Małgorzata Lebda
Gulzig (Łakome)
Małgorzata Lebda (Nowy Sącz 1985) is
een Poolse dichteres, schrijfster, fotografe, marathonloopster en universitair
docente. Ze won met haar gedichtenbundels belangrijke Poolse literaire prijzen en
Gulzig, haar prozadebuut, kreeg verscheidene publieksprijzen.
In Lebda’s werk staan de symbiose
tussen natuur en mens, en dierenrechten
centraal. De natuur wordt gepersonifieerd,
de grenzen tussen mens en natuur vervagen. Lebda breekt met het antropocentrisme, ze ontfermt zich over de zwakkeren:
de natuur en de dieren.
In Gulzig keert de verteller terug naar
haar dorp van herkomst in de Beskiden
om voor haar doodzieke oma te zorgen.
Ze wonen vlakbij een slachthuis. Het boek
draait om verlies, vergankelijkheid, het
onvermijdelijke: het verlies van een naaste, maar ook van de natuur. Ondanks de
alomtegenwoordige ziekte en dood, is het
een heel troostrijk en liefdevol boek, dat
ook vol leven is. Je kunt duidelijk merken dat Lebda dichteres is, de tekst is ritmisch,
elk woord is met zorg gekozen.
Gulzig wordt inmiddels vertaald in het
Engels, Spaans en Frans.
Voor het verlies.
En verder: voor de vogels.
kersen
Dunaj huilt. En zij zijn er al, zoals ik ze me herinner – hongerig,
beweeglijk. Ze blinken alsof hun vleugels zijn overgoten met benzine, ze glinsteren paars, blauw, rood, geel.
De zwerm cirkelt boven het dorp.
Juni heeft veel zon binnengelaten, al aan het begin ervan is het
fruit van de kersenbomen zoet.
Opa, die opoes ziekte schuwt, wie de rituelen rondom de ziekte vreemd zijn, hij, die niets van de ziekte weten wil, niets in de
ziekte wil aanraken, ziet vanaf de veranda toe hoe de spreeuwen de
afdaling boven de boomgaard inzetten.
Hij slaat met een metalen staaf tegen een melkbus van aluminium. Het dondert ervan in het dal.
Ik sla hem gade. Ook in hem moet het donderen, zijn lichaam
beeft, zijn huid lijkt op de huid van de mannen die de boog van de
Karpaten bewonen, denk ik bij mezelf. Brons. Ebbenhout.
De spreeuwen vliegen op, het ziet er zwart van. Terwijl ze boven het huis langs fladderen, werpen ze een schaduw op de vloer
van de westelijke kamer, die in de koele maanden verwarmd wordt
door een gietijzeren kacheltje.
Even later keren ze terug naar de boomgaard.
Ze zijn koppig.
De volgende klappen op het metaal laat ze nerveus deinen. Het
donderen houdt ze in de lucht.
Opa stopt even om te roken. Ze profiteren van de stilte en landen op een brede boom. Ze stoppen hun lijfjes vol met het fruit.
Ze hebben al geleerd de stilte te herkennen, zeg ik tegen Ann.
Ja, beaamt ze.
Ann is hier helderheid. Ze interesseert zich voor licht en is
het zelf. Vanochtend is ze aangekomen, rechtstreeks in het warme
Maj, uit een ver land. De reis zit nog in haar. De geur van elders
zit nog in haar: fresia, patchoeli. Ze staat met me op de veranda en
laat haar blik wennen aan de vroege zomer.
Haar ogen volgen het licht.
Ann heeft verstand van licht.
Ze onderzoekt licht.
Jaagt op licht.
Orakelt uit licht.
Ik betast met mijn vingers haar decolleté, daar waar sterrenstelsels van moedervlekken groeien.
Ann zegt: We moeten ze tellen.
Goed, antwoord ik.
Toen ik klein was telde ik opoes moedervlekken. Ze hield niet
veel voor me verborgen. Ze liet me de puntjes tellen die haar rug
bedekten, en ook die bij haar borsten. Ze liet mijn blik toe in hoekjes als haar oorschelp of haar elleboogholte.
Jij bent ook van mijn lichaam, zei ze.
