Vasili Rozanov



Nabij ‘de Russische idee’…




[…] Bismarck, die zich tijdens zijn Petersburgse gezantschap in onze samenleving had begeven en de karakters van de Russen aandachtig had geobserveerd, zei dat ze ‘buitengewoon vrouwelijk’ waren, en voegde toe dat ‘ze in combinatie met het mannelijke Germaanse element een geweldig materiaal voor de geschiedenis op zouden kunnen leveren.’1 Dezelfde gedachte, die bij Bismarck nog niet denigrerend klonk, drukte keizer Wilhelm aldus uit: ‘De Slaven zijn geen natie: ze zijn slechts een materiaal en een bodem waar een andere natie mét een historische roeping op zal groeien.’2 Hij doelde op het toekomstige Duitsland. Beide stellingen werpen het vraagstuk van het ‘mannelijke’ en het ‘vrouwelijke’ in de geschiedenis op.

‘De man is het hoofd van het huishouden…’ Ja… Maar de vrouw is meestal de baas in huis. Diezelfde ‘vrouw’ die bij haar huwelijk haar eigen naam verloor, en in Frankrijk haar eigen bezittingen en zelfs haar eigen loon niet eens mag beheren. Maar zowel in Frankrijk als in Rusland, zoals absoluut overal, vult de vrouw het hele huis ‘met haar aura’, geeft ze het zijn charme of maakt ze het mishaaglijk, maakt ze dat het iedereen aantrekt of juist afstoot, en, zoals de nek met zijn bewegingen het hoofd zo en zo positioneert, zo wordt ook haar man zelf uiteindelijk door haar ‘gestuurd’: zij is het die zijn ogen hierheen of daarheen laat kijken en hem zijn diepste gedachten en beslissingen influistert… De man mag dan wel het ‘hoofd’ zijn; maar – op een ‘nek’ waarvan nu juist de ‘draaiing van het hoofd’ afhangt.

Dát is wat we Wilhelm en Bismarck kunnen antwoorden op hun opmerkingen over het ‘vrouwelijke karakter’ van de Slavische volkeren, de Russen in het bijzonder, en op de ‘betreurenswaardige rol van onderhorigheid en zelfs knechtschap’ in de toekomst die ze ons, gebaseerd op onze ‘vrouwelijkheid’, voorspellen.

Dostojevski, die veel gedachten aan ‘Ruslands toekomst’ heeft gewijd, gaf niet de formulering die ik hier geef – een formulering die helder en waterdicht is, want fysiologisch en spiritueel tegelijk – maar hij neeg wel precies deze kant op toen hij wees op de ‘universele meelevendheid van de Russen’, op hun ‘vermogen om de tegenstrijdigheden van de Europese cultuur in zich te verzoenen’ of op het feit dat ‘Russen hun universele roeping het meest van dienst zijn wanneer ze zichzelf het meest verloochenen’… Zijn Poesjkinrede, waarin hij deze toon aanslaat, is bekend; maar veel minder bekend is een passage uit zijn roman De tiener, namelijk de dialoog van Versilov met zijn bij een lijfeigene verwekte zoon. Het is Dostojevski nadien nooit meer gelukt om deze idee met zulke poëtische betovering, dusdanig teder en diep en, tot slot, zo universeel-prachtig uit te drukken als daar… […] Dit zijn de woorden van een droevige Russische zwerveling, een arme Russische zwerveling die ogenschijnlijk vanwege schulden, maar in essentie uit verveling, uit ‘nietsnutten’, de grens over is gegaan, met als trotse conclusie: ‘van hen (de Europeanen) was alleen ik een echte Europeaan… Want van iedereen besefte ik alleen Europa’s weemoed, Europa’s lot’,3 enz. – verbluffend. Maar ik moet hier niet te veel aanhalen: poëzie moet je citeren, niet navertellen. Toen Dostojevski op Ruslands bijzondere missie binnen Europa, het christendom, en vervolgens ook in de wereldgeschiedenis wees, namelijk om Europa’s huis, Europa’s bouwwerk ‘af te maken’, zoals een vrouw een vrijgezellenwoning afmaakt wanneer zij daar ‘als bruid en vrouw’ van de heer des huizes haar intrede doet, toen drukte hij in deze idee ‘het heilige der heiligen’ van zijn ziel uit.

