Aan Bronisław Z. [Zaleski]
Sommige dichters vallen buiten het bestek
van hun eigen tijd, hoewel ze alleen daarbinnen
begrepen kunnen worden. Vaak
worden ze dan een of twee generaties later
als ʻvoorlopersʼ op het schild gehesen,
maar juist die voorloperrol sluit onze ogen
voor hun weerbarstige originaliteit. Dit lot
was ook de laatromantische (en volgens
anderen ʻvroegmodernistischeʼ) Poolse
dichter Norwid beschoren, die bijna 35 jaar
als emigrant in Frankrijk leefde.
Cyprian Norwid (1821-1883) bracht
zijn laatste levensjaren door in een bejaardentehuis
voor veteranen in de buurt van
Parijs (Ivry), Dom św. Kazimieza, Oeuvre
de Saint Casimir, een liefdadigheidsinstelling
die door Poolse ordezusters beheerd
werd (dit ʻHuisʼ bestaat nog steeds, maar
ligt nu binnen de grenzen van Parijs). Norwids
dichterlijke brief aan Bronisław Zaleski,
die ik hier vertaald heb, gaat voor
een groot deel over zijn leven in het Oeuvre
de Saint Casimir, maar tegelijkertijd
komen er herinneringen uit het verleden
– zijn jeugd in Polen en zijn latere leven
als emigrant – naar boven. ʻAan Bronisław
Z.ʼ zou gezien kunnen worden als
een innerlijke monoloog waarin dit verleden
en het heden associatief met elkaar
verbonden zijn. Een belangrijk element in
de compositie van de brief is het motief
van de kindertijd. De handeling begint
als twee kleine kinderen zien hoe stukjes
glas ergens op het Poolse platteland na
een hagelstorm het zonlicht breken en een
zevenkleuri doorg prisma tonen. Voor de
kinderen is deze waarneming onderdeel
van een spel, maar de suggestie is dat zonder
het ludieke aspect van het leven (waarvoor
kleine kinderen meer openstaan dan volwassenen) de optische wetenschap zich
nooit ontwikkeld zou hebben.
Vervolgens memoreert de spreker twee
ontmoetingen die onuitwisbare sporen in
zijn emigrantenleven hebben achtergelaten:
met de Franse romantische historicus
Jules Michelet en de Poolse nationale
dichter Adam Mickiewicz. Het verband
met het voorafgaande herinneringsfragment
is in het tweede geval weer het motief
van naïef (met kinderlijke ogen) naar
de werkelijkheid kijken. Alleen dan kan
de relatie tussen het zichtbare en het heilige
authentiek beleefd worden. De beleving
van de communie door nonnen wordt
uitgedrukt door hun blik. Een goede kunstenaar
kan dat met kleuren of woorden
weergeven. Daar liggen de bronnen van
ware kunst en poëzie.
Na een passage waarin Norwid zijn
vriend Bronisław Zaleski direct aanspreekt
en poëzie met het goede (de
ʻdeugdʼ) in verband brengt (dit fragment
wordt in Polen vaak als ʻgevleugeld woordʼ geciteerd), verplaatst de handeling
zich naar het veteranenhuis. De meeste bewoners
(maar niet Norwid zelf die in 1879
ʻpasʼ 58 was) hadden in 1830-31 aan de
Novemberopstand deelgenomen, die na
aanvankelijke successen mislukt was. De
verslagen opstandelingen kregen politiek
asiel in Frankrijk. Het Oeuvre de Saint Casimir
is een wereld op zich. De bewoners
lijken buiten de tijd te leven. De bewoners
van het bejaardenhuis zijn verslagen, maar
nog niet gebroken, misschien omdat er een
leven na de dood is. Hun archaïsche uiterlijk
(de ʻkonfederatkaʼ – een purpurkleurige
muts van lamsvel – verwijst naar de
traditie van de negentiende-eeuwse Poolse
opstanden) en levensstijl contrasteren met
het gehaaste leven in de metropool Parijs,
die vlakbij ligt, maar tot een andere dimensie
van de werkelijkheid lijkt te behoren.
Hierna volgt het kernstuk van de brief.
