Michail Osorgin



Blindgeboren




De man, die op het punt stond licht te zien, voelde zich hulpeloos. Met zijn tweeën leidden ze hem voorzichtig naar de kamer en legden hem op bed. Hij was gewend om op momenten van opwinding in een kamer van de ene hoek naar de andere hoek te lopen met gelijke bemeten stappen, zodat elk voetspoor aansloot op het vorige voetspoor. Dit werd hem nu niet toegestaan.

Zijn ogen waren afgedekt met een verband, in de kamer waren de luiken gesloten, de gordijnen voor de ramen geschoven en het licht gedempt. Als hij had mogen lopen – in de tijd dat de lichte pijn na de operatie nog niet verdwenen is – dan had hij snel de muren, het bed, het tafeltje, de wastafel op de tast kunnen vinden en zich daarna thuis kunnen voelen. Verschil tussen licht en donker bestond voor hem niet: hij was al blind vanaf zijn geboorte. Er was eigenlijk van pijn zelfs geen sprake, wel had hij een vreemde gewaarwording: hij stond in brand, en de gewone helderheid en nauwlettendheid van zijn indrukken waren in de war.

Hij kreeg van buitenaf een ongekende schok, waardoor hij heftig begon te schudden en het uitschreeuwde. Een seconde later werd het verband goedgelegd. Wat restte was het gevoel alsof hij een bal had doorgeslikt die nu in zijn lichaam heen en weer rolde. De professor, die ook wat nerveus was, zei: ‘Niks aan de hand, niks aan de hand, het gaat allemaal goed! U zult gaan zien, verdraag het nou maar. We moeten er nog een beetje aan wennen.’

In de kamer ernaast werd gedempt gesproken, maar de blinde die op zijn rug lag kon alles duidelijk horen, dat de professor zei: ‘De pupil reageert’, en dat hij op ‘Het is een wonder’ reageerde: ‘Wonderen worden gedaan door God en charlatans, maar dit is wetenschap, “schat”.’ Hierna verliet de ‘schat’ de kamer, en de professor liep wat heen en weer bij het raam en was langdurig bezig met een doek zijn handen af te drogen, vinger voor vinger. De blinde kon de minste ruis waarnemen en met gemak elke beweging van de professor volgen. Nu nam de professor plaats op een stoel bij het raam en liet na een lange zucht op een heel bijzondere toon ‘Ja-ja’ horen, waarna hij met een sigaret op het dekseltje van een sigarettenkoker tikte.

Tegelijkertijd lag de blinde ook te luisteren naar het hamertje, dat in zijn borst klopte en in zijn hoofd weerklonk. De bal, die zijn lichaam was binnengedrongen, viel uiteen in kleine balletjes die zich daarna in nog kleinere begonnen op te splitsen. Hij wist dat dit de eerste uitwerking van het licht was, hoewel hij geen idee had wat licht was. Een herhaling van de schok zou hem de meeste schrik aanjagen en hij was blij met het chirurgische verband. Als dit hoort bij ‘zien’, dan is zien een martelgang.

Wat is zien eigenlijk! Een soort wonderlijk vermogen om de nabijheid van voorwerpen in te schatten, die je niet met je handen kunt aanraken en die niet te horen zijn. Een ziende zegt: ‘Kijk, daar staat een groot huis,’ of ‘Kijk daar loopt die en die.’ Een groot huis – dat is een hele klim met traptreden en bochten, leuningen verdwijnen en komen onder je arm aanschuiven. Hoe langer en vermoeiender de klim, hoe groter het huis. Hoe zou het mogelijk zijn die treden uit de verte te tellen, zonder ze te beklimmen en aan te raken, laat staan hoe je in zo’n huis naar binnen moet? Of hoe kun je weten wie daar loopt zonder stappen of stemmen te hebben gehoord? Dat is gewoon een wonder, veel groter dan het verschijnsel telefoon. Ze leggen het uit: door de ooglens wordt licht opgevangen dat terechtkomt op het netvlies... enzovoort.

