Adam Zagajewski werd op 21 juni 1945
geboren in het toen net niet meer Poolse
Lwów, dat vier maanden eerder door de
Sovjet-Unie was ingelijfd en omgedoopt
tot Lvov. Nu heet Lwów (Lvov) Lviv en
is de zevende stad van Oekraïne. Drie
maanden oud verhuisde Adam met zijn
ouders naar Gliwice, dat kort daarvoor
nog Duits was en Gleiwitz heette, in het
inmiddels Poolse Silezië. Hier bracht
hij zijn kindertijd door en ging er naar
school. Na achttien jaar vertrok hij begin jaren zestig van de vorige eeuw naar
Kraków (Krakau) in Małopolska (Kleinpolen) om er (in eerste instantie filosofie)
te gaan studeren en in 1972 te debuteren als dichter. In 1982 emigreerde Zagajewski uit Polen en begon aan zijn zwerftocht door Europa (onder andere Parijs)
en de Verenigde Staten (onder andere
Houston). Na twintig jaar emigratie keerde hij naar Krakau terug, waar hij op 21
maart 2021 na een kort en hevig ziekbed
zou overlijden.
Na zijn terugkeer naar Krakau in 2002
publiceerde Adam Zagajewski nog een
vijftal dichtbundels, waarin de dichter –
zoals hij ook in die uit de vorige eeuw
veelvuldig had gedaan – regelmatig teruggaat naar de drie steden uit de aanhef
en waaruit ook de hiernavolgende gedichten afkomstig zijn.
Ik kijk naar een foto van de stad waar ik ben geboren,
naar zijn weelderige tuinen en bochtige straten, naar de heuvels,
de katholieke daken en de koepels van orthodoxe kerken
waar op zondag bassen zo machtig zingen
dat de naburige bomen wiegen alsof er een orkaan woedt;
ik kijk een tijdlang naar die foto, ik kan mijn ogen er niet van afhouden,
en plotseling stel ik me voor dat zij allen hier nog leven,
alsof er niets is gebeurd, nog steeds rennen ze naar college,
wachten op een trein, rijden in een blauwe tram,
kijken onrustig naar de kalender, staan op de weegschaal,
luisteren naar aria’s van Verdi en hun favoriete operette,
lezen kranten die nog wit zijn,
leven in haast, in angst, komen nog altijd te laat,
ze zijn een beetje onsterfelijk maar kunnen dat niet weten,
iemand heeft huurachterstand, iemand is bang voor tuberculose,
slaagt er maar niet in zijn verhandeling over de filosofie van Kant te
voltooien,
kan niet begrijpen wat de dingen in zichzelf zijn,
mijn oma gaat weer naar Brzuchowice met een
taart op haar uitgestrekte armen zonder dat deze doorzakken,
in de apotheek vraagt een schuchtere jongeman om een medicijn tegen
schuchterheid,
een meisje bekijkt haar kleine borsten in de spiegel,
mijn neefje gaat meteen na het zwemmen naar het park
en kan niet vermoeden dat hij binnenkort longontsteking zal krijgen,
zo nu en dan breekt enthousiasme los, in de winter vormen gele lampen
een kring van nabijheid, in juli vieren vliegen luidruchtig
het grote licht van de zomer en neuriën duistere hymnes,
er vinden pogroms plaats, opstanden, deportaties,
de wrede Wehrmacht in geklede uniformen,
de vuige nkvd is in aantocht, rode sterretjes
beloven vriendschap doch zijn een teken van verraad,
maar zij zien dat niet, zijn het amper gewaar,
ze hebben zoveel dingen aan hun hoofd, er moeten
kolen worden geregeld voor de winter, een goede dokter worden
gezocht,
een correspondentie loopt achter, de bruine inkt verbleekt,
in een kamer staat de radio aan, de nieuwste aankoop, maar zij
zijn moe van het gewone leven en van het gewone sterven,
ze hebben nergens tijd voor, verontschuldigen zich hiervoor,
ze schrijven lange brieven en laconieke ansichtkaarten,
nog steeds komen ze te laat, hopeloos te laat,
net zoals wij, precies zoals wij, zoals ik.
karmelica
De Karmelickastraat, een blauwe tram, de zon,
september, de eerste dag na de vakantie,
sommigen keren terug van ver,
pantserdivisies trekken Polen binnen,
kinderen gaan in mooie kleren naar school,
wit en donkerblauw als zeilen en de zee,
als het geheugen en inspiratie, en druiven.
Bomen staan kaarsrecht eerbiedig
voor de macht van het jonge verstand dat voorlopig
vuur noch slaap kent, maar als de wil er is
is er geen obstakel waar het op stuit
(onzichtbare grenzen daargelaten).
