Dominika Słowik



Samosiejki ('Wildgroei'), fragment




De Poolse schrijfster Dominika Słowik (Jaworzno, 1988) debuteerde in 2015 met de roman Atlas: Doppelganger en werd hiermee meteen finaliste van de Literatuurprijs van de stad Gdynia. In 2019 werd haar tweede roman Zimowla (‘Bijenwinterslaap’) bekroond met de prestigieuze Paszport Polityki-prijs. In 2021 kwam haar eerste verhalenbundel Samosiejki (‘Wildgroei’) uit bij Wydawnictwo Literackie. Słowik studeerde Spaans en was als vrijwilligster actief in Guatemala.

Tot op heden werd slechts het korte verhaal ‘Śnieżyca’ (‘Sneeuwstorm’) uit de bundel Samosiejki door Jess Jensen Mitchell onder de titel Blizzard in het Engels vertaald. Van Zimowla is zowel een Duitse als een Belarussische vertaling verschenen.

Het korte verhaal hieronder is eveneens afkomstig uit Samosiejki. De bundel biedt in dertien korte verhalen verrassende inzichten in de klimaatcrisis en de plaats van de mens in deze wereld. In deze verhalen vervagen de grenzen tussen het menselijke en het ‘andere’, maar zonder dat de menselijke ervaring uitgesloten wordt. Słowik benadrukt veeleer de wisselwerkingen tussen de verschillende actoren in onze werkelijkheid. Daarbij verlegt ze meermaals de grenzen van wat menselijk is, we krijgen te maken met hybride levensvormen. De wildgroei uit de titel is het resultaat van planten die zichzelf spontaan uitzaaien, zonder menselijke tussenkomst. Met hun onvoorspelbaarheid brengen ze chaos in de ordelijke mensenwereld. In de werelden die Słowik creëert, is er steeds een onderstroom van angst, van onbehagen, maar haar teksten behouden desondanks lichtheid en humor.

De schrijfster speelt ook met genreconventies, zo is er een verhaal dat aan sciencefiction doet denken en een ander dat zinspeelt op een bekend sprookje met een toverboon in de hoofdrol.

In het korte verhaal ‘Wegetacja’ (‘Een plantenleven’) zien we hoe een liefde voor planten uit de hand loopt. De hoofdpersoon, niet toevallig een vertaalster die het als haar missie ziet om bruggen te bouwen en ervan droomt om met het onbekende te communiceren, gaat steeds verder in haar zorg voor haar groene medebewoners totdat haar bestaan gaat samenvallen met dat van haar planten. Haar lichaam gaat over in een vegetatieve staat, maar niet op een negatieve manier. Ze vegeteert gewoon, geeft zich over aan een compleet vreemd, niet-menselijk levensritme.



een plantenleven



Een paar weken eerder was ze bij haar opgedoken. Ze woonde toen alleen en was vaak op reis en dus dacht ze meteen dat het haar niet zou lukken om voor haar te zorgen. Haar studio was klein, maar leeg, met ramen in slechts één richting: het zuidwesten. Wie had het in zijn hoofd gehaald om haar zoiets cadeau te doen? ‘In plaats van een boeket.’ Ze had liever een boeket gekregen. Dat kon je daarna weggooien.

Ze vond het niet leuk om veel voorwerpen te bezitten. Het was prul. Ze kocht bijna niets. Waardeerde vrije ruimte. En veel licht dat zich niet op overbodige spullen verspreidde. Ze had het gevoel dat ze dan makkelijker kon ademhalen.

De plant zette ze voor het raam, op een dessertbordje. Ze probeerde water in de bloempot te gieten, maar besefte dat er in de plastic sierpot nauwelijks aarde zat. Geërgerd goot ze water in het schoteltje. Het water verdween meteen. Ze besloot nog wat bij te gieten. Ze moest haar beslist verpotten. Op de vensterbank zou het te warm zijn, maar ze zag eruit als een wegwerpplant die in volle bloei gekocht was. Na een paar dagen zou ze sowieso verwelken, ze zou ineenzakken en bij het vuilnis belanden. Tussen de bladeren waren op lange naalden plastic hartjes met Engelse opschriften geplaatst, de bloempot was gewikkeld in een verschrikkelijk roze cellofaantje. Dat riep een nog grotere afkeer bij haar op. Weggegooid geld. Rommel.