We lopen van de veranda naar de westelijke kamer. We horen opa
een melodie spelen. Opoe observeert de schaduw van de vogelschare. Ze steekt haar magere hand in de lucht, alsof ze iets wil
zeggen in de klas.
Daar, zegt ze, en ze wijst naar de kast.
Ze vraagt om er haar zomerjurken uit te halen. Dat verrast
me. Normaal draagt ze de pyjama’s die ik voor haar op de markt
van het naburige stadje koop, van Stary Sad. Ze houdt van mintgroene.
De jurken spreid ik uit op de slaapbank.
Die, fluistert opoe.
Ze heeft de bloedrode uitgekozen. Ik neem haar in mijn handen. Het is fluweel.
Breng die naar hem, verzoekt ze me.
Ik doe het zonder tegen te sputteren.
Opa rookt op de veranda de zoveelste Klubowe op, zo noemt
hij – uit sentiment voor wat voorbij is – alle sigaretten, dat heb ik
van hem overgenomen. Hij neemt de jurk in zijn handen. Zijn huid
haakt aan de stof. Hij ruikt aan het textiel.
Róża, zegt hij.
Ik kijk naar hem. De laatste jaren hebben zijn lichaam uitgedroogd. Zijn blik vlucht steeds vaker, verbergt zich, duikt weg. Hij
is niet in staat het kijken vast te houden en te beantwoorden. Ik zou
hem sterker willen zien, denk ik bij mezelf.
Hij draait zich om en zegt: Kom mee.
Ik ga.
Hij loopt naar de werkplaats.
Daar timmert hij van hazelaar een soort kruis in elkaar en trekt
dat kruis opoes bloedrode jurk aan. Hij bekijkt zijn werk. Hij doet
de vullingen van spons goed, die het object een verbaasde uitdrukking geven, alsof iets levends zijn schouders ophaalt.
Is het wat? vraagt hij.
Zeker, antwoord ik.
Ik weet dat hij mijn goedkeuring nodig heeft. Hier, in deze
ziekte, is geen plaats voor bezwaren.
Opa beantwoordt mijn goedkeurend knikken met een knik. Hij
pakt de pop beet en gaat met het in de jurk gehulde skelet de boomgaard in. Achter hem, in processie: hond Dunaj en kater Klakier.
Opoe slaat ons gade door het raam van de westelijke kamer.
Met haar nagels krabt ze de huid op haar wang stuk. Ik ken die
reactie. Die doet zich voor als ze iets observeert. Ze is in staat om
zich overal te krabben zonder van dat krabben weet te hebben.
Opa zet de ladder tegen de stam van de kersenboom. Ik assisteer. Voorzichtig zet hij zijn voeten op de sporten. Hij bereikt de
top. Met draad bevestigt hij de verschrikker aan de takken.
Hongerverschrikker, mompel ik.
Opoes rode jurk begint in de wind te bewegen. Een windvlaag
gaat naar binnen en vult de ruimte waar ooit een warm lichaam zat.
Het lijkt wel alsof de jurk tot leven komt.
De geest van de boomgaard, zeg ik tegen Ann, die zich bij ons
aansluit.
Niets werkt zo als een rode jurk, neuriet ze.
De spreeuwen cirkelen boven de boom.
Weer in de westelijke kamer vraag ik aan opoe of ze nog weet
dat ze het kledingstuk vorige lente nog heeft gedragen. Er zijn foto’s van.
Ze knikt van ja.
Het rood liet haar grijze haren spreken.
Weet je, zegt ze, de ziekte moet toen al in me zijn geweest. Kun
je je dat voorstellen?
Ik knik van ja.
Met mijn vingertoppen onderzoek ik de wond die ze in haar
wang heeft gekrabd.
De rest van de dag lopen we beurtelings naar het raam van de
westelijke kamer en kijken in de boomgaard. Het bloedrood van
de jurk loopt over in de kersen die in de volle zon rijpen. We zullen
de van de spreeuwensnavels geredde vruchten plukken voor opoe.
