In februari 1948 kwamen in Tsjechoslowakije na een staatsgreep de communisten aan de macht. In snel tempo werden de
typische kenmerken van Stalins totalitaire
bewind uit de Sovjetunie overgenomen:
een strakke planeconomie, de persoonlijkheidscultus (met Klement Gottwald
als Stalins Tsjechoslowaakse evenknie),
de repressie van alles wat van het marxistisch-leninistische dogma afweek en – als
culminatie van deze repressie – grootscheepse politieke zuiveringen met behulp
van schijnprocessen. In het decennium na
de staatsgreep werden naar schatting ruim
200 000 mensen op politieke gronden gevangengenomen en werden er ongeveer
tweehonderd geëxecuteerd. Rehabilitatie volgde veelal kort voor of tijdens de
Praagse Lente van 1968 of, nog later, na
de Fluwelen Revolutie van 1989.
Het meest geruchtmakende politieke proces was dat tegen Rudolf Slánský,
destijds na Gottwald de invloedrijkste
communist van het land. Samen met een
aantal medestanders werd hij in 1952 ter
dood veroordeeld op beschuldiging van
‘trotskistische, titoïstische en zionistische
activiteiten’. De meeste opgepakte schrijvers ontsnapten aan een terdoodveroordeling, maar brachten vaak vele jaren door
in zwaarbewaakte gevangenissen of in
strafkampen. Van deze auteurs was tot nog
toe niets in het Nederlands vertaald, in tegenstelling tot politiek gevangenen van de
volgende generatie, zoals Eva Kantůrková,
die in het boek Mijn lotgenoten haar leven
in een gevangenis in de buurt van Praag
beschreef, en natuurlijk de toneelschrijver
Václav Havel, die in de tweede helft van de
jaren zeventig uitgroeide tot boegbeeld van
de Tsjechoslowaakse dissidentie.
Behalve de dichter Jan Zahradníček
werd ook een aantal bekende prozaschrijvers tijdens het regime van Gottwald opgesloten. Ik noem er hier drie. In de eerste plaats Karel Pecka (1928-1997), ook
weleens ‘de Tsjechische Solzjenitsyn’
genoemd. Zijn tien jaar verblijf in een
strafkamp vonden hun neerslag in de verhalenbundel (Na co umírají muži) (‘Waaraan mannen sterven’) en in zijn tweedelige autobiografie Motáky nezvěstnému
(‘Sluikbrieven aan een vermiste’). Lenka
Reinerová (1916-2008) was een van de
laatste Duitstalige Joodse schrijvers in het
land. Zij verdween in de gevangenis als
medestandster van Slánský. In haar boek
Alle Farben der Sonne und der Nacht
geeft ze uitvoerige beschrijvingen van
de vele ondervragingen waaraan ze werd
onderworpen. En ten slotte Jiří Mucha
(1915-1991), aan wie eveneens een bijdrage in dit nummer van Tijdschrift voor
Slavische Literatuur is gewijd.
Al deze auteurs konden hun werk pas
tijdens de Praagse Lente publiceren. De
memoires van Mucha, Studené slunce
(‘Een koude zon’), verschenen eerst in
Engelse vertaling in Londen onder de titel Living and Partly Living en pas een jaar
later, in 1968, in de Tsjechische versie. In
het geval van Reinerová verscheen eerst
de Tsjechische vertaling, maar omdat het
intussen 1969 was en de periode van ‘normalisering’ was ingetreden, werd de hele
oplage van haar boek geconfisqueerd. De
gevangenisgedichten van Zahradníček
verschenen postuum en kennen een bijzondere publicatiegeschiedenis – waarover zo meteen meer.
Jan Zahradníček werd geboren in een
dorpje in de buurt van de Moravische stad
Třebíč, in een landbouwersgezin. Op zijn
eenentwintigste vertrok hij naar Praag om
aan de Karelsuniversiteit Germaanse taalen letterkunde te studeren, maar die studie maakte hij niet af. In 1931 voltooide
hij een opleiding tot bibliothecaris – een
beroep dat hij nooit zou uitoefenen. In de
jaren dertig verdiende hij voornamelijk de
kost met vertaalwerk, vooral uit het Duits
(Thomas Mann, Rainer Maria Rilke en anderen), maar ook uit het Engels (John Galsworthy). Tegelijk frequenteerde hij Praagse literaire kringen en raakte bevriend met
František Halas, een dichter met communistische sympathieën, terwijl Zahradníček
zelf een overtuigd katholiek was.