De vrouw zegt ook gewilligneem me’ tegen de man; ja, maar nauwelijks heeft hij haar ‘genomen’, of alles verandert volkomen. ‘Huw een vrouw en ze verandert jou’ is een eeuwenoud, veelbetekenend gezegde. Het is niet de vrouw die haar naam verliest; dat is alleen maar op papier zo, voor politie, huisbaas en kerk. Degene die pas echt zijn naam en, belangrijker nog, zijn persoon en ziel verliest, is haar eega, de man. Hoe zelden wonen zijn moeder en zijn vader bij de man in; maar bij de ‘getrouwde dochter’ woont doorgaans ook haar moeder in. De vrouw doet niet slechts ‘haar intrede in het huis van de man’: het ene ogenblik treedt ze binnen als de liefkozing en de tederheid zelve, maar het andere is ze al een ‘heerseres’. Om precies te zijn, de man geeft haar de ‘heerschappij’ vrijwillig en met vreugde uit handen.

Dat het er in de geschiedenis ook zo aan toegaat, kunnen we er bijvoorbeeld uit opmaken dat de ‘vrouwelijke’ Russen in hun geschiedenis, levenswijze en volksbestaan nooit een ‘Varjaagse periode’ (het mannelijke element) hebben gehad, dat er geen voel- of merkbare ‘Vikingperiode’ is geweest. Degenen die door de ‘vrouwelijke volksstammen’ ontboden waren om ‘over hen te heersen en te regeren’, deze strijdlustige ijzervreters van Noormannen, gaven na aankomst juist zélf de macht uit handen. Er is niet één verhaal bekend over hun ‘macht’, trots of onderdrukking; ze ‘vestigden’ zich simpelweg en begonnen ‘te feesten en te jagen’, en ‘oorlog te voeren’ met nomaden. Ze trouwden, verwekten kinderen en werden de ‘Kievse Roes’: Russen, gastvrije orthodoxen, zonder herinnering aan hun eigen taal en moederland, zonder herinnering aan hun eigen gebruiken en wetten. Je moet Augustin Thierry’s De verovering van Engeland door de Noormannen4 eens lezen om in te zien wat een verschrikking, wat een bloedbad en met name wat een verschrikkelijke eeuwenlange onderdrukking dat was, die heel de verdere Engelse geschiedenis heeft verminkt. Bij ons was er niets van dat alles…!

Als we van die lang vervlogen tijden die ons niet in detail bekend zijn een sprong maken naar de achttiende en negentiende eeuw, toen er opnieuw levendig contact tussen de Russen en het ‘mannelijke’ westerse beginsel ontstond – dan zien we precies hetzelfde verhaal opnieuw. Aanvankelijk was er sprake van een als het ware uitwendige ‘onderwerping van de Russen’, maar meteen daarna vond er een inwendige overmeestering van deze onderwerpers zelf plaats, die hen absorbeerde en opzoog. ‘Het vrouwelijke element’ is er: gewilligheid, zachtheid. Maar het uit zich hier als kracht, inbezitneming en overmeestering. Helaas, het is niet de man die ‘de vrouw bezit’; dat lijkt alleen maar zo. In werkelijkheid is het de vrouw die ‘de man bezit’, zelfs tot absorptie aan toe. En niet door machtsuitoefening, niet direct, maar nu juist door deze mysterieuze ‘willoosheid’, die de ‘willende’ lomperik betovert en aan haarzelf onderwerpt, zoals tederheid en lieftalligheid dat kunnen. Wat mij ‘lief’ is – nou, geloof mij maar, dat is ook mijn ‘wet’.