In gedachten verzonken bemerkte ze niet dat het schoteltje zich gevuld had en dat het water overliep. Het stroomde nu over de houten vensterbank, achter het kastje, waar kabels liepen. Snel begon ze alles op te ruimen, maar er was steeds meer water. Alsof de plant nu kwaadwillig uitkotste wat ze eerst zo gulzig had opgedronken. Pas een paar dagen later dacht ze weer aan haar. De roze bloemen waren uitgedroogd, bruin geworden en begonnen van de plant te vallen. De bladeren waren slap gaan hangen, enkelen waren vergeeld. Dit maakte een onaangename indruk. Ze wist niet wat te doen. Uiteindelijk verzamelde ze de afgevallen stukjes en goot ze voorzichtig wat water bij.

Ze zou die plant aan iemand moeten weggeven, maar daar had ze geen tijd voor. Het was te veel moeite; rondbellen, afspreken, het eens worden. Bij het schoonmaken zou ze haar wel gewoon bij het afval gooien.

De volgende ochtend merkte ze verbaasd op dat er aan de plant nieuwe bladeren gegroeid waren. De oude waren verdroogd, maar niet afgevallen – ze zagen er lelijk uit. Het irriteerde haar. Met een schaar probeerde ze alle dode scheuten te verwijderen. Enkele waren hard geworden en hadden zich in verhoute twijgjes veranderd. De schaar was amper sterk genoeg. Ze had geen idee of ze het goed deed.

Op het internet informeerde ze zich, blijkbaar moest je deze soort om de drie dagen water geven. Maar voor de plant was dat te weinig. Ze begon haar dagelijks te begieten.

De bladeren werden donker, verschrompelden, daarna verschenen er nieuwe. En dus moest ze de oude weer afknippen, verzamelen en opvegen. En zo alsmaar door. Ze kon niet tegen rommel. Ze had de indruk dat ze een nachtmerrieachtige cyclus observeerde. Het ergerde haar.

Sinds een paar dagen voelde ze zich niet op haar gemak.

Ze wist dat het idioot was, maar ze kon niet rustig werken. Iets stoorde haar. Meestal vertaalde ze aan de keukentafel, maar de laatste tijd zaten de buren aan de overkant de hele dag op hun balkon.

Ze liet de rolluiken naar beneden. Het mocht niet baten. Ze probeerde om in haar kleine slaapkamer te gaan zitten, maar daar lukte het haar al helemaal niet om te werken en bovendien kreeg ze rugpijn als ze gebogen over haar laptop zat. Bijna had ze de deadline voor een grote opdracht gemist. Dat was haar nog nooit eerder overkomen.

’s Ochtends, terwijl ze met een slaapkop koffiezette na een onderbroken nacht, ging ze met haar blote voeten in een plas staan. Het water moest al enkele uren onder de vensterbank hebben gestaan, want het parket was uitgezet en had zich opgebold.

Ze klemde haar tanden op elkaar. Met een voorzichtige maar besliste beweging nam ze de bloempot en het met water gevulde schoteltje. Ze deed de voordeur open, verzekerde zich ervan dat niemand haar zag en liep de trap af. Ze zette de plant voor een klein raam op de vensterbank. Op de tussenverdieping was het donker. Misschien zou iemand haar meenemen. En indien niet, dan werd ze vast wel weggegooid.

Ze had eindelijk koffiegezet en ging in de keuken achter haar laptop zitten. Het was belachelijk dat ze door zo’n kleinigheid zo liep te stressen. Ze was oververmoeid. Had behoefte aan vakantie.

Toen ze de volgende dag naar de winkel ging, was ze tot haar verrassing opgelucht te zien dat het schoteltje van de plant gevuld was. Ziezo. Iemand zorgde er nu voor. Een buurvrouw of buurman. Of misschien het schoonmaakbedrijf? Zeker iemand die er meer verstand van had dan zij.