Zahradníčeks eerste dichtbundel, Pokušení smrti (‘Verleiding van de dood’)
uit 1930, droeg nog duidelijk het poëticale
stempel van het decadentisme. In de volgende bundels, zoals Žíznivé léto (‘Dorstige zomer’) uit 1935 werd de toon optimistischer en veranderde de thematiek:
het geloof in God en de aanwezigheid van
het goddelijke in de natuur – een vorm van
pantheïsme – spelen nu een belangrijke
rol. De verbondenheid van het aardse met
het metafysische is een ander terugkerend
motief. De uitgesproken christelijke invalshoek van zijn gedichten deelde hij met
andere Tsjechische katholieke dichters,
zoals Jakub Deml. Zahradníčeks poëzie
van de jaren dertig kan deels ook als een
reactie worden gezien op de succesrijke,
veel speelsere stroming uit de jaren twintig die ‘poëtisme’ (poetismus) heette en
waartoe vooral linkse dichters als Jaroslav
Seifert en Vítězslav Nezval behoorden.
Vanaf het einde van de jaren dertig
verwoordde Zahradníček in toenemende
mate zijn conservatieve levensbeschouwing. Zo publiceerde hij in 1938 een door
velen bekritiseerd essay onder de titel Pláč
koruny svatováclavské (‘Het wenen van
de kroon van de Heilige Wenceslaus’),
waarin hij van leer trok tegen zowel het
protestantisme als het socialisme en communisme. Volgens hem vormden al deze
stromingen een bedreiging voor de traditionele Tsjechische morele waarden. De
politieke en religieuze opvattingen van de dichter kwamen kort na de Tweede Wereldoorlog ook naar voren in twee dichtbundels, die in belangrijke mate zouden
bijdragen tot zijn arrestatie enkele jaren
later. In 1946 hadden de communisten een
klinkende overwinning behaald bij de eerste parlementsverkiezingen in naoorlogs
Tsjechoslowakije. In die context schreef
hij de bundel La Saletta (1947), waarin
hij de verschijning van de Moeder Gods
aan twee kinderen in het Franse plaatsje
La Salette (één eeuw eerder, in 1846) evoceerde. Maria’s oproep tot inkeer en tot
een terugkeer naar de christelijke waarden
wordt in de gedichten van Zahradníček
een waarschuwing voor de sovjetisering
van de samenleving. De volgende bundel, Znamení moci, (‘Het teken van de macht’)
uit 1951, bouwt verder op deze waarschuwing, maar dan met meer pathos en met
concrete verwijzingen naar de socialistische staat die intussen werkelijkheid is
geworden. Vanzelfsprekend kon het boek
destijds niet worden gepubliceerd.
In juni 1951 werd de dichter in Brno gearresteerd door agenten van de Staatsveiligheid, samen met een aantal andere
katholieke dichters en intellectuelen. De
jongste van zijn drie kinderen was op dat
moment nog geen drie weken oud. Een
jaar later werd Zahradníčk veroordeeld
tot een gevangenisstraf van dertien jaar.
De aanklacht: staatsondermijnende activiteiten en ‘verspreiding van de meest
reactionaire ideeën van het Vaticaan’.
Dankzij de persoonlijke tussenkomst van
Jaroslav Seifert bij president Zápotocký
werd de straf uiteindelijk teruggebracht
tot negen jaar. Die tijd bracht hij door
in diverse Moravische gevangenissen,
meer bepaald in Brno, Znojmo en Mírov,
maar ook in de beruchte Praagse strafinstelling Pankrác en in Leopoldov, een
zeventiende-eeuwse vestingstad in Slowakije die tot een grote gevangenis was
omgebouwd. In Pankrác ontwikkelde hij
een vertrouwensrelatie met de opzichter
van de gevangenisdrukkerij, een zekere
Václav Sisel. Deze man zorgde voor het
papier waarop Zahradníček in het grootste geheim zijn gedichten neerschreef.
