Joeri Androechovitsj



Drie steden



Joeri Andrjoechovitsj (1960), schrijver van onder meer vijf romans en een aantal gedichtenbundels, is een van de bekendste auteurs van Oekraïne. De onderstaande tekst bevat drie fragmenten uit zijn Leksikon intimnich mest. Dovilnij posibnik z geopoetiki ta kosmopolitiki (‘Lexicon van intieme steden. Arbitrair naslagwerk van geopoëtica en kosmopolitiek,’ 2012.)




antwerpen, 2006



Ik kan maar niet op de naam van die straat komen.1 Hij ligt ergens in de buurt van het treinstation Antwerpen-Centraal, daar ben ik vrij zeker van. Maar wat is ‘in de buurt’? Dat kan zowel vijf minuten wandelafstand betekenen, als vijfentwintig minuten. Op een stadskaart maakt dit best een serieus verschil uit. Mij rest alleen nog maar al het overige voor de geest te proberen te halen, zonder me daarbij in uitvoerige topografische details te verdiepen.

Die straat dus. Ik herinner me nog dat hij allesbehalve breed was en enigszins gebogen. Je zou haar niet geheel ongegrond zelfs als ‘straatje’ kunnen bestempelen. De historische centra van zo goed als alle Europese steden zijn dan ook een fijn kantwerk van straatjes, niet van straten. En Vlaanderen is hierin geen uitzondering, maar een aanschouwelijk voorbeeld.

Dat straatje dus. Van begin tot einde maakte het een buitengewoon surreële indruk, alsof het werkelijk aan de geest van Bruno Schulz was ontsproten. Heel even leek Antwerpen mij Drohobytsj wel – zij het iets netter, natuurlijk.

Maar terwijl Schulz over kaneelwinkels schreef, werden hier dus diamanten verkocht. Winkels, ateliers en kantoren, wat het ook was – het had uitsluitend met diamanten te maken. In deze straat transformeerden ruwe stenen van over de hele wereld namelijk in echte diamanten. Hier werden ze verzameld, gekeurd, gewogen, gesneden en geslepen. En wellicht nu en dan ook verkocht. Het woord ‘diamant’ is zo een van de eerste associaties die opkomen bij ‘Antwerpen’. En bij diamanten en Antwerpen horen steevast ook chassieden. Mocht iemand willen weten hoe de lokale bevolking in de oude stadscentra van Kolomyja, Bolechiv of het reeds vermelde Drohobytsj er nog maar een hondertal jaar geleden uitzag, die brengt dan het beste een bezoek aan Antwerpen, de diamanthoofdstad van het Westen. Dan kan hij eens flink diamantstof gaan opsnuiven in dat straatje van de Krokodillen.

Zijn bewoners zijn exact zoals je zou verwachten – typisch, karakteristiek, orthodox, overwegend in het zwart gekleed, met baarden en pijpenkrullen, meestal met een hoed op, hier en daar kom je ook keppeltjes tegen, of zelfs grote bontmutsen, net of ze allemaal uit een illustratie in een etnografische atlas of uit oude sepia-achtige foto’s zijn gestapt, alsof ze allemaal zopas uit Podolië, Galicië of de Boekovina zijn gearriveerd, uit de vuilste stadjes ergens in Wolynië, Transkarpatië of Transsylvanië, zij het niet van de dag vandaag, maar uit het soort plaatsjes die eigenlijk niet meer bestaan en waarvan enkel nog de namen zijn overgebleven. In de namen van hun Antwerpse dynastieën weerklinkt dan ook telkens de echo van steeds dezelfde streek: Pshevorsk, Satmar, Vizhnitz, Chortkov, Lubavitch.

En zij hebben dus allemaal de diamanthandel in handen. Met duizenden zijn ze, en in die bewuste straat troepten er tientallen van hen samen.

Ze bleven echter allemaal aan één kant van de straat, links van ons.

Aan de rechterkant volgden er net zulke diamantwinkeltjes, slijpersateliers en dat soort juwelierszaken elkaar op. Maar dan met Indiërs ervoor. Want buiten de chassieden zijn zij het die in Antwerpen diamanten verhandelen.

