Serhi Zjadan
Dankwoord bij zijn ontvangst van de Hannah Arendt-prijs
op 2 december 2022
Ik zou vandaag graag willen spreken uit naam van de mensen die midden in een buitengewoon pijnlijke tijdsbreuk zijn terechtgekomen. Ik
zal mijn gedachten proberen te verwoorden over tijd als de dimensie
waarin we leven, als de achtergrond waartegen onze overtuigingen en
standpunten zich aftekenen, zich vormen en veranderen. En dan vooral
onze politieke standpunten. We bevinden ons allemaal op de een of andere manier midden in een tijdsstroom, midden in dit systeem van omschrijvingen en begrippen. In veel opzichten zijn we afhankelijk van
tijd. Afhankelijk, maar niet erdoor gedetermineerd. Tenminste zolang
we de kracht kunnen vinden om erover te blijven getuigen.
Wat bedoel ik daarmee? We bewegen ons steeds verder weg uit de
schaduw van de twintigste eeuw. Schijnbaar hebben we steeds minder
een persoonlijke connectie met de eeuw van verschrikkelijke genocides
en wereldoorlogen. Niet alleen van de Tweede Wereldoorlog blijven er
steeds minder ooggetuigen over, maar ook van de Koude Oorlog. De
eigen ervaring van angst bij het horen van het ochtendnieuws maakt
plaats voor een ervaring van reflectie, van afstand nemen, van kennisverwerving. De scherpe pijn van onze opa’s en oma’s die de slachting
van de Tweede Wereldoorlog hebben overleefd en die deze kennis (met
tegenzin, moet ik eraan toevoegen) hebben doorgegeven aan hun kinderen, aan onze ouders dus, of aan onszelf – hun kleinkinderen, geboren in de jaren zeventig – die pijn bereikt onze kinderen op hun beurt
in de vorm van iets tragisch, bloederigs, pijnlijks, maar in wezen iets
bellettristisch. Geschiedenis wordt stukken minder leerzaam wanneer
ze geen betrekking heeft op jou persoonlijk. Maar evengoed verliest
geschiedenis haar potentiële leerzaamheid en progressiviteit wanneer
men haar lessen niet ter harte neemt.
Ik ben geboren in 1974. Mijn vader in 1945, officieel gold hij als
‘kind van de oorlog’ – dat was de officiële term. Mijn oma, die me
grootbracht, en die als medische zorgverlener bij het Sovjetleger tot in
Berlijn was gekomen, stierf in 1982, toen ik nog heel klein was. Ik herinnerde me de oorlogsverhalen van mijn oma niet. Mijn vader en moeder hadden zelf ook geen verhalen over de oorlog – ze hebben die niet
meegemaakt. De oorlog had mij niet rechtstreeks geraakt. En dat was
ook nergens voor nodig – dankzij een curieuze samenloop van omstandigheden kwam ik ter wereld en groeide ik op in precies die tijdspanne,
waarin oorlog had besloten om een generatie over te slaan. Mijn broer en ik waren te jong om in Afghanistan te gaan strijden (hoewel onze oudere neef daar wel naartoe werd gestuurd), ons land, Oekraïne, was ook net op tijd uit de Sovjet-Unie gestapt, waardoor tienduizenden Oekraïense tieners, die nog in dat Sovjetimperium waren geboren, niet hoefden gaan meevechten in Tsjetsjenië. Traag en niet-aflatend bouwden we een eigen wereld op, waarbij we haar trachtten te ontrukken aan de complexen, afhankelijkheden en traumas van het imperium waar we in de twintigste eeuw deel van hadden uitgemaakt. Soms leek het wel of we geluk hadden gehad met ons tijdperk, dat de tijd minzaam geweest was voor ons, dat hij ons (zeker vanuit het standpunt van onze ouders en grootouders gezien) een ongelooflijke luxe had geschonken – niet met oorlog geconfronteerd te hoeven worden, een normaal vreedzaam leven te mogen leiden.
