de gedachte bracht de Melkweg
Over het spoor van talloze werelden en zonnen naar onze aarde!
… Hier waar Sint Casimir aan buitensteeds bekoorlijke muren
Zijn naam geeft, vraag ik je, o! landgenoot – niet ʻof je Venetië’s Carnaval kent?ʼ
Ik Vraag je of je van de naamdag van de moeder-overste van de zusterorde
Hebt gehoord – één van de bezienswaardigheden van het luidruchtige Parijs?!

Michelet, al bejaard, wiens zwarte jongelingsogen, afstekend
Tegen zijn sneeuwwitte haar, in mijn herinnering staan gegrift,
Zei mij ooit: ʻde toekomst van de kunst hangt ervan af
Of het lukken zal het goede uit te beeldenʼ… schoonheid en het heilige
Zijn al vaker door uitmuntende meesters in hun wezen betrapt.
… De auteur van ʻWallenrodʼ (een meester zuinig met theorieën,
Waarboven hij de scheppingskracht van ʼt onsterfelijke genie stelde),
Toen hij met mij in Rome (ik herinner het me als de dag van gisteren)
Over de kunst sprak, zei: ʻkunstenaars hebben tegenwoordig geen oog
Voor de houding en de gezichtsuitdrukking van een ordezuster
Als zij, na ontvangst van het Sacrament, de treden van het altaar afdaalt
Daar valt de bron te vinden!...ʼ Dit waren, herinner ik me, Mickiewicz’ woorden.

‘ʻWat ik nu schrijf?ʼ – vraag je me; ik schrijf nu deze brief aan jou –
Zeg niet, dat ik je een onbeduidend geschenk stuur – slechts poëzie:
Zij die zonder goud armoe lijdt – maar goud dat haar ontberen moet,
Is, waarlijk, niets meer dan armoe op armoe…
Allerlei weelde kruipt aan ons voorbij en gaat teloor,
Schatten en macht verwaaien, hele volken vrezen voor hun bestaan,
Van de dingen van onze wereld houdt slechts een tweetal stand,
Dit tweetal: poëzie en ’t goede… verder niets…
Zelfs wetenschap verbleekt zonder die twee op haar papier,
Zo een beduidend tweetal is dit zusterpaar!...
Je denkt wellicht dat ik je deze brief uit Parijs schrijf,
De stad waardoor de Seine stroomt, die elke nacht
Zelfmoord en misdaad met haar grauwe golven
In kille doeken wikkelt, terwijl het gaslicht siddert –
Kijk goed – overal om je heen onopvallende muren.
Kom binnen – de avond valt, je denkt misschien dat je ergens
Op Malta in een laatste schuilhoek van haar ridderorde
Verdwaald bent… hier en daar tonen halfopen deuren
Roestige sabels aan de wand of een droevig-dreigend profiel.
Een man, bijna honderd, een karmozijnen muts van lamsvel op,
De schaduw van een nog niet gebroken standaard op een volksbegrafenis,
Schuift voorbij en verdwijnt in een gang lang als het niets – –
Je voelt geschiedenis, haar loop, zoals een oude torenklok,
Die niet naar de stad vraagt, voor wie ze omwolkt de uurtijd slaat.
Welke eeuw is dit? welk jaar? welk ongelukkig lot?
Tacitus zou vanuit de Oudheid die mannen aan kunnen spreken
Om te leren les te geven over de moraal van tegenspoed.
Kijk! – overal om je heen, alleen en in groepjes,
Lopen sinds bijna tweeduizend jaar rouwende minnaressen
Van hem die op Golgotha de laatste snik gaf
Heen en weer, om te Zijner wille weldaden te doen.
Hun witte hoofddoeken begeleiden trillend hun tred,
Gestuurd door de verplichtingen van hun bruidschap.

