Michail Koezmin
Een schrale troost, gedichten
In de nalatenschap van Kees Jiskoot
(1933-2015), van wie we in TSL regelmatig
vertalingen van Russische poëzie
hebben opgenomen, bevinden zich talloze
gedichten die nog niet officieel gepubliceerd
zijn. In 2003 maakte Jiskoot een
selectie van de poëzie van Michail Koezmin. Het was een verbeterde en uitgebreidere
versie van wat hij eerder (1997) had
vertaald en in eigen beheer in een oplage
van enkele exemplaren had uitgegeven.
Ook de selectie van 2003 is in eigen beheer
uitgegeven. We kiezen daaruit een
aantal gedichten.
troost
Ik zal een schrale troost en vreugd ontvangen
Door ’t kopen van een hoed als die van u;
Ik zal hem zuchtend aan de kapstok hangen,
Die ziende, denk ik elke keer aan u.
En kijk ik dan eens vluchtig in de spiegel,
Dan zal het vreemd zijn als ik u niet zie,
Maar bij die hoed schetst snel mijn fantasie wel
Een aarzelende blik vol sympathie.
Kom ik van buiten bij geval de gang in,
Dan vleit me de absurde mijmerij,
Ja, word ik door een vreemd soort koorts bevangen:
‘Plots kwam hij, in die kamer daar wacht hij’.
Dan komt mij een vertrouwd figuur voor ogen,
Ik hoor uw stem – geen droom, nee, werkelijkheid –
Maar dadelijk ga ik opnieuw gebogen,
Eén tel slechts door een ijle droom gevleid.
Ik speur in ’t leeg vertrek naar alle kanten:
Ach, vals was dat juweel in ’t spiegelglas!
En ik kus enkel maar, bedroefd, de rand van
Precies zo’n hoed als toen de uwe was.
* * *
Steeds weer die droom van toen, springlevend,
Die blijft, niet te verdrijven is:
Voor ’t raam een buitenluik, en stevig,
Daarachter – kille duisternis.
Een ligbank – warm, het haardvuur knettert,
Ginds blaft een maffe hond aldoor…
Ik kwam vanmorgenvroeg mijn bed uit,
Bracht kalm het kalme dagje door.
Zo zalig lang de dag, al deze
Weidsheid, die sneeuw, het zachte licht!
Hier valt slechts de Proloog te lezen
Of ’t boek dat David heeft gedicht
En kachelhitte, witte wanden,
En ’t nachtgeluid van verre nog,
En wat een bleke witte handen
Geeft dat iconenlamplicht toch!
Het maakt je lomer, maakt je rustig,
De liefde bloeit, rijk, kalmpjes aan,
En buiten loeit de sneeuwstorm lustig,
Plaatst wildebrassen voor het raam.
Leef, liefde, aangevuurd door donzen
Sneeuwstorm, bezwijk niet op den duur:
Een Russisch Eden brak voor ons aan
Van hete vrieskou, ijzig vuur!
Ach, wás er sneeuw, die lieve blik maar,
De tere kleur van de icoon!
Niet uit te roeien, onverwrikbaar
Is voor mijn ziel die oude droom!
(Proloog: boek met heiligenlevens, preken etc., gerangschikt volgens
de kalender)
* * *
Wat gebeurt me? ’k Heb geen woorden.
Wat bezingt het eerst mijn mond?
Tsarendorps allee, waar voor me
Westwaarts op een rond decor een
Donker twijgennet ontstond?
Of het uur te middernachte
In een kleurrijk souterrain,
Waar ik in lawaai, reusachtig,
Een erkende schoonheid zag, ik
Stilletjes betoverd ben?
Of die kamer, schemerschimmig,
Aan de Mojka, Zeestraat-zij,
Waar je met een reine glimlach
Door een rand van lange wimpers
Somtijds blikken wierp naar mij?
Of, als as zo zwart, je scheiding,
Op het kussen neergevlijd? –
Smachtend-loom de blik bij tijden,
Als een roos smeult onbescheiden
Vuur op wangen, tederheid…
Of het heerlijke ontwaken,
Naar een lief gelaat gewend,
Het van zoete onrust blaken,
Of het koel metaal aanraken
Van een ring, zo welbekend?
Die minuten, die seconden –
Eén godzalig uur, niet meer.
Angst en twijfel zijn verzwonden…
Eeuwig dank zij opgezonden,
Voor uw bijzijn, tot de Heer!