Opa zal er zoete jam van maken.
de westelijke kamer
De kamer in het westelijke deel van het huis frissen we op voor de
ziekte. Toen ik klein was deed hij jarenlang dienst als een enorme
koelruimte. We sloegen er het vlees in op van de varkens die ter
gelegenheid van kerkelijke feestdagen geslacht waren. Mijn grootouders bewaarden hier meubels, oude schilderijen, potten met ingemaakte groenten, bussen met honingdauwhoning, dozen met
kerstversiering. Sinds het ongeluk, dat van jaren geleden, waarbij
mijn ouders en tante betrokken waren, heeft opoe hier haar leger.
Binnenkort plaatsen we hier radiatorribben, zegt opa op de drempel van de kamer.
Ja, beaam ik.
Opoe mag geen kou lijden als ze ziek is, zegt hij.
Ja, ja, beaam ik.
Kou kan ik nog hebben, maar haal dat roze hier weg, zegt opoe.
Ja, ja, beaam ik.
Roze doet me denken aan vlees, zegt ze.
Ja, beaam ik.
Maak het hier wit, verzoekt ze.
Ik knik van ja.
Ik ben gehoorzaam, daarom ben ik van ver naar hier teruggekeerd,
daarom heb ik mijn leven in de altijd lichte stad achtergelaten, om
gehoorzaam te zijn.
Gehoorzaamheid, zeg ik tegen Ann.
Gehoorzaamheid, herhaalt ze en ze glijdt met haar hand langs
mijn haren.
deal
We beginnen met het opfrissen van de kamer. Alsof de ziekte speciale middelen en acties van ons vergt.
We werken met haar samen, we dealen met haar, denk ik bij
mezelf.
Ons heeft ze ook al, zeg ik tegen Ann, en ik geef haar de tuinbroek aan die ik hier als puber droeg.
We werken met z’n tweeën. De ziekte verenigt ons in lichamelijke arbeid. We hebben er behoefte aan onszelf af te matten.
We werken met z’n tweeën. De ziekte verenigt ons in lichamelijke arbeid. We hebben er behoefte aan onszelf af te matten.
Opoes ogen zijn alert.
Opoes ogen volgen ons en kijken, kijken.
Laten we onszelf afpeigeren, zeg ik.
Opoe werpt steeds blikken in de kamer, knikt en kijkt, kijkt.
Het bevalt haar wel dat op de witte muren de planten en afbeeldingen van heiligen goed te zien zullen zijn.
Maak het hier wit, vraagt ze weer.
De instructies zijn simpel – wit.
De oude verflagen verwijderen we met behulp van een
plamuurmes. We geven elkaar het gereedschap aan op momenten
waarop de schouders en armen van de werkende pijn beginnen te
doen. Ik proef stof in mijn mond, het knarst tussen mijn tanden.
Ik hou de ladder vast waarop Ann staat. Ze zwoegt op de muur.
Haar armen zijn bloot, pulver zet zich erop af. Je ziet haar spieren
aanspannen. Ze is mooi wanneer ze met het plamuurmes beweegt.
Ze verwijdert de verflagen die hier de afgelopen dertig jaar zijn
aangebracht. Je kunt er veel aan aflezen. Alle grote gebeurtenissen, waarvoor de kamer opgefrist moest worden zijn erin opgeslagen: doop, communie, vormsel, en nu ziekte. Ik herken elke
afgekrabde kleur.
Misschien zou je er, als je ze zou onderzoeken, meer uit kunnen aflezen, net zoals je veranderingen in de natuur afleest uit het
bodemprofiel.
De geschiedenis van dit huis valt op de vloer.
We maken ruimte voor iets nieuws.
Ann is mooi wanneer ze haar lichaam aanspant, haar gedachten in beweging zet, spreekt, wanneer alles wat zij is in beweging
komt.
We hebben iets nodig wat licht is, zeg ik tegen Ann terwijl ik
de verf meng.
Ja, beaamt ze.
We modderen in het wit.
’s Nachts, wanneer de kamer droogt, loop ik naar binnen om het
interieur te bekijken.
Hoeeehoeee, hoeeehoeee, roep ik.
Achter me hoor ik Ann.
Hoeeehoeee, hoeeehoeee, herhaalt ze.
De geluiden sidderen in die vijftien vierkante meter.
