Arent van Nieukerken



Mickiewicz, Sienkiewicz, Gombrowicz en de Poolse identiteit




Arent van Nieukerken, docent Poolse letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam – en de enige docent Poolse letterkunde in Nederland, lid van de Poolse Academie van Wetenschappen en auteur van talloze artikelen over de Poolse literatuur, zowel in het Pools als in het Nederlands, ging deze herfst met pensioen. Hieronder publiceren we het eerste deel van zijn afscheidsrede.

Kunnen we de Poolse identiteit begrijpen zonder dieper inzicht in de Poolse romantiek, wij Nederlanders – een ten diepste onromantisch volk, met een literaire romantiek, die te verwaarlozen valt? Hieraan moest ik denken, toen ik onlangs een artikel in De Groene las van Frank van Vree, getiteld ‘Het verleden is nooit dood. De strijd om herinneringen in Oost-Europa’. De auteur houdt zich met de situatie in drie landen bezig: Polen, Hongarije en Rusland, maar de meeste aandacht besteedt hij toch aan de herinneringscultuur in Polen en met name aan de conflicten die daarover gewoed hebben tussen 2015 en 2023, toen PiS (de partij Recht en Rechtvaardigheid) aan het bewind was en via maatschappelijke instituties (onderwijs, wetenschap, musea) en in de publieke ruimte (gedenktekens, straatnamen enzovoorts) probeerde af te rekenen met wat zij ‘de pedagogie van de schaamte’ (met betrekking tot het Poolse verleden) noemde. Ik zal nu niet dieper ingaan op de politieke aspecten van deze poging om een tegennarratief van nationale trots te creëren, maar concentreer me hier op de rol van de romantiek voor de Poolse identiteit, die ook door Frank van Vree herkend wordt. Centraal staat bij hem de herinnering aan de Opstand van Warschau (1944 - 1 augustus tot 3 oktober), die door de Duitsers bloedig onderdrukt werd, terwijl het Rode Leger aan de overzijde van de Weichsel (Wisła) passief toekeek:



De herinnering aan de Opstand vorm het hart van de mythische voorstelling van Polens martelaarschap, tragiek en heldendom, een thema dat overigens lange historische wortels heeft en intens verweven is met het katholicisme. In die romantisch-messianistische traditie verschijnt Polen als de Christus onder de Europese volken en anderzijds Christus als koning van Polen. De plechtige kroning, in november 2016, in de basiliek van de Goddelijke Barmhartigheid te Krakau, bewijst dat dit romantisch-messianisme springlevend is.



Frank van Vree lijkt – aansluitend op een discussie die ook in Polen gedurende vele decennia gevoerd werd – dit ‘romantische messianisme’ als een gevaar te zien. Het zou er toe geleid hebben dat men onder invloed van deze ‘mythe’ de ogen sloot voor de minder positieve aspecten van het eigen, Poolse verleden. Van Vree is vooral geïnteresseerd in de kwestie Jedwabne, een stadje dat, toen eind september 1939 het in 1918 herrezen Polen tussen Nazi-Duitsland en de Sovjet-Unie verdeeld werd, in het Sovjetgebied terecht kwam. Toen eind juni 1941 de Wehrmacht Stalins Rode Leger aanviel en dit gebied na enkele dagen strijd in Duitse handen viel, kwam het tot pogroms tegen de Joodse bevolking waaraan ook door (sommige) etnische Polen werd meegedaan. De hele kwestie van Jedwabne ligt uiterst gevoelig, evenals het zogenaamde Poolse antisemitisme. In het algemeen kan gezegd dat als Nazi-Duitsland en de Sovjet-Unie in oktober 1939 Polen niet verdeeld hadden, deze pogroms nooit zouden hebben plaatsgevonden. De Poolse overheidsstructuren waren weggevallen. De houding van de Joodse bevolking tegenover de Sovjets was ambivalent en de Duitsers moedigden eind juni/begin juli de plaatselijke bevolking aan om wraak te nemen.

Het Poolse ondergrondse leger – de Armia Krajowa – trad overigens (voor zover mogelijk) op tegen deze vorm van (individuele) collaboratie met de Duitse bezetter. Het is echter inderdaad moeilijk om hier in Polen buiten het wetenschappelijk milieu rustig over te discussiëren. De reden daarvan is volgens velen het bestaan van de romantisch-messianistische mythe van de Poolse zuiverheid (‘Christus onder volkeren’), die door de Poolse nationale dichter (wieszcz) Adam Mickiewicz geschapen zou zijn. Frank van Vree brengt deze mythe verder nog met het Poolse katholicisme in verband.

