In de Stalintijd zijn talloze schrijvers en
dichters omgebracht, sommige, zoals
Babel en Pilnjak, geëxecuteerd, andere,
zoals Mandelstam, omgekomen in een van
de kampen van de goelag. Verschillende
van deze schrijvers waren al bekend voordat ze ten offer vielen aan Stalins ongekende vernietigingsdrang en hebben na
de Sovjettijd direct de hun toekomende
plaats in de Russische literatuur gekregen.
Anderen hadden minder geluk. Hun werk
was, toen het nog kon, in de betrekkelijk
censuurvrije jaren twintig, soms wel – met
mondjesmaat – gepubliceerd, maar werd
later verboden, en het duurde vaak lang
voordat het werd (her)ontdekt. Dat gold
bijvoorbeeld voor de Oberioeten (Charms,
Vvedenski, Olejnikov), de laatste groep
van de avant-gardisten in Rusland, die pas
in de jaren zeventig en tachtig door publicaties in het Westen langzamerhand bekendheid kreeg en nu gezien wordt als een
van de hoogtepunten van de Russische literatuur van de twintigste eeuw.
Nog steeds worden er in Rusland auteurs voor het voetlicht gehaald die in het
verleden een rol speelden in de literatuur,
maar daar nagenoeg of geheel uit zijn verdwenen mede omdat ze, en dus ook hun
werk, het slachtoffer werden van Stalin.
Een van die auteurs is de dichter Sergej
Neldichen, die actief was in het begin van
de jaren twintig in de groep dichters rond
Goemiljov, begin jaren dertig werd gearresteerd en in 1942 omkwam in een kamp.
Het belangrijkste van wat hij tijdens zijn
leven publiceerde is bijeengebracht in een uitgave in 2013 onder de titel van een
van zijn vroeger gepubliceerde bundels,
Organnoje mnogogolosje (‘Organische
veelstemmigheid’).
Neldichen is geboren in 1891, twee
jaar eerder dan Majakovski, maar anders dan de futurist kwam hij pas veel
later tot de literatuur. Hij studeerde aan
de universiteit van Charkov, vocht in de
Eerste Wereldoorlog en beëindigde zijn
diensttijd als luitenant op de Baltische
vloot in 1917. Eind 1918 verscheen hij
in Petrograd, waar hij Nikolaj Goemiljov
leerde kennen, via hem andere dichters,
zoals Georgi Ivanov, Osip Mandelstam en
Vladislav Chodasevitsj en vervolgens ook
mee ging doen in Goemiljovs ‘Tsech poètov’ (‘Dichterswerkplaats’), die geregeld
poëzieavonden organiseerde waarbij de
leden van de ‘Tsech’ optraden met voordrachten en lezingen.
Neldichen was een wat vreemde eend
in de bijt, zowel door zijn voorkomen –
hij was lang en mager en had een scherpe
neus die hem wat op Gogol deed lijken
– als door de manier waarop hij optrad
met zijn spreektaalachtige gedichten (vrij
vers) met de duidelijke bedoeling het publiek te vermaken. Bij een serieus dichter
als Chodasevitsj schoot dat in het verkeerde keelgat, anderen amuseerden zich
met hem, een enkeling bewonderde hem.
Goemiljov noemde hem een ‘poèt-doerak’, een dichter-dwaas, die in zijn ‘Tsech’
nodig was omdat hij vond dat alle soorten
dichters daarin vertegenwoordigd moesten zijn. Dwaasheid was net zo’n natuurlijke eigenschap als verstand en diende
ontwikkeld en gecultiveerd te worden.
In zijn ‘Literaire herinneringen’ haalt
Nikolaj Tsjoekovski aan wat Goemiljov
over Neldichen zei toen hij hem introduceerde bij een van diens optredens:
Alle grote dichters van de wereld die er tot nu toe zijn geweest waren de verstandigste mensen van hun tijd. En Homerus, en Dante, en Ronsard, en Corneille, en Baudelaire, en Rimbaud, en Derzjavin, en Poesjkin, en Tjoettsjev zijn niet alleen terecht beroemd geworden door hun meesterschap, maar ook door hun verstand. Als verstandige mensen beeldden ze de wereld in hun werk natuurlijk uit zoals verstandige mensen die zien. Maar de verstandige mensen vormen slechts een minderheid in de mensheid, de meerderheid bestaat uit dwazen. Tot nu toe beschikten de dwazen nog niet over hun eigen dichters en nog nooit is de wereld in de poëzie beschreven zoals de dwaas die ziet. Maar nu is er een wonder gebeurd: Neldichen is verschenen, de dichter-dwaas. En hij heeft een nieuwe, tot op heden onbekende poëzie gecreëerd, de poëzie van de dwazen.