En dit zag er toch behoorlijk extreem uit: deze concurrentie tussen exotische magiërs, deze twee kolonies, twee diaspora’s, twee beschavingen, twee duizenden jaren oude leerscholen slijpkunst van de werkelijkheid, de diamanten confrontatie tussen Jahwe en Shiva, tussen Spinoza en Kabir, de linker- en de rechterkant van de straat, twee oevers van de eeuwigheid, de zwarte, of soms zwart-witte bleke chassieden en de kleurrijke bronshuidige jaïns in nog kleurrijkere tulbands, Przeworsk en Gujarat, Oost-Europa en West-India, Golicië2 en Golkonda, twee diamanten hemisferen van de wereldbol.

Want wie de diamanten slijpt, die beheerst de wereld, toch?

Alleen de daklozen in Antwerpen-Centraal wisten deze megametafoor nog te evenaren. Het werd nacht, en zij zakten allemaal af naar de grote centrale hal, onder haar fantastisch bol kathedraalgewelf, ze kropen uit alle hoeken samen voor een soort bijeenkomst, waarbij ze elkaar luid en schor begroetten, om een of andere reden allemaal uitsluitend in het Pools.


brussel, 2000



Die bewuste dag hing er vernieling en lichamelijk letsel in de lucht. Eigenlijk waren de knokpartijen de dag ervoor al begonnen, op vrijdag. Maar vrijdag waren we nog onderweg, dus werden we pas ‘s avonds via de televisie op de hoogte gebracht van de belangrijkste gebeurtenissen: tweehonderd Engelsen zijn er al aangehouden, de Brusselse Grote Markt ligt bezaaid met uitgeslagen tanden en vitrinescherven, in de kroegen hangt een ondraaglijke stank van traangas. Wat belooft dit voor morgen, vroegen de nieuwslezers zich somber af.

Engeland bereidde zich voor om Duitsland de volgende dag een echte 17 juni3 te bezorgen. Het strijdtoneel draagt de naam Charleroi, slechts drie kwartier met de trein van Brussel verwijderd. Daarom zakten de Britse hoofdtroepen zaterdagochtend voornamelijk naar Brussel af. Hoe hadden ze kunnen weten dat hun komende overwinning op de Duitsers hen niets meer dan een tijdelijke patriottische opwelling zou opleveren: net als de moffen zouden ze alsnog niet tot in de finale raken, wel de kikkervreters en de spaghettischijters, waarbij uiteindelijk de eersten de Europese voetbalsuprematie in de toegevoegde tijd zouden weggrissen.

Maar dat moment lag nog twee weken in het verschiet. Vandaag draaide alles dus om Charleroi en de Duitsers. De Belgische bodem heeft in het verleden al overvloedig lijken van beide strijdende partijen mogen ontvangen, en dat tot tweemaal toe.

We bereikten de Grote Markt (pardon, la Grande Place) ergens rond de middag. Mocht u dit plein nog niet gezien hebben, dan heeft u nog steeds geen voorstelling van hoe historische marktplnen er in de West-Europese steden uitzien. Die dag was ik tot de conclusie gekomen dat ik in heel mijn leven nog nooit een mooiere Markt heb gezien. Zelfs niet in Lviv.4 Haha. Die hele nakende teloorgang van Europa – hij ligt hier aanschouwelijk voor je uitgestald.

Nu goed, ondertussen weet ik dat er nog een andere indrukwekkende Markt bestaat – die van Siena. Il Campo heet die, en na een bezoek word je een echte fan van Siena, een sienist zeg maar. Al zal er voor Siena geen plaats meer te vinden zijn in dit boek. Terug naar Brussel dus.

De sfeer leek rustig, bijna slaperig zelfs, maar dat was slechts schijn. De Brusselse Markt zag zwart van de kaalgeschoren Britse koppen van de onderdanen van Hare Majesteit de Koningin van het Verenigd Koninkrijk, de bezitster van alle zwanen op de Thames en tevens grote voetbalfan. En omdat binnen in de kroegen de traanopwekkende reuk van gisteravond nog steeds niet vervlogen was, waren de tafeltjes buitengezet. De hitte nam toe en deed de plakkerige zweterige verwachting aanzwellen. De Engelsen hadden zich tot aan hun middel ontkleed, waarbij ze hun sproeten, tattoos en vetkwabben tentoonspreidden. Ze waren, zoals het hun betaamt, ros en bleek, dus kleurden ze overwegend rood in de zon. Ze nipten bier met een snelheid van ongeveer een slok per uur. Ik kan er echt niet bij hoe je urenlang aan één biertje kunt hangen, zelfs al is het een Belgisch biertje! Misschien wilden ze op die manier hun totale kalmte benadrukken. Die was dan ook niet ongefundeerd – er waren namelijk nergens Duitsers te bekennen. Geen enkele Duitser op de hele Grote Markt!

