Michail Koezmin



Floris en de rover



Van de Russische symbolistische dichter/ schrijver Michail Koezmin (1872-1936) is niet veel vertaald in het Nederlands. Van zijn proza is tot nu toe alleen verschenen de roman Op vleugels (Krylja, 1907; de vertaling dateert van 1984) en, heel recent (2022), als No. 3 in de serie Russisch Zilver, de novelle Het huisje van bordpapier (Kartonny domik, 1907). Koezmin verdient ruimere aandacht; wellicht wordt die gestimuleerd door onderstaand verhaal.




I

Iedere keer dat Florus Aemilius de tegenoverliggende muur bereikte, die van dezelfde glanzende rode steen was gemaakt, draaiden zijn bleek geworden gezicht en zijn luid klinkende voetstappen, die zo weinig leken op zijn gewone, lichte manier van lopen, zo plotseling om, dat de oude slaaf en de stomme jongen, die op de grond zaten, angstig in elkaar doken en verschrikt opkeken als de zoom van het blauwe kleed van hun heer bij dat omdraaien langs hen streek.

Als het ware vermoeid door zijn heen en weer geloop stuurde hij de oude man weg, en schudde met gesloten ogen zijn hoofd, ten teken dat hij geen huishoudelijke berichten wilde horen. De jongen kroop naar de man die inmiddels was gaan zitten toe, kuste zijn knie en keek hem in de ogen. Nadat de man de grote newfoundlander had gefloten gingen ze gedrieën de tuin in, waar ze weer achter elkaar gingen lopen: de heer, zwijgend, met grote stappen voorop, dan, trippelend, de stomme jongen; haastig, zwaaiend met zijn grote kop, kwam de newfoundlander achter hen aan.

Tot rust gekomen door zijn tweede vermoeidheid ging Florus zijn huis binnen en schreef verder aan de brief waaraan hij al begonnen was:

‘…je zult het wel kinderachtig vinden, maar ik ga je zeggen dat deze kleinigheid mij berooft van mijn gemoedsrust en geestelijk evenwicht, die noodzakelijk zijn voor iedereen die de menselijke waardigheid ter harte gaat. Onlangs kwam ik een eenvoudig mens tegen, die ik nog nooit eerder had gezien, maar die er zo bekend uitzag dat ik, als ik de leer van de zielsverhuizing van de brahmanen had gedeeld, ervan overtuigd was geweest dat ik hem in een vorig leven had ontmoet. En vreemder is nog dat de gedachte aan deze ontmoeting, die in mijn hoofd steeds krachtiger werd, zoals bonen opzwellen die een nacht lang in water worden geweekt, mij geen rust geeft, en ik ben bereid deze man zelf te gaan zoeken, aangezien ik niet kan besluiten op een ander te vertrouwen en mezelf schaam voor mijn zwakheid. Dit heeft misschien te maken met de gebrekkige staat van mijn gezondheid: op grond van geregelde duizelingen, slapeloosheid, zwaarmoedigheid en redeloze angst kan die moeilijk bevredigend worden genoemd. De man die ik tegenkwam had ongewoon heldere grijze ogen bij een bruine huid en donker haar; qua lengte en bouw leek hij op mij. Groeten aan Calpurnius, een kus voor je kinderen; de amforen heb ik al een tijd geleden naar jouw huis in de stad gestuurd. Nogmaals, alle goeds.’


II

De arts zweeg even en vroeg: ‘Welke toestand lijkt het meeste op die van jou, heer?’

‘Ik heb nooit de situatie ervaren van iemand die in de gevangenis zit, maar ik denk dat de situatie waarin ik me bevind daar toch het meest op lijkt: sinds enige tijd worden mijn bewegingen gehinderd, wordt zelfs mijn wil ingeperkt. Ik wil lopen – en kan dat niet, ik wil ademen – en begin te hijgen; een vage onrust en treurigheid hebben de overhand over mij.’

Florus zweeg, alsof het spreken hem vermoeide; hij werd bleek en begon opnieuw: ‘Misschien heeft de droom die ik vóór mijn ziekte heb gezien invloed op mijn idee van de gevangenis.’