(Souterrain, r.6: bedoeld is het befaamde cabaret ‘De Zwerfhond’
in St.-Petersburg, trefpunt van artiesten, schrijvers en dichters)
* * *
Gouden ‘oma zomer’ weefde
Naarstig spinnenwebbendraden,
En waarheen mijn blik ook zweefde, –
Alom gele rouwgewaden.
Uit is ’s zomers serenade,
Met de mandolien begeef ik
Mij bergaf naar ’t dal hierneven,
Waar restanten licht, die raden
Dat het einde nadert, zweven.
* * *
Ik schiet vol als ik opnieuw bedenk hoe
Wij tezamen onze dagen kortten!
Maar nu zijn de dagen droef geworden,
Ach, vol droefheid, afgunst, twijfel enkel!
Hoe we zwierven door het herfstgetijde,
Blaren onder onze voeten knist’ren…
Bomen: niet gelijk aan die van gist’ren?
Deze lippen, handen, niet van mij dan?
Wat voor twijfel zou er kúnnen leven,
En voor wíe zijn dagen droef geworden?
Want van dagen die we samen kortten
Zijn slechts onrust, bitterheid gebleven!
* * *
De sneeuw bedekt de vlakke uitgestrektheid,
Nauw merkbaar is het eerste sledespoor;
Een teder blozend avondrood, waardoor
De heuvels als met rozen overdekt zijn.
Een ruiter sleept zich naar zijn visgrond heen,
Een lied vloeit aan dat van verlangen leed zingt,
– Beproefd oud middel tegen de verveling –,
Het waait een ons nog wachtend leed uiteen!
Mij zoet is de aanvang van de strenge winter,
Aaneengesmeed heeft ons een harde tijd.
’t Klaart op, de nevelingen worden milder.
Hoe vrolijk schalt de waldhoorn: ‘Het is tijd!’
Hoe rustig zijn gedachten, liefste lieve!
Voor ’t venster hingen paradijsmotieven.
* * *
De vage omtrek van het ruitje…
Geluk en schemer… stilte… warm…
Komt in mijn slaap een droom tot uiting?
Je ligt vlak naast me, in mijn arm.
Ik sluit mijn armen om je lichaam
En voel: ik droom, ik droom dit niet…
Het bitter van de twijfel zwichtte,
Mij wenkt weer helder het verschiet.
O lange uren kussen, strelen,
Omhelzingen en tederheid!
Welk voorschrift ook maar ons kan schelen?
Beteugel toch je draf, o tijd!
Laat in de slaap de blauwe vogel
Des heils niet weggevlogen zijn,
Dat deze schemer blijven moge,
Omkaderd door het vaag kozijn.
* * *
In het blauw dat staat te blinken
Jaagt de zeewind wolken na,
Wolken breken, wolken zinken,
Teruggekaatst in de Neva.
Of ze witte paarden deden
Steigeren, sprongen blazers op.
Baardmans, door de jacht bezweet, die
In de war de manen schopt.
Laat ze jachten, wild zijn, breken,
Aan het blauw email gezet,
Laat ze op lente’s volmacht steken,
Klaar en luid, de loftrompet!
* * *
Slangenogen, slangenkronkels,
Kleedje aan dat net zo bont is,
Zwoele poses, weergaloos…
Schaamteloos, beschaamd ertussen:
De gevarieerde kussen,
Geuren van een witte roos.
Vrijen willen, weer verstillen,
Voeten die bedreven trillen,
Armen strengelen om de nek…
Vaardig kussen, en het blije
Van het weerzien heel dicht bij je,
Dan, het afscheid bij het hek.
* * *
Ik viel in zwijm, werd moe en loom.
Wat ik nog gister heb gedroomd
Had plots geen waarde, geen belang meer,
Ik kan niet weg uit het gevang meer
Van slechts één ogen-, schouderpaar,
Eén teer-hartstochtlijk treffen maar.
Ik lig gewond haast, in het gras,
Bezie de maan, geboren pas.
De wisseling der lange uren,
Die, als de liefde, eeuwig duren.
Wat vreemd-leeg is de wereld mij,
En zonder lieve mond vlakbij!
Wanneer, o liefde, zielenvreugd,
Dat mij opnieuw jou zien verheugt,
Zal mij een schalkse blik, beladen
Met fascinerend gif, verzaden,
En reikt mijn trouwe vriend me weer
Zijn tere handen van weleer?