Ziedaar waar Bismarck en Wilhelm niet goed op hebben gelet. Bismarck bemerkte en onthield zelfs die ‘aardige boer’ die hem met zijn ‘niks aan het handje’ gekalmeerd had, toen die op jachttocht verdwaald was geraakt in de besneeuwde wildernis;5 maar de boer zelf hield waarschijnlijk nauwelijks een grote herinnering over aan de Duitse heer, behalve dan dat hij hem toen ‘uit de nesten had geholpen’ – en ‘gelukkig maar’ – waar hij naar alle waarschijnlijkheid als beloning een ‘vijfje’ fooi voor kreeg. Er was geen ‘Bismarckse periode’ in het leven van de boer, maar Bismarcks buitengewoon complexe levensloop was toch doorvlochten met een zekere Russische kijk op de dingen, een Russische manier van ‘niks aan het handje!’ zeggen in een benarde situatie. Was Münnich6 geen ijzervreter? En wat voor ‘eigen invloed’ had híj op onze Roes? Hij was een op het wrede af strenge bevelhebber; men schold en vloekte op hem, maar daar bleef het ook bij. Zijn zoon7 schreef zijn 8Aanvullingen op de aantekeningen van de heer Manstein8 echter al in het Russisch – hij schreef als een Russisch patriot, als een Russisch staatsdienaar, als een goede bewerker van de grenzeloze Russische akker. En tegenwoordig zijn de ‘Münnichs’ al net zo’n Russisch adelgeslacht als de ‘Ivanovs’.



* * *



Russen hebben de eigenschap om zich onverdeeld over te geven aan externe invloeden… Precies zoals een bruid en een vrouw aan haar man… Maar hoe onverdeelder, zuiverder en onbaatzuchtiger deze ‘overgave’ is, zelfs tot het ‘doden van zichzelf’ aan toe, des te krachtiger de mysterieuze inwerking op degene aan wie men zich heeft ‘overgegeven’. Ook in het huwelijksleven is het niet de frivole vrouw die haar man beheerst, maar de meest onderdanige, duldzame, die zichzelf ‘helemaal’ overgeeft… Voor zijn ‘trouwe vrouw’ is de man zelf omgekeerd ook bereid ‘te sterven’ – dat is immers wat de wet van grootmoedigheid en manhaftigheid gebiedt. Hier vindt letterlijk een heilige wederzijdse voeding plaats; en het is de kracht dáárvan die voorbijgegaan is aan historici die menen dat het geschiedproces een concurrentiestrijd is van krachten en belangen, een machtsstrijd – en niets meer.

Als we terugblikken, moeten we dan niet constateren dat we niet één Russische denker – zeg, Novikov, Radisjtsjev, Tsjaädajev of Herzen – evenveel kracht en enthousiasme hebben gegeven of evenveel leesuren en slapeloze nachten hebben toegewijd als Buckle9 en Spencer…?!10 Of wat dacht je van Nietzsche in de afgelopen jaren? Zijn ‘Zorathoestra’ is geciteerd als een lievelingsgedicht, als een innig geliefd, slaapverdrijvend sprookjesverhaal; zelfs Poesjkin heeft absoluut nooit een tijd gekend dat men zo in de ban van hem was als van Nietzsche in zijn hoogtijdagen. Niet lang daarvoor hadden we precies hetzelfde met Schopenhauer. Dit is een dusdanig algemeen en permanent feit, dat het zelfs onmogelijk is om je de ‘gedaante van een Russische maatschappij’ onder invloed van een ‘enthousiasme voor het Russische’ voor te stellen. Dat Rusland Poesjkin plotseling helemaal stuk zou gaan lezen, hem zou gaan citeren op straathoeken, in alle bladen en in elk tijdschriftnummer… – zoiets kun je je toch niet voorstellen of inbeelden?! ‘Russen zouden niet meer op zichzelf gaan lijken’: dusdanig in de ban te zijn van iets, wat dan ook, uit Europa is voor Russen, voor Rusland, het enige ‘op zichzelf lijken’… Rusland is een vrouw die eeuwig op zoek is naar haar ‘bruidegom, hoofd en man’…