Vandaag is het de naamdag van de matrone aan het hoofd der zusterorde,
Tientallen meisjes bloeien in evenzovele glimlachjes op.
Er heerst een onalledaagse drukte – kippen en een haan
Kijken in het schaarse op de muur vallende zonlicht om zich heen;
Opgewekt springt de hond, van zijn ketting verlost, in het rond.
Verwachting ligt in de lucht – achter de horizon: de metropool Parijs –
Twee miljoen op rijkdommen beluste stervelingen.
Hier – een dialoog – uit de eeuw van Tirso de Molina, zo lijkt het.
De avond neemt zijn aanvang: een verkleed meisje met een snor,
Zeker niet het werk van een mannenhand, komt op – een tweede meisje,

Als bebaarde Jood, bootst handig diens onbeholpen gang na.
Engelen nemen vrijpostig aan de handeling van het drama deel,
Als Cherubijnen bij zich thuis – ze voelen zich op hun gemak
Met hun vleugels van papier, die na het feest tot het volgende jaar
In de commode verdwijnen… Maar de meisjes groeien op
En zo bevleugeld belooft hun volwassenheid ons veel.
Jongens en meisjes in Krakaus kostuum – nauw’lijks zo groot als het dubbele
Van dit vel papier – beginnen met hun bekoorlijke dans,
Buigend nemen ze hun mutsjes af, een vaderlands gebaar
Uit een ongezien land… (plots herinner ik me hoe ik ooit zelf daar speelde,
Op moeders aandringen, terwijl ze ongeneeslijk ziek op bed lag!...).

Maar hier komt de finale: de moraal en manden die zich snel legen,
Sinasappels vliegen eruit en worden gegrepen door handjes
Die de rondheid van de vrucht nog maar deels kunnen omsluiten
En zo haar grootte, gratie en waarde nog verhogen.
Geluk – je ziet het, mijn vriend – is het Vaderland en de Mensheid
(Ontleen het bewijs aan de sinasappel… heeft Newtons appel
Ook geen cruciale waarheden aan ʼt licht gebracht?...) – en is het ware wezen
Van de levende kunst, die wat nabij is met het ideaal verbindt.
Laat dit je ook mild stemmen voor mijn ruwe hexameter.
ʻExul eram, requiesque mihi, non fama!!...ʼ

Vale – –



nawoord



Sommige dichters vallen buiten het bestek van hun eigen tijd, hoewel ze alleen daarbinnen begrepen kunnen worden. Vaak worden ze dan een of twee generaties later als ʻvoorlopersʼ op het schild gehesen, maar juist die voorloperrol sluit onze ogen voor hun weerbarstige originaliteit. Dit lot was ook de laatromantische (en volgens anderen ʻvroegmodernistischeʼ) Poolse dichter Norwid beschoren, die bijna 35 jaar als emigrant in Frankrijk leefde.

Cyprian Norwid (1821-1883) bracht zijn laatste levensjaren door in een bejaardentehuis voor veteranen in de buurt van Parijs (Ivry), Dom św. Kazimieza, Oeuvre de Saint Casimir, een liefdadigheidsinstelling die door Poolse ordezusters beheerd werd (dit ʻHuisʼ bestaat nog steeds, maar ligt nu binnen de grenzen van Parijs). Norwids dichterlijke brief aan Bronisław Zaleski, die ik hier vertaald heb, gaat voor een groot deel over zijn leven in het Oeuvre de Saint Casimir, maar tegelijkertijd komen er herinneringen uit het verleden – zijn jeugd in Polen en zijn latere leven als emigrant – naar boven. ʻAan Bronisław Z.ʼ zou gezien kunnen worden als een innerlijke monoloog waarin dit verleden en het heden associatief met elkaar verbonden zijn. Een belangrijk element in de compositie van de brief is het motief van de kindertijd. De handeling begint als twee kleine kinderen zien hoe stukjes glas ergens op het Poolse platteland na een hagelstorm het zonlicht breken en een zevenkleuri doorg prisma tonen. Voor de kinderen is deze waarneming onderdeel van een spel, maar de suggestie is dat zonder het ludieke aspect van het leven (waarvoor kleine kinderen meer openstaan dan volwassenen) de optische wetenschap zich nooit ontwikkeld zou hebben.