We kuchen van het stof. We hebben het in onze slokdarm. We
spugen wit.
’s Ochtends laten we opoe de kamer zien.
Wit, zegt ze.
Ze houdt haar koele handen tegen onze gezichten en streelt,
zoals ze Dunaj streelt als die na dagen zwerven thuiskomt.
Opoe begint planten naar de westelijke kamer te dragen.
Leven, leven, zegt ze.
Na twee potten met calathea verslapt ze. Ze gaat op de grond
zitten en leunt tegen de muur. Zwijgend nemen we haar werk over,
worden we haar handen. Uit de hal dragen we de planten die daar
voor de duur van verbouwing waren neergezet naar de westelijke
kamer: de aloë, asparagus, varen, geranium, Siberische klimop, de
lidcactussen, philodendron, croton, begonia, caladium.
Opoes ogen zijn alert.
Opoes ogen volgen ons.
Opoes ogen kijken, kijken.
bochelaar
Wanneer de verf niet meer te ruiken is, brengen we de nacht door
in de westelijke kamer, met z’n drieën. We weten nog niet dat het
zo zal blijven, dat we de volgende nachten ook samen zullen zijn.
Maar nu nog niet. Nu is het wassende maan.
Daar is hij, rijzend en gebocheld, denk ik bij mezelf.
Ik wen aan de nabijheid.
We delen het bed en de slaapbank.
We trekken de daglagen van onze kleding uit.
We vermengen onze geuren.
Mijn vrouwen zijn mooi, denk ik terwijl ik in slaap val, en
geuren, geuren.
keel
In de kamer hoor je het ademen van opoe en Ann. De nacht heeft
onze van de dag onrustige pupillen tot staan gebracht. Sinds de
ziekte bij ons is komen wonen val ik als laatste in slaap.
Alleen mijn wacht is sterk, denk ik. Niemand anders kan zo
lang de wacht houden.
In de hoek van de kamer geeft het gietijzeren kacheltje warmte
af. De laatste junidagen hebben hier, naar het dal, koelte gebracht.
Het gaat zo beginnen.
Licht.
Het licht snijdt onze gezichten. Ik kijk naar Ann, wier gezicht
wordt verlicht door de koplampen van een vrachtwagen die vee
naar het slachthuis komt brengen. Ze opent haar ogen. Die zijn
diep, bodemloos. Ze slaan de werkelijkheid gade en wanneer ze
mijn kijken opmerken, houden ze stil.
Ann waakt even samen met mij.
Ze kan echter niet zo de wacht houden als ik.
Ze gaat de slaap binnen.
Maar hier gaat het beginnen. Enkele tientallen meters van de
westelijke kamer nemen grote wagens de bocht, hun koplampen
vullen de ruimte met licht.
Licht en donker.
Licht en donker.
Licht.
Donker.
Licht.
Het duurt miljoenen jaren.
Ik heb de tijd, denk ik bij mezelf.
De wagens brengen dieren naar het slachthuis. Ik stel me de
lichamen van de koeien voor – warm en vochtig.
Als kind slaagde ik er niet altijd in om dit moment van de nacht
af te wachten. Soms viel ik in slaap en werd ik gewekt door het
reeds aangevangen spektakel. Het ging gepaard met geluiden zoals
die van vandaag: kelige, gerekte klanken, die in plaats van op te
lossen in de ruimte lang boven het dorp kunnen blijven hangen.
Het geloei van koeien.
Het piepen van honden.
De roepen van de nacht.
En verder – geur: van mest, urine, zweet.
De lichamen van mijn vrouwen zijn goed te zien wanneer ze
met trage bewegingen worden belicht door de koplampen van
Jelcz-vrachtwagens. Hun contouren zijn – afhankelijk van de lichtval, maar ook van de schaduw – soms dood, soms levend.
Opoe ligt op haar zij, met haar hand onder haar linkerwang. Ze
lijkt wel een kind. Een kind, zoals ze van mij zouden willen.
Maar het is nu niet de tijd voor het leven. De dood houdt me
bezig. Die dien ik. Opoe is mijn kind. Ik ben de moeder van mijn
opoe. Dat is goed, denk ik bij mezelf.