Het is vooralsnog geheel niet te voorzien waar dit in uit zal monden; alleen de slavofielen – die ‘haast geen Russen’ zijn – treuren daar momenteel om. Maar dat het in iets groots uit moet monden, dat staat vast. Ik denk dat juist híeruit over een eeuw of anderhalf een enorme ‘influisterende’ invloed van de Russen op de Europese cultuur in haar geheel voort zal vloeien. Onder invloed van deze onophoudelijke en vreselijke liefde, die zo vol is van zelfvergetelheid en zo vurig, kan Europa, dat zich al ‘met kleinburgerlijke verveeldheid’ verveelt, niet anders dan afstand doen van zijn droge egoïsme en zakelijke pragmatisme. Voorspellen is hier onmogelijk: ik kan alleen maar wijzen op de ‘Münnichs’, op Dahl […] en op de Joodse verzamelaar van Russische volksliedjes Schein11 en toevoegen dat de ‘Russische katholieken’ […] minder talrijk en, belangrijker nog – allemaal van mindere betekenis waren… Het belangrijkste hier is dit: al geven Russen zich nog zo hartstochtelijk over aan iets externs, ze behouden daarbij hun ‘vrouwelijke ik’. Zachtaardigheid, liefde, eenvoud en helderheid zijn een harde eis: Russen hebben zich nooit onvoorwaardelijk aan iets ‘grofs’ als zodanig onderworpen of ‘overgegeven’ […]. Wanneer Europeanen zich daarentegen ‘aan het Russische overgeven’, dan is het juist precies de kern ervan, dit ‘zachte vrouwelijke beginsel’, waaraan ze zich overgeven, dat wil zeggen, ze zweren de hele essentie van het Europese beginsel af, het beginsel van trots, verovering en overheersing. Dit verschil moet goed in de gaten worden gehouden: Russen behouden in hun ‘overgave’ hun eigen ziel en nemen slechts het lichaam, de vormen van het andere over… In het katholicisme nemen ze ‘het zwaard’ niet op; als ze verluthersen, maken ze het protestantisme niet nog droger en strenger dan het al is. Integendeel: overal brengen ze zachtheid en tederheid aan. Westerlingen zijn echter juist zo in de ban van de ‘vrouwelijkheid’ in ons… Ze zoeken die bij Toergenjev, bij Tolstoj… Wij zijn dus in de ban van het ‘eigene’ dat we bij hen aantreffen, omdat we ‘in de treurige realiteit thuis’ niets kunnen vinden dat beantwoordt aan het (immer zachte, immer tedere) ideaal van onze ziel; hun ‘enthousiasme voor het Russische’ is echter altijd een verruiling van hun ‘innerlijke ideaal’… Het feit dat er ‘gerussificeerde Fransen’ zijn, komt absoluut niet doordat ze bij ons zogenaamd een goede voedingsbodem voor hun liefde voor ‘la gloire’ vonden… Maar ‘verfranste Russen’ hebben nooit van hun leven bij zichzelf gezegd: ‘Met de nieuwe Napoleon ga ik, dan wel gaat mijn nageslacht, tot het einde van de wereld!’ Nooit! Zo’n droom is er niet!!

Russen nemen het lichaam aan, maar niet de geest. Als buitenlanders zich bij ons aansluiten, nemen ze juist onze geest aan. Onze woorden doen het misschien voorkomen alsof we ook in de ban zijn van Europa’s ‘ideeënwereld’… Dat lijkt alleen maar zo. Laat mij maar eens een ‘geëuropeaniseerde Rus’ zien die zich vol vuur zou hebben laten europeaniseren tot ‘macht’, ‘verovering’ en ‘plundering’, tot ‘grafen’ en ‘haben’, begrepen als ‘graaien’ en ‘halen’; dat we zouden verduitsen of verfransen met als motief beweging, verovering of schepping