Bovendien kan een ziende zichzelf in de spiegel zien. Een spiegel: een koud en glad oppervlak, glas. Hij kan tegelijkertijd buiten en in de spiegel zijn: een tweedelig wonder. Aanraking van het glas geeft geen bijzondere gewaarwordingen: glas is koud en hard. De wereld van zienden is betoverend en onwaarschijnlijk.

Het wonder van het zicht wordt vertolkt met een veelheid van woorden, en elk daarvan is zowel gemakkelijk als gecompliceerd; woorden moeten geloofwaardig zijn. En alleen de ziende kan de straat op hollen zonder stok en zich tussen de menigte begeven, zonder op te botsen tegen mensen of zijn stem te moeten verheffen, terwijl hij dwars tussen auto’s door de weg oversteekt, en weet waar hij obstakels dient te omzeilen en wat hem verder te wachten staat, al is hij hier voor het eerst. Zien impliceert een verbazingwekkende kennis van het onbekende. Niet minder wonderlijk is de mogelijkheid om in krant en boek letters te kunnen lezen, die bijna onmogelijk te bevoelen zijn. Op afstand worden ze met de ogen afgetast, onhoorbaar uitgesproken en samengevoegd tot woorden. Deze gedachten waren niet nieuw voor de man die op het punt stond licht te zien... Maar door de beloften van de professor, zijn hoop op een wonder en de dwepende reacties van zijn familie, dacht hij de laatste tijd bijzonder vaak na over zijn toekomst en probeerde ernaar te gissen hoe alles zou veranderen, wanneer zijn ogen licht zouden zien.

De wereld was voor hem nooit leeg en donker. Hij kon op zijn manier volkomen helder ‘zien’. Zijn wereld bestond uit geluiden, geuren en manieren om grenzen te trekken. Vanaf zijn kindertijd was hij eraan gewend dat voorwerpen een bepaalde kleur hadden; bijna feilloos kon hij op de tast witte materie van zwarte onderscheiden: witte is kouder. Als hij de tuin in wandelde, kon hij inschatten dat de hemel vandaag blauw was – door een bepaalde zachtheid en door warmtestromen in de lucht, en het meeste door het vrolijke geluid van stemmen, dat snel wegstierf. Hij had besef van de zon en hield ervan om de stralen met zijn gezicht op te vangen en over zijn huid te laten glijden. Met zonnig weer was de luchtdruk hoger en dikte in.

Ook het groen van gewassen had voor hem vele nuances: van zacht tot hard en stekelig. Hij volgde de groei van een gewas en observeerde het door het aan te raken: vandaag meer groei dan gisteren; ach, dat is verwelking. Een boom was voor hem een stevige ruwe cilinder, die niet eindigde ter hoogte van een opgeheven arm. Hoger aan de boom zitten takken, aan de takken blaadjes, en blaadjes ritselen als ze door de wind worden gewiegd. Bladeren en wind waren voor hem bijna even tastbaar, maar wind die je raakte tot op het bot, was ongrijpbaar – en daarin zat ‘m het onderscheid van andere begrippen.

Wat is er boven de bomen? Ze zeggen, lucht, maar wat voel je als je je hand door de lege ruimte laat gaan; lucht die wordt ingeademd. Al die bijzondere eigenschappen van de dingen ontwikkelden in zijn voorstellingsvermogen een aanzienlijk ingewikkeldere keten van begrippen dan bij een ziende.

Een ziende ziet geen lucht, maar ziet een hemel, die er niet is; voor een blinde is dat begrijpelijk want voor hem bestaan dingen niet, als hij ze niet kan aanraken, maar intussen ís zo’n ding er wel of zal er zijn.