Anns lichaam is vlakbij. Ik blijf me maar verbazen over het
porselein van haar huid, het wit van haar haar, wimpers en wenkbrauwen. We hebben iets identieks en we hebben ook iets – en dat
weten we – dat ons verbindt: veel verlorens.
De lichamen van de mij dierbare vrouwen reageren op het
licht, onder hun oogleden komen hun oogballen in beweging.
Nog even.
Ze doen hun ogen open.
De een na de ander.
Opoe kijkt en fluistert naar het licht: Water of vuur zal zich
erover ontfermen.
Ann, weer wakker, zet haar blote voeten op de planken van de
vloer, haar nagels zijn gekleurd met donkerbordeaux. Net als de
mijne. Die lakken we voor onszelf, niet meer voor onze mensen,
die nu ver weg zijn. Ze moeten ver weg zijn, ik laat ze niet bij de
ziekte komen. Ik behoor de ziekte toe, niet hun. Er is hier alleen
ruimte voor Ann. Zij kan die gelakte nagels in de mest of het compost onderdompelen, erin pootjebaden.
Zussen in wat in ontbinding is, zo zie ik ons.
Ann haalt een pakje Klubowe uit de zak van opa’s jas, die ze
heeft aangetrokken.
Kom, zegt ze tegen me.
Ik sla een deken om en ga. Opoe kijkt naar de lichten die over
het plafond schieten.
Het kan, denk ik bij mezelf, dat ze weer in slaap is gevallen,
maar het kijken in het wakkere heeft gelaten. Ze is het engste als ze
zo kijkt dat je niet weet aan wie haar ogen toebehoren.
We lopen de veranda op. Ik voel de kou.
Het concert, zeg ik tegen Ann.
Ze geeft me een opgestoken sigaret aan.
Het gaat beginnen, zeg ik.
Ja, beaamt ze.
Het is zo ver.
We luisteren.
De hoeven kennen geen ritme, zeg ik.
Even later beginnen de dieren te zingen.
Ze zingen, zeg ik.
Ann brengt een vinger naar mijn lippen en houdt zo de sigarettenrook in me.
De dieren zingen. Hun lied komt uit hun binnenste, uit hun
warme buiken, denk ik bij mezelf.
Even later zijn de honden aan de beurt. Eerst de keeshond bij
Rybowicz aan de voet van de heuvel aan de andere kant van het
dorp, dan komen de kelen van de honden van het slachthuis in
beweging, even later sluit Dunaj zich bij hen aan, na hem de samojeden van de burgemeestersvrouw en de honden die bij hun hokken bij de pastorie aan kettingen zitten, de nakomelingen van de
beweeglijke bastaards die al generatieslang met elkaar kruisen in
het struikgewas van het dorp. Ze dragen de namen van apostelen:
Marcus, Johannes, Lucas. Er is ook een zwarte, die door het dorp
Moor is gedoopt
Wonderlijk, denk ik bij mezelf, ik weet al dat gehuil, de melodie van elke hond te onderscheiden. Nog even hier en ik zal kunnen gissen waar het gehuil voor is, waar het toe dient.
Ann haalt haar vinger van mijn lippen.
Ik zeg: Weet je, ik heb altijd al een teef van dit dorp willen
zijn en heel Maj voor mezelf willen hebben. Geen grenzen kennen. Het leek me aanlokkelijk om ver te zijn van wat menselijk
is. Om een hondenlijf te hebben en er dienovereenkomstig mee
om te gaan, me te laten leiden door honger, mezelf niets te ontzeggen. Me alleen te laten aanhalen door uitverkorenen, te happen
en blaffen naar al het andere. Een kieskeurige teef zijn. Van één
mens houden, verplichtingen jegens hem hebben, hem gehoorzamen. Verder: om dagenlang te verdwijnen. Daar recht op hebben,
daarvan profiteren.
Profiteren, herhaalt Ann.
Het geblaf draagt ver en wekt andere geluiden.
Het hele dorp jankt.
Vannacht is deze plek de diepe keel van een hongerig dier,
denk ik bij mezelf.
Vertaling Charlotte Pothuizen
- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -
Małgorzata Lebda, Łakome. Uitgeverij Znak, Krakau 2023.