Vervolgens memoreert de spreker twee ontmoetingen die onuitwisbare sporen in zijn emigrantenleven hebben achtergelaten: met de Franse romantische historicus Jules Michelet en de Poolse nationale dichter Adam Mickiewicz. Het verband met het voorafgaande herinneringsfragment is in het tweede geval weer het motief van naïef (met kinderlijke ogen) naar de werkelijkheid kijken. Alleen dan kan de relatie tussen het zichtbare en het heilige authentiek beleefd worden. De beleving van de communie door nonnen wordt uitgedrukt door hun blik. Een goede kunstenaar kan dat met kleuren of woorden weergeven. Daar liggen de bronnen van ware kunst en poëzie.

Na een passage waarin Norwid zijn vriend Bronisław Zaleski direct aanspreekt en poëzie met het goede (de ʻdeugdʼ) in verband brengt (dit fragment wordt in Polen vaak als ʻgevleugeld woordʼ geciteerd), verplaatst de handeling zich naar het veteranenhuis. De meeste bewoners (maar niet Norwid zelf die in 1879 ʻpasʼ 58 was) hadden in 1830-31 aan de Novemberopstand deelgenomen, die na aanvankelijke successen mislukt was. De verslagen opstandelingen kregen politiek asiel in Frankrijk. Het Oeuvre de Saint Casimir is een wereld op zich. De bewoners lijken buiten de tijd te leven. De bewoners van het bejaardenhuis zijn verslagen, maar nog niet gebroken, misschien omdat er een leven na de dood is. Hun archaïsche uiterlijk (de ʻkonfederatkaʼ – een purpurkleurige muts van lamsvel – verwijst naar de traditie van de negentiende-eeuwse Poolse opstanden) en levensstijl contrasteren met het gehaaste leven in de metropool Parijs, die vlakbij ligt, maar tot een andere dimensie van de werkelijkheid lijkt te behoren.

Hierna volgt het kernstuk van de brief. Het voorafgaande blijken de mijmeringen te zijn van de spreker – de dichter Norwid – die aanwezig is bij een feest ter ere van de naamdag van de moeder-overste. Kinderen (misschien zelfs kleinkinderen) van Poolse politieke emigranten voeren een toneelstukje op en dansen de Krakowiak, een Krakause volksdans (met ʻvaderlandse gebarenʼ), hoewel ze Polen nog nooit zelf gezien hebben en misschien ook nooit zullen zien. Tegen deze achtergrond duikt het verleden als een herinneringseilandje weer op (ʻpomnęʼ – ik herinner me; deze formule komt als een bezwering voordurend in de brief terug). De dichter denkt ineens aan zijn eigen kindertijd terug en hoe zijn doodzieke moeder hem overreedde buiten te gaan spelen. We keren terug naar het begin van de brief en het beeld van twee kleine plattelandskinderen die, gefascineerd door het spel van het zonlicht in gebroken glas, zichzelf genoeg zijn. Norwid blijkt over zijn eigen kindertijd te schrijven. De herinneringseilandjes worden onderdeel van een vasteland – de dichter die vanuit het ouderdomsperspectief zijn leven als geheel probeert te omvatten. Dit totaalbeeld is op het eerste gezicht niet erg opbeurend.

In de finale van de dichterlijke brief verwoordt Norwid zijn nostalgie. Zijn leven lijkt mislukt te zijn. Als dichter werd hij door zijn tijdgenoten miskend en de hoop om naar zijn vaderland terug te keren bleek een illusie. Is er een uitweg of heeft zijn ʻfatumʼ het laatste woord? De emigrant Norwid beschouwde zich in de eerste plaats als Pool, vertegenwoordiger van een natie. In het Frankrijk van Napoleon III en de Derde Republiek dat voortdurend in een toestand van intellectuele fermentatie verkeerde, had hij echter kennis gemaakt met positivistische en socialistische idealen, waarin de idee van een harmonisch verenigde ʻMensheidʼ een hoofdrol speelde.