Toen ze weer thuiskwam stond het water nog steeds in het schoteltje, het was nog precies evenveel. De volgende ochtend was het net zo. Was dat steeds hetzelfde water…? Behalve zij was er wellicht niemand die zich voor het dorre bundeltje op de vensterbank interesseerde. Ze woonde op de bovenste verdieping, de woning naast haar stond leeg. Zelfs de postbode kwam nooit naar boven, afhaalberichten voor pakjes liet hij in de brievenbus achter.

Ze bemerkte dat het halfduister en de koelte in de trappenhal de plant duidelijk deugd deden. De bladeren hadden een frisse, donkere kleur aangenomen. De stengels hadden zich opgericht en vielen niet meer slap opzij.

Ze gaf haar eenmaal per week water, soms eens in de twee weken. Dat volstond. Het gebeurde dat ze na een lange werkdag aan de plant dacht en ondanks haar vermoeidheid dan toch uit haar woning kwam, enkel en alleen om op de tussenverdieping een beetje water in de bloempotschotel te gieten.

Er brak een hittegolf uit.

Ze was net teruggekeerd van een meerdaagse buitenlandse opdracht. In de trappenhal trokken de gesloten ramen meteen haar aandacht. Het was er verschrikkelijk zwoel.

De plant zag eruit als een zeeanemoon, waarin iemand plots al het water uit de zee had gepompt.

Met moeite sleepte ze haar koffer tot aan haar deur. Ze had geen zin om weer naar de tussenverdieping af te dalen. Ze ging op de sofa liggen en strekte haar opgezwollen benen uit, legde ze op de leuning. Ze voelde hoe er druppeltjes zweet tussen haar borsten liepen. Haar dijen kleefden aan elkaar. Ze drukte een bevroren waterflesje tegen haar voorhoofd. Wat deed dat goed. Zo meteen zou ze een douche nemen en gaan slapen. Ze had tijdens de vroege vlucht bijna geen oog dichtgedaan. Om vier uur ’s ochtends had ze al op de luchthaven moeten zijn. Ze maakte het zich gemakkelijk op de sofa. Ze sloot haar ogen. Haar voeten waren geschaafd door schoenen met hakken en pulseerden van de pijn. Zo bleef ze enkele minuten bewegingsloos liggen. Haar ademhaling was rustig geworden, ze had de indruk dat ze ingedommeld was…

‘Verdomme toch’.

Ze veerde op, schonk met zo’n kwaadheid koud water in een beker dat het op de tegels spatte. Ze liep de trap af. Op de tussenverdieping bleef ze als versteend staan. Op de vensterbank stonden twee nieuwe bloempotten. Haar plant leek wel het toonbeeld van gezondheid in vergelijking met die twee sprietjes die uit de verdroogde aarde staken. Ze had de indruk dat ze ergens beneden een stil getrippel van voeten hoorde, en daarna de knal van een haastig gesloten deur. Had iemand hen hier echt achtergelaten?

Dachten ze misschien dat zij zich nu wel met het onderhoud van de trappenhal zou bezighouden? Misschien gingen ze haar ook nog opdragen om de trap te vegen?

Ze keerde naar haar appartement terug met een beker vol water en sloeg de deur luid dicht. Laat ze het maar horen! Ze opende een fles gekoelde witte wijn en nam die mee onder de ijskoude douche. Ze dronk hem bijna helemaal leeg. Ze wilde aan niets denken.

’s Nachts kon ze ondanks de alcohol lange tijd de slaap niet vatten. Toen het haar eindelijk lukte, werd ze gekweld door vreemde, ondiepe dromen van de ergste soort, wanneer je de indruk hebt dat je niet slaapt, en dat klopt, maar tegelijkertijd ook niet bij bewustzijn bent, en je je ook daarin niet vergist. Er gebeurde iets slechts, iemand deed haar pijn, ze wilde erg graag wakker worden, maar ze kon zich niet bewegen – of eigenlijk bewoog ze wel, met volle kracht, maar ze trilde slechts lichtjes. Met een geweldige ruk schoot ze wakker, alsof ze zich uit zichzelf moest trekken. Bijna viel ze uit bed. Het bekende gevoel van onrust keerde terug.