Sisel smokkelde de manuscripten in 1953
de gevangenis uit en begroef ze in zijn
tuin. Pas vijftien jaar later, dus tijdens de
Praagse Lente, lang na de dood van de
dichter, groef hij ze weer op. Hij overhandigde ze aan de schrijvers František
Křelina en František Knap, die ze op hun
beurt bewaarden. Andere gedichten had
Zahradníček gememoriseerd, waardoor
hij in staat was om ze bij zijn vrijlating
in 1960 op te schrijven. Op die manier
ontstond de bundel Dům Strach (‘Huize
Angst’), met in totaal 41 gedichten. De
bundel verscheen pas geruime tijd later,
namelijk in 1981, bij de beroemde Tsjechische tamizdat-uitgeverij Sixty Eight
Publishers in het Canadese Toronto. Enkele jaren later kwam het boek ook uit bij
een ondergrondse uitgeverij in Tsjechoslowakije, dus in de samizdat, meer bepaald bij Edice Expedice, die door onder
meer Václav Havel was opgericht.
De meeste gedichten in ‘Huize Angst’
zijn in vrije verzen geschreven; slechts
hier en daar is er klassieke metrische poëzie met eindrijm. Het parlando-effect dat
met het vrije vers gepaard gaat, brengt
een soort van intieme relatie tussen lyrisch subject en lezer tot stand. Dit zien
we ook in de briefgedichten, waarin de
jij-vorm wordt gebruikt, zoals in ‘Brief
aan mijn vrouw’ (‘Dopis mé ženě’). Niet
verwonderlijk voor Zahradníčeks poëzie
spelen zowel de natuur als bijbelse motieven een belangrijke rol in deze bundel. De
benauwde ruimte van de gevangeniscel
vormt het uitgangspunt van contrasten:
tussen deze binnenruimte en de wijde wereld daarbuiten, maar ook tussen absolute
eenzaamheid en het contact met andere
mensen, al is het maar door middel van
klopsignalen die de gevangenen elkaar
toesturen.
In 1956 werd Jan Zahradníček door
een volgende dramatische gebeurtenis getroffen. Zijn vrouw Marie en zijn kinderen
werden ernstig ziek na het eten van giftige paddenstoelen. Zijn twee dochtertjes
overleefden het niet. Zahradníček kreeg
verlof om hun begrafenis bij te wonen. De
gevangenisautoriteiten deden hem de toezegging dat hij de gevangenis voorgoed
mocht verlaten, maar deze belofte werd
niet nagekomen, waardoor hij alsnog voor
vier jaar achter de tralies verdween. In
deze laatste periode van zijn leven werkte
hij aan zijn laatste bundel, die uiteindelijk
de titel Čtyři léta (‘Vier zomers’) meekreeg. Het centrale thema van dit boek
is niet het leven in de gevangenis, maar
de rouw om de overleden dochters van de
dichter. In tegenstelling tot ‘Huize Angst’
kon ‘Vier zomers’ wél bovengronds in
Tsjechoslowakije worden uitgegeven,
in 1969 (nog net voordat de ‘normalisering’ intrad) bij de grote staatsuitgeverij
Československý spisovatel. Zahradníček
maakte dit zelf allemaal niet meer mee.
Gebroken door verdriet en door de ontberingen tijdens zijn jarenlange opsluiting
Pankrác-gevangenis te Praag
overleed hij in oktober 1960, een halfjaar
nadat hij was vrijgelaten.
Dankzij de vertalingen van Kees
Mercks voor dit nummer van TSL is een
deel van Zahradníčeks bijzondere gevangenislyriek nu voor het eerst in het Nederlands beschikbaar.
Bronnen:
Jiří Hanuš,‘Jan Zahradníček (1905-1960):
The Tragedy of a Poet and Prisoner of the
Communist regime’, in: Acta Poloniae
Historica, 2018, 118, p. 127-150.
Harold Segel, The Walls behind the Curtain: Eastern European Prison Literature, 1945-1990 (Pittsburgh: University of
Pittsburgh Press, 2012).