We trokken de Europese laars aan met de gedachte dat hij nog minder strak om onze voet zou zitten dan onze ‘huisslof’. Maar wanneer zij hun laars uittrokken, wisten Europeanen juist dat ze de ‘Russische slof’ aandeden, die sowieso nergens knelt, maar in wezen dan ook eigenlijk geen schoeisel is. Zij zworen af; wij ‘affirmeerden onszelf des te meer’. Vera Figner12 ging over op het socialisme toen ze zag hoe haar geliefde onderwijzer in Kazan door de administratie werd gekrenkt […]. Dat is nou een Russisch motief. Maar ik ken geen Duitser die bij zijn bekering tot de Russische orthodoxie gedacht zal hebben: ‘Dit komt mijn filosofische bezigheden vast ten goede.’ Of: ‘Mijn fabrieksproductie wordt vast stabieler.’ Of: ‘Nu ga ik vast iets dichten dat zelfs Faust nog overtreft.’ De Duitse motieven zijn verdwenen; maar bij Russen wordt het Russische motief (erbarmen, medelijden) versterkt (dat wil zeggen, wanneer ze zich bekeren tot het europeanisme).

Petsjorin,13 een eigenaardige idealist uit de jaren 1840, bekeerde zich tot het katholicisme […]. En toen? Begon hij ‘plannen te smeden’ tegen de lutheranen? Of ging hij bij de jezuïetenorde? Nee, hij werd een ‘broeder van barmhartigheid’ in een Iers hospitaal. Het ‘Russische motief’ werd versterkt.

Heel het Russische socialisme is, in zijn ideële en zuivere grondslag, in zijn oorspronkelijke grondslag, vrouwelijk. Het is niets meer dan een voortborduursel op het ‘Russische erbarmen’, op ons ‘medelijden met de ongelukkigen, de armen en de bezitlozen’, met ‘wie niet bij machte is het kwaad van het leven te overwinnen’. […] Maar het socialisme is een Europese en daarbij ook nog eens erg harde, financiële en berekenende idee (het marxisme).

Ook tot het ‘darwinisme’ voelden Russen zich stiekem vooral aangetrokken omdat het ‘de menselijke trots vermorzelde’, omdat het de mens op één hoop gooide met de dieren en van hen ‘af liet stammen’. ‘Russische deemoed’ – niets meer. Overal in zijn ‘westernisme’ behoudt de Rus zijn ziel. Of preciezer: in zijn westernisme rukt de Rus zich los van zijn ‘Russische omstandigheden’, die voor hem nog altijd grof en wreed (ofschoon onvergelijkbaar veel ‘vrouwelijker’ dan de westerse) zijn – en zoekt in het wazige en onbekende Westen, in het hypothetische Westen, naar kansen en mogelijkheden om zijn Russische gevoelens vrij baan te geven, wat in zijn vaderland met ‘het gevang’ wordt bedreigd.



* * *



De Russische literatuur heeft voor het Westen het tijdperk van een nieuwe morele wereldorde ingeluid. Het is opvallend dat de morele personages van de westerse literatuur ons Russen nooit hebben kunnen bekoren, tenzij die personages ‘aanvullingen’ waren op de ‘Russische ziel’… Cordelia14 heeft onze harten bijvoorbeeld gewonnen, maar zij is de personificatie van medelijdende vaderliefde. Voor Dickens’ personages liepen we ook warm, maar het zijn allemaal dubbelgangers van Dostojevski’s ‘arme mensen’ en zelfs van de bescheiden held uit Gogols De mantel. Het moet gezegd dat Dickens geen typische Engelse idealen ‘bezong’ en niet hield van mensen van ‘steak’ en kolossale arbeid. Zelf was Dickens een verrader aan zijn moederland en ‘een nagenoeg Russische schrijver’ […]. Vandaar ook dat men in Rusland zo van hem hield. Maar van de ‘koningen’ en ‘ministers’ van Racine, Corneille, Victor Hugo en Dumas hebben we nooit gehouden; doe ons maar liever de ‘kruimeldieven’ van Eugène Sue. Dit opgemerkt hebbend, laten we ons tot het Westen wenden. Het was helemaal niet de kunst van de Russische schrijvers (die amper in vertaling te vangen is) waar het Westen zo idolaat van was, maar de nieuwe morele wereldorde die de doodgewone taferelen uit het Russische leven en karakters van Russische mensen voor hen ontsloten. […]