Ze barstte in een nerveus gelach uit. Ze was erg dronken. Uitgedroogd. Ze ging naar de badkamer. Eerst hield ze haar hoofd onder de kraan, daarna dronk ze lang.

Weer probeerde ze in slaap te vallen, maar ze dacht de hele tijd slechts aan één ding: dat daar, buiten, in de donkere trappenhal ook iets zou willen drinken. Drinken en eten.

Een tijdlang lag ze naar de stilte te luisteren. Daarna liep ze blootsvoets uit haar woning, haar stappen dreunden op de trap – ze schaarde de drie bloempotten in haar armen bijeen, niet erop lettend dat de aarde haar lichtgekleurde nachtkleed besmeurde.

Haar slaapkamer was koeler, gelegen in de schaduw van het naburige gebouw. Je kon meteen zien dat de planten zich hier veel beter voelden dan in de keuken. De bladeren waren nu vlezig, de stengels stevig.

In een buurtsuper kocht ze enkele planten. En nog een paar in de bloemenwinkel in haar wijk. Op het internet bestelde ze er ook een heleboel. Ze begon ook planten te stelen uit andere trappenhallen. Of nee, ze stal niet. Ze verzamelde. Vaak waren ze verdroogd en vergeten. Er was toch niemand die ze wilde. Ze zette ze op de vensterbank en op kastjes. Aan het plafond bevestigde ze hangende bloemenrekken. Daarna zette ze de planten gewoon op de vloer. Al snel was ze de tel kwijt.

De eerste stond nu in het midden van de kamer, als een koningin-moeder, ze praalde in haar grote bloempot vol met humus veredelde aarde.

Ze las er veel over. Ze wist welke ondergrond ze wilden, wat hun dagritme was, hoeveel en welke soort zonlicht ze nodig hadden, wat hun lievelingswater was. Dankzij dagelijkse observaties begreep ze veel. Ze zocht steeds nieuwe weetjes. Op een dag, bij het doorlezen van een discussiegroep, vond ze een link naar de lezingen van een Israëlische professor: ‘Hebben planten gedachten?’, ‘Kunnen planten zien? Kunnen ze pijn voelen? Hebben ze herinneringen? Hebben ze een eigen taal?’. Ze huiverde en stopte de video.

In haar woning begon ze details op te merken waarvan ze vroeger geen benul had. Ze waren nooit van belang voor haar geweest. De hoek waarmee het zonlicht binnenviel. Tocht. De luchtvochtigheid. De veranderingen in de luchtdruk. In de slaapkamer deed ze haar laptop niet meer aan. Ze stelde zich voor dat het gezoem van de processor de planten zou vermoeien, vervelen, uitputten. Of vond zij het vermoeiend?

Uiteindelijk gebruikte ze de computer helemaal niet meer. Een paar dagen later trok ze ook de stekker uit de koelkast.

Soms werd ze in het holst van de nacht wakker – ze sliep nu op de grond, op een slaapplek bestaande uit een deken, want haar bed was ingepalmd door dracaena’s, graslelies en dieffenbachia’s – en probeerde ze het geruis van water dat uit de wortels stroomde te bespeuren, van chemische deeltjes die door de aarde bewogen, het geknetter van elektromagnetische impulsen, waarmee planten, zo had ze gelezen, informatie aan elkaar doorgaven.

Misschien had ze daarom de indruk dat ze in haar woning steeds vaker een stroomstoot kreeg? Het volstond dat ze een truitje uit kunststof aanraakte of het geknetter verspreidde zich pijnlijk over haar huid. Ze fantaseerde dat ze berichten opving, aan haar gerichte brieven die ze niet kon lezen. Dat kon natuurlijk niet waar zijn, maar het was fijn om zo over zichzelf te denken.

Ze ademde diep in en ze had de indruk dat ze steeds beter geuren kon onderscheiden – feromonen, etherische oliën, vluchtige substanties die de kamer vulden, de taal van planten.

Geluidsgolven overspoelden de bloempotten, collideerden met de bladeren, kietelden de stengels, klopten op de muren. Zicht, gehoor en geurzin bleken verschillende varianten van dezelfde zintuigen.

