Jiří Mucha (1915-1991) hield zich van
jongs af aan al bezig met schrijven. Creativiteit zat waarschijnlijk in de familie,
want hij was de zoon van de wereldberoemde kunstenaar Alfons Mucha. Jiří
werd geboren in Praag, maar reisde als
kind al de hele wereld over. Hij studeerde geneeskunde en kunstgeschiedenis in
Praag, maar bracht tijdens zijn studie veel
tijd door in het buitenland, met name in
Frankrijk; zijn vader had namelijk een
atelier in Parijs. Vanaf 1937 werd hij
correspondent voor het dagblad Lidové
noviny (Volkskrant) in Parijs. In 1939
sloot hij zich als vrijwilliger aan bij het
Tsjechoslowaakse leger in Frankrijk, dat
halverwege het jaar 1941 wegens de opkomst van het Duitse leger uitweek naar
Groot-Brittannië. Daar was hij een aantal
jaar werkzaam als oorlogscorrespondent
voor de BBC. In 1945 keerde hij definitief terug naar Tsjechoslowakije, al voelde deze terugkeer voor hem na zijn tijd in
het buitenland als een desillusie. In 1951
werd hij beschuldigd van spionage en veroordeeld tot zes jaar strafkamp, waarvan
hij er uiteindelijk ‘slechts’ drie heeft gezeten. ‘Een koude zon’ (Studené slunce,
1968) is een autobiografisch verslag van
zijn tijd als dwangarbeider in een kolenmijn in Kladno. Het is geschreven in dagboekvorm en ingedeeld in twaalf hoofdstukken, één voor elke maand van het jaar.
Hij beschrijft hierin niet alleen zijn leven
in het kamp, maar blikt tevens terug op
zijn eigen rijke verleden. Vanwege de manier waarop hij verslag doet van zijn eigen
zieleleven, wordt het boek door velen beschouwd als zijn beste werk, dat vandaag
de dag nog steeds aangrijpend is.
Zeshonderd meter onder de grond, te midden van diepe duisternis,
slechts verlicht door een enkele, trillende vlam van een mijnlamp,
neem ik plaats op een houtblok, dat bedekt is met een laag kolengruis,
zodat ik mijn dagboek kan schrijven. Ik heb mijn eigen licht maar meegenomen. Ik steek de haak waaraan ik mijn lamp op moet hangen, in
het verrotte stutwerk en in die onduidelijke gloed probeer ik de gedachten die me tegemoetkomen op papier te zetten alsof ik in donkere hoeken fladderende vleermuizen aan het verjagen ben. Ze vliegen
voorbij, wapperen met hun vleugels en verdwijnen.
En in de duisternis die zich rondom mij heeft gevormd, schijnt als
een lamp het vlammetje van geloof in de mens, bevend, kouwelijk.
Vandaag vraag ik me af: Zal het zo blijven? Morgen zal ik het wellicht
weten.
‘Op de verdieping boven ons bevonden zich de terdoodveroordeelden.
Ze droegen klompen, konden niet slapen en de hele nacht was te horen
hoe ze heen en weer liepen. De klompen klepperden, klep-klep. Van
zonsondergang tot zonsopgang. Vervolgens stampten deze klompen
door de gang, over de trap naar beneden, naar het executieterrein. We
knielden en baden. De hele gevangenis. Ja, wat was dat toch prachtig...’
Een oude plattelandsbewoner vertelde me gisteren het volgende.
Tijdens de oorlog had hij in verschillende Duitse gevangenissen gezeten. Hij zat op een bankje, met zijn stramme handen op zijn knieën en
op zijn rode neus vormde zich een druppel. ‘Ja, wat was dat toch prachtig...’ De rillingen liepen over mijn rug. Wellicht was het iets anders.
Ik heb maanden eenzame opsluiting achter de rug. Totale afzondering van de wereld waarin ik geleidelijk mijn hele leven opnieuw
doormaakte, waarbij ook mijn eigen dood. Alles. Vanaf het moment
dat ze de overledene het huis uitdragen, in het koude, kale mortuarium
neerleggen en hem dan in een kist dichtspijkeren en begraven. Met
als enige verschil dat ik ondanks mijn verstijving en gesloten ogen
waar kon nemen wat er om me heen gebeurde. Vagelijk. Het meeste
enkel via mijn gehoor. Maar ik kon het opvangen, vooral omdat ik na
eindeloze weken geleerd heb al het geruis, geluid en geritsel rondom
een doodskist te onderscheiden. Zelfs in de aarde van het kerkhof is er
leven. Mollen graven hun gangetjes op jacht naar voedsel. Larven kruipen erdoorheen en boren zich erin. De plantenwortels dringen tussen de zandkorrels door. Er zijn uren noch dagen. De enige grote wijzerplaat is het zonnestelsel. De aarde nadert de zon; de grond wordt warm.