Van tijd tot tijd hief een Engelsman loom een ritueel strijdlied aan. Ik denk dat ze voor Arsenal waren, want het vaakst zetten ze ‘Who’s that team, who’s that team’ in. De politie trok dan voor de zekerheid richting het tafeltje waar het zingen begon. De voorzangers vielen dan stil. De politie bleef patrouilleren, maar trad nog niet echt op. Ze wisselden allemaal glimlachen (of eerder wolfsgrijnzen) uit. Gisteren hadden hier schermutselingen met Afro-Belgen plaatsgevonden. Vandaag zou dan de veldtocht naar Charleroi volgen. De lucht was plakkerig en zwoel, stroperig bijna.

Aan enkele tafeltjes zaten kerels die er net zo uitzagen – ros, kaalgeschoren, met sproeten en piercings, ontbloot bovenlijf. Wat echter meteen als ongewoon opviel was dat ze geen bier dronken, maar cola. Of mineraalwater! Dat was nog eens een bijzonder gezicht – hooligans die plat water dronken! Geen twijfel mogelijk – waren we het erover eens – dat zullen wel detectives zijn. Britse politie op buitenlandse missie, een speciale eenheid, de bonnetjes voor het mineraalwater bescheiden (of eerder be-shite-den?) in hun dienstrapport bijgesloten. Zelfs wij hadden dat door, al in de derde minuut van de wedstrijd, zoals dat heet. De liefhebbers van alcoholvrije bocht zwegen nog grimmiger dan de echte fans. Hoe kan je urenlang aan een rietje blijven zuigen uit hetzelfde glas met ontdooid ijs? En ondertussen geen enkel woord laten vallen. Hoelang hou je dat vol, wie kan mij dat vertellen?

Het totaalplaatje ziet er dus als volgt uit: middag, hitte, stroperige sloomheid, verveling, afwachting, hier en daar onsamenhangende gezangen, die hier en daar weer stilvallen.

Ondertussen stroomde er steeds meer politie in gevechtsuitrusting toe naar de omliggende straten, met helmen op, schilden en knuppels in de aanslag. Het plan van de politiebazen werd duidelijk – in geval van een meer dan waarschijnlijke opflakkering van geweld de dekselse Engelsen op het plein blokkeren door hun elke mogelijke uitweg af te sluiten. De Grote Markt met zijn exuberant renaissancedecor zou een afgesloten plek moeten worden voor een genadeloze knokpartij, of toch op zijn minst voor een succesvolle gasaanval. België is immers een land waar gassen reeds met succes zijn inzet geweest in de oorlogsvoering.

Waarschijnlijk zijn wij er toen net op tijd tussenuit geknepen. Daarom weet ik niet hoe de Engelse undercoveragenten zich naderhand hebben gedragen. Hebben ze de rol van de vijfde colonne gespeeld als afvallige strijdmakkers? Waren ze in actie gekomen door de grootste oproerkraaiers, van wie ze de foto’s lang op voorhand hadden bestudeerd, de armen achter de rug te draaien? Hebben ze de felste aanstokers in de boeien geslagen? Werden dezen vervolgens naar de martelkamers van de Tower overgebracht?

Of, wie weet, waren ze net voor de gasaanval uit hun roes ontwaakt, sprongen ze recht, haalden hun goeie ouwe kranige Engeland weer voor de geest en begonnen ze als echte gunners samen met de rest mee te zingen:

Who’s that team they call the Arsenal?
Who’s that team we all adore?
They’re the boys in red and white,
And we’re fucking dynamite,
Cos German’s mother is a whore,
Yeah she’s a whore,
Yeah she’s a whore!