Toen ze op een keer zoals gewoonlijk met gespitste oren in de duisternis lag, weerklonk er een gekletter. Een van de bloempotten was gesprongen, de aarde had zich naar alle kanten verstrooid. Ze ruimde het ’s ochtends niet op. Ze droeg een nieuwe zak aan en bedekte de blootliggende wortels met potgrond.

Een tijdlang probeerde ze de planten muziek voor te spelen, ze had gehoord dat ze dit fijn zouden vinden. Ze stelde de geluidssterkte in en bekeek hen urenlang verwachtingsvol, maar hoe langer dit duurde, hoe meer ze zich op haar ongemak voelde, alsof ze iets ongepasts deed, iets waarvoor ze zich minstens zou moeten schamen. Haarzelf bracht het geen verlichting. De lage tonen doordrongen haar steeds sterker tot rondom haar uiteindelijk enkel de bas nog dreunde.

En dus zat ze in stilte. In het appartement nam ze zelfs de telefoon niet meer op. En als ze naar een klant moest bellen, dan deed ze dit beneden, voor het gebouw. Ze schreef meestal sowieso e-mails en sms’jes.

Zo zag haar leven eruit. Ze leerde talen, bouwde bruggen ertussen, zelfs als deze bruggen tot nu toe vooral bestonden uit contracten, beëdigde uittreksels uit aktes en registratiebewijzen.

Als kind las ze veel sciencefiction. Al snel had ze ingezien dat het in boeken niet zozeer over het buitenaardse ging, maar gewoon over het vreemde, het niet-menselijke. Het meest hield ze van verhalen waarin het vreemde helemaal niets met mensen te maken had. Het was dan bijvoorbeeld een grote intelligente zee. Een zwerm. Een kolonie… kon het ook op een plant lijken?

Ze had ooit een film gezien – ze had hem erg goed gevonden – over een taalkundige die met het onbekende moest communiceren, maar de taal van dit onbekende bleek niets gemeenschappelijks te hebben met een taalhandeling. Een paar weken lang had ze zich voor het slapengaan ingebeeld dat zij, en geen Hollywoodactrice, in een ruimteschip boven de aarde de limieten van de menselijke taal doorbrak.

Ze bemerkte dat de tocht de planten stoorde. Ze doken weg voor de luchtbewegingen, de uiteinden van de bladeren werden zwart, de stengels bogen naar beneden. Ze sloot de deur naar de slaapkamer die tot dan wagenwijd had opengestaan. Ze dichtte de ramen af, maar voelde aan dat dit niet genoeg was. Uiteindelijk propte ze een opgerolde deken in de spleet onder de deur.

Ze probeerde nu zo weinig mogelijk naar buiten te gaan. Ze had de indruk – ze overdreef hier misschien in – dat de planten dit niet leuk vonden. Toen ze op een dag thuiskwam na een afwezigheid van enkele uren vond ze het zelf trouwens onverantwoord om ze zonder toezicht achter te laten. Een zware, indringende geur die ze nog nooit geroken had vulde de slaapkamer. Ze had een bittere smaak in haar mond. Pas na een ogenblik werd ze zich ervan bewust dat in de kamer een vreemd geknars weerklonk. Ontzet zag ze witte pluisjes die op de stengels plakten.

Waarschijnlijk had ze de insecten in een zak potgrond in huis gebracht.

Een paar dagen lang leverde ze strijd, maar de kleverige draadjes kwamen steeds terug. Sommige planten leken niet meer te redden. Ondanks alles probeerde ze ze te helpen. Ze waste ze, maakte ze schoon, gaf ze verse aarde. Ze bespoot ze met gif, wreef ze in met azijn. De scherpe geur doordrong de lucht. Uiteindelijk viel ze met een betraand gezicht om van vermoeidheid.

Op een nacht werd ze uit haar onrustige slaap gehaald door een luid gezoem.

Waren er misschien nieuwe insecten uit het ei gekomen? Of hadden de oude zich verpopt?

Ze vlogen boven haar hoofd. Ze verjaagde ze, maar ze leken zich niets van haar aan te trekken. In haar halfslaap viel het haar op dat iets de deken vanonder de deur had weggeduwd terwijl ze sliep.