Deze idealen kunnen als een seculiere radicalisering van het Christendom worden gezien. Norwid probeert in zijn poëzie en proza vaak positivistische ideeën te ʻherkerstenen ʼ. In de finale van de brief wordt het Vaderland als idee gerelateerd aan iets groters (Norwid verzette zich zijn levenlang tegen enge vormen van nationalisme), een geheel dat nog niet gevat, maar wel voorvoeld kan worden: de ʻMensheidʼ.

Het besef dat er een intieme relatie bestaat tussen deze twee ideeën – het Vaderland en de Mensheid – wordt op dichterlijk niveau gesuggereerd door het beeld van de kinderen die als beloning voor hun artistieke presentatie een sinasappel krijgen, die zo groot is dat hun handjes de hele vrucht nog niet kunnen omvatten. Norwids op het eerste gezicht mislukte leven (de brief eindigt met een citaat uit een van de gedichten die Ovidius als balling aan de rand van het Romeinse keizerrijk schreef) levert misschien toch een bijdrage aan de verwezenlijking van de Mensheid als ideaal, een heilstoestand die de kinderen misschien nog zullen meemaken. Nostalgie en hoop houden elkaar in evenwicht.

Norwids brief aan Bronisław Z. zit vol met echo's uit vroeger werk. Ook zijn katholiek ʻtraditionalismeʼ speelt (weliswaar vervreemd door de ʻFranseʼ, positivistische context van de Mensheid) een rol. Norwid leefde na 1842 buiten Polen, eerst in Italië (een legaal verblijf – hij had een stipendium ontvangen van een Warschaus fonds ter bevordering van de kunst – in het Russische deel van Polen waren de academische instellingen na de mislukte opstand van 1830-31 gesloten). In 1846 leende Norwid tijdens een verblijf in Pruisen zijn Russische paspoort aan een vriend uit. Dit leidde tot zijn arrestatie en een kort verblijf in de gevangenis van Moabit (Berlijn). Na vrijlating kon de dichter niet meer naar zijn vaderland terugkeren. In 1849 verhuisde Norwid vanuit Rome naar Parijs waar hij de rest van zijn leven doorbracht, waaronder de zware periode in de herfst en winter van 1870-71, toen de Franse hoofdstad door de Duitsers belegerd werd en het meteen daarop volgende bewind van de Parijse Commune dat in een bloedbad eindigde. Norwid kon aanvankelijk op financiële steun van welgestelde vrienden rekenen, maar in de jaren zeventig verviel hij tot steeds grotere armoede. Dankzij zijn opname in het ʻHuis van de Heilige Casimirʼ raakte hij niet volkomen aan lager wal, hoewel de ordezusters later (na Norwids herontdekking) ook met kritiek te maken kregen. Ze hadden na het overlijden van de dichter een deel van zijn manuscripten weggegooid.

Toen Norwid in het ʻOeuvre de Saint Casimirʼ terecht kwam (1877), was hij als dichter in vergetelheid geraakt. Hij werd als een zonderling gezien, die onbegrijpelijke verzen schreef. De receptie van Norwids poëzie lijkt op een aaneenschakeling van misverstanden.