Daarbij valt op dat de auteur, ondanks zijn empathie met Polen en de ‘romantische’ Opstand van Warschau (niet te verwarren met de Opstand in het Getto van Warschau, 1943) weinig aandacht heeft voor de specifieke Poolse context van deze mythe. Het romantische messianisme van Mickiewicz werd door de Katholieke Kerk geenszins met enthousiasme begroet, maar als ketterij veroordeeld. De identificatie van Polen met Christus werd als godslasterlijk gezien. Eind negentiende eeuw – toen er een moderne vorm van Pools nationalisme opkwam, vertegenwoordigd door de Nationaal-Democraten (onder leiding van Roman Dmowski [1864-1939]) – is juist het romantische messianisme het onderwerp van felle kritiek. Men vond dat het haaks op de moderniteit stond, die met het positivistische sciëntisme en het sociale Darwinisme in verband gebracht werd. Door het romantische messianisme had Polen de boot van het moderne Europa gemist. Ook de met de romantiek verbonden traditie van opstanden tegen de bezetters werd door de Nationaaldemocraten negatief beoordeeld. De situatie van het volk was door deze zrywy (plotselinge, vaak onvoldoende voorbereide krachtsinspanningen van met name de Poolse maatschappelijke elite) volgens hen alleen nog maar verslechterd. In plaats van een romantisch en religieus getint idealisme eisten de Nationaaldemocraten zakelijkheid en een objectieve, kritische houding ten aanzien van het Poolse verleden. De ondergang van het oude Polen – het Pools-Litouwse Gemenebest – viel niet alleen aan de kwade wil van de absolutistisch bestuurde buurlanden toe te schrijven. Men droeg ook zelf schuld. De Poolse maatschappelijke elite was er niet in geslaagd een etnisch homogeen volk te creëren en nadat de onafhankelijkheid verloren was gegaan konden de tsaristische regering, de Pruisen en ook de Oostenrijkers in Galicja de verschillende nationale minder- (en soms meerder-)heden – Litouwers, Wit-Russen, Oekraïners, Joden – met succes tegen de Polen, die zich als erfgenamen van het Pools-Litouwse Gemenebest zagen, uitspelen. Ook onder etnische Polen zelf bestond er nauwelijks een besef van nationale identiteit. In februari en maart 1846 hadden boeren in het onder Oostenrijks gezag staande Westen van Galicja – in de omgeving van Tarnów – een slachting onder de adel (szlachta) aangericht, die door de Oostenrijkse ambtenaren ervan verdacht werd een opstand voor te bereiden. De boeren schaarden zich aan de zijde van de bezetter en namen wraak op wie zij als hun onderdrukkers zagen. Dit bloedbad in etnisch Pools gebied (in het Oosten van Galicja – Lwów, nu Lviv – was de boerenbevolking Oekraïens) schokte de Poolse emigranten in Frankrijk. Hun door nostalgie bepaalde beeld van hun vaderland bleek weinig met de rauwe maatschappelijke werkelijkheid gemeen te hebben.

De romantiek, en met name het romantische messianisme hadden het Poolse volk als geheel dus niet kunnen integreren, hoe vruchtbaar deze stroming in de poëzie ook gebleken was. Tegen het nationaaldemocratische standpunt kan ingebracht worden dat het juist de Poolse romantiek was die eind negentiende eeuw/begin twintigste eeuw het streven naar volledige onafhankelijkheid – hoe hopeloos de vooruitzichten daarop gedurende de laatste twintig voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog ook leken te zijn – levend hield. Józef Piłsudski (1867-1935), de vader van de Tweede Poolse Republiek en een vijand van de Nationaaldemocraten (de animositeit was overigens wederzijds), was een verwoed lezer van romantische en messianistische poëzie, hoewel hij liever Juliusz Słowacki dan Adam Mickiewicz las.



adam mickiewicz



Wat hier in de eerste plaats bedacht moet worden is dat het Poolse romantische messianisme een constructie van ballingen, vluchtelingen – ‘emigranten’ – was, die gedwongen hun vaderland hadden moeten verlaten. Het was een in principe ambivalente poging om door het scheppen van een mythische structuur zwakte in kracht om te zetten. Het poogde de traumatische ervaring van ballingschap, de ontreddering en vervreemding en de daarmee gepaard gaande gevoelens van haat en wraakzucht in een moderne heilsgeschiedenis – een graf waaraan nieuw leven zou ontspruiten – om te munten. Toen Mickiewicz, die in 1829-1830 met een officieel Russisch paspoort in Italië had geleefd en na het uitbreken van de Novemberopstand niet veel haast had om zich bij de opstandelingen te voegen, tenslotte in de buurt van de grens tussen Pruisen en het Congreskoninkrijk Polen terechtkwam, was het te laat voor om nog invloed op de loop der gebeurtenissen uit te oefenen. Oog in oog met de door wanhoop verteerde vluchtelingen moet hij zich schuldig gevoeld hebben. Tegen deze achtergrond schrijft hij in 1832, in Dresden, een dichterlijk drama – een mysteriespel waarin realistische scènes afgewisseld worden door koren van engelen en demonen – dat als ‘Voorouderavond’ (Dziady) deel III bekend staat. De bij uitstek Poolse held van dit drama, Konrad, wordt voorgesteld als iemand die door demonen bezeten is. Hij lijkt in geen enkel opzicht op een deemoedige Christus. Er straalt wel een grote kracht van hem uit (hoewel hij niet eens op vrije voeten is, maar met zijn medesamenzweerders gevangen zit in een tot gevangenis omgebouwd klooster in Wilno [Vilnius], 1823), een energie die hem ertoe brengt God zelf uit te dagen en rekenschap van Hem te eisen voor het menselijke en met name Poolse lijden.

Die kracht blijft echter vruchteloos zolang de byroniaanse held Konrad niet leert nederig te zijn. Er is een geestelijke nodig, de katholieke priester Piotr, om bij hem de duivel van luciferische hoogmoed en zelfoverschatting uit te drijven. Een moderne lezer krijgt de indruk dat die bezetenheid een traumatische reactie is op Konrads feitelijke onmacht, die we weer in verband kunnen brengen met Mickiewicz’ eigen machteloosheid als toeschouwer bij – in plaats van deelnemer aan – de Novemberopstand van 1830-1831.

Weliswaar heeft de priester Piotr een visioen waarin Polen als onschuldig slachtoffer (Christus als zondebok) gekruisigd wordt door drie beulen (Pruisen, Oostenrijk, Rusland), maar dit kan de ambivalentie van Konrad, de polarisatie van hoogmoed en vaderlandsliefde, niet wegnemen. In ditzelfde visioen wordt gesteld dat de redder van Polen geen raszuivere Pool zal zijn. Zijn moeder komt uit een vreemde stam (waarbij Mickiewicz waarschijnlijk aan de Israëliten dacht, hoewel die natie in zijn ideeënwereld niet alleen een etnisch-biologisch, maar ook – misschien vooral – mystiek stempel draagt). Dankzij Dziady III is het Poolse romantische messianisme een invloedrijke mythe geworden, een structuur voor verzet die Poolse activisten in de historische werkelijkheid proberen te belichamen, maar die zich vanwege zijn inherente ambivalentie nooit tot het raciale (zij het aanvankelijk niet in biologische zin) nationalisme liet reduceren waardoor het gedachtegoed van de Nationaaldemocraten gekenmerkt werd.