‘Had je een droom?’

‘Ja, zo’n heldere, duidelijke droom! En het vreemde is, hij gaat als het ware tot nu toe door, en als ik dat zou willen (daar ben ik van overtuigd) zou ik daarin gewoon mezelf kunnen blijven en jou, vriend, als een spook beschouwen.’

‘Verontrust je dat niet dat tegen me te zeggen?’

‘Nee, nee!’ antwoordde Aemilius haastig, en veegde de zweetdruppels af die op zijn bleke voorhoofd waren verschenen. Alsof hij zich iets herinnerde begon hij met moeite, hortend, met een stem die nu eens plotseling bijna schreeuwde, dan weer wegzakte in hoorbaar gefluister: ‘Zeg tegen niemand wat je nu zult horen… zweer het… misschien is dit de echte waarheid. Ik weet het niet… ik heb gedood – denk niet… het was daar, in mijn droom. Ik vluchtte, zwierf lange tijd rond, voedde me met bessen (ik herinner me, wilde kersen), stal brood, melk rechtstreeks uit de uiers van de koeien in het veld. Ach, de zon brandde en het moeras maakte me dronken! Toen ik door de havenpoort naar binnen ging werd ik aangehouden als iemand die een mes had gestolen. Een grote, roodharige handelaar (ja, ze schreeuwden “Titus” tegen hem) hield mij, die verzwakt en in de war was, vast; een roodharige vrouw lachte luid, een roodharige hond jankte tussen mijn benen, er lagen anjers op straat, er liepen in brons geharnaste soldaten… ze sloegen me… de zon brandde… Daarna duisternis en een verstikkende koelte. O, koelte van tuinen, van heldere bronnen, van de bergwind, waar ben je...?’

Florus, krachteloos, zweeg en boog zich voorover. De arts zei ‘slaap maar’ en ging naar de beheerder om over de zieke te praten. De stomme jongen luisterde, met gretig geopende ogen en mond. Tegen de avond ontbood Florus zijn oude njanja. Op haar hurken sprak de oude vrouw, die geen sprookjes en herinneringen uit de kindertijd meer kende, zonder enig verband over wat haar gebrekkige ogen hadden gezien en haar dove oren hadden gehoord. Gehuld in haar mantel mummelde de njanja: ‘Zoontje, onlangs zag ik bij de havenpoort een moordenaar: hij had een mes in zijn hand, maar zag er niet verschrikkelijk uit; heldere, ach, hij had heldere ogen, donker haar, een jongen zo te zien. Mijn schoonzoon, de winkelier Titus, hield hem vast…’

Florus gaf een schreeuw, pakte haar hand: ‘Hou op! Hou op! Ga weg! Titus, zeg je? Titus, jij heks?’

Verschrikt door het geschreeuw rende de jongen de kamer in.


III

Nog veel dagen duurde de strijd, waarbij de zieke geregeld zei: ‘Ik kan niet meer: dit gaat mijn krachten te boven!’, en de bleke man werd bijna zwart, verteerd door een geheimzinnige ziekte. Er kwamen donkere kringen om zijn ogen en zijn stem kwam als uit een verdroogde keel. ’s Nachts sliep hij niet, kwelde de stomme jongen met zijn angst.

Op een morgen, na te zijn opgestaan nog voordat het licht werd, wilde hij zijn hoed en mantel hebben, alsof hij van plan was op reis te gaan. De oude man vroeg niets, maar Florus beantwoordde zijn blik slechts met de woorden: ‘Je moet me volgen!’

De heer liep opnieuw licht en gemakkelijk; zijn vuurrode ingevallen wangen hadden weer de kleur van een roos gekregen. De tocht over straten en pleinen bracht hen ver van huis, zonder dat de slaaf begreep waar ze heen gingen. Ten slotte besloot hij het te vragen, toen ze bleven staan alsof ze hun doel hadden bereikt. ‘Ga je hier naar binnen, heer?’

‘Ja.’