Hij had veel verstand van bloemen en hield ervan. Een roos noemde hij ‘geur’, een sering ‘parfum’, een viooltje ‘aroma’. Het betasten van een bloemetje voegde weinig toe aan zulke kennis en gaf er geen enkele uitleg aan. Hij waardeerde bloemen op zijn manier: een anjer leek hem verschrikkelijk, omdat die bedwelmend geurde; ook een lelie was verschrikkelijk. Hij had het meeste op met de delicate geur van bloemen waarover werd gezegd dat ze geen geur hadden. Als hij naar een boeket toeliep dat hij niet met zijn handen had aangeraakt, kon hij het ‘zien’ omdat hij feilloos wist uit welke bloemen het was samengesteld.

Maar ook aan tafel wist hij precies welke gerechten hij voor zich had staan: zijn reukvermogen was net zo uitzonderlijk ontwikkeld als zijn gehoor en tastzin. Niet afgeleid door dat wat men het zicht noemt, had hij altijd de macht over een heleboel uiterst verfijnde waarnemingen die voor een ander ontoegankelijk zijn. Een voor anderen onnozel en saai tarwebolletje ervoer hij als een rond volmaakt dingetje, dat door zijn zachtheid in staat was geplet te worden, dan weer rond of op de grond te vallen, en dan hoefde hij het, afgaande op de kruidigheid, zuurte en broodgeur of het zwakke geluid van de val op de vloer – waardoor het er tegelijkertijd was en niet was – alleen maar op te pakken door zijn hand ernaar toe te bewegen.

De volwassenen verbaasden zich erover dat hij direct wist welk kopje uit al het serviesgoed het zijne was. Maar aan het oortje zat een voor een ziende onwaarneembare oneffenheid, een korreltje porselein dat er uitstak, en de rand van het bodempje was ruw, op zich ook herkenbaar. Hij kon het onderscheid van andere kopjes nog gemakkelijker bepalen – door met zijn vinger de rand licht aan te slaan, gaf het kopje zijn klank weer.

In de kleine boekenkast van zijn zus kende hij elk boek en wist het ook te vinden, want vroeger had hij ze doorgebladerd en gevraagd naar de titel, en sommige boeken waren hem ook hardop voorgelezen. Na eenmaal het voorwerp betast te hebben, kon hij het later door een simpele lichte aanraking thuisbrengen, waarbij hij zijn vinger nauwelijks langs de rand hoefde te strijken. En het object zelf sloeg hij op in zijn voorstellingsvermogen als een licht lijntje dat binnen een patroon paste; hij gleed erdoor met zijn geheugen, zoals een ziende met zijn ogen glijdt.. en dat was genoeg.

De patronen, geuren, geluiden vulden zijn leven en hadden vrij spel met de bekende beelden op het scherm van zijn geheugen: de kamers, de mensen, de tuin; moeilijker was de straat, want daar bestaat een scala van geluiden en obstakels, het is een vlakte vol onverwachte ophogingen over moeilijk begaanbare stoepen.

Dit alles betekent, dat hij wel degelijk kon zien; maar alleen datgene wat bekend was, hij zag niet wat geen spoor had achtergelaten in zijn wonderbaarlijke geheugen; de rest moest hij bedenken.

De menigte op straat deed zich aan hem voor als een voortdurend en verward spel van ellebogen, kleren, ondefinieerbare gezichten, adems en woorden. Alles speelde zich naast hem af, reeg zich aaneen tot patronen op het vlak van het vertrouwde scherm omdat perspectief voor hem ontoegankelijk was.

Hij wist dat hij de uitdrukking ‘Een mens in de verte lijkt kleiner’ nooit zou kunnen begrijpen. In een poging om het te begrijpen, maakte hij zich een voorstelling van een stuk vlees, dat hij zat op te eten; het stuk wordt steeds kleiner. Zo zal het dus ook met afstand zijn, het is de afbraak van iets tastbaars, langzamerhand zal het de mens ook verslinden.

Maar dit gaat ook op voor horen en ruiken, en tastzin alleen heeft ook niet het niveau van nader inzicht: dat wat onmogelijk nogmaals aangeraakt kan worden, verdwijnt uit het domein van afbakeningen en andere onderwerpen en laat slechts een spoor achter in het geheugen. De mens die in de verte klein was geworden, strekt zich als het ware en wordt dunner, maar ligt desondanks vast voor het oog van de ziende, dit op een andere manier begrijpen is onmogelijk.