Ligt de situatie misschien anders in Mickiewicz’ beroemdste werk: het epos Pan Tadeusz, dat hij eveneens grotendeels in ballingschap schreef en in 1834 in Frankrijk publiceerde? Pan Tadeusz werd en wordt (in elk geval tot voor kort) gezien als de volmaakte belichaming van een ongebroken Poolse nationale identiteit. Het is geen echt heldendicht, maar de beschrijving van een landelijke, schijnbaar onschuldige, in zekere zin paradijselijke wereld, een Blake-iaanse ‘song of innocence’, een poging tot ongedaan making van de zondeval, een nostalgische tekst (vol toespelingen op de klassieke epische traditie), geschreven vanuit het perspectief van ballingschap. Messianisme lijkt hier geen rol te spelen, maar is deze nostalgische plattelandspoëzie ook niet op een bepaalde manier afhankelijk van een geïdealiseerde zuiverheid, misschien niet etnisch van aard, maar wel de uitdrukking van het verheerlijken van een maatschappelijke groep, de heersende klasse in het Pools-Litouwse Gemenebest – de szlachta, de welgestelde adel? Is het niet bijna uitsluitend hun wereld, die ons hier ten voorbeeld wordt gesteld? Dat laat zich moeilijk ontkennen en wordt nog versterkt door het contrast tussen het leven in ballingschap – Mickiewicz woonde sinds 1832 in het Parijs van Louis Philippe (de ‘Roi Citoyen’) – en de idyllische ruimte van Soplicowo, de representatie van de ‘beperkte’, maar dierbare streek in Litouwen waar de dichter opgegroeid was. De meeste lezers zullen geen weerstand kunnen bieden aan de nostalgische toon van de landschapsbeschrijvingen, die getuigen van een leven in harmonie met de Litouwse natuur.

Maar ook in de schijnbaar heile Welt van Pan Tadeusz ontbreekt het niet aan ambivalentie. De geschiedenis, de Poolse delingen, buitenlandse inmenging en binnenlands verraad, zijn prominent – maar aanvankelijk onderhuids, de lezer moet er naar raden – aanwezig. De handeling van Pan Tadeusz, dat de ongerepte wereld van de adel van voor de Poolse delingen lijkt te beschrijven, speelt in het Russische deel van het Pools-Litouwse Gemenebest, ruim 15 jaar na de laatste deling, in 1810. En de wereld verkeert in oproer. Overal wordt gevochten. Napoleons troepen zitten vlakbij de grensrivier Njemen, de adellijke jeugd ziet uit naar bevrijding van hett Russische juk, hoewel de gezeten edellieden meer voor de status quo voelen, een maatschappelijke werkelijkheid die nog sterk op de situatie van voor de Poolse delingen lijkt. In de buurt van het landhuis van de rechter – door Mickiewicz geconstrueerd als het centrum van de idyllische Litouwse ruimte waarnaar de titelheld, die in Wilno gestudeerd heeft, terugkeert – is een Russisch bataljon gestationeerd. Uiteindelijk komt het tot een vrij groteske strijd tussen de adel en de Russische soldaten, maar aanvankelijk zijn verhoudingen – zeker met kapitein Ryków – goed en de oorzaak van de strijd is geen patriottische exaltatie, maar ruw gedrag van een Russische officier (eigenlijk een ‘verruste’ Pool” – majoor Plut) ten opzichte van de adellijke dames. En dan de hoofdpersonen. Niemand van hen heeft een ongebroken ‘patriottische’ biografie. Tadeusz’ vader, Jacek, had in het verleden gemene zaak gemaakt met de Russen om zich te wreken op een magnaat (de Stolnik), die hem (vanwege het standsverschil tussen rijke en armere adel) de hand van zijn dochter had geweigerd. Hij schiet hem, als de Russen het kasteel van de Stolnik belegeren, vanuit een hinderlaag dood, wordt vervolgens als een verrader gebrandmerkt en gedwongen de wijde wereld in trekken. Later horen we dat hij, om voor zijn misdaad boete te doen, dienst heeft genomen in de legioenen van generaal Dąbrowski, die aan de zijde van Napoleon tegen de Oostenrijkers, Pruisen en Russen strijden. In de idyllische wereld van Soplicowo is hij in vermomming aanwezig als een anonieme Bernardijnse monnik, die de adel zover probeert te krijgen om tegen de Russen in opstand te komen, maar het animo daarvoor is gering, tenzij het om persoonlijke conflicten gaat en de mogelijkheid om de landgoederen van persoonlijke vijanden uit te plunderen.

Het is min of meer toeval dat er toch een strijd tussen de plaatselijke adel en het Russische bataljon losbreekt. Het landhuis van de rechter wordt aangevallen door de plaatselijke kleine adel, aangevoerd door de graaf (van moederskant erfgenaam van de Stolnik). Een van de mensen van de rechter vraagt de Russen om hulp, die in het holst van de nacht de overvallers in de boeien slaan. Dan doet zich plotseling de Poolse solidariteit gelden: beide partijen slaan de handen ineen en strijden gezamenlijk tegen de Russische ‘veldjagers’. De monnik Robak – Jacek Soplica – raakt bij dit gevecht dodelijk gewond en onthult tijdens een laatste biecht zijn ware identiteit (de biecht als middel om de voorgeschiedenis van de handeling expliciet te maken is een literaire kunstgreep die Mickiewicz aan de byroniaanse poetic tale ontleende; hij had eerder Byrons Giaur vertaald; structureel gezien is Pan Tadeusz een epos, maar Mickiewicz liet zich soms ook door andere literaire genres inspireren). Kapitein Rykow, die bevriend is met de rechter, probeert dit incident in der minne te schikken en suggereert met behulp van steekpenningen in Sint Petersburg te zaak te regelen.