De insecten waren de slaapkamer binnengedrongen via de spleet boven de deurdrempel. Maar waar kwamen ze vandaan? Alle ramen in de woning waren dicht. Uit enkele snel doorgelezen artikelen op haar telefoon vernam ze dat dit sluipwespen waren. Sommige soorten aten insecten die zich aan planten tegoed doen.

Het werden er steeds meer. Ze wrong zich in een hoek en keek naar de zwerm die zich in de kamer vormde.

Pas na een paar uren werd het wat rustiger. Het lukte haar om de meeste sluipwespen door het raam te verjagen. Daarna sloot ze alles weer hermetisch af. Voor de zekerheid propte ze het ventilatierooster in de keuken vol vodden, want de sluipwespen waren duidelijk hierlangs de woning binnengedrongen. Ze dacht er even over na en besloot toen hetzelfde te doen in de badkamer. Waarom had ze in de volgende dagen dan nog steeds de indruk dat de insecten bleven komen? Het waren er niet veel, maar toch zag ze elke dag nieuwe soorten. Het drong waarschijnlijk op dat moment pas tot haar door dat ze onder haar voeten geen vloerbekleding meer had; een dikke, groen uitgeslagen laag van vochtige aarde gaf zachtjes mee onder haar voeten. De gevallen bladeren roken misselijkmakend.

De tijd verstreek. Er sprongen nog meer bloempotten. Ze bracht al lang geen nieuwe meer mee. De wortels drongen verder en dieper, vervlochten zich met elkaar, voedden elkaar met suikers, fosfor en kalium. De planten bedekten de hele bodem, dekten de ramen af, verrankten zich aan het plafond. ’s Ochtends werd ze nat wakker, maar niet van het zweet.

Ze wist dat ze de planten niet meer moest begieten. ‘Ik ben ze niet meer van nut,’ dacht ze, maar ze wist niet goed hoe ze zich daarbij voelde.

Vroeger had ze zich nu net daarmee beziggehouden. Van ’s ochtends vroeg besproeide, waste, bevochtigde ze elke plant op het juiste tijdstip, in de juiste temperatuur en lichtsterkte. Ze gaf ze te drinken, voedde ze met stikstof, met wat ze in de natuur uit rottende restjes van planten en dieren zouden zuigen; ze overgoot ze met dit elixir en zij deden zich eraan tegoed tot ze gifgroen werden.

Ze sliep zo vast dat ze ’s nachts niet begreep waar ze was – niet in de zin van in welke ruimte, maar in verhouding tot zichzelf. Bij het ontwaken wilde ze het vocht van haar voorhoofd vegen, maar het lukte haar niet om haar hand naar haar hoofd te brengen, alsof ze de controle over haar lichaam verloren had.

Ze had de indruk dat ze door mist keek. Of was het misschien echt mist?

Er gebeurde iets vreemds. De planten die niet zouden mogen bloeien, stonden in bloei, die, die piepklein zouden moeten zijn, reikten tot aan het plafond, ze vervlochten zich allemaal met elkaar, kruisten hun wortels, scheuten en bladeren. Ze droegen vruchten. Ze vochten om licht, om ruimte, andere leunden op elkaar om hogerop te kunnen komen dan ze op de kracht van hun eigen stengel zouden kunnen. Sommige stierven. Andere namen hun plek meteen in.

‘Haar’ plant – die eerste – was al reusachtig. Op een keer was ze per ongeluk met haar hand in de varen blijven hangen – het kwam tot een uitbarsting van sporenstof, het zweefde als sneeuw in de zonnestralen die de kamer binnenvielen. Geschrokken hapte ze naar lucht. Sindsdien werd ze achtervolgd door de absurde gedachte dat de sporen in haar longen kiemden. Ze begon hierover te dromen en aangenaam waren die dromen niet.

Haar tijdsbesef was ze volkomen verloren. Verloren? Kan enkel het met een menselijke maat gemeten tijdsverloop tijd genoemd worden? Alles liep tegelijkertijd trager en sneller. Ze kwam tot het inzicht dat de tijd misschien wel anders mocht lopen, maar dat hij er daardoor niet minder was.