De stem van Florus klonk zorgeloos. Ze gingen de gevangenis binnen. Aangezien men Florus Aemilius kende als een rijk en aanzienlijk man lieten ze hem zonder probleem toe, ook al moest hij ervoor betalen, om te kijken of er zich onder de gevangenen misschien een onlangs weggelopen slaaf van hem bevond. Snel, aandachtig speurde hij de gevangenis van onder tot boven af, alsof hij met zijn blik hem vroeger bekende ogen zocht. Zuchtend vroeg hij: ‘Dit zijn alle gevangenen hier? Meer zijn er niet?’

‘Nee, heer. Gister is er een gevlucht…’

‘Gevlucht?... Zijn naam?...’

‘Malchus’

‘Malchus?’ herhaalde hij, alsof hij zijn oren spitste, ‘heldere ogen, donker, zwart haar?’ vroeg Florus verheugd.

‘Ja, dat is hem, heer,’ knikte de cipier.

Hij was vrolijk als nooit tevoren toen hij het gebouw verliet, Florus Aemilius, sprak als een kind, met glanzende ogen, die zijn donkere kringen nog niet kwijt waren.

‘Mijn oude Mummus, kijk, was de hemel ooit zo lieflijk, waren de bomen en het gras ooit zo vriendelijk? We gaan te voet naar mijn boerderij; ik zal wilde kersen eten en melk drinken rechtstreeks uit de spenen van de koeien. De dagen zullen aangenaam voorbijgaan! Jij bezorgt me een meisje dat naar gras ruikt, naar geit en een beetje naar ui; de stomme Lukas nemen we niet mee naar het dorp. Ach, oude Mummus, ben ik ooit zo gezond geweest? De wolken zijn als in de lente, als in de lente!’


IV

’s Morgens ging Florus blij op weg en verliet hij de aangename woning van zijn bezitting om over smalle en brede wegen lange wandelingen te maken. Het meisje dat was gevonden, Gorgo, was stil, zwijgzaam, gehoorzaam en eenvoudig, als een kalfje; ze gaf haar gebruinde lichaam gemakkelijk en zuiver; ze wachtte in huis en zong oude liedjes.

Lucas de stomme, die zelf naar het landgoed was gesneld, begeleidde zijn heer overal; er blonk vreugde in zijn trieste ogen en op zijn vermoeide jongensgezicht. Zwijgend volgde hij Florus, zonder hem ook maar een ogenblik alleen te laten in diens plotseling teruggekeerde vrolijkheid. Steeds maar over bergpaden lopen, in het met veelkleurige bloemen bezaaide gras liggen, op zijn rug eindeloos naar de blauwe hemel kijken, eenvoudige boerenliedjes zingen, de stomme dwingen op de dubbelfluit te blazen! De witte, helderwitte, verblindend witte wolken stonden stil boven de bosschages en de rivier; ze wachtten. Met de sporen van melk op zijn lippen, ongeschoren, kuste Florus Gorgo met een rode mond, niet meer denkend aan de zwoelheid van de stad en niet lettend op de uienlucht. De stomme Lucas weende in een hoek. De ene dag reeg zich aan de andere, zoals bloem na bloem tot een krans wordt gevlochten.

Op een avond, midden in een zorgeloos spel, was het alsof Florus werd overmand door duistere smart of gegrepen door een onzichtbare vijand. Met een direct hees geworden stem zei hij: ‘Wat is dit? Waar komt deze duisternis vandaan? Deze gevangenschap?’ Hij ging op een laag bed liggen, met zijn gezicht naar de muur, en zuchtte zwijgend. Stil kwam Gorgo binnen, en omhelsde hem die niet naar haar keek. Florus duwde haar weg en zei: ‘Wie ben je? Ik ken je niet, nu niet: let op, wanneer het slot knarst zal het de slapende bewaker wakker maken.’ Zwijgend deed ze een stap achteruit, en de stomme kwam weer aangekropen en kuste, als een hond, de hand die naar beneden hing.