De aarde gaat weer weg; de grond verhardt door de vorst. Niets anders.
Alleen een graf in de dierenriem.
Op een dag werd ik ertoe veroordeeld mijn graftombe te verlaten. Zo
gaat dat waarschijnlijk in een organisatie die verantwoordelijk is voor
de transmigratie van zielen. Ik herinner me de commissie, drie figuren
in zwarte toga’s, die onafgebroken vanaf de schepping van de wereld
zitting houden: Wij hebben hier nog die en die. Wat zullen we met hem
doen? – Hoe lang ligt hij in het graf? – Een jaar. – Heeft iemand zijn
lijst van begane zonden? – Misschien vind ik die wel, maar dat kan
even duren. – Geen oponthoud. Kan je ervan uitgegaan dat hij de vleugels er bij vliegen uittrok? – Bij iedere sterveling kan je ervan uitgaan
dat hij of zij een keer bij een vlieg een vleugel eruit heeft getrokken.
– Dat volstaat. Zes jaar vagevuur.
En zo ben ik hier beland, als onderdeel van een steenkoolmijn. Het
verloste me van een deprimerend jaar nietsdoen en van de vloek van
celstraf. Ik ben onder de mensen beland en ben zelf half mens geworden, ten koste van uitputtend werk, dat ik, verzwakt en lui, niet kan
verrichten. Er waren nauwelijks genoeg spieren bij me overgebleven
om een schep op te tillen, en ik moest die niet alleen vol optillen, maar
ook ontelbare keren per dag. Of ik moest wagons met zevenhonderd
kilo kolen op de rails voortduwen. Maar ik kon amper voorkomen dat
ik van vermoeidheid neerviel of de volgende zware klus was daar alweer. Ik begon me bewust te worden van de andere mensen. Afgezien
van mij zijn er nog dieven, raadgevers van ministers, zakenlieden, zakkenrollers, boeren en landrovers, slagers, advocaten en moordenaars.
Het maakt me niet uit dat we verschillende interesses hebben, maar wel
dat ze die van hen aan mij opdringen. Zoals wanneer mensen die zich
niet wassen, hun haar niet kammen en hun tanden niet poetsen en van
anderen eisen dat ze zich aan hen aanpassen.
Waar is mijn ietwat naïeve, enigszins academische geloof in de
mens gebleven? Mensen zijn net vlinders. Mooi als je hen van een
ver en afgezonderd gezichtspunt observeert. Maar een vlinder onder
een vergrootglas is een monster. Lelijkheid die je van dichtbij observeert, overtreft alle fantasie. Als ik terugblik, zijn mij in het laatste jaar
slechts twee personen dierbaar geworden: een slager en een valsspeler.
Zoals te zien is, speelde moraal hier geen rol bij.
Het klinkt weliswaar pessimistisch, maar in het jaar 1952 heb je
over het algemeen weinig redenen om optimistisch te zijn, vooral
als je je in mijn positie zou bevinden. Ik kreeg een loep en onder de
loep was een vlinder. En ik word nog steeds geboeid door zijn grillige
vlucht door het leven, die op zichzelf niet meer betekenis heeft dan
de grillige vlucht van koolwitjes op een zomermiddag. Op een van de
oneindig vele kleine sterren die in wanhopige eenzaamheid door de
ruimte vlogen, vatte ooit het leven post als een schimmel op een erwt
en bloeide. Een mens leeft zestig jaar en sterft. Miljoenen groeien op
en gaan dood. Soms heeft de schimmel gunstige voorwaarden, soms
ongunstige, maar toch blijft hij wat hij is. Een mens die nog maar net geboren is, is al aan het sterven. Steeds opnieuw moet hij de hele mars
meemaken: vanaf de blindheid van zijn jeugd tot aan het ervaren van
zijn ouderdom en de levenservaring die met hem sterft. Hoewel hij
zich bewust is van zijn eigen nietigheid, heft hij zijn hoofd op en weigert hij de moed te verliezen ten aanzien van zijn eigen positie. Hij
schrijft wetten op die het universum regeren en wil zelfs een nieuwe
wet, die hij zelf bedacht heeft, het universum opleggen. Een wet die
de blindheid van het leven wil vervangen door gezichtsvermogen. Hij
wil het universum wijsheid bijbrengen en uiteindelijk bewijzen dat wat
geen betekenis heeft, toch betekenis kan hebben als je er betekenis aan
geeft. Een uiterst moedige schimmel. Het mooiste in zijn leven is zijn
moed om de woestenij van de duisternis te trotseren.