Misschien was dit precies hoe het er toen aan toe was gegaan.


nijmegen, 2004



Waarom kan ik maar niet op de naam van dat kleine schip komen waarop onze gulzige lichamen en zielen de Rijn stroomafwaarts waren gevaren? De laatste keer dat we aan wal waren gegaan was in Nijmegen, en die wal bleek Nederlands te zijn. Nooit ervoor (en nooit erna) ben ik in Nederland geweest. Hoe dat komt, weet ik niet meteen, maar het staat als een paal boven water – het lijkt wel of ik me voorgenomen heb om Nederland langs alle mogelijke omwegen te mijden.

Behalve deze ene keer dus dat ik aan wal ging in Nijmegen. Alles ervoor was Duitsland geweest, en Nederland leek meteen anders. Maar mocht je me vragen waarom, dan zou ik je het antwoord schuldig moeten blijven. Ik kan me niks, maar dan ook helemaal niks van Nijmegen herinneren – zelfs niet de naam van het schip dat me erheen had gebracht!

Nu ja, wanneer ik ‘niks’ zeg, dan is dat behoorlijk overdreven. Zo kan ik me bijvoorbeeld wel herinneren dat we allemaal bijzonder opgetogen waren over de naderende Nederlandse oever en dat we dit heuglijke vooruitzicht lang op voorhand onderling begonnen te bespreken – in Keulen nog, geloof ik. ‘Eenmaal in Nederland aangekomen, zal het er behoorlijk Nederlands aan toegaan,’ herhaalde elk van ons van tijd tot tijd en knipoogde naar de rest. En iedereen was het ermee eens dat het er precies zo aan toe zou gaan, en knipoogde terug.

Maar of de plaatselijke fanfare ons ook daadwerkelijk op de oever verwelkomde? Dat kan ik me niet meer herinneren. Maar waar komt anders dat opdringerige beeld van de steiger met uitgerekend de Nederlandse (en niet om het even welke andere) driekleuren vandaan? Wanneer de steiger steeds dichter komt, en de kade steeds groter wordt, en jijzelf in een draaiende camera verandert, en de fanfare ten langen leste iets onherkenbaars begint te spelen om jou aan wal te lokken?

Verder herinner ik me nog dat het hotel mij heel oud voorkwam, en dat mijn hotelkamer vreselijk klein bemeten aanvoelde, zeker in vergelijking met alle voorgaande kamers in Duitsland. Het was zo’n hotelkamer waar je je benen niet eens volledig kon strekken – ik moest tot een bolletje opgerold slapen. Had ik misschien een kinderkamer of zo toegewezen gekregen? Maar ik kan me noch de naam van dat hotel herinneren, noch welk nummer mijn kamer had. Wat ik me wel herinner, is hoe zalig het was om uit dat hotel het plein op te lopen, waarvan ik de naam evenmin nog weet.

Waarom dat zo zalig was? Omdat er nog een paar uur vrij bleef tot het afscheidsfeestje met allerhande poëzielezingen, en ik alleen was in een vreemde stad ergens in Nederland, waar ik nooit voordien was geweest. Maar vooral ook omdat dit alles zich in de eerste zomerdagen afspeelde en de hele wereld met fris tintelend bladgroen naar mij lonkte en naar groen rivierwater rook. En met behulp van enkel mijn neusgaten en neusholte kwam ik feilloos exact bij die plek uit – ik ging dus terug naar de rivier en liep langs allerlei kades tot de ene coffeeshop na de andere begon te volgen. ‘In Nederland gaat het er behoorlijk Nederlands aan toe,’ herhaalde ik van tijd tot tijd de geliefkoosde uitdrukking, hoewel het eigenlijk niet eens meer Nederland was, maar een heus Coffeeshopland. ‘Coffeeshop na coffeeshop, coffeeshop na coffeeshop!’ begon het als een refrein in mij te pulseren. Wat was dat? Kiemende flarden reggae of zo?

Iets herinner ik me dus blijkbaar toch nog.

