Kris Van Heuckelom
Ewa Lipska: ‘We schrijven in de eerste plaats voor onszelfʼ
Eind 2023 verschijnt bij de Leuvense uitgeverij
P een ruime selectie uit de poëzie
van de Poolse schrijfster Ewa Lipska, onder
de redactie van René Smeets, Maarten
Tengbergen en Kris Van Heuckelom.
Tijdens het werk aan de bloemlezing ontmoette
Kris Van Heuckelom Lipska verscheidene malen op haar favoriete pleisterplaats
net buiten het historische centrum
van haar geboortestad Krakau (het
café op de benedenverdieping van het
Józef Czapski-paviljoen). Onderstaand
gesprek is de neerslag van een van die
ontmoetingen.
2023 is in Polen uitgeroepen tot het Jaar van Wisława Szymborska,
naar aanleiding van de honderdste geboortedag van de Nobelprijswinnares.
U was tot haar dood in 2012 heel erg close met
Szymborska. Wanneer heeft u haar voor het eerst ontmoet?
Ik heb haar leren kennen toen ik 18 jaar oud was. Het was een
belangrijk moment in mijn leven. Ik genoot heel erg van onze ontmoetingen,
onze gesprekken, onze legendarische visuitstapjes, in
het gezelschap van onze partners. Zij probeerde mijn scepsis te
onderdrukken, maar dat is haar niet gelukt. In 1996 nodigde zij mij
uit om, als haar gaste, naar Stockholm te komen voor de uitreiking
van de Nobelprijs. Ik vloog toen vanuit Wenen, waar ik al enkele
jaren op de Poolse ambassade werkte.
Heeft u het ooit met haar gehad over haar vroege, socialistischrealistische
gedichten, waarvan ze zich later zou distantiëren?
We hebben er nooit veel over gesproken, maar we mogen niet
vergeten dat Wisława vlak na de oorlog waarschijnlijk niet goed
besefte wat er werkelijk aan de hand was. Dat was nog niet de tijd
van mobiele telecommunicatie, weet u. Wisława heeft de communistische
partij op het juiste moment verlaten en heeft daardoor
veel problemen gehad, zoals nog enkele collega’s van haar. Laten
we ook niet vergeten dat er destijds veel van dergelijke ‘gelovigen
in de revolutionaire mythe’ rondliepen, ook in andere landen
trouwens. Denken we bijvoorbeeld maar aan mensen als Picasso,
Neruda, Gide, Eluard, Rolland, Aragon, Sartre, Auden, Zweig en
Brecht. Ik zou nog veel meer namen kunnen noemen.
Over Nobelprijzen en controverse gesproken: wat vindt u van de
Nobelprijs voor de Oostenrijkse auteur Peter Handke?
Als het aan mij had gelegen, was de Nobelprijs naar Thomas Bernhard
gegaan. Hij was uiteraard al lang dood in 2019, maar hij had
de prijs zeker verdiend. Ik heb veel waardering voor hem en keer
op gezette tijden terug naar zijn boeken. En misschien ook Friederike
Mayröcker, een uitstekende Oostenrijkse dichteres, helaas
ook al overleden.
Welke auteurs en boeken hebben u nog gevormd?
Ik heb het geluk gehad op te groeien in een huis met een prachtige
bibliotheek. Het waren boeken die de toen nog zo goed als
afwezige televisietoestellen en computers vervingen. We lazen
gretig en betrokken. We schoven aan bij diners ten huize van de
Buddenbrooks, raakten bevriend met Naphta, Settembrini en Hans
Castorp uit Manns De Toverberg en leefden mee met de lotgevallen
van de personages van Faulkner, Steinbeck, Caldwell, Kafka,
Zweig, Remarque en vele anderen. Ik las ook veel poëzie: Russische,
Amerikaanse, Engelse en Duitse. Het is onmogelijk om alle
auteurs en titels hier op te noemen. Lezen is voor mij altijd een
manier geweest om te ontsnappen aan middelmatigheid, ledigheid
en overtolligheid. Romanschrijvers zetten de tijd stil, brengen het
verleden weer tot leven of maken ons vertrouwd met onbevattelijke
toekomstvisioenen.
Wat bent u op dit ogenblik aan het lezen?
Meerdere boeken tegelijk. Jakob von Gunten van de nu wat vergeten
Zwitserse schrijver Robert Walser en een aantal minder bekende,
kortere prozastukken van Franz Kafka, onder andere zijn
dagboeknotities. Ik weet trouwens niet of Kafka er blij mee zou
zijn dat wij zijn geheimen ontdekken en een inkijk krijgen in zijn
‘keuken’. Ik blijf ook terugkeren naar Joseph Roth. Het in de jaren
twintig geschreven Brieven uit Polen is nog steeds actueel.
Neem bijvoorbeeld dit citaat: ‘Aan alle plechtigheden hier [in Polen]
nemen nationale, religieuze en militaire elementen deel, alle
parades hebben een officieel karakter, grotendeels bovendien met
kerkelijke inslag. Een significant deel van het openbare leven in
Polen speelt zich af tussen de militaire fanfare en de heilige mis’.
Ik heb onlangs ook een boek gelezen van een andere Roth, namelijk
Shop Talk van de Amerikaanse schrijver Philip Roth. Het zijn
gesprekken met vooraanstaande auteurs zoals Primo Levi, Isaac
Bashevis Singer en Milan Kundera. Roths interview met de Tsjech
Ivan Klíma is me het meest bijgebleven, bijvoorbeeld de passage
waarin hij Klíma aan de tand voelt over de commercialisering van
het culturele leven die na de invoering van de vrijemarkteconomie
om zich heen greep in het voormalige Oostblok (‘Welkom in
de Wereld van Totaal Vermaak. Jullie weten niet wat jullie gemist
hebben, of toch wel?’). Daarnaast hou ik ook wel van populair-wetenschappelijke boeken. Mijn
laatste ontdekking is Rüdiger
Safranski en diens boek Tijd.