’s Avonds stak ze geen licht aan. Ze liet de nacht de nacht zijn.

Eindelijk had ze dat begrepen.

Ze zat naar de planten te staren, ze waren net zo onbeweeglijk als zijzelf. Nee, helemaal niet! Ze had geleerd om hun bewegingen in zekere zin te zien. Eigenlijk was het meer herkennen dan zien. Wat er vroeger star uitzag, was nu constant in beweging. Ze had het gevoel dat er tot nog toe achter haar rug een heel verhaal had plaatsgevonden en dat ze daarvan slechts flarden had meegekregen: een tak die op een bewolkte dag in de richting van het raam helde, een stengel die in de richting van een zonnevlek boog, bladeren die zich na een lange nacht geopend hadden. Maar dit was voortdurend aan de gang. Waren het trillingen? Vibraties? Nee, dat suggereerde een automatisme, willoosheid. Dit was niets minder dan beweging, een andere, veel tragere, die van haar kant veel studie vergde – maar niettemin beweging. Het verschil tussen groei en beweging werd louter een kwestie van perspectief.

Ze voelde zich fantastisch. Alsof iemand haar naar een andere wereld gebracht had. Ze dompelde haar hoofd onder in een oceaan en ontdekte dat ze onder water kon ademen. Ze was vertaalster, het overschrijden van niet-materiele grenzen was haar beroep, nochtans had ze nooit eerder zoiets meegemaakt.

’s Nachts werd ze wakker omdat iets haar wang kietelde. Het waren wortels. Eentje raakte haar gezicht aan. Alsof de plant me in mijn slaap streelt – dacht ze ontroerd.

Ze sliep steeds dieper en vaster. ’s Ochtends ontwaakte ze te midden van geruis en gezoem. Ze probeerde de planten in de kleine kamer te tellen, ooit pasten hier met moeite een bed en een kast in. Waren het er honderd? Tweehonderd? Driehonderd? Ze kon niet zeggen hoeveel het er waren. De planten vermengden zich met elkaar.

Sommigen zag ze nu pas voor het eerst. In de hoeken van de kamer bemerkte ze kleine zaailingen.

De schaduw waarin ze lag, was groen.

Ze dacht veel na. Fotosynthese, de dagelijkse transformatie van zon in kleverige, bruisende suikers. Onlangs pas was ze tot het besef gekomen dat het ‘s nachts precies andersom was. De fotosynthese stopte, de planten rustten uit, bespaarden water, ademden en, zoals elk levend wezen, stootten ze daarbij koolstofdioxide uit. Had ze dat niet op school geleerd? Had ze niet opgelet? Was ze het vergeten? Ze zag een blad dat zich heel langzaam naar de rand van de bloempot boog. Het gebaar – was het een gebaar – zag er zo vertrouwd uit, alsof de plant een op de rand lopende kever over zijn chitinepantsertje wilde strelen. Het lukte haar niet. Het insect verdween. Die avond verzekerde ze zich er zoals altijd van dat de deuren gesloten en met een deken afgedicht waren. Het raam zat potdicht. De planten hadden het helemaal overwoekerd. Vroeger was ze van mening dat ze frisse lucht en meer licht nodig hadden, maar dan overgroeiden ze het raam nog meer tot het overdag in de kamer vrijwel helemaal donker was. Pas toen begreep ze dat ze probeerden om het raam met zichzelf te bedekken.

Het ging haar goed. In haar mond proefde ze een zoete smaak. Op haar gezicht voelde ze de aanraking van bladeren. Bij het indommelen schoot als een flits een halve gedachte door haar hoofd, de indruk dat ze zich vergist had: begrijpen is niet hetzelfde als spreken.

Ze viel in slaap en droomde niets.

Pas vele weken later, verontrust door het gebrek aan contact met de huurster, riep iemand van de administratie de bevoegde diensten. Niemand kon begrijpen hoe die arme, eenzame vrouw hartje zomer had kunnen stikken, van binnenuit gebarricadeerd in een kamer vol planten.


Inleiding en vertaling Melanie Zonderman





<

TSL 95