Ik kan me herinneren dat er een heleboel coffeeshops waren – een hele straat vol. Ik kan me herinneren dat dit me niet eens verbaasde en me alles behalve stoorde – de grens is vlakbij en heel dat grote Duitsland hunkert ernaar om een flinke hijs te nemen van de magische rook. Verder kan ik me herinneren hoe ik naar binnen ging. Het laatste wat ik me nog herinner is de aankoop van drie joints van twee euro per stuk. Waarom uitgerekend drie? Omdat dat een volmaakt getal is, dat een begin, een midden en een einde heeft – dat is één. Omdat de eerste voor meteen was, de tweede voor ’s avonds, en de derde in Oekraïne moest komen – dat is twee. Omdat ze voordeliger uitkomen per drie – dat is drie.

Want als je er drie neemt dan betaal je niet zes euro, maar slechts vijf. Ik weet niet meer hoe het in elkaar zat mocht ik er zes hebben genomen, of twintig bijvoorbeeld. Of welke korting je zou krijgen als je er ineens negenennegentig van zou bestellen.

Maar ik herinner me wel de enige klant die aan de toog zat, met een thee en een sigaret, en diens complete filosofische onverstoorbaarheid. Waar halen mensen toch zulke kalmte vandaan, had ik me toen afgevraagd, zonder een greintje verbittering of afgunst. Ik denk dat hij daar nog steeds zo zit op exact dezelfde plek.

Ik kan me niet meer herinneren of de ontvangst, die de burgemeester voor ons op het stadhuis had gehouden, nog vóór mijn wandeling naar de coffeeshop had plaatsgenomen of pas erna. Wat ik me wel herinner is dat de toespraken tijdens de ontvangst mij te langgerekt leken. De aard van deze langgerektheid bestond eruit dat alle sprekers nauwelijks hun overdreven lallende tongen bewogen – net of elk van hen recent een beroerte heeft gehad. Dit was heel goed mogelijk in het geval van de Nijmeegse burgemeester, zijn plaatsvervanger en enkele lokale cultuurfiguren. Of beter gezegd, het was geheel aannemelijk dat elk van hen op een of andere manier recent een beroerte had gehad. Maar het was volstrekt onmogelijk in het geval van dokter L., de beheerder van ons project, met wie ik een paar uur eerder nog een volkomen normaal gesprek had gehad. Nu had hij echter eveneens de grootste moeite om zijn tong te beheersen. Zoveel moeite zelfs, dat ik er geen snars van verstond, niet één woord. En dat vond ik buitengewoon amusant – in die mate, dat ik meermaals iets te opvallend moest grinniken, tot ik enkele verbaasde en afkeurende blikken in mijn richting opving, met name die van pani Urszula, een Poolse dichteres. ‘De akoestiek lijkt hier op niets,’ zei ik luidop tegen niemand van de aanwezigen in het bijzonder, en verliet het stadhuis om een flinke frisse neus te halen.

Die frisse neus had wel wat tijd in beslag genomen, tot aan het late schemerdonker, dat in juni niet bepaald vroeg intreedt. En die hele tijd had ik slechts drie keer diep in- en weer uitgeademd – telkens een halfuur lang. Dat herinner ik me stellig – een halfuur lang de adem in, een halfuur weer uit. Daarentegen kan ik me niet herinneren hoe ik in die club was terechtgekomen, waar iedereen voor de laatste keer de bloemetjes ging buitenzetten. Op dat moment werd pani Urszula net naar het podium begeleid.

Die avond zou ze haar gedichten voordragen. Zij en enkele lokale jonge dichters, of slammers, om precies te zijn. Maar zolang ze aan het voordragen was, ging alles nog min of meer goed. Tenminste als je het feit buiten beschouwing laat dat ze het om een of andere reden in het Frans deed. Ik begreep er geen jota van, aangezien ik het Frans niet machtig ben. Al had ik soms de indruk dat ik eigenlijk zonder een woord te begrijpen toch de essentie kon vatten en zowaar synchroon zou kunnen vertalen – desgewenst zelfs in rijm. Maar het waren eerder de slammers die me zorgen begonnen te baren. Ze werden steeds talrijker, omringden mij van alle kanten en stonden allemaal te popelen om zonder dralen op te komen. Ze drongen en duwden om zich heen. Ik klom, net Izdryk5 in zijn droom, langs een metalen constructie omhoog en was plots een verdieping hoger beland, waar ik de rest van ons vaargezelschap aantrof. Ze stonden in een kring luid te tetteren, en lieten net een bong rondgaan. Olga stak deze aan, daar het haar bong was, en ik kwam terstond tot de conclusie dat ‘Olga’ geweldig rijmt op ‘bong’. Olga had de bong eerder die dag gekocht in een coffeeshop. Die dag had ieder van ons iets gekocht in een coffeeshop, iedereen was ergens geweest, behalve pani Urszula, geloof ik. Zodra ik aan de beurt was en een hijs had genomen van Olga’s bong hoorde ik achter mijn rug ‘Joeri, wat doet u nu?!’. Het was die Duitse tiener die ons overal achternareisde – een soort fan, of misschien gewoon een studiebol.