Josef Vojvodík & Jan Wiendl, Jan Zahradníček: poezie a skutečnost existence
(Praha: Institut pro studium literatury,
2018).
Jan Zahradníček, Dům Strach (Toronto:
Sixty Eight Publishers, 1981).
Ik heb buren rechts en buren links.
En ook onder mijn voeten en boven mijn hoofd.
Zo dichtbij
en de afgronden tussen ons van plafonds en muren.
We zijn allemaal alleen.
Een druppel van die ruisende rivier van het universum.
En wanneer we elkaar klopsignalen geven,
zijn dat de klopsignalen van mijnwerkers die honderden meters
onder de grond bedolven zijn.
Het zijn signalen van Mars.
We hebben elkaar nooit gezien, geen teken of sleutel
met elkaar afgesproken
waarmee die wederzijdse expresberichten te decoderen
zouden zijn.
En zo vermoeden we slechts dat er achter de muur iemand wacht,
net zo iemand als ik,
met net zo’n vleugje desperate hoop
slingerend tussen verleden en toekomst
tussen de deur en het raam dat ons met zijn tralies kruist.
We weten niet waar. We weten niet waarheen.
Alleen het verre blaffen van honden, het zoemen van vliegen
troosten ons
dat we niet naar een andere planeet gedeporteerd zijn,
dat we niet op Mars zijn of op de maan, maar nog steeds
op aarde.
Daarin schuilt hoop op terugkeer.
Er schuilt heel wat troost in
wanneer de zon ’s morgens gelijktijdig in alle cellen
binnendringt.
En daarna schrijdt zijn gouden icoon
de hele ochtend door met vrome waardigheid voort
van de ene hoek naar de andere,
langs deze lege muren,
langs dit armzalige gevangenismeubilair.
Zo draait de aarde met ons rond. Zo komt allengs het middaguur
immens ver vanaf de Himalaya op de Kaukasus aan,
waar miljoenen gevangenen het hun doemka1 toezingen.
En dan de grote rivieren van het Oosten overstekend
nadert het andere gebergtes, andere rivieren,
ons.
En intussen jaagt
aan het andere eind van de wereld
het paard van middernacht,
alsof het de verre zon op sleeptouw heeft,
over de prairies van de Atlantische naar de Stille Oceaan
en in alle steden tussen Boston en San Francisco
worden successievelijk
de jaloezieën opgehaald, de vermoeide oogleden geopend.
En beide Amerika’s varen als schepen met slapenden
door het donker,
Sint-Elmsvuur op de masten van de Cordillera,
op de masten van de Andes.
Dus we zijn nog op aarde en toch ook erbuiten.
We krijgen geen berichten door over die overslaande
spanningsvonken
tussen de landen van het Oosten en het Westen. Wij kloppen naar
elkaar,
al was het maar om vast te stellen
dat we tot die twee miljard verbannen zonen van Eva horen.
En van beide zijden van de wereld, die gescheurd is als een
tempelgordijn
,
trekt onuitsprekelijk gejammer door ons heen tot in het donker
van de mond
en God hoort hen.
Waarmee en hoe jouw jubel uit te drukken,
verkondiger van dageraden die deze straat
uitkoos, dit huis tegenover mijn raam
dat troebel en wazig voor zich uit staart,
dag en nacht nabootsend.
Cloacaal gekir van harmonica’s klinkt,
gegil van huizenblokken, die bewoners uitspuwen
en weer oplikken.
Maar alleen jij, jouw loflied, al in het paradijs aangevangen,
dringt door het donker heen dat mij vermorzelt
tot de gedaante van een worm slechts,
ik, die klodder smart, die rochel uit Molochs mond.
En terwijl buiten golven gras met zijdezachte souplesse
vloeien en de wijnstok bloeit
en terwijl een stroom gebeden ten hemel stijgt
en er bij vrienden droefheid heerst om waar ik heen verdween,
zeg jij me dat er vreugde is die niet ophoudt te bestaan.
En met tranen overgoten zucht ik weer en betuig dank.
Betuig dank denkend aan de zo argeloze kinderoogjes
in de hondse huichelachtigheid van spionnetjes
en deuren zonder klink.