Het voorafgaande blijken de mijmeringen
te zijn van de spreker – de dichter Norwid
– die aanwezig is bij een feest ter ere van
de naamdag van de moeder-overste. Kinderen
(misschien zelfs kleinkinderen) van
Poolse politieke emigranten voeren een
toneelstukje op en dansen de Krakowiak,
een Krakause volksdans (met ʻvaderlandse
gebarenʼ), hoewel ze Polen nog nooit zelf
gezien hebben en misschien ook nooit zullen
zien. Tegen deze achtergrond duikt het
verleden als een herinneringseilandje weer
op (ʻpomnęʼ – ik herinner me; deze formule
komt als een bezwering voordurend in
de brief terug). De dichter denkt ineens aan
zijn eigen kindertijd terug en hoe zijn doodzieke
moeder hem overreedde buiten te
gaan spelen. We keren terug naar het begin
van de brief en het beeld van twee kleine
plattelandskinderen die, gefascineerd door
het spel van het zonlicht in gebroken glas,
zichzelf genoeg zijn. Norwid blijkt over
zijn eigen kindertijd te schrijven. De herinneringseilandjes
worden onderdeel van
een vasteland – de dichter die vanuit het
ouderdomsperspectief zijn leven als geheel
probeert te omvatten. Dit totaalbeeld is op
het eerste gezicht niet erg opbeurend.
In de finale van de dichterlijke brief
verwoordt Norwid zijn nostalgie. Zijn leven lijkt mislukt te zijn. Als dichter werd
hij door zijn tijdgenoten miskend en de
hoop om naar zijn vaderland terug te keren
bleek een illusie. Is er een uitweg of heeft
zijn ʻfatumʼ het laatste woord? De emigrant
Norwid beschouwde zich in de eerste
plaats als Pool, vertegenwoordiger van een
natie. In het Frankrijk van Napoleon III en
de Derde Republiek dat voortdurend in een
toestand van intellectuele fermentatie verkeerde,
had hij echter kennis gemaakt met
positivistische en socialistische idealen,
waarin de idee van een harmonisch verenigde
ʻMensheidʼ een hoofdrol speelde.
Deze idealen kunnen als een seculiere radicalisering
van het Christendom worden
gezien. Norwid probeert in zijn poëzie en
proza vaak positivistische ideeën te ʻherkerstenen
ʼ. In de finale van de brief wordt
het Vaderland als idee gerelateerd aan iets
groters (Norwid verzette zich zijn levenlang
tegen enge vormen van nationalisme),
een geheel dat nog niet gevat, maar
wel voorvoeld kan worden: de ʻMensheidʼ.
Het besef dat er een intieme relatie bestaat
tussen deze twee ideeën – het Vaderland en
de Mensheid – wordt op dichterlijk niveau
gesuggereerd door het beeld van de kinderen
die als beloning voor hun artistieke
presentatie een sinasappel krijgen, die zo
groot is dat hun handjes de hele vrucht nog
niet kunnen omvatten. Norwids op het eerste
gezicht mislukte leven (de brief eindigt
met een citaat uit een van de gedichten die
Ovidius als balling aan de rand van het Romeinse
keizerrijk schreef) levert misschien
toch een bijdrage aan de verwezenlijking
van de Mensheid als ideaal, een heilstoestand
die de kinderen misschien nog zullen
meemaken. Nostalgie en hoop houden elkaar
in evenwicht.
Norwids brief aan Bronisław Z. zit vol met
echo's uit vroeger werk. Ook zijn katholiek
ʻtraditionalismeʼ speelt (weliswaar vervreemd
door de ʻFranseʼ, positivistische
context van de Mensheid) een rol. Norwid
leefde na 1842 buiten Polen, eerst in Italië
(een legaal verblijf – hij had een stipendium
ontvangen van een Warschaus fonds ter
bevordering van de kunst – in het Russische deel van Polen waren de academische
instellingen na de mislukte opstand van
1830-31 gesloten). In 1846 leende Norwid
tijdens een verblijf in Pruisen zijn Russische
paspoort aan een vriend uit. Dit leidde
tot zijn arrestatie en een kort verblijf in de
gevangenis van Moabit (Berlijn). Na vrijlating
kon de dichter niet meer naar zijn
vaderland terugkeren. In 1849 verhuisde
Norwid vanuit Rome naar Parijs waar hij
de rest van zijn leven doorbracht, waaronder
de zware periode in de herfst en winter
van 1870-71, toen de Franse hoofdstad
door de Duitsers belegerd werd en het meteen
daarop volgende bewind van de Parijse
Commune dat in een bloedbad eindigde.
Norwid kon aanvankelijk op financiële
steun van welgestelde vrienden rekenen,
maar in de jaren zeventig verviel hij tot
steeds grotere armoede. Dankzij zijn opname
in het ʻHuis van de Heilige Casimirʼ
raakte hij niet volkomen aan lager wal,
hoewel de ordezusters later (na Norwids
herontdekking) ook met kritiek te maken
kregen. Ze hadden na het overlijden van
de dichter een deel van zijn manuscripten
weggegooid.
Toen Norwid in het ʻOeuvre de Saint
Casimirʼ terecht kwam (1877), was hij als
dichter in vergetelheid geraakt. Hij werd
als een zonderling gezien, die onbegrijpelijke
verzen schreef. De receptie van Norwids
poëzie lijkt op een aaneenschakeling
van misverstanden.