De fundamentele wereld van het dagelijks leven van de blinde man was de wereld van geluiden – vol, duidelijk, schitterend en kwellend.

Een voorwerp kon raken, eten kon aanbranden en walging oproepen. En een geluid kon ook pijn doen door scherpte, maar dat deed geen afbreuk aan de volheid van indrukken. Door geluiden werden zijn etmalen, zoals bij zienden, verdeeld in dag en nacht. Via geluiden kon hij zich een voorstelling maken van de omgeving zonder zijn hand uit te steken of in beweging te komen. Geluiden gaven het onderscheid aan tussen goed en kwaad – en zijn ethische voorstellingen vloeiden samen met muzikale verbeelding.

Oneindige geluiden konden hem door de gevarieerdheid van een compositie gelijkschakelen met alle zienden, wat echter de zogenaamde volledige duisternis niet kon doen.

In deze volledige duisternis ervoer hij van zijn kant niets dan voordelen boven de zienden. Als die niets zagen, werden ze hulpeloos en kwetsbaar, terwijl dan voor hem niets veranderde: hij ‘zag’ zoals hij altijd en overal zag, zijn bewegingen waren in de vertrouwde situatie zelfbewust en vrij. De zienden waren hun unieke overwicht kwijt, maar hij behield al zijn capaciteiten van een mens, die op bijzondere wijze zijn gehoor en gevoel had weten te verfijnen.

Zij liepen zelfs in hun eigen woning tegen voorwerpen aan en konden de uitgang van de deur niet vinden; hij kon ook in een vrijwel onbekend huis een hindernis voelen als de lucht door een soms nauwelijks voelbare beweging een bepaalde weerstand had, of hij rook een bepaalde geur van gelakt hout, papier, stof. Maar zodra het licht aanging, draaiden de rollen om en werd hij, niet altijd even rechtvaardig, een arme stakkerd die medelijden nodig had.

Hoe anders was dit in de wereld van geluiden – zijn echte koninkrijk. Als de gelijke van een ziende verhief hij zich hierin tot grote hoogte boven hen, niet voor even en ook niet toevallig, maar terecht en welhaast onbereikbaar. Bij het luisteren naar muziek luisterde hij niet alleen maar zag de muziek op een manier die zij niet zagen. Met zijn scherpe ontwikkelde gehoor ving hij op wat voor hen niet hoorbaar was en vertaalde de klanken in voor hen ontoegankelijke beelden. Bij een akkoord had hij oog voor elke noot afzonderlijk, maar dat belette hem niet om ze toch in harmonie met elkaar te zien. Elke klank was voor hem een soort flard en die flarden hakte hij niet in stukken, in fenomenen of lijntjes zoals bij stenografie: hij tilde ze in hun geheel op en stond ze toe vrijuit te vliegen en wonderlijke patronen te vormen. De ene flard klonk rond, als een erwtje, en rolde over een glad oppervlak, een andere had de vorm van een munt en viel plat neer, om gelijk rinkelend weg te sterven, een derde wilde zich uitstrekken tot in het oneindige, maar omdat het werd geblokkeerd door de grenzen van het scherm, beschreef het bogen en cirkels, totdat het precies in het midden wegsmolt, en nog een andere sprong weg als een scherp pijltje en drong door zachte materie heen om daar vervolgens in te verdwijnen.

Er waren klanken, die uit de massa loskwamen en bleven hangen in de hoek van het scherm en daarna begonnen te zweven maar ze bleven toch invoelbaar. En dan zweefde hij met ze mee tot de uiterste rand, waarna hij ze tot zijn verdriet en spijt kwijt was. Toch kostte het hem geen enkele moeite ze los te laten, na met zijn vingers licht getokkeld te hebben op de leuning van de stoel waarop hij zat, verschenen op het scherm spikkeltjes en daaromheen barstte een hymne van angstaanjagende geluiden los.