De handeling van Pan Tadeusz is gebaseerd op een vete tussen twee adellijke clans, die ten slotte met elkaar verzoend worden: in de laatste zang huwt Jaceks zoon – Tadeusz – de nog wat kinderlijke Zosia – de laatste afstammeling van zijn vijand – de Stolnik. Het nationale lijkt in Pan Tadeusz aan een familiegeschiedenis ondergeschikt te zijn, hoewel aan het eind (het huwelijk wordt gesloten in de zomer van 1812) de Russen door de Fransen en met hen verbonden Poolse eenheden verdreven zijn. Het happy end is slechts schijn. De lezer weet immers hoe Napoleons veldtocht in Rusland is afgelopen.

In de verfilming van Andrzej Wajda wordt de handeling van Pan Tadeusz voorgesteld als een herinnering van ballingen die in het begin van de jaren dertig van de negentiende eeuw proberen hun gevoel van vervreemding in de metropool Parijs te overwinnen. Ondanks de soms sprookjesachtige atmosfeer in deze Poolse Odyssee valt er nergens morele zuiverheid in de wereld van de Soplica’s te bekennen, behalve in de perfectie van Mickiewicz’ paarsgewijs gerijmde versregels van dertien lettergrepen (trzynastozgłoskowce). Wat overweegt is milde zelfkritiek, die functioneert binnen de conventies van de Europese epische traditie. Mickiewicz’ vaak klassiek gevormde tijdgenoten lazen Pan Tadeusz tegen de achtergrond van de bestaande, steeds weer gereproduceerde epische structuren. Jacek Soplica, die in vermomming – als de monnik Robak – in de vertelde wereld aanwezig is en er voor zorgt dat zijn zoon Tadeusz geen kwaad geschiedt, doet enigszins denken aan Odysseus na zijn terugkomst op Ithaka, hoewel Tadeusz niet erg op Telemachos lijkt. Ook bepaalde beschrijvingen, bijvoorbeeld van het servies dat op de bruiloft van Tadeusz en Zosia wordt gebruikt, doen denken aan homerische beschrijvingen, bijvoorbeeld van het schild van Achilles, zij het dat die in Pan Tadeusz – het laatste epos van de Poolse literatuur – een ironisch-elegische weerklank krijgen. Mickiewicz epos is een synthese van de romantiek en het classicisme.



juliusz słowacki



In het begin van de jaren veertig van de negentiende eeuw onderging het Poolse romantische messianisme een radicalisering. De hoop op een triomfantelijke terugkeer naar het vaderland leek minder reëel dan ooit. De apocalyptische verwachting van een Europees Laatste Oordeel – de bestraffing van de drie zwarte adelaars, die de Witte Adelaar als zondebok omgebracht hadden – waren niet in vervulling gegaan.

Een aantal emigranten begon zich aan het leven in Frankrijk aan te passen. Anderen kregen te maken met depressies en vereenzaamden. Het actieve deel van de Poolse emigratie onderwierp zich aan een pijnlijk zelfonderzoek. Men begon zich de vraag te stellen of de rampen, die Polen hadden getroffen, niet deels (of misschien zelfs in het geheel) eigen schuld waren. Moest de ondergang van het Pools-Litouwse Gemenebest niet in hoofdzaak aan politieke en maatschappelijke kortzichtigheid toegeschreven worden? De periode van ballingschap vanaf 1831, na het mislukken van de Novemberopstand – het lot van de ‘Grote Emigratie’ in Frankrijk – kon dan gezien worden als een collectieve boetedoening (de pendant van Jacek Soplica’s individuele boetedoening in Pan Tadeusz). Maar zou het dan niet kunnen zijn dat er aan die collectieve schuld allerlei momenten van vergeten individuele schuld ten grondslag lagen? En hoe moest de relatie tussen de voorouders en hun nakomelingen, nu ballingen in Frankrijk, begrepen worden?

Deze ‘traumatische’ gemoedstoestand verklaart het succes van een Poolse edelman, mysticus en sekteleider – Andrzej Towiański (1799-1878), die legaal het Russische Rijk kon verlaten (volgens sommige Poolse emigranten omdat hij een provocateur was – dit bleek echter later onjuist te zijn) en in 1841 in West-Europa aankwam. Hij trachtte eerst volgelingen in Brussel – het tweede grote centrum van Poolse emigratie na 1831 – te werven. Hier faalde hij en hij besloot naar Parijs te trekken, waar hij kennis maakte met Adam Mickiewicz.

Mickiewicz’ vrouw Celina (1812-1855) – dochter van de beroemde pianiste Maria Szymanowska, die uit een Frankistische familie stamde (de Frankisten waren een tot het Christendom [schijn]bekeerde Joodse mystiek-messianistische sekte) – leed aan een mentale ziekte. Towiański wist haar – weliswaar slechts tijdelijk – te genezen. Mickiewicz was onder de indruk en accepteerde enthousiast Towiański’s mystieke leer. Mistrz (Meester, ‘goeroe’) Andrzej geloofde in metempsychose – de reïncarnatie van zielen. Zijn succes onder de in Frankrijk levende Poolse emigranten viel waarschijnlijk toe te schrijven aan zijn vermogen om hun gevoel van uitzichtloosheid in verband te brengen met zonden begaan tijdens eerdere incarnaties van hun ziel/geest, waarbij hij tegelijkertijd een therapie leverde. Het verband tussen collectieve Poolse en individuele menselijke schuld leek opgehelderd te zijn.