Het kamp bestaat uit enkele rijen houten barakken, omgeven door
prikkeldraad, stoffige kazerneruimtes met aan de voorkant een keuken,
symbolisch verbonden met het kantoor. De zetel van de macht die over
ons heerst met cijfers en voedsel. Op sommige momenten kan ik het
gevoel niet onderdrukken dat ik opnieuw in een legerkamp in Frankrijk
ben beland. En zelfs de godgelijke dikkerd van een kok is hier en het
stof en de viezigheid van de rafelige uniformen en de prikkeldraadversperring helemaal rondom. Ik moet wel eerlijk zijn. We hebben betere
schoenen. Het is niet verschrikkelijk, enkel deprimerend. Aan de palen
schettert er van ’s ochtends tot ’s avonds afschuwelijke blaasmuziek.
Je kunt hier niet aan ontsnappen. En mensen, honderden mensen die
ronddolen in deze kleine ruimte, waaraan je niet kunt ontsnappen, zoals je niet aan die blaasmuziek ontsnapt. Er wordt gezegd dat denken
vrij is. Waarom zou ik me zo belachelijk verheugen op het moment dat
ik in de mijnschacht belandt, en wel in het donker, maar bevrijd van
mensen die hetzelfde effect hebben als een stroom troebel water voor
iemand die dorst heeft in de middaghitte?
‘Hoeveel heb jij gekregen?’ vroeg een oudere meneer mij op innemende wijze in een gevangenenjas die met militaire zorgvuldigheid was
dichtgeknoopt.
‘Zes jaar.’
Hij glimlachte. Toen gaf hij mij een pakje sigaretten, omdat ik nog
geen geld had.
‘Hebben ze die tand bij jou eruit geslagen?’
‘Nee. Die is afgebroken. Hij deed steeds zo’n zeer, totdat de pijn
stopte, en toen viel die tand eruit.’
Hij liet me zijn tandeloze tandvlees zien. ‘Bij mij zijn ze eruit geslagen. Je hebt geluk gehad. Jij kwam na de ergste periode. Bij die
daar…’ Hij knikte zijn hoofd richting de bleke jongeman in een hemd
die aan tafel zat en geconcentreerd bezig was pijptabak op een stukje
papier te verpulveren. ‘Bij hem hebben ze zijn been gebroken en een
vrouwelijke bewaker stak zo’n lang stuk ijzerdraad in zijn –.’
De commandant trad binnen.
We stonden op en wachtten op wat volgen zou.
‘Wie niets te doen heeft: ga aan de slag!’
We verhoogden de hele middag de dubbele rij prikkeldraadversperring met een meter.
‘Werken, jongens, doorwerken,’ spoorde de commandant ons aan.
‘Jullie doen het tenslotte voor jullie zelf.’
Het was weer nacht, lange nachtelijke ploegendienst, met daarna de
godganse dag die eeuwige vermoeidheid. Vanaf de ochtend scheen de
grote zon van de oogsttijd, maar voor mij voelde deze koud aan, alsof
er een gevoel van onzekerheid en droefheid over de wereld lag. We
wachten, en we wachtten nog steeds totdat iets ons uit onze kooi haalt
en tegelijkertijd lijken de echte mensen er ook niet beter af te zijn. Een
sombere boosheid of onverschilligheid verteert hen. ‘Jij hebt mazzel,’
zei een mijnwerker gisteren tegen me. ‘Jij bent hier maar voor een
paar jaar. Ik levenslang.’ Ik ervaar wat vermoeidheid zonder uitweg
is. Iemand moet het werk doen. Deze of gene ontglipt zijn lot, of zijn
kinderen ontglippen het, maar al met al moeten duizenden mijnwerkers iedere ochtend en iedere avond in de mijnen afdalen en duizenden
anderen moeten aantreden in kalkbranderijen, steengroeves en hoogovens, want anders zou de wereld stilstaan. Het is geen wonder dat ze
hun hoop vestigen op alles wat hun een ontsnapping belooft uit deze
eeuwige kringloop. Zijn ook wij niet bereid om wat dan ook te accepteren ter wille van onze bevrijding? Net als zij hebben we niets te
verliezen, enkel onze ketenen.