Bomen begroeten de jeugd met respect
maar jij – zeg maar eerlijk – voelt afgunst
vanwege dat beginnen, dat weggaan
van huis, je kindertijd, de zoete duisternis
die de smaak heeft van amandelen, rozijnen en maanzaad
– je gaat naar de winkel voor brood
en daarna kom je weer naar huis, zonder haast,
nonchalant fluitend en neuriënd;
jouw school is nog niet begonnen,
de leraren zijn er niet meer, de meesters zijn gebleven,
jouw droom drijft langs de hemel tussen de wolken,
ver weg als de zomer.
septemberavond
[Ja, in Lwów]
De witte kerk van de karmelieten op een kleine heuvel
en daar vlak naast de Franciszkańskastraat waar ooit
mijn grootvader een streng schoolhoofd was
(pas op latere leeftijd werd hij milder.)
Hopen stenen, opgebroken wegdek,
alsof iemand hier naar schatten heeft gezocht.
Gouden bladeren houden zich vast aan magere bomen,
zonder overtuiging, behoedzaam.
Dit is het gebouw waar zij naar binnen gingen
en de poort die alleen van schaduwen houdt.
Maar ook nu is er sowieso niets meer, alleen ik,
rillend van de kou, en een lege septemberavond.
Ik moet een paar woorden opschrijven, zodat de winter
kan kauwen op zijn zwarte brood van de vergetelheid.
regen in lwów
de regen valt op de draak van de Wawel
op de botten van de reuzen
Tadeusz Różewicz, Regen in Krakau
De regen valt op de Armeense kathedraal
en op de orthodoxe kerk van de heilige Juro.
Op de opera en op het zwarte huis.
Heuvels verdwijnen in de mist.
En Ostap Ortwin, die
een edel mens was
(hij verdedigde Stanisław Brzozowski)
op straat doodgeschoten
door een ss-er.
Beschaving – wel drie lettergrepen.
Pijn – slechts één.
In Londen zag ik een zelfportret van Van Eyck
met het opschrift
Als ich can – ofwel
“Voor zover ik kan” – en dat was geen selfie.
De regen valt op het Schotse café
en het Wysoki Zamek
op Kajzerwald
en de synagoge.
En die stad, die als Rome
op zeven heuvelen zetelde
met een scepter en een appel
werd vlak en klein.
De wielen van de trams knarsten
in te krappe rails.
En wij allen huilden
voorbijgangers en gasten
overwinnaars en overwonnenen.
de schuif
Mijn grootvader gaf Duits
aan de universiteit van Lwów – en begon om acht uur ’s ochtends.
Veel studenten kwamen te laat.
Opa Karol, een voorstander van discipline,
deed de schuif op de deur
en al een paar minuten na achten
was de zaal hermetisch gesloten.
En zij sliepen, sliepen langdurig, gelukzalig,
en wisten niet dat die stad zou ophouden te bestaan
samen met de schuif, dat aan alles een einde zou komen,
dat deportaties zouden plaatsvinden en executies, en er zouden tranen
vloeien,
en dat die schuif ooit
een idyllische herinnering zou worden,
een sierspeld uit Herculaneum, een schat.
de reis van lwów naar silezië anno 1945
En opnieuw rollen traag roestige wagons
de locomotief zucht diep
en herhaalt ‘A’ en ‘A’ en ‘A’
Denderende wielen van goederenwagons
daarna valt een saaie stilte in
de trein blijft lang staan in het gele gras
zware legertransporten passeren
Deze trein heeft geen voorrang
is geen eerstgeboren zoon
Hij staat op een zijspoor in de buurt van Krakau
ver van de stad, van Wawel en Grote Markt
ver van de oude universiteit
en zijn eminente professoren
Hij is vertrokken op de naamdag van mijn vader
en mevrouw Kolmer kwam naar het station
met een Fedorataart die geen lang leven was beschoren
Achter ons bleven massagraven
en dakloos lijden
Nu zijn wij dakloos
en bestaan alleen dit moment
schitterende spinnenwebben en meidoornstruiken
Ik weet nog niet wat muziek is
kaartlezen kan ik niet Leśmian heb ik niet gelezen
ik heb er geen benul van dat de school
met zijn Pruisische baksteen zal ruiken
naar Bismarck, geodriehoek en litteken
noch dat ons gezin bestaande uit vier personen
volmaakt zal zijn als het beste kwadraat
maar daarna uiteen zal vallen als Byzantium
en dat de heilige Franciscus
helaas incognito zal langskomen
en dat ideeën in feestelijke gewaden zullen opdoemen
als in Mazowsze of Śląsk
in gesteven rokken
en hoge gepoetste laarzen
Het is oktober en goudglanzige bomen
zijn gehoorzaam aan de wind en bang voor hagel
en roeken (roeken zijn zo zwart)
en ik weet nog niets
Ik weet niet eens dat ik zo dadelijk ziek zal worden
en onderweg van de dood gered zal worden
door dokter Kochanowski
aarde
Sommigen spraken Pools, anderen Duits,
alleen het huilen was kosmopolitisch.