Hij wist perfect hoe geluiden ontstonden in een piano: de aanslagen van een warme hand zorgen voor een kettingreactie achter de hoeken van de koude toetsen die over de wonderbaarlijke eigenschap beschikken om zich binnen het instrument te verbinden met gespannen snaren via de scherpe slag van een hamertje. Al dit werk beluisterde hij nauwkeurig en had er een oordeel over.

Hoe bijzonder trllde elke snaar, hoe bijzonder resoneerde de kast, waaruit zich golven verspreidden, die het oor streelden en in beroering brachten. Maar hij hoorde daarnaast ook een weerkaatsing van geluiden van voorwerpen die zich in de kamer bevonden: als een hard balletje ketsten ze van de muren af, spleten in stukken over een hoek van de tafel om nutteloos te verdwijnen in de zachte bekleding van de divan. Hij had het er te kwaad mee als deze overbodige voorwerpen de melodie bedierven – anderen merkten daar niets van.

Het scherm waarop de geluiden waren weergegeven, had hij verdeeld in betere en slechtere stukken, zoals een goede landbouwer zijn akkers verdeelt. De slechtste plekken waren een broedplaats van rommel zoals een slecht gemonteerde snaar, een onzuivere aanslag op de piano, een slordig accent of een valse noot die bijvoorbeeld ontstaan was door een randje van het tapijt onder het pootje van de piano. Zoiets was een kwelling, en hij probeerde die door onkruid overwoekerde muzikale akkers niet meer te bezoeken, ze links te laten liggen, ze te vergeten.

Maar er was nog iets aan de hand. Van al het zichtbare in de wereld dat niet in zijn geheugen gegrift stond, vroeger niet had bestaan of onbekend was, wist hij niets. Alleen in de sfeer van geluiden kon zijn wereld van blindgeborene, via onbekende en ongecontroleerde geheel nieuwe tot het uiterste in zoete en kwellende overvloed beladen componenten, worden opgevuld wat soms leidde tot een verziekt gevoel van oververzadiging.

Voor hem, die nooit de zeven kleuren van de regenboog der zienden had gekend, doemde een machtige, duizendkleurige regenboog van geluiden op, een waterval van unieke sentimenten, van welke de unieke omstandigheden, waarin ze vandaag ontstonden morgen alweer niet op dezelfde manier zullen ontstaan.

Als hij – luisterend naar de muziek van een eenvoudige melodie of een ingewikkelde symfonie – soms bang was voor oververzadiging, begon hij zijn hoofd langzaam te draaien, en zonder dit alles met zoveel woorden uit te kunnen leggen, begon het beeld net zo langzaam te draaien maar dan in tegengestelde richting: op die manier kon hij de beweging volgen. Met beide handpalmen bedekte hij dan zijn oren, zoals kinderen graag doen, en naar willekeur kon hij geluiden naar zich toehalen of zachter laten klinken, terwijl hij intussen probeerde te begrijpen wat perspectief inhield, dat niemand hem wist uit te leggen. Dan sperde hij zijn neusgaten open en snoof, en af en toe scheen het hem toe dat elke klank zijn bijzondere geur had: dof, pittig, huiselijk, vluchtig, rokerig, opdringerig of onuitroeibaar.

In andere creaties op het gebied van geluiden onderging hij dezelfde gewaarwording die hij ervoer als hij de tuin inliep op een zonnige dag. Het betekende voor hem dat een ‘blauwe hemel’, ‘groen gras’ of een ‘rode vlag’ echt bestaan. Toch was er soms iets in de hoogte dat hij met zijn handen niet kon aanraken maar dat voor zienden duidelijk was; dan begreep hij daaruit dat dit de weg moest zijn van het eenvoudige stoffelijke naar de oneindigheid, van de herinnering naar het onbekende.