Neldichen luisterde onverstoorbaar naar
Goemilovs introductie, meldt Tsjoekovski,
en begon vervolgens voor te lezen uit zijn
‘Organische veelstemmigheid’:
Vrouwen, tweeeneenhalveaschiengrote poppen,
Mooiogige, bultiglichamige,
Wat bekoren mij zulke vrouwen!
Zijn optreden, schrijft Tsjoekovski, had
een enorm succes. Een vrouw uit het publiek bood hem een wortel aan, die hij met
een buiging aanvaardde en vervolgens in
zijn knoopsgat stak.
De beschreven scène lijkt wel wat op
de geruchtmakende poëziesessies die de Russische futuristen tien jaar eerder organiseerden, en waarbij de dichters en het
publiek soms met elkaar in de clinch gingen. Neldichen zou zich daarbij hoogstwaarschijnlijk als een vis in het water
hebben gevoeld en een prachtig duo met
vooral Aleksej Kroetsjonych hebben gevormd. Maar ook bij de Oberioeten heeft
hij zich niet aangesloten of niet kunnen
aansluiten. Hij was zo’n vijftien jaar ouder dan Charms en Vvedenski en toen zij
met hun optredens begonnen liep hij al
gevaar te worden gearresteerd. Dat gebeurde (voor het eerst) in 1931, waarna
verbanning naar Kazachstan volgde.
Toen Neldichen een aantal jaren later
naar Rusland kon terugkeren, bleek zijn
rol in de literatuur uitgespeeld. Bijna
niemand kende hem meer en hij pleitte
vergeefs bij een van de literatuurbonzen
van die tijd, Nikolaj Tichonov, met het
verzoek een avond te organiseren waarop
hij kon optreden. Kort na het begin van
de Tweede Wereldoorlog werd hij – als
zogenaamd Duits spion, hij had tenslotte
een Duits klinkende naam – opnieuw gearresteerd. Waar en onder welke omstandigheden hij in een kamp is omgekomen
is onbekend.
Neldichens belangrijkste of misschien
beter gezegd meest karakteristieke werk
is de ‘poèmoroman’ (‘poëemroman’)
Prazdnik (Ilja Radaljot) (‘De feestdag’ [Ilja Radoljot] – 1920-1922). Het is een
lang autobiografisch gedicht in twee delen, geschreven in vrije verzen met soms
heel lange regels, doorspekt met stukjes
toneeltekst en op één plaats een fragment
in het Frans. De hierboven geciteerde regels in de ‘Literaire Herinneringen’ van
Tsjoekovski zijn eruit afkomstig, Tijdens
zijn optredens las Neldichen graag voor
uit zijn Prazdnik. Zijn avondvullende toneelstuk Fokifon (‘Fokifoon’) begint met
een scène waarin een reiziger die in een
stad aankomt een aantal voorbijgangers
tevergeefs vraagt waar ze hier bedriegen.
Enkele van Neldichens losse gedichten
zijn op rijm, maar het merendeel, waarvan
er een aantal hieronder is opgenomen in
Nederlandse vertaling, is in vrij vers.
Het publiek vermaakte zich vooral met
Neldichen, maar zelf nam hij zijn werk
uiterst serieus en hij was hoogst verbaasd
als hij iemand tegenkwam die zei dat hij
nog nooit van hem had gehoord. Hij was zeker aanwezig in de Russische literaire
wereld van de jaren twintig, gaf daar kleur
aan en bepaalde mede het eerste, buitengewoon gevarieerde decennium van de
Sovjetliteratuur. Niet iedereen waardeerde
zijn werk en niet iedereen zal overtuigd
zijn van de kwaliteit ervan. De jong gestorven schrijver Lev Loents (1901-1924), die
Neldichen goedgezind was prees/kraakte
hem in een recensie in 1922 aldus:
De enige interessante dichter van de jonge dichters van de ‘Tsech’ is Sergej Neldichen. Hij is goed omdat hij slechte gedichten schrijft. En het zijn eigenlijk ook geen gedichten. Maar het is ook geen proza. En ook geen gedichten in proza. Het is proza in versvorm. De gedichten van Neldichen zijn de enige slechte gedichten in de almanak van de ‘Tsech’ en daardoor zijn ze beter dan alle andere.