Russen hebben de eigenschap om zich onverdeeld over te geven aan
externe invloeden… Precies zoals een bruid en een vrouw aan haar
man… Maar hoe onverdeelder, zuiverder en onbaatzuchtiger deze
‘overgave’ is, zelfs tot het ‘doden van zichzelf’ aan toe, des te krachtiger de mysterieuze inwerking op degene aan wie men zich heeft
‘overgegeven’. Ook in het huwelijksleven is het niet de frivole vrouw
die haar man beheerst, maar de meest onderdanige, duldzame, die
zichzelf ‘helemaal’ overgeeft… Voor zijn ‘trouwe vrouw’ is de man
zelf omgekeerd ook bereid ‘te sterven’ – dat is immers wat de wet van
grootmoedigheid en manhaftigheid gebiedt. Hier vindt letterlijk een
heilige wederzijdse voeding plaats; en het is de kracht dáárvan die
voorbijgegaan is aan historici die menen dat het geschiedproces een
concurrentiestrijd is van krachten en belangen, een machtsstrijd – en
niets meer.
Als we terugblikken, moeten we dan niet constateren dat we niet
één Russische denker – zeg, Novikov, Radisjtsjev, Tsjaädajev of Herzen – evenveel kracht en enthousiasme hebben gegeven of evenveel
leesuren en slapeloze nachten hebben toegewijd als Buckle9 en Spencer…?!10 Of wat dacht je van Nietzsche in de afgelopen jaren? Zijn
‘Zorathoestra’ is geciteerd als een lievelingsgedicht, als een innig geliefd, slaapverdrijvend sprookjesverhaal; zelfs Poesjkin heeft absoluut nooit een tijd gekend dat men zo in de ban van hem was als van Nietzsche in zijn hoogtijdagen. Niet lang daarvoor hadden we precies hetzelfde met Schopenhauer. Dit is een dusdanig algemeen en permanent
feit, dat het zelfs onmogelijk is om je de ‘gedaante van een Russische
maatschappij’ onder invloed van een ‘enthousiasme voor het Russische’ voor te stellen. Dat Rusland Poesjkin plotseling helemaal stuk
zou gaan lezen, hem zou gaan citeren op straathoeken, in alle bladen
en in elk tijdschriftnummer… – zoiets kun je je toch niet voorstellen of
inbeelden?! ‘Russen zouden niet meer op zichzelf gaan lijken’: dusdanig in de ban te zijn van iets, wat dan ook, uit Europa is voor Russen,
voor Rusland, het enige ‘op zichzelf lijken’… Rusland is een vrouw
die eeuwig op zoek is naar haar ‘bruidegom, hoofd en man’…
Het is vooralsnog geheel niet te voorzien waar dit in uit zal monden; alleen de slavofielen – die ‘haast geen Russen’ zijn – treuren daar
momenteel om. Maar dat het in iets groots uit moet monden, dat staat
vast. Ik denk dat juist híeruit over een eeuw of anderhalf een enorme
‘influisterende’ invloed van de Russen op de Europese cultuur in haar
geheel voort zal vloeien. Onder invloed van deze onophoudelijke en
vreselijke liefde, die zo vol is van zelfvergetelheid en zo vurig, kan
Europa, dat zich al ‘met kleinburgerlijke verveeldheid’ verveelt, niet
anders dan afstand doen van zijn droge egoïsme en zakelijke pragmatisme. Voorspellen is hier onmogelijk: ik kan alleen maar wijzen op
de ‘Münnichs’, op Dahl […] en op de Joodse verzamelaar van Russische volksliedjes Schein11 en toevoegen dat de ‘Russische katholieken’ […] minder talrijk en, belangrijker nog – allemaal van mindere
betekenis waren… Het belangrijkste hier is dit: al geven Russen zich
nog zo hartstochtelijk over aan iets externs, ze behouden daarbij hun
‘vrouwelijke ik’. Zachtaardigheid, liefde, eenvoud en helderheid zijn
een harde eis: Russen hebben zich nooit onvoorwaardelijk aan iets
‘grofs’ als zodanig onderworpen of ‘overgegeven’ […]. Wanneer Europeanen zich daarentegen ‘aan het Russische overgeven’, dan is het
juist precies de kern ervan, dit ‘zachte vrouwelijke beginsel’, waaraan ze zich overgeven, dat wil zeggen, ze zweren de hele essentie
van het Europese beginsel af, het beginsel van trots, verovering en
overheersing. Dit verschil moet goed in de gaten worden gehouden:
Russen behouden in hun ‘overgave’ hun eigen ziel en nemen slechts
het lichaam, de vormen van het andere over… In het katholicisme
nemen ze ‘het zwaard’ niet op; als ze verluthersen, maken ze het protestantisme niet nog droger en strenger dan het al is. Integendeel:
overal brengen ze zachtheid en tederheid aan. Westerlingen zijn echter juist zo in de ban van de ‘vrouwelijkheid’ in ons… Ze zoeken die
bij Toergenjev, bij Tolstoj… Wij zijn dus in de ban van het ‘eigene’
dat we bij hen aantreffen, omdat we ‘in de treurige realiteit thuis’
niets kunnen vinden dat beantwoordt aan het (immer zachte, immer
tedere) ideaal van onze ziel; hun ‘enthousiasme voor het Russische’
is echter altijd een verruiling van hun ‘innerlijke ideaal’… Het feit
dat er ‘gerussificeerde Fransen’ zijn, komt absoluut niet doordat ze
bij ons zogenaamd een goede voedingsbodem voor hun liefde voor ‘la gloire’ vonden… Maar ‘verfranste Russen’ hebben nooit van hun
leven bij zichzelf gezegd: ‘Met de nieuwe Napoleon ga ik, dan wel
gaat mijn nageslacht, tot het einde van de wereld!’ Nooit! Zo’n droom
is er niet!!