Ze spelen een kat-en-muisspel met me.
Vaarwel, vrouw van me, vaarwel jullie thuis.
Er is vreugde, vreugde, vreugd
ook hier beneden waar wereldleed haar bodem heeft.
Ook tussen deze droevige gevangenismeubels
van het hout van Gethsemane.
Men zegt dat het leven… het is echt waar
dat mijn hart ineenkrimpt
wanneer ik de kwasten tel in de kerkervloer
en ik hierin de vorm zoek van zeg een hondje
dat iets vangt
of van een pony met wapperende manen.
Terwijl intussen een paar huizen verder
mijn zoontje met zijn moeder door de aangrenzende straat loopt.
Met de ogen nog in het paradijs
snapt het niet waarom ik die morgen zo in allerijl
moest vertrekken,
toen vreemde mannen me op kwamen halen.
En waarom mama huilde.
Hij snapt het niet, denkt: Waarom voerden ze hem zo in allerijl
af?
Op een avond. Hij brandde zijn vingers aan stroom.
Het was paaszaterdag toen ik wegging om de Verrijzenis te
vieren.
Net toen de priester, in hyacintengeur veranderd, de Hostie hief
en ik dat vreselijke jaar het Halleluja hoorde zingen,
lekten voor hem thuis
vlammetjes uit zijn vingers,
de kerkers waren in bedrijf, mijn gevangenname in aantocht.
Ik lees onder andere in jouw brief
dat de petunia’s op de vensterbank bloeien
en dat de philodendron blad na blad uitloopt.
Het moet heerlijk zijn zo tegen de avond op het balkon
hoog boven de stad van mijn gedichten,
terwijl de zon langs het gordijn glijdt.
Ik sluit mijn ogen, ik wil niet zien.
Een ander lot is me nu beschoren
Hier beneden – diep onder de straat.
Miljoenen ogen zijn er dit moment
die zouden willen kijken, maar niet kijken
wie er met geweld van hen gescheiden zijn…
Te midden van de helsere hel die ons hier mangelt
klamp ik me met alle macht vast aan hoop.
Geloof me. Het donker gaat voorbij. Ik kom weer bij jullie terug.
Je staart voor je uit en haalt herinneringen op.
Je weet niet waar ik ben, en je kunt je niet voorstellen
hoe ik hier met lege handen zit,
een gast van bitse schijnheiligheid
voor wie de zon iets kostbaars werd
en die als Dante in zijn hel
niet zo snel de sterren ziet,
noch de maan noch de wind in de bomen,
noch jouw glimlach vol zomer.
Je weet niet waar ik ben en toch ben ik zo dichtbij.
Haast hoor ik je zachtjes lopen
langs die lieve dingetjes van kennissen
om de kinderen niet wakker te maken. Het is ’s ochtends vroeg
en de zon laait op.
Die grote zon van de vakantie, die zon van oogsten
die dreunt door de straten en het lijkt mij hier in de cel
dat buiten iedereen naar het oogstfeest op weg is.
Anders zouden ze niet zo opgewonden praten of zich zo haasten.
Alle trottoirs weerklinken hiervan. Ik hoor de verse stappen,
de ongedurigheid,
alsof ze in kinderdromen geloven
en zich nu snel vergewissen
van dat ongehoorde wonder.
Ook jij loopt daar ergens. Je gaat naar de kerk
en dan boodschappen doen. Je hebt de zorg voor de kinderen.
Je kreeg allemaal droombeelden van hen.
Allemaal wonderen zou je graag bevestigd willen zien.
Je gelooft alle,
Alle herinner je je en zou je me graag vertellen
zodra ik thuiskom.
Mijn zoontje, schrijf je,
heeft er een hard hoofd in.
Troost hem. Niet huilen. De dagen duren toch wel korter.
Het moment van beslissing komt hoe dan ook dichterbij.
Bedenk, we staan hier niet alleen in. Denk je eens die wrakken in
van ontwrichte huishoudens, die al bijna uitgedoofde sintels.
Het zou niet passen groot geluk met je mee te dragen
nu God lijdt en de menselijke gedaante
zo bezoedeld is.
Vertaling Kees Mercks met medewerking van Eric Metz