En nu is opnieuw een van deze verwachtingen uitgedoofd. Een
mijn blijft een mijn en een hoogoven een hoogoven. En daarbovenop
is angst gekomen. God verhoede dat ze op een dag naar buiten lopen
om te begraven waar ze van hielden, waarvoor ze eens hun leven hadden gegeven en waar ze van leefden als er geen brood was. Ze zouden
woest dansen op het graf van hun eigen hoop, omdat een mens zich
voor niets zo wreekt als voor ontgoocheling en angst.
Wat volgt nog? Redden, redden wat er te redden valt. Dat wat goed
is, dat wat mensen een beter leven geeft, wat immers de stap voorwaarts was die de mensheid altijd heeft gezet, zelfs als ze bloedt en ze
alle verworven posities lijkt te hebben opgegeven. Wanneer de rook
van de brandhaarden zich verspreidt en alle kruizen op de graven gerangschikt, geteld en een naam gegeven zijn, is de wereld toch een
stukje verder dan ze daarvoor was.
Een bitter besef. Het stinkt naar bloed. Inmiddels passeerde de
nacht ons, warm en liefdevol, een waarin je op het gras kunt liggen
dat tot dan overdag te droog was en dat langzaamaan weer overeind
komt en naar bloemen ruikt. De maan reisde van de ene hemelstreek
naar de andere en alle geliefden, zoveel als er op de akkergrenzen, in
de weilanden of aan de bosranden zaten, waren reeds naar huis teruggekeerd. Op zulke momenten lijkt mij alles een zinloos kinderspel dat
over de schreef is gegaan. De nacht passeert vol liefde de streek, terwijl
hier in de duisternis enkel het vlammetje van een lamp schijnt, die de
valstrik van de zwarte diepte verlicht. Geen mens kan daarom lachen.
Kakkerlakken rennen op hun snelle pootjes door het kolengruis. Zo nu
en dan glinsteren hun vettige dekschilden. Of er steekt een muis over.
Ergens in een pijpleiding sist ontsnappende lucht. Het stuthout scheurt.
Het binnenste van de aarde beweegt. En in dit binnenste, alsof hij is
opgeslokt door de Leviatan, wacht een man op het moment dat hij te
onverteerbaar is voor de vis en hij hem uitbraakt. Een merkwaardig spel, waarbij je in de ingewanden van een walvis moet verblijven, terwijl de geliefden overeen pad naar huis lopen.
De duisternis om mij heen is broeierig door waterdamp en zware uitgeademde lucht. Het doet denken aan een tropische nacht met
de vermoeide geur van modder, afstervende planten en vleesetende
bloemen. Een zinnelijke tropische nacht, die je hele lijf klam aanraakt, je omhelst, op je drukt en je de adem beneemt. ‘Je zult in mijn
armen omkomen,’ fluistert ze en kijkt je aan met de duizend groene
ogen van een lichtgevend insect. En je weet dat en je valt om van
vermoeidheid, maar je kan niet weggaan. Je ligt daar en droomt alleen nog maar, of je staat op en dwaalt rond in het donker, op zoek
naar iets, maar je weet niet wat. Het is hartstocht. De tropen zijn
een vreemde, zinnelijke hartstocht. Het gebeurde op een avond dat ik
toevallig in de verte doffe trommelslagen hoorde. De jungle krijste
en gonsde, en tijdens de hoofdloze reidans van honger naar het leven
klonk het ritme van de tamtams van een zwarte broederschap die zich
waarschijnlijk rondom een schedel van een wolf had verzameld en
die beschilderd was met betoverende kleuren. Ik ging op het geluid
af. Het sleepte me steeds verder mee, tot in het hart van het oerwoud.
Een opgeschrikte vogel vloog met een kreet uit het struikgewas. De
brede, natte handpalmen van de bladeren plakten tegen mijn gezicht.