Is er in heel de Russische literatuur ook maar één bladzijde gewijd aan het bespotten van een ‘verlaten meisje’? Een kind? Een moeder? Armoede? Zelfs een ‘dief’ behoort nog tot de ‘eerlijken’ (Een eerlijke dief van Dostojevski). De Russische literatuur is één kolossale hymne op de vernederde en de gekrenkte. En aangezien er in het trotse, gigantisch arbeidzame Europa altijd en overal veel van zulken geweest zijn, kun je je de explosie van verrukking wel voorstellen die plaatsvond toen al die vernederden en gekrenkten een land, een heel volk te zien kregen waar niemand het ooit zou wagen om een ‘weeskind’ te krenken, niet in materiële, maar in morele zin: waar niemand het ooit zou wagen om een ‘armoedzaaier’ te krenken om zijn toestand, om zijn lot, om zijn ‘gebroken leven’. Van zulke mensen zijn er maar al te veel. Wat kunnen de ‘koningen’ van Hugo en de sowieso overduidelijk ‘verzonnen verhaallijnen’ van de gewone westerse belles-lettres hun nou zeggen? Maar Russische verhalen – die ook ‘gewoon’ uit het echte leven zijn gegrepen en onmiskenbaar getekend zijn door een ‘oorspronkelijke waarheidsgetrouwheid’ – kunnen troost bieden: ‘Er is een land van een onmetelijke uitgestrektheid met daarin een heel volk waarbij ik niet veracht zou worden’, ‘niet zo grof gekrenkt zou worden’, waar iedereen ‘het voor mij op zou nemen’, waar ‘ze me bij de hand zouden nemen en me op de been zouden helpen.’ – ‘Ik ben dan wel ellendig, maar alleen in ons land, en niet op de hele planeet.’

Ziedaar wat de Russische literatuur kan uitwerken: deze uitwerking van de Russische literatuur is niet betekenisvol om de commentaren van de westerse kritiek, niet om haar denderende roem, niet om haar tastbare triomfen, maar om haar nergens en door niemand serieus genomen niet-tastbare verwantschap met de ziel van de gewone, alomtegenwoordige lezer, waarvan iedereen wel weet hoe die in elkaar steekt en in wat voor toestand die verkeert… ‘Er is altijd wel iemand die het Russische lied kan waarderen…’ Nee – meer, beter nog: ‘er zijn zielen die niets anders dan het Russische lied nodig hebben, voor wie het dierbaarder is dan wat ook ter wereld, zoals voor iemand die zich bezeerd heeft of voor een ziek kind niets dierbaarder is dan zijn eigen moeder, ook al is het misschien geen mooie of zelfs maar een deugdzame vrouw.’ […] Hoe het ook zij, velen zouden zich graag ‘in Rusland in slaap willen laten wiegen’… En onze ‘sloffen’ aandoen…