Alles veranderde echter in 2014. Plots verschenen er gewapende Russische troepen op ons grondgebied. Ze verschenen eerst op de Krim, daarna in het oosten van ons land. Er brak oorlog uit. Een oorlog, die de wereld gedurende lange tijd probeerde te negeren, in een kinderlijke waan dat wanneer je iets wat je bang maakt niet bij naam noemt, het wel weer weggaat. Maar de oorlog in Oekraïne ging niet weg, ondanks het feit dat de wereld hardnekkig bleef weigeren om hem als zodanig te benoemen.
Op 24 februari 2022 begon Rusland een grootschalige militaire campagne waar men zich onmogelijk nog van kon afwenden. Er zat niets anders meer op dan te erkennen dat de vroegere gevestigde orde in Europa volledig werd verstoord, en dat Europa weer eens een oorlogsgeneratie rijker was. De illusoire overwinning van de democratie en de ontmanteling van het rijk van het kwaad (voor ons was het precies dat – het rijk van het kwaad; eigenlijk hadden wij het zo luidop moeten hebben noemen, wij, die de hele vorige eeuw een verdrukt onderdeel van dat rijk waren geweest) hadden ons algauw doen geloven in de mogelijkheid van rust en harmonie in de gebieden die doorgaans beroofd waren geweest van die rust binnen de tijdspanne van één enkele generatie. Ons leek het of geschiedenis eindelijk uit haar vicieuze cirkel was gebroken, en de wereld alsnog bepaalde lessen had getrokken uit de massaexecuties en deportaties van de vorige eeuw.
Dit bleek toch niet het geval te zijn. Het bleek dat het neerhalen van een ijzeren gordijn een permanent proces is, een proces dat dagelijkse inspanningen vereist. Muren hebben de eigenschap te herrijzen, totalitarisme heeft de neiging daar te ontkiemen, waar het wordt onderschat, en revanchisme is een ziekte waar nog steeds hele samenlevingen aan blijven lijden. Wij, Oekraïners, ondervinden de verwaarloosde traumas en complexen van de twintigste-eeuwse politiek nu ten volle aan den lijve. Terwijl we ons eigen leven leidden, terwijl we (met vallen en opstaan, maar niettemin vrij volhardend) een raamwerk van onze werkelijkheid probeerden uit te bouwen dat comfortabel zou zijn voor ons en waarin ons beeld van de wereld overeen zou stemmen met de wereldsituatie zoals ze is, heeft dat imperium – waar we ons uit alle macht van wilden distantiëren, waarbij we aan de realiteiten van de nieuwe eenentwintigste eeuw appelleerden, een eeuw waarin, zoals we dachten, men de fouten van de imperia uit het verleden in acht had genomen en de subjectiviteit van anderen zou respecteren – het blijkbaar voor wenselijk gehouden om in het verleden te blijven leven met
al zijn narratieven, optiek en ethiek. Een ethiek die toelaat om Stalin
als de meest vooraanstaande politieke figuur uit zijn nationale geschiedenis te beschouwen. Een ethiek die toestaat om de hongersnood van
1933 – een verschrikkelijke tragedie die miljoenen mensenlevens heeft
opgeëist – niet te erkennen als een genocide op de Oekraïners. Het
bleek dat wij en ons buurland Rusland niet enkel een andere visie op de
toekomst hadden – blijkbaar hebben we ook nog eens een ander beeld
van het verleden. Van datzelfde verleden dat ons wijzer had moeten
maken en ons had moeten waarschuwen voor het maken van dezelfde
fouten. Van datzelfde verleden, dat voor Rusland een valstrik bleek
te zijn. Twintig jaar lang de samenleving volpompen met propaganda
en revanchistisch gedachtegoed, twintig jaar lang schijnvertoningen
opvoeren, de bevolking opjutten met sovjetnostalgie en de dwanggedachte om geschiedenis te herschrijven, heeft er uiteindelijk toe geleid
dat onze buren ethisch klaar bleken te zijn voor een nieuwe oorlog.