Iets vluchtte met een boosaardig gebries weg in het ondoordringbare
kreupelhout. Ik tastte steeds verder met mijn voeten het nauwe pad
af dat door dieren was platgelopen. De tamtams kwamen dichterbij,
hun ritme werd steeds hoorbaarder. Totdat ik aan de rand van een
open plek verscheen. De maan verlichtte een vaal, koloniaal huis,
opgetrokken van witgeverfde houten planken. Op de veranda scheen
één kleine lamp. Er zat een man op een rieten stoel. Hij rookte een
pijp en luisterde naar de radio.
‘Kijk!’ riep grondwerker Paštika en porde me met zijn elleboog tijdens
het uitdelen van het middagmaal. ‘De minister van Justitie van de derde barak.’ Enkele plekken voor ons stond er bij de keuken een lange en
knokige man die streng naar de knoedels in een kom staarde. ‘Er zijn
hier in totaal drie regeringen. In de eerste barak zit de agrarische partij,
in de vijfde de socialistische en in de derde de coalitie. Ik wil niet zien
hoe die met elkaar op de vuist gaan als de bom barst.’
We haalden ons knoedelrantsoen op en de kok plensde er een beetje
goulash over en porde ons met zijn soeplepel. ‘Loop eens door en sta
hier niet te kletsen.’ De minister van Justitie voegde zich bij een kleine,
gedrongen man met een kale kruin en schreed waardig met hem naar
een bankje, sprak met hem en sneed de knoedel mechanisch met zijn
lepel in stukjes.
‘Die bereidt een vergeldingswet voor,’ beweerde Paštika ‘Diegene
naast hem is de minister van Landbouw. Hij heeft vijftien jaar gekregen. Ik zat met hem bij de StB2.’ Grondwerker Paštika rekende zichzelf tot de betere mensen.
‘Peukie, dokter?’ vroeg hij en hield halt bij het debatterende paar,
tastte naar een half leeggelopen Partyzánka onder zijn pet en overhandigde die aan de minister van Justitie.
‘Bedankt, maat. Na de uitbetaling zullen we het vereffenen.’
‘Je weet dat ik hem voor me moet winnen,’ merkte Paštika verontschuldigend op. ‘Je weet maar nooit.’
Het weer veranderde. In de avond begon er een krachtige westenwind
te waaien, die stofwolken deed opwaaien en deze naar het nabijgelegen
bos dreef. Het koelde af en het leven in het kamp werd draaglijker.
Ook de bedwantsen zijn niet zo actief als het koud is. We gebruiken
alle bekende middelen, maar we kunnen ons niet helemaal van ze ontdoen. Dat is de harde realiteit van alledag. Stof dat via de wind van de
ene naar de andere kant van het kamp vliegt, en bedwantsen die onze
broodnodige slaap bekort.
En tegelijkertijd is er vanbinnen, in ons hart, onrust. Het trilt, het
doet pijn en je voelt opnieuw de volledige rauwheid van de wond die
niet is geheeld, maar enkel bedekt is met een beschermende laag van
wat je je moet ontzeggen. Gereed om bij de geringste aanraking te
gaan bloeden. In de liefde is iedere afstand ondraaglijk. De pijn is des
te groter wanneer de afstand zoals bij een boogpees gespannen blijft
door het onmogelijke. Altijd en met alles wil je tot het einde gaan. Tot
het einde en dan nog een stap verder, waar uitersten elkaar ontmoeten.
Liefde als grootste bekentenis aan het leven dat grenst aan de dood.
‘Zozeer hunkerde ik ernaar om te sterven,’ zegt Káťa Kabanová op een
gegeven moment. Isolde eindigt met de dood, Brünnhilde en Romeo
ook. Dat is niet enkel een vereiste voor een tragische opera. Je denkt
na over de dood als enig mogelijke verergering van wat niet langer
erger kan worden in het leven. Dit lijkt al vervuld te zijn van liefde,
maar toch blijft er nog zoveel over dat het plotseling schreeuwt om
een stap buiten het leven. Wanneer Romeo op het afkoelende lichaam
van Julia sterft, wordt hierdoor hun hartstocht eeuwig. Niet vanwege
de tragedie die zich heeft afgespeeld, maar omdat ze die laatste stap
durfde te zetten.
God mag weten waarom ik dit alles gehurkt op een balk bij de steenkoolwand schrijf, in de pauzes, tussen de wegrijdende wagons in.
Enkel door het schrijven verheldert een mens zijn gedachten, die anders slechts vormloze gevoelens zouden blijven.
Fragment uit ‘Een koude zon’ (Studené slunce, Praag 1968), vertaald door Lysanne Aarsman en geredigeerd door Kees Mercks.