‘Joeri, ik vergeleek u al met Dostojevski, maar u…’ mokte de tiener beteuterd. Ik gaf hem de bong door en hij hees er uit alle macht aan. Ik wou het gesprek dat zonder mij in deze kring was begonnen gaande houden, maar al mijn gedachten hadden me in de steek gelaten. Of beter gezegd, zodra er een me te binnen schoot, was ik die meteen weer kwijt. Misschien stond ik daar zelfs al met mijn mond open, op de loer om de eerste de beste frase bij haar staart te vangen. Er stond ongetwijfeld zulk creatief lijden op mijn gezicht te lezen, dat Olga me bij de arm nam en voorstelde om me naar buiten te helpen. ‘Voel je je onwel?’ vroeg ze. Door deze vraag voelde ik me daadwerkelijk ineens onwel.

Buiten hebben we samen enkele rondjes rond de club gewandeld. Ik heb altijd het geluk om iemand als Olga tegen te komen. Ze probeerde me zo goed als ze kon gerust te stellen – net of er werkelijk dreigend gevaar boven me hing, wat alleen meer verwarde ongerustheid bij mij teweegbracht, maar ik was haar toch ontzettend dankbaar omdat ze hier bij mij was en wij deze bong met ons tweetjes rookten. ‘Komt goed, komt goed,’ bleef Olga herhalen, maar om een of andere reden in het Oekraïens. Men zei dat ze wat Oekraïense liederen kende en zelfs enkele lieden met de achternaam Androechovitsj in haar familie had. Daarom was ik niet eens verrast door dat ‘Komt goed, komt goed’ van haar. Weliswaar hoorde ik er ‘Wat kut, wat kut’ in. En dit had eindeloos zo kunnen doorgaan, tot in de eeuwen der eeuwen – zij zou ‘Komt goed, komt goed’ blijven herhalen, en ik zou steeds dieper in mezelf wegzinken terwijl ik haar ‘Wat kut, wat kut’ hoorde zeggen. Dit had dus eeuwig zo kunnen blijven duren, waren we op ons zoveelste rondje niet op Michael gestuit.

Michael had me veel te vertellen, want hij had mijn boek bijna uit dat hij tijdens onze reis op dat kleine schip van mij had gekregen. Dit kwam vreselijk ongelegen – hier en nu al die essays met hem te bespreken, maar het lukte me niet van hem af te komen. Het ergste was dat ik ondertussen Olga was kwijtgeraakt, want ze was verdwenen in de duisternis. Of misschien was ze ook niet verdwenen, en was ze gewoon even aan de kant gaan staan om wanneer nodig me terstond te hulp te schieten.

Het volgende beeld is het gesprek tussen Michael en mij aan een tafeltje op het binnenterras van diezelfde club. Ik herinner me nog dat mijn mond droog en stroef aanvoelde en dat het me niet lukte om ook maar twee woorden Duits aan elkaar te knopen. Ik weet helemaal niet meer wat Michael me over mijn boek te vertellen had. Ik kan me slechts herinneren dat hij vreselijk ingewikkeld en geraffineerd sprak, waarbij hij zich uitvoerig van het abstract filosofisch conceptenapparaat bediende, wat me om twee redenen had gechoqueerd. Ten eerste omdat ik nooit had verwacht dat deze van kop tot teen getatoeëerde en gepiercete kaalgeschoren neodadaïst zo’n hoog niveau van filosoferen beheerste. Ten tweede omdat ik nooit had kunnen dromen dat zo’n hoog filosofeerniveau ook maar in de verste verte op mijn schrijfsels kon worden toegepast. Al had ik me wat dit betreft ook kunnen vergissen – wellicht vertelde Michael dit allemaal ook niet over mijn boek, maar over alle boeken in het algemeen. ‘Dat ontbrak er nog aan – bier,’ had ik nog gedacht toen ze ons twee pinten kwamen brengen.

