Willem G. Weststeijn



Sergej Neldichen: Te laat voor het futurisme, te vroeg voor Oberioe




In de Stalintijd zijn talloze schrijvers en dichters omgebracht, sommige, zoals Babel en Pilnjak, geëxecuteerd, andere, zoals Mandelstam, omgekomen in een van de kampen van de goelag. Verschillende van deze schrijvers waren al bekend voordat ze ten offer vielen aan Stalins ongekende vernietigingsdrang en hebben na de Sovjettijd direct de hun toekomende plaats in de Russische literatuur gekregen. Anderen hadden minder geluk. Hun werk was, toen het nog kon, in de betrekkelijk censuurvrije jaren twintig, soms wel – met mondjesmaat – gepubliceerd, maar werd later verboden, en het duurde vaak lang voordat het werd (her)ontdekt. Dat gold bijvoorbeeld voor de Oberioeten (Charms, Vvedenski, Olejnikov), de laatste groep van de avant-gardisten in Rusland, die pas in de jaren zeventig en tachtig door publicaties in het Westen langzamerhand bekendheid kreeg en nu gezien wordt als een van de hoogtepunten van de Russische literatuur van de twintigste eeuw.

Nog steeds worden er in Rusland auteurs voor het voetlicht gehaald die in het verleden een rol speelden in de literatuur, maar daar nagenoeg of geheel uit zijn verdwenen mede omdat ze, en dus ook hun werk, het slachtoffer werden van Stalin. Een van die auteurs is de dichter Sergej Neldichen, die actief was in het begin van de jaren twintig in de groep dichters rond Goemiljov, begin jaren dertig werd gearresteerd en in 1942 omkwam in een kamp. Het belangrijkste van wat hij tijdens zijn leven publiceerde is bijeengebracht in een uitgave in 2013 onder de titel van een van zijn vroeger gepubliceerde bundels, Organnoje mnogogolosje (‘Organische veelstemmigheid’).

Neldichen is geboren in 1891, twee jaar eerder dan Majakovski, maar anders dan de futurist kwam hij pas veel later tot de literatuur. Hij studeerde aan de universiteit van Charkov, vocht in de Eerste Wereldoorlog en beëindigde zijn diensttijd als luitenant op de Baltische vloot in 1917. Eind 1918 verscheen hij in Petrograd, waar hij Nikolaj Goemiljov leerde kennen, via hem andere dichters, zoals Georgi Ivanov, Osip Mandelstam en Vladislav Chodasevitsj en vervolgens ook mee ging doen in Goemiljovs ‘Tsech poètov’ (‘Dichterswerkplaats’), die geregeld poëzieavonden organiseerde waarbij de leden van de ‘Tsech’ optraden met voordrachten en lezingen.

Neldichen was een wat vreemde eend in de bijt, zowel door zijn voorkomen – hij was lang en mager en had een scherpe neus die hem wat op Gogol deed lijken – als door de manier waarop hij optrad met zijn spreektaalachtige gedichten (vrij vers) met de duidelijke bedoeling het publiek te vermaken. Bij een serieus dichter als Chodasevitsj schoot dat in het verkeerde keelgat, anderen amuseerden zich met hem, een enkeling bewonderde hem.

Goemiljov noemde hem een ‘poèt-doerak’, een dichter-dwaas, die in zijn ‘Tsech’ nodig was omdat hij vond dat alle soorten dichters daarin vertegenwoordigd moesten zijn. Dwaasheid was net zo’n natuurlijke eigenschap als verstand en diende ontwikkeld en gecultiveerd te worden. In zijn ‘Literaire herinneringen’ haalt Nikolaj Tsjoekovski aan wat Goemiljov over Neldichen zei toen hij hem introduceerde bij een van diens optredens:


Alle grote dichters van de wereld die er tot nu toe zijn geweest waren de verstandigste mensen van hun tijd. En Homerus, en Dante, en Ronsard, en Corneille, en Baudelaire, en Rimbaud, en Derzjavin, en Poesjkin, en Tjoettsjev zijn niet alleen terecht beroemd geworden door hun meesterschap, maar ook door hun verstand. Als verstandige mensen beeldden ze de wereld in hun werk natuurlijk uit zoals verstandige mensen die zien. Maar de verstandige mensen vormen slechts een minderheid in de mensheid, de meerderheid bestaat uit dwazen. Tot nu toe beschikten de dwazen nog niet over hun eigen dichters en nog nooit is de wereld in de poëzie beschreven zoals de dwaas die ziet. Maar nu is er een wonder gebeurd: Neldichen is verschenen, de dichter-dwaas. En hij heeft een nieuwe, tot op heden onbekende poëzie gecreëerd, de poëzie van de dwazen.