* * *



Het ‘vrouwelijke’ hult zich in het mannelijke en zuigt het op. Het ‘vrouwelijke’ en het ‘mannelijke’ zijn als ‘water’ en ‘aarde’ of als ‘water’ en ‘steen’. Men zegt dat ‘het water de steen uitslijt’, maar men zegt niet dat ‘de steen het water uitslijt’. De steen ‘belet’ het water hooguit daarnaartoe te stromen waar het heen moet, ‘houdt het tegen’, ‘stopt het’. Het ‘mannelijke’ is in elk geval kracht; en kracht is zwakker dan liefkozing. Liefkozing wint het altijd van kracht. Een ‘Teutoonse invasie’ zou de ‘Roes’ invallen als een klomp aarde in het water. De invasie zou haar vertroebelen en een plons in haar maken, maar uiteindelijk in haar oplossen. De ‘Russische oerstof’ zou als laatste en boven al het andere overblijven. Wilhelm en Bismarck spraken natuurlijk vanuit het perspectief van een ‘oorlogsbevelhebber’ en überhaupt vanuit dat van een ‘bevelhebber’; maar er is ook nog het perspectief van de ‘onderdaan’. En dat doet er pas echt toe. Dat perspectief ontging Bismarck en Wilhelm volledig. Hadden ze er hoogte van gekregen, dan hadden ze wel ingezien hoe onrealistisch, hoe onmogelijk en zelfs hoe belachelijk ‘Wilhelms droom’ eigenlijk is. De lutheranen Dahl, Hilferding15 en Sabler16 kwamen naar de Roes […]. En het is frappant dat ze na hun komst allemaal niet slechts ‘hun Duitsheid’ verloren, een verlies waarvan ze natuurlijk hadden moeten verdoffen. Dat gebeurde niet, maar er gebeurde iets anders: ze bloeiden op en gingen stralen. Ze behielden heel hun zakelijkheid en geordendheid van vorm (het Duitse ‘lichaam’), maar doordrenkten dat alles met de ‘vrouwelijke ziel’ van het Oosten… Uiteindelijk lieten ze ook hun religie varen en namen ze ons oosterse christendom aan – zonder druk, zonder dwang en zelfs zonder misleiding, uit zichzelf. Je kunt je toch absoluut niet voorstellen dat een Rus na aankomst in Duitsland ‘sjonge, wat een Wachtmeister!’ zou worden? Dat wil zeggen: Russen nemen de Duitse ziel helemaal niet aan, maar slechts de vormen. Dus, op Frans-Jozefs uitspraak dat hij ‘liever de wacht zou houden bij een Duitse legertent dan dat hij een Slavische koning zou worden’,17 kunnen we antwoorden: ‘Tja, uwe majesteit, hoeveel gevallen kennen we wel niet van Duitsers die liever als collegesecretaris bij ons in dienst zouden gaan dan bij u als kolonel?’ Hoe is dit allemaal zo gekomen? Hoe is dit gebeurd? Waarom werd Sabler een enthousiasteling voor de consistoriale administratie? Waarom begon Dahl, een ambtenaar in een Petersburgs departement en een lutheraan, spreekwoorden, gezegden en ten slotte heel de Russische ‘levende spraak’ te verzamelen? Waarom zwierf Schein zijn hele leven lang plattelandsdorpjes bij langs om al waren het maar de melodieën of zelfs de motieven van volkswijsjes, bruiloftszangen en begrafenisliederen bij elkaar te sprokkelen? Hij! Een joodse Talmoedist?! […] De ‘vrouwelijke ziel’ en ook een beetje van de ‘slof’ (die waarschijnlijk ook geen mannelijk model heeft) is overal in doorgesijpeld en breekt daarbij hun mannelijke ‘vormen’, het mannelijke ‘lichaam’, geenszins af, maar sterkt die juist en doet die des te meer opbloeien. Absoluut: wat de vormen, wat de manier van aanpakken betreft, werken ze beter dan Russen. Vandaar ook dat Sabler het tot opperprocurator schopte: dat is niet niks. Maar ze werken in de Russische geest en voor Russische doeleinden. Met precisie verrichten ze volledig Russisch werk. Ziedaar een stel kleine miracula ethinica.18 Met die in gedachten kunnen we zowel Bismarck als Wilhelm en Frans-Jozef hetzelfde antwoorden als wat die boer in het bos zei: ‘Niks aan het handje, heer… We geraken er wel uit.’