Waarom vonden Norwids tijdgenoten
zijn poëzie zo merkwaardig? Niet in de
laatste plaats vanwege zijn vaak ʻprozaïsche
ʼ stijl, maar dan niet in de zin van
de spreektaal (waarvan hij als emigrant
vervreemd was geraakt), maar van het retorische
Poolse proza van voor 1860/70.
De realisten (of zoals men in de Poolse
literatuurgeschiedenis ze noemt: de ʻPositivisten
ʼ) zoals Bolesław Prus en de voortreffelijk
leesbare Henryk Sienkiewicz
hadden de literaire taal hervormd en vooral
syntactisch vereenvoudigd. Norwids
neiging tot prozaïsme gekoppeld aan een
archaïsche, breedsprakige retoriek was
niet alleen een hinderpaal voor zijn jongere
tijdgenoten (men vond zijn stijl gezocht),
maar verbaast ook de moderne lezer.
Bovendien verschilt Norwids idioom
van de literaire taal van Młoda Polska, de
stroming die de dichter herontdekte en die
weliswaar – als reactie op de realistische
stijl – waarde hechtte aan gecompliceerde
taalstructuren (met veel ruimte voor poëtisch
proza), maar afkerig was van traditionele
retoriek en prozaïsme. Norwid werd
door Młoda Polska echter toch als stilist
gewaardeerd vanwege de vervreemdingselementen
in zijn retorische stijl, hoewel
die juist niet in de richting van poëtisch
proza gingen.
De in ruwe hexameters geschreven
dichterlijk brief aan Bronisław Z. is ook
belangrijk omdat de vorm verwijst naar
de nauwe relatie die er tussen Norwids
brieven en zijn dichterlijk oeuvre bestaat.
Veel van Norwids vaak paradoxaal of als
aforismen geformuleerde ideeën komen
we zowel in zijn (helaas maar gedeeltelijk
bewaard gebleven) correspondentie als in
zijn poëzie tegen. Norwids brieven zijn er
sterk op gericht de geadresseerde van het
gelijk van de dichter te overtuigen, waarvoor
alle registers van de retorica worden
opengetrokken. Dit komt terug in zijn poëzie.
Vaak is de volgorde niet helemaal
duidelijk: dienen Norwids brieven zijn
poëzie of juist omgekeerd? In de vakliteratuur
wordt deze communicatieve structuur vaak ʻdialogischʼ genoemd, hoewel
Norwid als dichter en brievenschrijver niet
erg openstond voor tegenargumenten. Ze
worden geciteerd (meestal in de vorm van
toespelingen) om meteen weerlegd te worden
(bijvoorbeeld door te laten zien dat de
consequenties van een bepaalde denkwijze
absurd zijn). Norwids vaak zeer originele,
vervreemdende beelden en metaforen werden
(en worden) door zijn lezers als duister
ervaren omdat het niet duidelijk was waaraan
de toespelingen refereerden. Dit geldt
in nog hogere mate voor de moderne lezer.
Die duisterheid vormde overigen een minder
groot probleem voor toehoorders, die
zich door Norwids welsprekendheid lieten
meeslepen (de dichter was een uitstekend
declamator). Als ze later de gedrukte versie
van een poëem nalazen, begonnen ze te
twijfelen aan hun eerste positieve indruk.
Vanuit het huidige Poolse perspectief
is Cyprian Norwid de belangrijkste dichter
in de periode tussen 1850 en 1900. Het
blijft paradoxaal dat hij door zowel zijn
oudere als jongere tijdgenoten zo negatief
werd beoordeeld. Anderzijds kan niet ontkend
worden dat Norwid een ʻimperfecteʼ
dichter is. Imperfectie, ʻtekortʼ, fungeert in
zijn oeuvre zelfs als een bewust artistiek
procedé dat religieus gemotiveerd is – vormen
moeten ʻgebrokenʼ zijn, zoals ook de
menselijke existentie na de zondeval gebroken
is. Norwids voorkeur voor ʻgebroken
ʼ vormen maakt het echter lastig hem te
vertalen. Buiten de context van de Poolse
literatuur wordt die gebrokenheid maar al
te vaak als de onhandigheid van een slordige
poëtische ambachtsman opgevat. Ik
heb in mijn vertaling geprobeerd zo dicht
mogelijk bij het origineel te blijven, ook in
fragmenten die ʻgekʼ klinken. De dichterlijke
brief als geheel blijft een onmisbare
getuigenis van de diepte- en hoogtepunten,
de ontworteling en pogingen om weer te
wortelen, die onlosmakelijk met de ervaring
van ballingschap verbonden zijn.
Vertaling en nawoord Arent van Nieukerken