Neldichen luisterde onverstoorbaar naar Goemilovs introductie, meldt Tsjoekovski, en begon vervolgens voor te lezen uit zijn ‘Organische veelstemmigheid’:

Vrouwen, tweeeneenhalveaschiengrote poppen,
Mooiogige, bultiglichamige,
Wat bekoren mij zulke vrouwen!


Zijn optreden, schrijft Tsjoekovski, had een enorm succes. Een vrouw uit het publiek bood hem een wortel aan, die hij met een buiging aanvaardde en vervolgens in zijn knoopsgat stak.

De beschreven scène lijkt wel wat op de geruchtmakende poëziesessies die de Russische futuristen tien jaar eerder organiseerden, en waarbij de dichters en het publiek soms met elkaar in de clinch gingen. Neldichen zou zich daarbij hoogstwaarschijnlijk als een vis in het water hebben gevoeld en een prachtig duo met vooral Aleksej Kroetsjonych hebben gevormd. Maar ook bij de Oberioeten heeft hij zich niet aangesloten of niet kunnen aansluiten. Hij was zo’n vijftien jaar ouder dan Charms en Vvedenski en toen zij met hun optredens begonnen liep hij al gevaar te worden gearresteerd. Dat gebeurde (voor het eerst) in 1931, waarna verbanning naar Kazachstan volgde. Toen Neldichen een aantal jaren later naar Rusland kon terugkeren, bleek zijn rol in de literatuur uitgespeeld. Bijna niemand kende hem meer en hij pleitte vergeefs bij een van de literatuurbonzen van die tijd, Nikolaj Tichonov, met het verzoek een avond te organiseren waarop hij kon optreden. Kort na het begin van de Tweede Wereldoorlog werd hij – als zogenaamd Duits spion, hij had tenslotte een Duits klinkende naam – opnieuw gearresteerd. Waar en onder welke omstandigheden hij in een kamp is omgekomen is onbekend.

Neldichens belangrijkste of misschien beter gezegd meest karakteristieke werk is de ‘poèmoroman’ (‘poëemroman’) Prazdnik (Ilja Radaljot) (‘De feestdag’ [Ilja Radoljot] – 1920-1922). Het is een lang autobiografisch gedicht in twee delen, geschreven in vrije verzen met soms heel lange regels, doorspekt met stukjes toneeltekst en op één plaats een fragment in het Frans. De hierboven geciteerde regels in de ‘Literaire Herinneringen’ van Tsjoekovski zijn eruit afkomstig, Tijdens zijn optredens las Neldichen graag voor uit zijn Prazdnik. Zijn avondvullende toneelstuk Fokifon (‘Fokifoon’) begint met een scène waarin een reiziger die in een stad aankomt een aantal voorbijgangers tevergeefs vraagt waar ze hier bedriegen. Enkele van Neldichens losse gedichten zijn op rijm, maar het merendeel, waarvan er een aantal hieronder is opgenomen in Nederlandse vertaling, is in vrij vers.

Het publiek vermaakte zich vooral met Neldichen, maar zelf nam hij zijn werk uiterst serieus en hij was hoogst verbaasd als hij iemand tegenkwam die zei dat hij nog nooit van hem had gehoord. Hij was zeker aanwezig in de Russische literaire wereld van de jaren twintig, gaf daar kleur aan en bepaalde mede het eerste, buitengewoon gevarieerde decennium van de Sovjetliteratuur. Niet iedereen waardeerde zijn werk en niet iedereen zal overtuigd zijn van de kwaliteit ervan. De jong gestorven schrijver Lev Loents (1901-1924), die Neldichen goedgezind was prees/kraakte hem in een recensie in 1922 aldus:


De enige interessante dichter van de jonge dichters van de ‘Tsech’ is Sergej Neldichen. Hij is goed omdat hij slechte gedichten schrijft. En het zijn eigenlijk ook geen gedichten. Maar het is ook geen proza. En ook geen gedichten in proza. Het is proza in versvorm. De gedichten van Neldichen zijn de enige slechte gedichten in de almanak van de ‘Tsech’ en daardoor zijn ze beter dan alle andere.




<

TSL 97

>