Als de muziek ophield, konden iemands woorden hem uit hogere sferen doen neerstorten in de gewone en kleurloze wereld van silhouetten. Als iemand zei: ‘Prachtig’ of: ‘Dit bevalt me minder’, dan werd hij koud bij de gedachte dat het mogelijk was om te proberen met woorden het nog maar net doorleefde uit te drukken. Waar haal je de woorden vandaan?

Hoe is het aanzwellen, doorklinken, wegsterven van dergelijk samenspel uit te drukken?

Dan stond hij op, bleekjes en de draad kwijt stak hij beide handen uit en zocht de uitgang. En dan hoorde hij buiten hoe er fluisterend over hem werd gezegd: ‘Arme jongen, muziek heeft grijpt hem zo aan!’

Arme jongen? En dat zeggen die minkukels over een miljardair. Eenmaal thuis moest hij ervan huilen, geroerd als was hij door de onmetelijke omvang en rijkdommen van zijn verworvenheden. De professor kwam elke dag naar hem kijken en liet hem beloven op zijn rug te blijven liggen, zich zo min mogelijk op te richten en op te staan.

‘Rustig blijven, het verband niet aanraken en maakt u zich geen zorgen over wat u te wachten staat.’

Hij antwoordde dat hij zich natuurlijk geen zorgen maakte. Ze hadden hem immers een overstap naar een andere wereld beloofd, niet minder dan dat; dat is als het ware een tweede geboorte. Maar een kind, dat geboren wordt, heeft niet die levenservaring achter de rug die reeds een wereld van indrukken inhoudt. Voor een man van dertig is dat niet zo gemakkelijk. En hij vroeg bovendien: ‘Maar zeg eens, professor, hoe kunnen we weten of een pasgeboren kind daarvoor in een bijzondere wereld leefde, die volwassenen niet kennen.’ ‘Wat voor wereld zou dat moeten zijn?’

‘Nou, de wereld van het bovenaardse. Ik probeer toch als het ware te voorschijn te komen uit de wereld van het bovenaardse. Voor mij is die weg dierbaar en belangrijk, en voor u bestaat die gewoon niet.’

De professor zei: ‘Ach man, laat die gedachten varen. Over een jaar of wat gaan we het wel over al dingen hebben. Voorlopig is het zaak om uw zenuwen onverwijld met rust te laten. U bent een verstandig mens, u bent best in staat om uw kalmte te bewaren.’ Nadat de professor zijn hand had gepakt, voegde hij eraan toe: ‘Nog even de pols voelen. De pols is goed. Nu flink zijn. We gaan de geleerde wereld een surprise bereiden. En eenmaal begonnen, gaan we door tot het einde.’

De blinde antwoordde dat hij de professor van harte succes wenste. ‘Dat zou me wat zijn, als u me geen succes zou wensen!’ ‘Nou ja, maar ik ben er niet zeker dat het er voor mij beter op wordt. De professor gaf geërgerd antwoord: ‘Ik doe maar net of mijn oren u niet horen! Wat bent u nu voor mens? U zult een ander mens worden.’

Het verwisselen van het verband vond in het donker plaats; achter het hoofdeinde werd slechts een klein lampje opgehangen.

De patiënt voelde niet zo’n schok als tijdens de operatie maar één seconde was genoeg om weer die zogenaamde bal te voelen die later in steeds kleinere eenheden uiteenviel. Hij schrok ervan maar de professor was er blij mee.

Op een van zijn volgende visites zei de professor: ‘U moet maar blijven denken aan een ziende, die beweert dat er in de wereld zoveel moois te zien is, alleen al daarom is het de moeite waard om vol te houden. Kunnen zien is een groot geluk. De natuur is mooi, de kleuren prachtig, mooie gebouwen zijn er ook, maar vooral mensen. U zult zien hoe mooi een vrouw kan zijn. Kunt u zich daar iets bij voorstellen?’

‘Volgens mij is mijn zus de mooiste vrouw.’