Towiański, die secteleider bleef, wees Mickiewicz als zijn plaatsvervanger aan, hoewel de dichter, die zich maar moeilijk kon onderwerpen aan andermans gezag, later in conflict met Mistrz Andrzej kwam. Diens therapie hield in dat iemand afstand moest doen van iets wat hem bijzonder dierbaar was. Zo eiste Towiański van een andere beroemde romantische dichter – Juliusz Słowacki (1809-1849), dat hij de poëtische autoriteit van de ruim tien jaar oudere Mickiewicz zou erkennen en bovendien op zou houden zelf te dichten. Słowacki hield deze nederige houding niet lang vol, brak met Towiański, stichtte een eigen mystieke sekte en begon Król-Duch (‘Koning-Geest’) het epos van zijn geest te schrijven, met als begin de dood van een zekere Her Armeniër (als Her Armenios afkomstig uit het slot van Plato’s Republiek), die daarna in een soort Hades terecht komt, een visioen heeft van een buitenaardse schoonheid, die als ‘dochter van het woord in een prehistorische Slavische ruimte van bossen en weilanden wordt geconcretiseerd. Her wordt daar herboren als een van de leidende Poolse geesten (Popiel), die voortdurend wordt gereïncarneerd, in conflict met andere leidende geesten. Aan het eind van die cyclus van wedergeboorten zouden Słowacki en diens tegenpool – Adam Mickiewicz – tegenover elkaar komen te staan. Maar Słowacki slaagde er niet in zijn epos te voltooien. Hij bleef in de elfde eeuw steken.

De sleutel van Towiański’s heilsleer was nederigheid, jezelf vernederen om boete te doen voor je zonden uit eerdere levens (in het geval van de Poolse adel betrof dat voornamelijk hoogmoed en doorgeslagen individualisme). Towiański suggereerde zijn sekteleden, die nog niet zolang geleden aan de Novemberopstand tegen Rusland hadden meegedaan en later in de jaren dertig gepoogd hadden nieuwe revoltes in het verdeelde Polen te ontketenen, om een brief aan tsaar Nicolaas I – de gendarme van Europa – te schrijven waarin ze zich formeel aan hem onderwierpen. Rusland zou namelijk de hoofdrol gaan spelen in de geestelijke redding van de wereld (natuurlijk alleen als het akkoord ging met Towiańśki’s theosofie). Die brief, opgesteld door Aleksander Chodźko (1804- 1891), een vriend van Mickiewicz die een tijd lang als dragoman – tolk en diplomaat – voor de Russen in de Oriënt had gewerkt en daarna naar Frankrijk was geëmigreerd, kwam in Sint Petersburg aan en werd door Nicolaas persoonlijk gelezen. De tsaar was verrast, maar vertrouwde de zaak niet. De brief werd niet beantwoord en kwam in een geheim archief terecht.

Nederigheid moesten deze adellijke ballingen ook jegens de door hun voorvaderen onderdrukte lijfeigen boeren aan de dag leggen, een houding die een generatie later door de Poolse chłopomani (boerenverheerlijkers) gekopieerd werd, hoewel tijdens de Januari-opstand van 1863 de boeren vaak de adellijke opstandelingen aan de Russen uitleverden – uit vrees voor represailles, maar soms ook uit haat tegen de ‘heren’, die hen zolang onderdrukt hadden, terwijl de tsaar hen de vrijheid wilde schenken (iets wat overigens de opstandelingen ook van plan waren te realiseren).

Dit stelsel van bewuste nederigheid als een vorm van boetedoening voor voorouderlijke zonden, doet enigszins aan de huidige ‘woke’-wereldbeschouwing denken en kan als het radicale eindpunt van het Poolse romantische messianisme in ballingschap gezien worden. De cultus van zuiverheid (als we dat begrip al moeten gebruiken) is hier niet etnisch van aard en heeft ook geen betrekking op iets bestaands – bijvoorbeeld de essentie van het ‘Pool-zijn’, maar is een proces van individuele zelfzuivering door het voortdurend brengen van offers. In de tweede helft van de negentiende eeuw en vlak voor (en tijdens) de Eerste Wereldoorlog (die door de Polen als een kans op meer autonomie binnen de imperiale staten of zelfs herwinning van de onafhankelijkheid werd gezien) kon de meerderheid der Polen weinig met deze radicaal mystieke vorm van romantisch messianisme beginnen, hoewel het oudere messianisme van Mickiewicz’s ‘Voorouderavond’ zijn vooral esthetische aantrekkingskracht behouden had.



henryk sienkiewicz



Het Poolse messianisme werd na 1863- 64 (de jaren van de Januari-opstand, die door het Russische leger bloedig onderdrukt werd en tot een nieuwe golf van repressie leidde) echter in verband gebracht met een alternatieve constructie van de Poolse identiteit, die het volledigst tot uitdrukking kwam in de populaire historische romans van Henryk Sienkiewicz (1846-1916). In deze identiteitsconstructie is er minder ruimte voor ambivalentie, hoewel de auteur zijn literaire carrière begon als maatschappijkritische ‘positivist’ (in de Poolse literaire context betekende dat: een realistisch schrijver), waarbij hij in het eerste decennium na de mislukte Januari-opstand rekening moest houden met de altijd waakzame Russische censuur.

Sienkiewicz was geen emigrant. Hij was een voortreffelijk stilist met een rijk geschakeerde prozastijl (later zeer bewonderd door Witold Gombrowicz) en kon zich geheel uitleven in drie historische romans, die in Polen bekend staan als de ‘Trilogie’. De handeling speelt in de zeventiende eeuw en spitst zich toe op drie momenten: de kozakkenopstand van Bohdan Chmielnicki (1648-49), de Zweedse inval, die als ‘Potop’ – Zondvloed – bekend staat (1655-60), en de Osmaanse inval in het Zuid-Oosten van het Pools-Litouwse Gemenebest (nu Oekraïne, 1671.