Hoe tijd en mens elkaar beïnvloeden.
Wat vermag poëzie nog in
deze tijden?
De rol van poëzie is beperkt.
Door zijn korte vorm kan een
gedicht wel dienst doen als
opruiingsmiddel of politiek
pamflet, maar dan is het sowieso
een kort leven beschoren.
Poëzie is een nichegenre,
voor artistiek geïnteresseerde
fijnproevers. We schrijven in
de eerste plaats voor onszelf,
maar tegen het tijdstip dat een boek verschijnt, behoort dat boek
al toe aan de lezers, die onze geestelijke medeplichtigen worden.
Ook de mogelijkheden van de taal zijn al bij al beperkt. Ik stoot
almaar meer op de weerbarstigheid van betekenissen en ben jaloers
op musici en schilders, want zij hebben hun eigen taal die de
landsgrenzen overschrijdt zonder dat er vertaald hoeft te worden.
Ik heb eens geschreven dat de taal van poëzie eruit zou moeten
zien als de lijnen in onze handpalm. Uniek, ongewoon en origineel.
In theorie lijkt het simpel, maar in de praktijk heeft de dichter
veel weg van een koorddanser die zich koste wat het kost staande
probeert te houden.
U heeft in de jaren zestig een opleiding als beeldend kunstenares
genoten.
Schilderen doe ik niet meer. In mijn jonge jaren vertoefde ik vaak
in het atelier van een voortreffelijk schilder, Adam Marczyński,
die deel uitmaakte van de in 1946 opgerichte Groep van Krakau.
We voerden lange gesprekken over schilderen, literatuur en muziek.
We hadden het ook vaak over mijn favoriete surrealisten,
wier sensualiteit, ironie en melancholie ik bewonderde. Ik hou
heel erg van het werk van Magritte, en ik heb zijn schilderij Le
thérapeute gebruikt op de cover van mijn debuutroman Sefer
(2009). Ik vind de grappen waarmee hij de toeschouwer tracht te
misleiden, hoogst vermakelijk, zoals in het schilderij La clef des
songes. Zes objecten zijn hier voorzien van valse bijschriften. In
de lange naoorlogse periode waren dergelijke ontsnappingen uit
het realisme zeer welkom, want het was ‘het tijdperk van de zinspeling’,
zoals ik die tijd pleeg te noemen. Het was uiteraard de
bedoeling om de censor te misleiden. Een andere schilder die me
na aan het hart ligt, is Giorgio de Chirico, over wiens werk Magritte
ooit zei: ‘Mes yeux ont vu la pensée pour la première fois.’ In de schilderijen van de Chirico waardeer ik vooral de gelaagdheid
waarmee hij de ruimte van de eenzaamheid uitbeeldt. Ik bewonder
ook de emotie van de personages in de doeken van Caravaggio,
bijvoorbeeld Avondmaal in Emmaüs, maar ook De ambassadeurs
van Holbein. Als ik naar tentoonstellingen ga, kies ik telkens weer
een paar schilderijen uit waar ik dan graag naar terugkeer.
Over andere kunstvormen gesproken: hoe staat u tegenover muziek
en film?
In mijn jonge jaren heb ik samengewerkt met componisten en
schreef ik ook liedjesteksten. Nogal wat Poolse componisten (zoals
Marek Grechuta en Grzegorz Turnau) hebben mijn gedichten
trouwens op muziek gezet. Momenteel werk ik samen met
Zbigniew Preisner, lange tijd de vaste componist van Krzysztof
Kieślowski, met wie ik enkele jaren geleden het programma Waarheen
2016? in elkaar heb gestoken. Met klassieke muziek ben ik
zeer nauw in contact gekomen tijdens mijn verblijf in Oostenrijk,
toen ik een abonnement had op de Musikverein en het Konzerthaus.
In moeilijke momenten hou ik ervan muziek ‘in te ademen’.
Muziek werkt als een soort inkt die ons ‘wast’ van alle zorgen en
frustraties van het dagelijks leven. Wat film betreft: op een keer
verbleef ik in Amerika en liep ik door een van de langste straten
van Washington DC – Pennsylvania Avenue, als ik me goed herinner.
Daar was een bioscoop waar aan de lopende band stomme
films werden vertoond. Ik vond dat zeer vermakelijk en ging er
regelmatig naartoe. Chaplin, Buster Keaton, Laurel en Hardy werden
goede vrienden van me. Maar op dat ogenblik was ik ook al
fan van de Italiaanse film: Fellini, Visconti en Antonioni. Tot op
vandaag blijf ik La Strada herbekijken, een film die heel erg tot
mijn verbeelding spreekt. Het waren deze grote regisseurs die mij
er bewust van maakten dat de werkelijkheid een optische illusie
is, een onirisch stukje tijd. Ik denk ook aan Curtiz’ onvergetelijke
Casablanca, Bob Fosses Cabaret en de films van Buñuel.
Poëzie lijkt ondanks de veranderende tijden nog steeds een niet
onbelangrijke rol te spelen in het Poolse culturele en maatschappelijke
leven. Heeft u daar een verklaring voor?
Laat ik mij hier, bij wijze van pointe, beperken tot een verwijzing
naar Zbigniew Herbert, die ooit het volgende opmerkte: ‘In mij
broeit nog steeds de waan dat het de poëzie is die probeert een
beetje orde op te leggen en die de mogelijkheid schept om met
mensen te communiceren door middel van een op papier gezette
ontroering’.