De professor mompelde vaag iets voor zich uit. De zus van de blinde was lelijk, maar zoiets zeg je natuurlijk niet! Hij grapte: ‘U zult nu zelf een knappe bink worden. De eerste tijd nog met een bril, maar die kunt u later afgooien.’

Dat gesprek riep bij de blinde een reeks van onsamenhangende en uitputtende gedachten op. Uit het gemompel van de professor had hij opgemaakt dat zijn zus niet bepaald een schoonheid was. De zus, die hem had grootgebracht en zich haar hele leven met niet-aflatende toewijding om hem had bekommerd! Als zij geen schoonheid was, wat noem je dan een schoonheid? Een product van wat ondefinieerbare kleuren en lijnen? Alleen al het woord ‘zus’ hield schoonheid in!

Dan was er nog iets – eigenlijk was het heel persoonlijk, belachelijk en beschamend, hij durfde er al die tijd geen vraag over te stellen. Want nu zou hij ogen gaan krijgen, echte, open en ziende ogen. En die ogen hebben hun kleur, zoals alle mensenogen. Maar wat voor kleur? Hij wist zijn schaamte te overwinnen en vroeg het aan de professor, die vrolijk begon te lachen: ‘Zo zo! Is dat interessant? U heeft bruine ogen, beste man, en zelfs donkerbruine. Wist u dit tot op vandaag nog niet? En het is volgens mij een prachtige kleur, God geve die aan iedereen. En vrouwen zijn er dol op.’

Nu ging hij liggen denken over de betekenis van bruine ogen? Van alle kleuren was dit de minst begrijpelijke en invoelbare kleur. Blauw, groen en rood waren te koppelen aan verschillende voorstellingen op andere terreinen. Alleen al het geluid van deze begrippen verwees naar iets: blauw naar liefde, groen naar het gezoem door vliegenvleugels en het geritsel van blaadjes, rood naar bloed, pijn of in het algemeen naar iets heftigs. Bruin betekende niets, hoewel er vaak over bruine ogen gesproken wordt. Maar tot nu toe had niemand het met hem gehad over de kleur van zijn ogen, – nou ja, het was nog maar de vraag of ze kleur hadden? Toen zijn zus op bezoek kwam, vroeg hij aan haar: ‘Wist jij dat ik bruine ogen heb? Wist jij dat ik bruine ogen heb? Ze gaf vlug antwoord: ‘God, wat klinkt dat goed!’

‘Wist je dat dan niet eerder?’ Maar ze zei: ‘Ik ben dol op die kleur.’

‘En jij? Wat voor ogen heb jij?’

‘Ik heb ook bruine ogen, maar niet zo bruin als jij.’

Hij werd er helemaal blij van en voelde zich na het gesprek met zijn zus opgewekt en rustig, en meer nog door het overweldigende aanstaande geluk waarvan hij nu pas duidelijk besef begon te krijgen. Ook de professor sprak hem monter toe: ‘Nou, mijn werk is af en ik maak me nergens zorgen over. Ik heb nog een en ander ontdekt en nader begrepen.’

Maar wat dat nou was, zei hij niet. De professor beloofde morgen het verband te zullen verwijderen. Ook dit kon hem niet deren: laat maar gebeuren dat wonder! Hij was al aan de gedachte gewend. Oké, voor mijn part is het een godswonder – wat fantastisch! Met bruine ogen, met de ogen van zijn zus, zou hij alles kunnen zien wat anderen zien.

Maar wat zij niet zien en waar hij weet van heeft, zal hij voor zich houden. Op de laatste dag verbaasde hij de professor met de volgende opmerking: ‘Ik zou niet weten hoe maar wat ik het allereerst zou willen zien is de klok. De klok die achter het raam zijn slagen laat horen, de torenklok.’

‘U gaat alles zien. Maar waarom een klok? U gaat mensen zien.’

‘Mensen ken ik toch wel. Dingen zijn natuurlijk interessanter.