Wonden genazen niet, bleven nog lang herinnerd.
De kolen glommen zoals altijd.
Niemand wilde sterven, maar leven was moeilijker.
Er was veel vreemdheid; de vreemdheid zweeg.
We kwamen als toeristen, met koffers –
we zijn langer gebleven.
We hoorden deze aarde niet toe,
maar genereus ontving zij ons –
ontving zij jullie beiden.
eerste communie
[Gliwice, de Piramowiczstraat]
Donkergrijze huizen met driehoekige erkers,
in de buurt een klein park en Duitse stenen beelden
(een soort pseudobarok uit de jaren dertig).
Hier maakte mevrouw Kolmer een foto van me
vlak na mijn eerste communie
tegen de achtergrond van een fris gewassen laken:
dat bolwangige jongetje dat ben ik. Ik ben serieus,
sta rechtop, houd in mijn hand een kaars.
Ik ben een beginnende katholiek
die probeert goed en kwaad van elkaar te scheiden
maar niet weet waarin ze verschillen,
vooral niet bij het ochtendkrieken en de avondschemer als
het licht lang aarzelt.
De bladeren van de populier in de tuin zijn zwart,
de wereld is zwart, de huizen zijn zwart,
de lucht doorzichtig, alleen het beddengoed is wit.
Later komt de kleurenfoto
en zal de contrasten verzachten, misschien vergunt die
een gewoon leven, schitterende feesten,
en zelfs een tweede communie.
bioscoop potęga
Voor B. en W. Pszoniak
Sommige zondagen waren wit
als het zand van het Baltische strand.
’s Ochtends hoorde je voetstappen
van een enkele voorbijganger.
De bladeren van onze bomen zwegen omzichtig.
Een dikke priester bad voor degenen
die niet naar de kerk konden komen.
In de bioscopen ratelde de projector bedwelmend,
en het stof dwarrelde schuin door het licht.
Maar een magere priester veroordeelde het tijdperk
en riep op tot strenge mystieke oefeningen.
Sommige dames vielen een beetje in zwijm.
Het beeldscherm in bioscoop
Potęga was klaar
om elke film en elk beeld op te nemen –
de indianen voelden zich er thuis,
maar ook de Sovjethelden
hadden niets te klagen.
Na de voorstelling viel er een stilte
zo diep, dat de politie zich ongerust maakte.
Maar ’s middags sliep de stad
met open mond, als een kind in een kinderwagen.
’s Avonds stak soms de wind op
en tijdens de schemering flikkerde onweer
met onwerkelijke, paarse schittering.
Rond middernacht keerde aan de gewassen hemel
de broze maan terug.
Het was net of op sommige zondagen
God dichtbij was.
arkońska 7
Mevrouw Jodko, ooit een mooie vrouw, stierf
langzaam aan multiple sclerose.
Meneer Zawadzki werd afgevaardigde in het parlement
maar wij namen dat niet al te serieus.
Op de eerste verdieping woonde Wojtek Pszoniak
en ik op de tweede, ik luisterde naar de radio
en las
De kinderen van kapitein Grant.
Ik was gek op professor Paganel.
Meneer Jodko had een jeep van de sloop
(Wehrmacht); de benzinelucht
vond ik erg opwindend.
Ik dacht dat reizen zo roken.
Maanden kwamen en gingen
discreet, op zijn Engels.
En de straten stonden er ’s winters en ’s zomers
onbeweeglijk bij als de beelden
op het Paaseiland
en keken maar één kant op.
de laatste halte
De tram reed langs rode huizen.
De schachtwielen op de mijntorens wentelden
als draaimolens op de kermis.
In de tuintjes groeiden door roet belommerde rozen,
bij de banketbakker maakten wespen zich kwaad
boven het met kruimels bestrooide gebak.
Ik was vijftien, de tram reed
steeds sneller door de woonwijken,
op de weiden zag ik gele goudsbloemen.
Ik dacht dat op de laatste halte
de zin van alles zou worden onthuld,
maar er gebeurde niets, niets,
de trambestuurder at een boterham met kaas,
twee oude vrouwen spraken zachtjes
over prijzen, over ziektes.
in een kleine flat
Ik vraag mijn vader: wat doe je al die dagen?
Ik denk terug aan vroeger.