In deze romans zijn de Polen steeds door eigen laks- en twistziekheid in een schijnbaar hopeloze situatie terechtgekomen, waaruit ze zich echter zelf, door een laatste heldhaftige krachtinspanning, weten te bevrijden. De handeling wordt in elk van deze drie romans bij elkaar gehouden door een liefdesgeschiedenis – een driehoek: een Pools (of Pools-Oekraïens) adellijk meisje, een Poolse edelman (szlachcic) en een rivaal – in Ogniem i mieczem (‘Te vuur en te zwaard’) is dat een Oekraïense kozak (Bohun), in Potop (‘Zondvloed’) een Pools-Litouwse magnaat (Bogusław Radziwiłł) – een landverrader, die met de Zweden heult, in Pan Wołodyjowski (‘Heer Wołodyjowski’) een Tataar (Azja Tuhajbejowicz).

Als deze rivalen al positieve karaktertrekken bezitten, dan ontlenen ze die aan (of delen ze met) de Poolse adel. De negatieve, egoïstisch-anarchistische kant van de szlachta wordt door Sienkiewicz niet verzwegen, maar via een interessante literaire constructie onschadelijk gemaakt. In al deze romans treedt een wat oudere, ervaren, listige, pralende, enigszins komische szlachcic op, Heer Zagłoba (Sienkiewicz’s inspiratiebron voor deze figuur was Shakespeares Sir John Falstaff), een hedonistische opschepper die, als de omstandigheden het vereisen, plotseling een transformatie ondergaat en tot grote daden en zelfs opoffering in staat blijkt. Twee van de romans kennen een happy end. De Poolse held (Skrzetuski, Kmicic) krijgt zijn geliefde (Helena, Olenka) en de Polen verslaan zowel de Kozakken als de Zweden. In de laatste roman – Pan Wołodyjowski – komt de titelheld, als de Polen zich aan de Osmanen overgeven, om het leven, maar tijdens zijn begrafenis, waarbij de latere Poolse koning Jan Sobieski aanwezig is, wordt duidelijk dat ook nu de vijand – het Osmaanse leger – weer verslagen zal worden (de slag bij Chocim – 1673).

Op de maatschappelijk oorzaken van het verval van de Poolse adelsrepubliek wordt nauwelijks ingegaan (dit werd Sienkiewicz door zijn positivistische collega’s – met name door Bolesław Prus – zeer verweten). Wat de personages betreft zijn deze romans sterk toegespitst op de szlachta. Boeren en burgers – stadsbewoners – spelen een ondergeschikte rol en Joden (die in deze periode ongeveer zes procent van de bevolking van het Pools-Litouwse Gemenebest uitmaakten) zijn vrijwel geheel afwezig. Het katholicisme wordt in de tweede roman van de Trilogie (Potop) als de bij uitstek Poolse religie geïdentificeerd (de centrale episode is de verdediging van het heiligdom van de Zwarte Madonna – Częstochowa – tegen de protestantse Zweden). Vanwege de censuur kon Sienkiewicz niet over de strijd van de Polen en Litouwers tegen de Russen schrijven. In het begin van Potop zijn ze even indirect aanwezig als de veroorzakers van de grote brand van Wilno. In 1654 slaagden de Russen erin de hoofdstad van het Groothertogdom Litouwen in te nemen. Gedurende een bezetting die enige maanden duurde kwamen de meeste bewoners om het leven. De Russen worden door Sienkiewicz vanwege de censuur eufemistisch als Septentryjony (‘Noordersterrelingen’) aangeduid.

In Sienkiewicz’ Trilogie komen veel elementen samen, die later de basis van het populaire narratief van de (‘rechtse’) Poolse identiteit ging vormen, vooral in negatieve zin: tegen Duitsers/Zweden en Russen/Oekraïeners, tegen protestantisme en orthodoxie (dus katholiek), een focus op de rol van de adel, het heen en weer geslingerd worden tussen anarchie en veerkracht, passiviteit en heldhaftigheid. Of we dit ‘modern’ etnonationalisme moeten noemen? Ik heb daar mijn twijfels over. In deze historische romans blijft het Pools-Litouwse Gemenebest zowel etnisch als religieus gezien een ‘diverse’ samenleving, die door een speling van het lot (de oorzaken worden door Sienkiewicz inderdaad nauwelijks geanalyseerd) uit balans is geraakt. Wat je hem hoogstens zou kunnen verwijten is zijn perspectief – de Poolstalige, door de Latijnse cultuur gevormde adel is het voorbeeld waar andere etnische groepen (vooral de Oekraïense Kozakken) tegen opkijken. Deze ‘anderen’ willen gelijkgesteld worden met de szlachta en zijn bereid de adellijke cultuur over te nemen. Ze worden echter door de geprivilegieerde groep afgewezen en daarom keren ze zich van het Gemenebest af. Dat geldt vooral voor Bohdan Chmielnicki in Ogniem i mieczem.

De kozakkencultuur wordt door Sienkiewicz als esthetisch gezien interessant voorgesteld, maar is aan de andere kant primitief en provinciaal. Het positieve van de ‘ander’ wordt door Sienkiewicz – zoals we nu zouden zeggen – georiëntaliseerd, iets wat Mickiewicz in zijn Krimsonnetten veel minder doet, zelfs wanneer hij het pittoreske Bachtsjisaraj (de oude hoofdstad van de Krimtataren) met ‘Oosters’ weelderige beelden en metaforen beschrijft. Mickiewicz wijst daarbij ook (via de figuur van mirza, die als gids de Poolse ‘pelgrim; in die oriëntaalse wereld de weg wijst) op de overeenkomsten tussen Polen en Tataren, twee volken die met geweld bij het tsaristische imperium zijn ingelijfd.