Maar die klok stel ik me voor als een sprookje. Is die echt wel te zien? Zeg Professor, zo’n hoogte, hoe komt het dat hij daarvandaan te horen is, vanaf een toren?’ De professor begreep er niets van en gaf ook geen antwoord. Een volwassen blinde man is misschien nog naïever dan een ziende zuigeling. Waarom nou juist een klok?

Op de dag van het experiment bevonden zich in de geïsoleerde kamer behalve de professor ook degene die hij eerder zijn ‘schat’ noemde, zijn assistent. Een verpleegster liep in en uit, haar tred klonk zachter en lichter. Toen werd zijn zuster binnengelaten, hij had gevraagd of zij erbij mocht zijn als het verband zou worden verwijderd. Terwijl hij met haar sprak, telde hij de stappen van andere bezoekers: het waren allemaal mannen en ze waren met zijn zessen. Hij wist dat het artsen en studenten waren aan wie de professor zijn experiment wilde laten zien. Zijn zus stond naast hem en hield zijn hand vast, toen de professor opeens zijn gewone humoristische en gemoedelijke toon veranderde in een belerende toon en van wal stak: ‘Kom, we kunnen beginnen. Gooi de gordijnen maar open maar laat de luiken halfdicht.’

‘Ja oké, genoeg. Diffuus daglicht is weliswaar sterker maar heeft minder invloed dan het licht dat uit één punt komt, van een lamp of een kaars.’

Toen ging hij verder en dicteerde als het ware: ‘Ik heb al gezegd dat wij, noch onze patiënt, niet kunnen wachten... waarmee ik wil zeggen... een ongewoon-veneus evenement. Als wij het zicht terughalen bij een patiënt die dat onlangs of wellicht in zijn vroege jeugd verloren heeft, dan herkennen zijn ogen gemakkelijk en vrij onbelemmerd de al bekende indrukken, omtrekken en kleuren. Bij een blindgeborene moet dat proces op een andere manier plaatsvinden, zoals dit bijvoorbeeld gebeurt bij een pasgeboren kind:

het netvlies van het oog registreert en reflecteert alles, maar in het bewustzijn kan dit niet direct worden doorgegeven; daaraan moet het oog nog geleidelijk wennen. Dus zoiets als het wonder van een plotselinge openbaring van een nieuwe wereld van lijnen en kleuren mogen we natuurlijk niet verwachten. Juist daarom moeten we voorzichtig handelen en volgens een verstandige strategie: het overgaan van donker naar half donker en daarna naar het licht.’

Terwijl hij zich omdraaide naar het raam zei de professor:

‘Maakt u het alstublieft nog een beetje donkerder. Ja, goed zo.’ En verder: ‘Nou, heren, ik zie dit niet als een wonder, meer als een overwinning van de wetenschap, de overwinning van ons doorzettingsvermogen, en, zou ik zeggen, van onze liefde voor het vak.

En nu...’

De professor stond even stil, en zijn patiënt drukte de hand van zijn zus. Haar hand trilde, maar hij was rustig en luisterde aandachtig naar de professor. Van alle emotie werd zijn aandacht afgeleid door een plotseling besef dat het de professor en alle anderen, behalve zijn zus, in wezen een zorg was welke wereld hij kwijt zou raken en welke zich voor hem zou openen, want hun enige belang was dat het deeltje van zijn lichaam, dat netvlies heet, iets van buiten registreert en aan het bewustzijn doorgeeft. Dit betekent dat zij hèm niet zien, maar hij ziet hen wel en heeft hen ook door: zij zijn uniform als de kopjes van een servies, maar zijn lievelingskopje zit er niet tussen. Hij pakte de hand van zijn zus nog steviger vast en dacht: ‘Het had eigenlijk wat minder ingewikkeld moeten zijn!’

‘Nu,’ zei de professor, ‘zo, nu gaan we.. nu maak ik het verband los, het verband... draait u uw hoofd voorzichtig... nu kunnen we het eindelijk helemaal verwijderen... zo...’

1932


Vertaling Jana van Eeten-Koopmans





<

TSL 96

>