V

Het was een bedrukkende nacht voor de bedienden die bij de ingang van de slaapkamer van Florus lagen te sluimeren. Alleen Lucas was, stom en toegewijd, bij zijn heer gebleven. Lange tijd waren alleen de stappen van de heen en weer lopende Aemilius te horen. Tegen de morgen werden de bedienden overmand door de lichte slaap van voor de zonsopgang. Plotseling werd de lucht verscheurd door een kreet die niet leek op een menselijke stem. Het was alsof iets onmenselijks had geroepen: ‘De dood!’ en daarmee een vroege echo had gewekt.

De dienaren die aarzelend op de deur hadden geklopt werden binnengelaten door de stomme jongen, wiens gezicht van angst onherkenbaar was. ‘De dood, de dood!’ herhaalde hij met een woeste stem, die niet gewend was woorden uit te spreken. Zonder zich zelfs te verbazen over de klanken die de stomme uitstootte haastten de dienaren zich naar het bed waarop de heer, achterover, met een zwart geworden gezicht, onbeweeglijk lag. Lucas ging terug naar Florus’ bed, alsof dit een door allen verlaten plaats was, boog zich naar de grond en zakte snel en geluidloos in elkaar. Men haastte zich met het vreselijke nieuws naar de arts en de beheerder.

De stomme hield niet op ‘de dood’ te roepen, alsof het vermogen om klanken tot stand te brengen hem alleen gegeven was om dit woord uit te spreken.

Florus lag daar, met zijn zwart geworden gezicht achterover en zijn hand die levenloos naar beneden hing. De arts die het lichaam had onderzocht en de dood had vastgesteld wees de beheerder verbaasd op een kleine, donkere, gezwollen bloeduitstorting op de hals van de dode, die hij onmogelijk kon verklaren. De enige getuige van de dood van Florus Aemilius, de stomme Lucas, die het goddelijke spraakgebrek had overwonnen door de wonderlijke angst die hem de gave van het woord had teruggegeven, zei: ‘De dood! De dood! Weer opgesloten… hij loopt, loopt: ging, als vermoeid, op zijn bed liggen… zei geen woord tegen me; tegen de morgen begon hij onrustig te reutelen; ik haastte me naar hem toe; hij sloeg zijn ogen naar me op, draaide ze weg, reutelend. Goden! De morgen schitterde rood door het raam. Florus, zwart geworden, lag bewegingloos…’

Men vergat Lucas in de treurnis van de begrafenisbeslommeringen.

Het was nauwelijks licht geworden toen de volgende morgen een bij niemand bekende oude man, blootsvoets en haveloos, bij het huis aankwam en vroeg Florus te zien. De beheerder ging naar buiten, in de hoop enige uitleg te krijgen over de dood van de heer. De oude man zag er koppig en eenvoudig uit. Rondom blafte een meute honden.

‘Je wist niet dat de heer Florus Aemilius is overleden?’

‘Nee. Maakt niet uit. Ik heb gedaan wat me is opgedragen.’

‘Wie heeft je een bevel gegeven?’

‘Malchus.’

‘Wie is dat?’

‘Hij is er nu niet meer.’

‘Is hij gestorven?’

‘Gistermorgen is hij opgehangen.’

‘Kende hij de heer?’

‘Nee. Hij stuurde hem, die hij niet kende, zijn liefde en bericht over zijn dood. De stommen zullen bij u gaan spreken.’

‘Dat doen ze al,’ zei Lucas die naderbij was gekomen en zich over de smerige hand van de oude man boog.

‘Wil je de overledene niet zien?’

‘Waarom? Is hij zo veranderd in zijn gezicht?’

‘Heel erg.’

‘Ook hem heeft de strop veranderd. Hij heeft een groot teken op zijn hals.’

‘Moet je nog veel zeggen?’

‘Nee, ik ga.’

‘Ik ga met je mee,’ zei Lucas vriendelijk tegen de onbekende.

De zon had de hof al roze gekleurd en de gehuurde klaagvrouwen richtten, hun magere borsten ontblotend, doordringende kreten naar de hemel.



Vertaling Willem G. Weststeijn




<

TSL 94

>