Russen nemen het lichaam aan, maar niet de geest. Als buitenlanders zich bij ons aansluiten, nemen ze juist onze geest aan. Onze
woorden doen het misschien voorkomen alsof we ook in de ban zijn
van Europa’s ‘ideeënwereld’… Dat lijkt alleen maar zo. Laat mij
maar eens een ‘geëuropeaniseerde Rus’ zien die zich vol vuur zou
hebben laten europeaniseren tot ‘macht’, ‘verovering’ en ‘plundering’, tot ‘grafen’ en ‘haben’, begrepen als ‘graaien’ en ‘halen’; dat
we zouden verduitsen of verfransen met als motief beweging, verovering of schepping…
We trokken de Europese laars aan met de gedachte dat hij nog
minder strak om onze voet zou zitten dan onze ‘huisslof’. Maar
wanneer zij hun laars uittrokken, wisten Europeanen juist dat ze de
‘Russische slof’ aandeden, die sowieso nergens knelt, maar in wezen
dan ook eigenlijk geen schoeisel is. Zij zworen af; wij ‘affirmeerden
onszelf des te meer’. Vera Figner12 ging over op het socialisme toen
ze zag hoe haar geliefde onderwijzer in Kazan door de administratie
werd gekrenkt […]. Dat is nou een Russisch motief. Maar ik ken geen
Duitser die bij zijn bekering tot de Russische orthodoxie gedacht zal
hebben: ‘Dit komt mijn filosofische bezigheden vast ten goede.’ Of:
‘Mijn fabrieksproductie wordt vast stabieler.’ Of: ‘Nu ga ik vast iets
dichten dat zelfs Faust nog overtreft.’ De Duitse motieven zijn verdwenen; maar bij Russen wordt het Russische motief (erbarmen, medelijden) versterkt (dat wil zeggen, wanneer ze zich bekeren tot het
europeanisme).
Petsjorin,13 een eigenaardige idealist uit de jaren 1840, bekeerde
zich tot het katholicisme […]. En toen? Begon hij ‘plannen te smeden’ tegen de lutheranen? Of ging hij bij de jezuïetenorde? Nee, hij
werd een ‘broeder van barmhartigheid’ in een Iers hospitaal. Het
‘Russische motief’ werd versterkt.
Heel het Russische socialisme is, in zijn ideële en zuivere grondslag, in zijn oorspronkelijke grondslag, vrouwelijk. Het is niets meer
dan een voortborduursel op het ‘Russische erbarmen’, op ons ‘medelijden met de ongelukkigen, de armen en de bezitlozen’, met ‘wie niet
bij machte is het kwaad van het leven te overwinnen’. […] Maar het
socialisme is een Europese en daarbij ook nog eens erg harde, financiële en berekenende idee (het marxisme).
Ook tot het ‘darwinisme’ voelden Russen zich stiekem vooral
aangetrokken omdat het ‘de menselijke trots vermorzelde’, omdat het
de mens op één hoop gooide met de dieren en van hen ‘af liet stammen’. ‘Russische deemoed’ – niets meer. Overal in zijn ‘westernisme’
behoudt de Rus zijn ziel. Of preciezer: in zijn westernisme rukt de
Rus zich los van zijn ‘Russische omstandigheden’, die voor hem nog
altijd grof en wreed (ofschoon onvergelijkbaar veel ‘vrouwelijker’
dan de westerse) zijn – en zoekt in het wazige en onbekende Westen,
in het hypothetische Westen, naar kansen en mogelijkheden om zijn
Russische gevoelens vrij baan te geven, wat in zijn vaderland met
‘het gevang’ wordt bedreigd.