Ik lig en denk aan één ding slechts:
Deez’ verre stad, ons huis hier rechts,
Dit park hier waar gymnasten springen,
Waarheen we o zo dikwijls gingen,
Ons lieve huis!.. jouw drempel, o!
Ik werd zo moe, bezwijmde zo…
* * *
Verlaten zijn – wat een geluk, een zegen!
Hoe fel schijnt licht dat je van vroeger ziet –
Zoals na zomertij de winterregen:
Je denkt steeds aan de zon al schijnt hij niet.
Een droogbloem, liefdesbrieven met een strik om,
Een glimlach, tweemaal zalig bij elkaar, –
Laat nu het pad maar donker en beslikt zijn,
Maar jij zwierf door die lenteweide daar.
Begeerte leer je, och, langs andere wegen,
Een ander pad – breed, dwars door de woestijn.
Verlaten zijn – dat is geluk, een zegen!
Nee, ’t bitterst lot is: ónbemind te zijn.
* * *
Almaar waken: zuchten slaken,
Duizelig naar liefde haken,
En mijn bed is leeg almaar –
Waar zijn schouders, waar zijn handen,
Hortende gesprekken dan en
Het geliefde lippenpaar?..
Dekens gleden naar beneden,
Gloeiend vuur in al mijn leden,
Door het raam de zwarte nacht…
Kloppend hart en droge handen,
Liefde’s weedom uit te bannen,
Daartoe heb ik kracht noch macht…
Ferm omhelzen, ferm omknellen,
Met elkander samensmelten,
Als de ridder met de draak…
Munt geurt door het raam intussen,
Verfomfaaid is heel mijn kussen,
Heel alleen ben ik, en waak…
* * *
В.К..
Пуститься бы по белу свету
Вдвоем с тобой в далекий путь,
На нашу старую планету
Глазами новыми взглянуть!
Все так же траурны гондолы,
Печален золотистый Рим?
В тосканские спускаясь долы,
О Данте вновь заговорим.
Твой вечер так же ль изумруден,
Очаровательный Стамбул?
Все так же ль в час веселых буден
Пьянит твоих базаров гул?
О дальнем странствии мечтая,
Зачем нам знать стесненье мер?
Достигнем мы садов Китая,
Среди фарфоровых химер.
Стихов с собой мы брать не будем,
Мы их в дороге сочиним,
И ни на миг не позабудем,
Что мы огнем горим одним.
Когда с тобою на корме мы,
Что мне все песни прошлых лет?
Твои лобзанья мне поэмы,
И каждый сердца стук – сонет!
На океанском пароходе
Ты так же мой, я так же твой!
Ведет нас при любой погоде
Любовь – наш верный рулевой.
Voor V.K.
Wij moesten maar eens op Gods aarde
Op reis, verweg, getweeën gaan,
Met nieuwe ogen die bejaarde
Planeet van ons bekijken gaan!
Zijn echt zo droevig al die gondels,
Drukt ’t gouden Rome ons terneer?
Wij, in Toscane aan de wandel,
In ’t dal, bespreken Dante weer.
Zijn echt jouw avonden smaragden,
Betoverend, rijk Istanbul?
Bedwelmt ons daar van dag tot dag je
Zo opgewekte marktgewoel?
Wat kan ons, die van zwerven dromen
Verweg, de klem der afstand zijn,
Ons, die tot China’s tuinen komen,
Chimères langs van porselein?
We nemen geen gedichten mede,
Die scheppen we wel onderhand,
En nimmer zullen wij vergeten
Dat in ons saâm één vuurzee brandt.
Staan jij en ik aan dek intussen,
Wat deert m’elk lied van vroeger nog?
Poëmen zijn me toch jouw kussen,
Sonnet is elke hartslag toch?
Op ’t schip, de oceaan doorklievend,
Ben ik de jouwe, jij de mijn’!
Ons voert door ieder weer de liefde –
Betrouwbaar stuurman zal zij zijn.
(V.K.: Vsevolod Gavriilovitsj Knjazev [1891-1913], dichter, minnaar
van Koezmin sinds 1910. Hij maakte een eind aan zijn leven,
verscheurd als hij was door zijn liefde voor enerzijds Koezmin, en
voor anderzijds de danseres en actrice O.A. Glebova-Soedejkina
[1885-1945])
Vertaling Kees Jiskoot