witold gombrowicz



Het is Sienkiewicz’ buitengewoon invloedrijke (ook nu nog) verhaal van de Poolse identiteit dat Witold Gombrowicz (1904-1969) in de jaren vijftig (hij is dan een emigrant in Argentinië) probeert te deconstrueren, waarbij hij – als hij in Trans-Atlantyk te keer gaat tegen wat hij voor het romantische messianisme van Mickiewicz houdt – eigenlijk Sienkiewicz als zijn ware vijand kiest, een Sienkiewicz, die elementen uit het romantische messianisme gereduceerd had door ze uit de context van emigratie te halen en ze niet als een nostalgische herinnering, maar als een soort essentie van het ‘Pool-zijn’ te herscheppen. Daarbij moet benadruk worden dat Gombrowicz niet alleen Sienkiewicz’ literaire stijl bewonderde, maar ook onder de indruk was van zijn talent voor mythevorming, hoewel hij die mythen oppervlakkig en schadelijk vond. Ze hadden als het ware een cultuurkorset gevormd dat iedere Pool vanaf zijn geboorte (en vooral op school) in zijn omgang met de onvoorspelbare, tragische, maar ook onuitputtelijk rijke werkelijkheid beperkte. Pool-zijn is hier een starre en in zekere zin opgelegde vorm die iemands individualiteit uitwist. Elke Pool speelt (meestal onbewust) een rol in het drama – een van ambivalentie beroofde romantische tragedie – van de Poolse identiteit, waardoor een groot deel van zijn persoonlijkheid braak blijft liggen. Vanuit Gombrowicz’ perspectief is dat voor Polen schadelijker dan voor Fransen, Engelsen of zelfs Duitsers en Russen, omdat de situatie na de Poolse delingen, het verlies van de politieke onafhankelijkheid, vormen van zingeving aan de individuele existentie had ontwikkeld, die zich vrijwel uitsluitend op het behoud van de nationale identiteit concentreerden. Het defensieve karakter van die vormen stond het idee van de toekomst als open horizon – de voorwaarde voor individuele vrijheid – in de weg. Weliswaar hebben we gezien dat Mickiewicz’ interpretatie van het romantische messianisme het nationale probeerde te overstijgen, maar dat leidde weer tot een sacralisatie van ‘zelfopoffering’ (een levensvorm die gemakkelijk kan omslaan in een cultus van slachtofferschap), een houding die Gombrowicz als bijna sadomasochistisch ervoer en veroordeelde.

Gombrowicz ervaart het Pool-zijn als een soort gesloten circuit – een model van voortdurende zelfbevestiging. Het is weliswaar mogelijk om tegen de verstarrende Poolse vorm in opstand te komen door een anti-vorm te creëren, maar dat betekent niet dat iemand als Pool zijn individualiteit herwint. Hij blijft toch negatief afhankelijk van de vorm die hij probeert te vernietigen en die een onuitwisbaar stempel op hem heeft gedrukt – een soort ‘erfvervloeking’. De enige manier om je (als Pool) uit deze vicieuze cirkel te bevrijden, is een spel met de Poolse vormen te spelen, ze via allerlei groteske configuraties ad absurdum te voeren. Het is dus niet mogelijk geheel aan het gegeven, starre domein van nationale vormen te ontsnappen. Niemand kan ooit in absolute zin schepper van zijn eigen individuele persoonlijkheid (en identiteit) zijn. In deze radicale zin is authenticiteit – een modern (zij het niet postmodern) sleutelbegrip – een illusie. Als we echter proberen met de ons beperkende vormen te spelen, zijn we toch onszelf, ofwel ‘authentiek inauthentiek’. De conclusie die Gombrowicz trekt uit de schijnbaar uitzichtloze relatie tussen het individu, zijn identiteit en de bestaande vormen (die overigens niet transcendent zijn; het zijn halfbewuste menselijke scheppingen) – in zijn geval de Poolse nationale vormen – is die authentieke inauthenticiteit het hoogst haalbare. Geen verlossing, maar inzicht in de eigen onvrijheid.

Helemaal vrij is het individu dus nooit. Gombrowicz probeert zijn conclusies te veralgemenen. Zij zouden gelden voor de menselijk existentie an sich. Maar Gombrowicz zou deze in zekere zin universele waarheid over de menselijke existentie nooit hebben kunnen formuleren zonder zijn specifiek Poolse achtergrond, zijn strijd met wat hij als een verstard Pools romantisch nationalisme ervoer. De kwestie van vorm en (individuele) identiteit ligt aan de grondslag van Gombrowicz’ hele oeuvre – verhalen, romans, toneelstukken en zijn beroemde Dziennik (Dagboek).

De relatie met Mickiewicz’ romantisch messianisme en Sienkiewicz’ constructies van nationale identiteit wordt op buitengewoon radicale wijze voorgesteld in zijn groteske roman Trans-Atlantyk, die vanuit het perspectief van de emigrant Witold (Gombrowicz zelf) geschreven is, in een stijl die enigszins aan achttiende-eeuwse Poolse reisverslagen doet denken (dit stilistische archaïsme – waarin ook Sienkiewicz in zijn historische Trilogie uitmuntte – komt in vertalingen nauwelijks tot zijn recht). De handeling begint op 1 september 1939. Het Poolse passagiersschip Chrobry ligt in de haven van Buenos Aires. De passagiers en bemanning vernemen dat de Tweede Wereldoorlog is uitgebroken. De Duitsers zijn Polen binnengevallen. Aan boord breekt er meteen een wedstrijd in patriottisme uit. Iedereen wil naar Polen terugkeren om voor het vaderland te strijden, maar de lezer krijgt de indruk dat dit niet zozeer ware gevoelens zijn, maar dat zich hier de stem van de Poolse ‘nationale’ vorm doet gelden. Ook Witold onderwerpt zich aanvankelijk aan deze vorm, maar verlaat dan toch het schip om in Buenos Aires achter te blijven, met 96 dollar op zak. Bevrijd van de druk van de nationale vorm, blijkt hij echter in het luchtledige terechtgekomen te zijn.