Geschiedenis herhaalde zich weer, niemand had zich iets van haar lessen aangetrokken, Rusland heeft opnieuw een volkomen minachting
voor andermans grenzen aan de dag gelegd. Alleen werd het object van
zijn agressie ditmaal niet Finland, niet Polen, niet de Baltische staten
– het object van zijn agressie werden wij, Oekraïners. En terwijl voor
ons, in Oekraïne zelf, een dergelijke ontwikkeling min of meer viel te
verwachten, kan ik best begrijpen dat in de rest van de wereld velen
zich nu afvragen: hoe heeft dit kunnen gebeuren? Hoe konden wij het
opkomen en sterker worden van een nieuwe agressor gemist hebben?
Waarom heeft niemand hem gestopt? Waarom woedt er weer oorlog
in Europa?
Het spreekt voor zich dat zowel de triomf van de rechtvaardigheid
als de nederlaag van het kwaad nooit definitief is. Meer nog – wij onderschatten vaak het vermogen van het kwaad om weer op te staan, om
weer tot leven te komen, om zijn oude stellingen opnieuw te veroveren. Wij, de laatste sovjetgeneratie, kunnen wellicht meer dan wie ook
waarheidsgetrouw getuigen over het illusoire karakter van de ‘kwetsbaarheid van het kwaad’. Binnen de chronologische afbakening van
onze – mijn – generatie hebben in de Oost-Europese contreien uitermate diepgaande ontwikkelingen plaatsgegrepen die aanvankelijk hadden
geleid tot het neerhalen en later weer optrekken van nieuwe muren
en het trekken van rode lijnen, die in realiteit in frontlinies veranderden. En wij, die nog maar net waren bekomen van de sovjetnarratieven
uit onze jeugd en in een eigen werkelijkheid begonnen te leven waar
geen plaats was voor repressies, revanchisme of wereldoverheersing,
wij staan nu oog in oog met een bezetter die, gedreven door zijn eigenaardige denkbeelden over het verleden, gekomen is om ons onze
toekomst te ontnemen. In feite maken we nu in Oekraïne mee hoe het
verleden van iemand anders onze eigen toekomst rechtstreeks blijft
beïnvloeden. We worden uitgeroeid met de geruststelling dat dit voor
ons eigen bestwil gebeurt. We worden van onze vrijheid beroofd onder
het mom van bevrijding. Onze identiteit wordt ons ontnomen met de
woorden dat we ons verleden terugkrijgen. Geschiedenis is machteloos
gebleken. De tijd moet zijn failliet erkennen.
Totalitarisme bleek wonderbaarlijk levensvatbaar te zijn. Het
werd duidelijk dat zijn essentie niet afhankelijk is van de tijd, maar
dat ze buiten de tijd staat. Het kwaad bleek niet onderhevig te zijn
aan veranderingen in het maatschappelijk bewustzijn, zijn banaliteit,
naar Hannah Arendt, is onveranderlijk – noch maatschappelijke beschouwingen, noch technologische vooruitgang, noch ecologische
veranderingen hebben er een invloed op. De mensheid blijft vreselijk
ontvankelijk. Ze blijft nog steeds makkelijk vatbaar voor manipulaties
en propaganda-aanvallen. Iemand uit de eenentwintigste eeuw is net
zo makkelijk te overtuigen dat hij of zij omringd wordt door vijanden
en dat men ter bescherming van zijn vaderland een buurland moet binnenvallen, als iemand uit de eenentwintigste eeuw. Vandaag zijn daar
net als honderd jaar geleden enkel een totalitair bestuur en gewetenloze media voor nodig. De wereld is vandaag diep verontwaardigd door
de retoriek en de houding van de Russische leiding, maar wil tegelijkertijd halsstarrig niet het trieste feit onder ogen zien dat de Russische
samenleving over het geheel genomen deze retoriek en houding steunt,
of zelfs overneemt. Het totalitarisme is helaas niet mogelijk zonder
maatschappelijke loyaliteit, en dat is nog zo’n les uit de twintigste
eeuw die we niet helemaal hebben begrepen.