Waarom vonden Norwids tijdgenoten zijn poëzie zo merkwaardig? Niet in de laatste plaats vanwege zijn vaak ʻprozaïsche ʼ stijl, maar dan niet in de zin van de spreektaal (waarvan hij als emigrant vervreemd was geraakt), maar van het retorische Poolse proza van voor 1860/70. De realisten (of zoals men in de Poolse literatuurgeschiedenis ze noemt: de ʻPositivisten ʼ) zoals Bolesław Prus en de voortreffelijk leesbare Henryk Sienkiewicz hadden de literaire taal hervormd en vooral syntactisch vereenvoudigd. Norwids neiging tot prozaïsme gekoppeld aan een archaïsche, breedsprakige retoriek was niet alleen een hinderpaal voor zijn jongere tijdgenoten (men vond zijn stijl gezocht), maar verbaast ook de moderne lezer. Bovendien verschilt Norwids idioom van de literaire taal van Młoda Polska, de stroming die de dichter herontdekte en die weliswaar – als reactie op de realistische stijl – waarde hechtte aan gecompliceerde taalstructuren (met veel ruimte voor poëtisch proza), maar afkerig was van traditionele retoriek en prozaïsme. Norwid werd door Młoda Polska echter toch als stilist gewaardeerd vanwege de vervreemdingselementen in zijn retorische stijl, hoewel die juist niet in de richting van poëtisch proza gingen.

De in ruwe hexameters geschreven dichterlijk brief aan Bronisław Z. is ook belangrijk omdat de vorm verwijst naar de nauwe relatie die er tussen Norwids brieven en zijn dichterlijk oeuvre bestaat. Veel van Norwids vaak paradoxaal of als aforismen geformuleerde ideeën komen we zowel in zijn (helaas maar gedeeltelijk bewaard gebleven) correspondentie als in zijn poëzie tegen. Norwids brieven zijn er sterk op gericht de geadresseerde van het gelijk van de dichter te overtuigen, waarvoor alle registers van de retorica worden opengetrokken. Dit komt terug in zijn poëzie. Vaak is de volgorde niet helemaal duidelijk: dienen Norwids brieven zijn poëzie of juist omgekeerd? In de vakliteratuur wordt deze communicatieve structuur vaak ʻdialogischʼ genoemd, hoewel Norwid als dichter en brievenschrijver niet erg openstond voor tegenargumenten. Ze worden geciteerd (meestal in de vorm van toespelingen) om meteen weerlegd te worden (bijvoorbeeld door te laten zien dat de consequenties van een bepaalde denkwijze absurd zijn). Norwids vaak zeer originele, vervreemdende beelden en metaforen werden (en worden) door zijn lezers als duister ervaren omdat het niet duidelijk was waaraan de toespelingen refereerden. Dit geldt in nog hogere mate voor de moderne lezer.

Die duisterheid vormde overigen een minder groot probleem voor toehoorders, die zich door Norwids welsprekendheid lieten meeslepen (de dichter was een uitstekend declamator). Als ze later de gedrukte versie van een poëem nalazen, begonnen ze te twijfelen aan hun eerste positieve indruk. Vanuit het huidige Poolse perspectief is Cyprian Norwid de belangrijkste dichter in de periode tussen 1850 en 1900. Het blijft paradoxaal dat hij door zowel zijn oudere als jongere tijdgenoten zo negatief werd beoordeeld. Anderzijds kan niet ontkend worden dat Norwid een ʻimperfecteʼ dichter is. Imperfectie, ʻtekortʼ, fungeert in zijn oeuvre zelfs als een bewust artistiek procedé dat religieus gemotiveerd is – vormen moeten ʻgebrokenʼ zijn, zoals ook de menselijke existentie na de zondeval gebroken is. Norwids voorkeur voor ʻgebroken ʼ vormen maakt het echter lastig hem te vertalen. Buiten de context van de Poolse literatuur wordt die gebrokenheid maar al te vaak als de onhandigheid van een slordige poëtische ambachtsman opgevat. Ik heb in mijn vertaling geprobeerd zo dicht mogelijk bij het origineel te blijven, ook in fragmenten die ʻgekʼ klinken. De dichterlijke brief als geheel blijft een onmisbare getuigenis van de diepte- en hoogtepunten, de ontworteling en pogingen om weer te wortelen, die onlosmakelijk met de ervaring van ballingschap verbonden zijn.


Vertaling en nawoord Arent van Nieukerken




<

TSL 94

>