Dus in die kleine stoffige flat in Gliwice,
in een laag woonblok, naar Sovjetmodel gebouwd
volgens het principe dat een stad op een kazerne moet lijken
en de kamers krap moeten zijn om conspiratieve bijeenkomsten te
verijdelen,
daar waar onvermoeibaar de ouderwetse wandklok tikt
herleven bijna dagelijks die zonnige september van ’39, de fluitende
bommen,
maar ook de Jezuïetentuin in Lwów, schitterend als vroeger
met zijn groene licht van ahornen en essen en vogeltjes,
kano’s op de Dnjestr, de geur van rijshout en vochtig zand,
een hete dag, toen je een jonge vrouw ontmoette, een rechtenstudente,
en de reis per goederenwagon naar het westen, de laatste grens,
en het boeket van tweehonderd rozen dat studenten je gaven
als dank voor jouw steun in de lente van ’68,
en zeker ook episodes waarvan ik nooit zal weten,
de zoen van een vrouw die niet mijn moeder is geworden,
angst en zoete kruisbessen uit jouw kindertijd, beelden uit
die genoeglijke kloof, toen ik er nog niet was.
Jouw geheugen werkt in een stille flat – zwijgend,
systematisch, je werkt aan een kortstondige herleving
van die pijnlijke twintigste eeuw.
regenboog
Ik ging terug naar de Długastraat met zijn donkere
aureool van museaal vuil – en naar de Karmelickastraat
waar dronkaards met grijze gezichten
in een delirium tremens wachten op het einde van de wereld
als de anachoreten van Antiochië en waar
elektrische trams trillen van een teveel aan tijd,
naar mijn jeugd die niet wilde
wachten op mij en is gedoofd, gestorven aan lang
vasten en sterk waken, ik ging terug naar
de zwarte straatjes, naar de antiquariaten
waar vergeten boeken werden verzameld,
naar samenzwering waarin
hartelijkheid en verraad schuilden, naar luiheid,
naar lezen, naar saaiheid, naar het niets, naar de thee,
naar de dood die zo velen had meegenomen
en niemand ooit teruggaf, ik ging terug
naar Kazimierz, die woestijnwijk
waar je zelfs geen rouw zult vinden,
naar de stad van de regen, de ratten en het afval,
naar mijn kindertijd die was verdampt
als een door een regenboog van benzine gekleurde regenplas,
naar de universiteit die onhandig probeert
een volgende onschuldige generatie te verleiden,
naar de stad die nu zijn muren verkoopt,
aangezien ze dat al lang geleden heeft gedaan
met eer en trouw, naar de stad
die ik liefheb met een suspecte liefde,
en die ik niets anders te bieden heb
dan wat ik ben vergeten en wat ik me herinner,
buiten een gedicht, buiten het leven.
een nieuw hotel
[Krakau]
In februari zijn de populieren bevroren nog slanker
dan in de zomer. Mijn familie is
verspreid over de hele aarde, onder de aarde,
in verschillende landen, in gedichten, schilderijen.
Ik sta op een plein, Na Groblach, ’s middags.
Bezocht hier ooit (een beetje
uit plichtsbesef) mijn oom en tante.
Zij klaagden al niet eens meer over hun lot
of het systeem, maar wel hadden hun gezichten
iets van een leeg antiquariaat.
Nu woont iemand anders in deze woning,
vreemde mensen, de geur van andermans leven.
In de buurt is een nieuw hotel gebouwd,
lichte kamers, het ontbijt vast
comme il faut,
een sapje, koffie en toast, glas, beton,
vergetelheid – en plotseling, ik weet niet waarom,
een moment van indringende blijdschap.
op een bankje
[Krakau, de Planty]
Je zit op een bankje, bladert in een bundel gedichten van Benn
– om je heen rumoerige straten, boven je een vliegtuig,
onzeker glimlacht de pas gekozen president (het is maar een poster).
Kinderen spelen in een zandbak,
iemand schept water uit een roestige put
(in het plantsoen een lijsterbes – verderop het paviljoen van het BWA).
Je slaat de met tekens van zwarte lava bedekte bladzijden om,
je wacht lang op een signaal – iemand zegeviert, een levende stad
of de schaduw van de dichter, al zoveel jaren afwezig,
totdat eindelijk de stilte komt, vertroosting –
geheel onverwacht, onduidelijk waarvandaan, overvalt je
het jou zo bekende
je ne sais quoi.
ulica józefa
Vaak loop ik door de Jozefstraat, loop Jozefs dromen binnen,
voortdurend probeer ik te achterhalen waarheen
die uiterst vreemde straat voert die daar een bocht maakt
waar niets is en ik vraag me af wie ik ben,
een voorbijganger die niet lang voortduurt.
Geluk en verdriet, hier verzameld, zullen niemand
verlossen, hoewel de oogst overvloedig kan zijn.
Jaren gaan voorbij, ik blijf, het geheugen weifelt,
op de grond liggen niet verhoorde gebeden,
mussen zijn een broos emblema van de eeuwigheid,
regen is alleen een herinnering, er lopen silhouetten
van onbekende personen, zonder een schaduw te werpen.
Tegen de avond wordt het licht zwakker en maakt de dood
op een hoge kar haast en lacht.