Zo kan een mens niet leven (Pool of niet) en daarom gaat hij naar de Poolse Ambassade waar hij eerst afgewezen wordt. Maar men vindt toch een rol voor hem, de vorm van de romantische bard (een parodie van Mickiewicz in Frankrijk), die ten overstaan van de Argentijnen het Poolse heldendom moet bezingen. In elk geval moet hij in confrontatie met Argentijnse schrijvers zijn Poolse originaliteit bewijzen. Als hij tijdens een soiree probeert een discussie aan de gaan met een bebrilde Argentijnse auteur (die op Jorge Luis Borges lijkt) lijdt hij een smadelijke nederlaag. Alles wat hij te berde brengt blijkt al eerder gezegd, zelfs zijn gefrustreerde ‘merde’, een onbewust citaat van de aanvoerder van Napoleons keizerlijke garde, generaal Cambronne, als deze tijdens de Slag van Waterloo antwoordt op Wellingtons oproep om zich over te geven. Een schrijver kan dus nooit zijn eigen schepper zijn; hij blijft de gevangene van de intertekstualiteit, waarmee hoogstens gespeeld kan worden, maar Witolds aanwezige landgenoten – een ambassaderaad en een handvol mede-emigranten – verwachten juist originaliteit van hem, die geworteld moet zijn in de Poolse nationale uitzonderlijkheid (dat dit een paradox is begrijpen zij niet – als hij de Argentijn niet met succes ‘bijt’, zullen ze hem gaan bijten). Woedend en gefrustreerd gaat hij er vandoor, het Argentijnse nachtleven in.

Daar ontmoet hij een Poolse officier, Tomasz, en diens zoon Ignacy, die van plan zijn naar Polen (of eventueel naar Frankrijk of Engeland) terug te keren om daar tegen de Duitsers te strijden. De aantrekkelijke Ignacy wordt echter hardnekkig aangestaard door een Argentijnse miljonair, Gonzalo, die homoseksueel blijkt te zijn. Tomasz voelt zich hierdoor in zijn vaderlijke eer gekrenkt en daagt Gonzalo, die een angsthaas is, uit voor een duel.

Het duel vindt ten slotte plaats en Gonzalo toont zijn moed als hij zich theatraal blootstelt aan de kogels van Tomasz, wiens eer – verbonden met de Poolse vorm – daardoor hersteld is. Met een lafaard duelleer je immers niet. De pistolen waren echter geladen met losse flodders. Gonzalo was hiervan op de hoogte, Tomasz niet. Als Tomasz hiervan hoort, voelt hij zich opnieuw in zijn eer gekrenkt. Gonzalo kan hem, omdat hij een lafaard is, geen genoegdoening verschaffen. De enige uitweg is dan dat Tomasz het object van zijn vernedering – zijn eigen zoon – doodt. Gonzalo wil intussen uit perverse seksuele begeerte Tomasz’ zoon – Ignacy – voor zichzelf hebben, wat alleen mogelijk is, als Tomasz sterft. Hij probeert dat indirect te bewerkstelligen (hij is waarschijnlijk impotent), door Ignacy aan zijn dienaar Horacjo te koppelen. Horacjo moet Ignacy zo ver krijgen dat deze eigenhandig zijn vader doodt en zich zo van de collectieve vloek van de nationale identiteit met al haar regels en beperkingen bevrijdt. Het vaderland (Ojczyzna) moet wijken en vervangen worden door een ‘zoonland’ – Synczyzna.

In de slotscène van Trans-Atlantyk zijn allen verzameld op de rancho van Gonzalo. Eén ding is duidelijk – net als in het Poolse romantische messianisme moet er iemand geofferd worden: een zoenoffer om ofwel de verstoorde vaderlandse orde te herstellen, of een nieuwe, vrijere, zoonlandse orde te scheppen. Alles wijst erop dat Ignacy onder invloed van Gonzalo en Horacjo zijn vader Tomasz zal vermoorden, maar op het moment suprême breekt de jongen in een schallend lachen uit, waarin de overige aanwezigen instemmen en de roman eindigt met een triomf van de groteske absurditeit, een verzoening, zij het beneden het niveau van verbale zingeving. Slechts door de fysieke ervaring van het lachen lijkt de mens aan de macht van de vorm – door hemzelf geschapen, maar hij is een gevangene van zijn eigen schepping geworden – te kunnen ontkomen. Het probleem is alleen dat zulke momenten van korte duur zijn en meteen daarna de heerschappij van de vorm hersteld wordt.

Uiteindelijk blijkt het dus onmogelijk te zijn aan de Poolse identiteit als zingeving te ontsnappen. Het enige alternatief is een spontane uitbraak van on-zin. Dat is de tragische conclusie, die uit deze komedie van misverstanden en toevalligheden getrokken kan worden. We kunnen die nationale en existentiële inauthenticiteit echter wel – en dat doet Gombrowicz – authentiek doorleven, niet door de haar vormende narratieven te ontkennen of te verzwijgen, maar door ze in vervreemdende contexten te plaatsen. Een nieuw begin – zonder Mickiewicz en Sienkiewicz – een aanvang waarin messianistische zelfopoffering (slachtofferschap; ‘Voorouderavond’, Dziady III) en de misschien werkelijkheidsvreemde plattelandsidylle van Pan Tadeusz vervangen worden door een aan het Westen ontleend vooruitgangsoptimisme, zal dan ook falen, zoals het ook weinig zin heeft Gombrowicz’ oeuvre vanuit een ‘universalistisch’ perspectief te lezen, alsof de auteur van mening was dat de in zijn zielen woelende romantische demonen buiten Polen met succes bezworen zouden kunnen worden. Ook een eenzame balling blijft een Pool – tegen wil en dank.




<

TSL 97

>