1911



Vertaling Edgar Alberts, Alla Peeters-Podgaevskaja






1 Mogelijk verwijst Rozanov hier naar de memoires van de Zwitserse jurist en politicus Johann Caspar Bluntschli (1808-1881). Die citeert in het elfde hoofdstuk van het derde deel van zijn memoires, Noemenswaardigheden uit mijn leven (1884), namelijk een gesprek uit 1868, waarin Bismarck onder andere het volgende gezegd zou hebben: ‘Het zal u misschien als fantasterij voorkomen, wanneer ik beweer dat het onder de volkeren net zo gesteld is als in de natuur: de ene zijn mannelijk, de andere vrouwelijk. De Germanen zijn dusdanig mannelijk, dat ze ieder voor zich genomen praktisch onregeerbaar zijn. […] De Slaven en de Kelten zijn daarentegen vrouwelijk. Uit zichzelf krijgen ze niets voor elkaar, ze zijn impotent. De Russen kunnen niets zonder de Duitsers. Ze kunnen niet werken, maar ze zijn gemakkelijk te leiden. Ze hebben geen weerstandsvermogen, en volgen hun heren. […] Pas toen de Germanen erbij kwamen en zich met hen vermengden ontstonden staatsvolkeren [statliche Völker]. […] De Pruisen bevatten een sterke mengeling van Slavische en Germaanse elementen. Dat is een hoofdoorzaak van hun bruikbaarheid voor de staat. Ze hebben iets van de voegzaamheid van het Slavische volkswezen in zich en tegelijkertijd iets van de kracht en de mannelijkheid van de Germanen.’
2 Rozanov citeert keizer Wilhelm II hier volgens het artikel van T. Ardov (pseudoniem van Vladimir Tardov (1879-1938)) ‘Over Russische lotgevallen’ (1911) in de krant Ruslands morgen. In de eerste helft van ‘Nabij “de Russische idee”…’ , die in deze selectie is weggelaten, gaat Rozanov uitgebreid op Ardovs artikel in. Het is niet gelukt vast te stellen of en, zo ja, waar en wanneer Wilhelm II de betreffende uitspraak heeft gedaan.
3 Citaat uit Dostojevski, De jongeling, deel 3, hfst. 7.
4 Augustin Thierry (1795-1856), Franse historicus, wiens De verovering van Engeland door de Noormannen in 1825 verscheen.
5 Verwijzing naar de volgende anekdote: Het verhaal gaat dat Bismarck in 1862 werd uitgenodigd om mee te doen aan een keizerlijke jachtpartij. Bismarck wilde van tevoren al wat gaan jagen, maar raakte verdwaald. Ten slotte vond hij een dorp, waar een boer bereid was Bismarck naar zijn plaats van bestemming te brengen. Telkens als Bismarck onderweg zijn ongerustheid liet blijken, antwoordde de boer laconiek: ‘Niks aan het handje’ (Nitsjevo). Bismarck onthield het woord en sindsdien zou ‘Nitschewo’ een standaardonderdeel van zijn vocabulaire hebben uitgemaakt.
6 Christoph von Münnich (1683-1767), generaal-veldmaarschalk in Russische dienst.
7 Ernst von Münnich (1707-1788), Russische diplomaat en memoireschrijver.
8 Bedoeld is Opmerkingen bij generaal Mansteins Aantekeningen over Rusland (eerste anonieme publicatie in 1825-1829), geschreven in reactie op de in het Frans geschreven Historische, politieke en militaire aantekeningen over Rusland (1771) van Christoph von Manstein (1711- 1757), een Duitse legeraanvoerder in Russische en later Pruisische dienst.
9 Henry Thomas Buckle (1821-1862), Britse historicus.
10 Herbert Spencer (1820-1903), Britse evolutionistische filosoof en socioloog.
11 Pavel Schein (1826-1900), Joods-Russische etnograaf en folklorist, verzamelaar van volksliedjes.
12 Vera Figner (1852-1942), Russische populistische revolutionaire en terroriste. Na het ontslag van professor anatomie Pjotr Lesgaft (1837- 1909) in 1871 vertrok Figner naar Zwitserland om medicijnen te studeren en kwam daar in aanraking met het socialisme.
13 Bedoeld is Vladimir Petsjerin (1807-1885), Russische classicus, politieke dissident en katholieke geestelijke.
14 Personage uit Shakespeares tragedie King Lear.
15 Aleksandr Hilferding (1831-1872), Russische taalkundige en folklorist.
16 Vladimir Sabler (1845-1929), Russische staatsambtenaar en oberprocurator van de Allerheiligste Synode.
17 In de eerste, hier weggelaten helft van ‘Nabij “de Russische idee”…’ schrijft Rozanov dat hij deze uitspraak ‘een jaar of zes geleden’ ergens in de krant heeft gelezen. Ook van dit citaat is het niet gelukt om na te gaan of en, zo ja, waar en wanneer Frans Jozef dit gezegd heeft
18Mogelijk een verschrijving van miracula ethnica, wat in het Latijn eigenlijk ‘heidense wonderen’ zou betekenen, maar hier bedoeld zou kunnen zijn als ‘etnische wonderen’.



<

TSL 97

>