Maar al bij al had het bier mijn tong een beetje losser gemaakt, en aldoor struikelend over de uitspraak van de eindeloos lange Duitse woorden en over de volgorde waarin ze aan elkaar worden geregen, vertelde ik Michael enkele interessante wetenswaardigheden. Meer bepaald dat Friedrich Engels een tweelingbroer had, Friedemann Engels, veel getalenteerder dan de eerstgenoemde, maar vroeg gestorven. Dat vorige nacht er een hoogst onaangenaam voorval had plaatsgevonden in de Berlijnse zoo: een poolvos was de aanpalende volière binnengedrongen en had al de zesentwintig pinguïns die daar leefden een voor een aan stukken gescheurd. Dat er zich binnenin de aardbol een andere planeet bevindt, die qua omvang aanzienlijk groter is dan de aarde. Dit laatste was een citaat, en Michael zou moeten kunnen raden waaruit. Maar deze informatie had hem alsnog overweldigd. Hij zei ‘fuck’ en bleef lange tijd in gedachten verzonken. Ik hoop dat we als vrienden uit elkaar waren gegaan, hoewel ik hem sindsdien nooit meer ergens heb teruggezien.

Wat ik daarna wel had gezien waren auto’s, die letterlijk langs ons tafeltje in een of ander café voorbijreden, waarbij ze het net niet schampten met hun metalen omhulsel. Aan het tafeltje zaten behalve mezelf alle Polen inclusief Olga, zelfs hun jonge vertaalsters, die nog een halfuur eerder met elkaar in de club hadden staan dansen en die, zoals me de volgende dag zou voorkomen, boos waren op mij. Welnu, we zaten dus aan een tafeltje in een café, maar tezelfdertijd reden er auto’s langs ons voorbij – het tafeltje stond met andere woorden midden op de rijbaan. Of misschien was het wel zo’n maf café waar je gewoon dwars doorheen kon rijden, op enkele millimeters afstand van de tafeltjes. ‘Laten we hier weggaan, je kan hier niet eens rustig praten,’ richtte ik mij tot iedereen en tot niemand in het bijzonder, terwijl ik in de richting van de auto’s knikte. Ik ben niet zeker of ze me hadden begrepen.

Waar ik wel zeker van ben, is dat iets later, terug in mijn hotelkamer, ik nog een tijdlang niet aan die auto’s kon ontkomen. Ze bleven maar langs mijn bed voorbijrazen – ondanks het feit dat het zo klein was. Ik moest mijn knieën helemaal tot aan mijn kin optrekken opdat zo’n auto niet per ongeluk mijn hielen zou schampen met zijn hete omhulsel. Nog een geluk dat de zon in juni vroeg opkomt. Hij had ze ten slotte allemaal uiteengedreven, waardoor het eindelijk gedaan was met gierend remmen op luttele millimeters van de muur. Al durfde ik mijn benen nog steeds niet te strekken. Zo was ik in foetushouding blijven liggen, helemaal op de bodem van Nederland, dat eigenlijk evengoed een bodemloze put had kunnen zijn.

Vertaling Roman Nesterenco






1 Naar uit de beschrijving blijkt is dit hoogstwaarschijnlijk de Vestingstraat in Antwerpen.
2 Aldus in het origineel, waarschijnlijk variant op Galizien/Galicië.
3 Op 17 juni 1953 werd de volksopstand in de DDR met hulp van Sovjettanks neergeslagen.
4 Het historische centrale plein in Lviv heet Rynok, ‘Markt’.
5 Joeri Izdryk, Oekraïense schrijver en dichter, naast Androechovitsj een van de belangrijkste vertegenwoordigers van het ‘Stanislavfenomeen’, de culturele boom in de West-Oekraïense stad IvanoFrankivsk (voorheen Stanislav) voornamelijk tijdens de late jaren tachtig en negentig, die een hele plejade lokale dichters, schrijvers en beeldende kunstenaars heeft voortgebracht. Zie ook de inleiding bij Taras Prochasko in TSL 94.



TSL 96

   >