Waarom behoren totalitarisme, chauvinisme en revanchisme dan
niet tot het verleden, maar geven ze tot op heden nog steeds de toon
aan van de maatschappelijke stemmingen die in verscheidene landen
leven? Waarom had de wereld, na alle beschouwingen over de duisternis en de gapende diepte van de ervaring van twee wereldoorlogen, van massale deportaties en genocides, acht lange jaren nodig om
de agressor als agressor te benoemen, de bezetter als bezetter, om de
annexatie van iemands grondgebied als onwettig te verklaren, en om
oorlogsvoering tegen een buurstaat als een oorlogsmisdaad te bestempelen? Waarom zijn ethiek en moraal in de politiek, de zakenwereld
en de media zo arbitrair en wazig? Kan men de zogenaamde Europese
waarden en handelsrelaties met een land dat alle internationale regels
aan zijn laars lapt werkelijk met elkaar rijmen? Welke afstand moeten we nemen om bij het spreken over geschiedenis ons er niet aan te
verwonden? En vooral: zijn al deze vragen puur retorisch, of zijn wij
– zowel wij als jullie, wij allemaal samen – werkelijk bereid om ze aan
te gaan en naar oplossingen te zoeken?
De oorlog in Oekraïne woedt voort. Meer nog – hij is in volle ontwikkeling. De bezetters denken er zelfs niet aan hun inspanningen om
ons land te vernietigen op te geven. Zonder behaalde successen aan
het front vernielen ze steden in het hinterland, onze essentiële infrastructuur, ze bestoken woonwijken, doden burgers. Oekraïne blijft van
zich afbijten en heeft hulp nodig. Oekraïne moet beschermd worden.
Maar het wordt duidelijk dat de hele wereld vandaag bescherming nodig heeft. Omdat haar veiligheidsstelsel, haar economische stabiliteit,
maar belangrijker nog – haar waardestelsel eveneens bijzonder kwetsbaar en weerloos bleken te zijn. En deze veiligheidscrisis, maar vooral
ook de waardecrisis – die zal echt niet voorbij zijn met de nederlaag
van Rusland. Omdat de eenentwintigste eeuw, die zich nog maar pas
ontvouwt, ons al duidelijk heeft gemaakt hoe makkelijk het kwaad zijn
kop weer opsteekt wanneer je het negeert of verder aanwakkert.
Ik dank jullie voor deze mogelijkheid – de mogelijkheid om pijnlijke vragen ter sprake te brengen, met de hoop dat deze vragen gehoor zullen vinden, dat deze pogingen om belangrijke en principiële
kwesties uit te praten niet nutteloos zullen zijn, dat iets doodzwijgen,
tot slot, niet de meest comfortabele en aanvaardbare manier van communiceren zal worden voor ons. Terwijl we nu vechten voor onze toekomst, terwijl we ons recht op voortbestaan verdedigen, moeten we
ons hoe dan ook voortdurend tot de geschiedenis richten, haar aanspreken als onze belangrijkste bron van kennis waarover we allemaal
in meerdere of mindere mate beschikken. Het zou mooi zijn als we
deze ervaring constructief en pragmatisch konden aanwenden, zodat
geschiedenis geen trauma’s zou teweegbrengen, maar als inspiratie zou
dienen, zodat politiek niet alleen maar de kunst van het compromis
zou zijn, maar ook het terrein van principes. Onze toekomst is nauw
en pijnlijk verbonden met ons verleden, zoals wij ook allemaal nauw
onderling verbonden zijn, zelfs al is deze verbondenheid voor ons niet
altijd evident. We zijn allemaal verbonden door deze tijd, door deze
ruimte, we vullen de lucht met onze stemmen. Elke stem is belangrijk.
Elke ademhaling is belangrijk. En vooral: wanneer we zwijgen, begint
het kwaad zich zelfverzekerder te voelen. Voor ons is dat een reden te
meer om te blijven praten en luisteren.
Vertaling Roman Nesterenco