Het ‘vrouwelijke’ hult zich in het mannelijke en zuigt het op. Het
‘vrouwelijke’ en het ‘mannelijke’ zijn als ‘water’ en ‘aarde’ of als ‘water’ en ‘steen’. Men zegt dat ‘het water de steen uitslijt’, maar men zegt
niet dat ‘de steen het water uitslijt’. De steen ‘belet’ het water hooguit
daarnaartoe te stromen waar het heen moet, ‘houdt het tegen’, ‘stopt
het’. Het ‘mannelijke’ is in elk geval kracht; en kracht is zwakker dan
liefkozing. Liefkozing wint het altijd van kracht. Een ‘Teutoonse invasie’ zou de ‘Roes’ invallen als een klomp aarde in het water. De invasie
zou haar vertroebelen en een plons in haar maken, maar uiteindelijk
in haar oplossen. De ‘Russische oerstof’ zou als laatste en boven al
het andere overblijven. Wilhelm en Bismarck spraken natuurlijk vanuit het perspectief van een ‘oorlogsbevelhebber’ en überhaupt vanuit
dat van een ‘bevelhebber’; maar er is ook nog het perspectief van de
‘onderdaan’. En dat doet er pas echt toe. Dat perspectief ontging Bismarck en Wilhelm volledig. Hadden ze er hoogte van gekregen, dan
hadden ze wel ingezien hoe onrealistisch, hoe onmogelijk en zelfs hoe
belachelijk ‘Wilhelms droom’ eigenlijk is. De lutheranen Dahl, Hilferding15 en Sabler16
kwamen naar de Roes […]. En het is frappant dat
ze na hun komst allemaal niet slechts ‘hun Duitsheid’ verloren, een
verlies waarvan ze natuurlijk hadden moeten verdoffen. Dat gebeurde
niet, maar er gebeurde iets anders: ze bloeiden op en gingen stralen.
Ze behielden heel hun zakelijkheid en geordendheid van vorm (het
Duitse ‘lichaam’), maar doordrenkten dat alles met de ‘vrouwelijke
ziel’ van het Oosten… Uiteindelijk lieten ze ook hun religie varen en
namen ze ons oosterse christendom aan – zonder druk, zonder dwang
en zelfs zonder misleiding, uit zichzelf. Je kunt je toch absoluut niet voorstellen dat een Rus na aankomst in Duitsland ‘sjonge, wat een
Wachtmeister!’ zou worden? Dat wil zeggen: Russen nemen de Duitse
ziel helemaal niet aan, maar slechts de vormen. Dus, op Frans-Jozefs
uitspraak dat hij ‘liever de wacht zou houden bij een Duitse legertent
dan dat hij een Slavische koning zou worden’,17 kunnen we antwoorden: ‘Tja, uwe majesteit, hoeveel gevallen kennen we wel niet van
Duitsers die liever als collegesecretaris bij ons in dienst zouden gaan
dan bij u als kolonel?’ Hoe is dit allemaal zo gekomen? Hoe is dit gebeurd? Waarom werd Sabler een enthousiasteling voor de consistoriale
administratie? Waarom begon Dahl, een ambtenaar in een Petersburgs
departement en een lutheraan, spreekwoorden, gezegden en ten slotte heel de Russische ‘levende spraak’ te verzamelen? Waarom zwierf
Schein zijn hele leven lang plattelandsdorpjes bij langs om al waren
het maar de melodieën of zelfs de motieven van volkswijsjes, bruiloftszangen en begrafenisliederen bij elkaar te sprokkelen? Hij! Een joodse
Talmoedist?! […] De ‘vrouwelijke ziel’ en ook een beetje van de ‘slof’
(die waarschijnlijk ook geen mannelijk model heeft) is overal in doorgesijpeld en breekt daarbij hun mannelijke ‘vormen’, het mannelijke
‘lichaam’, geenszins af, maar sterkt die juist en doet die des te meer
opbloeien. Absoluut: wat de vormen, wat de manier van aanpakken
betreft, werken ze beter dan Russen. Vandaar ook dat Sabler het tot opperprocurator schopte: dat is niet niks. Maar ze werken in de Russische
geest en voor Russische doeleinden. Met precisie verrichten ze volledig Russisch werk. Ziedaar een stel kleine miracula ethinica.18 Met die
in gedachten kunnen we zowel Bismarck als Wilhelm en Frans-Jozef
hetzelfde antwoorden als wat die boer in het bos zei: ‘Niks aan het
handje, heer… We geraken er wel uit.’
1911
Vertaling Edgar Alberts, Alla Peeters-Podgaevskaja