Valeri Brjoesov



Twee verhalen




Dit jaar is het honderd jaar geleden dat de Russische symbolist Valeri Brjoesov (1873-1924) stierf. Brjoesov was vooral bekend als dichter, maar in de periode tussen 1900 en 1910 schreef hij ook heel wat korte verhalen, novelles en een roman, Ognennyj angel (De vuurengel), die internationaal zijn bekendste prozawerk werd en de basis vormde voor Sergej Prokofjevs gelijknamige opera.

De verhalen ‘Nu ik ontwaakt ben… Aantekeningen van een psychopaat’ (1902) en ‘B molle. Uit het leven van een der kleine luiden’ (1903) verschenen in 1907 bij de door hemzelf en enkele andere symbolisten opgerichte uitgeverij Skorpion in de bundel Zemnaja os. Rasskazy i dramatitsjeskië stseny (‘De aardas. Verhalen en dramatische scènes’).





b molle. uit het leven van een der kleine luiden1


Toen Anna Nikolajevna klaar was met de kostschool, werd er onmiddellijk een betrekking voor haar gevonden als verkoopster in B molle, een winkel voor kantoorbenodigdheden. Waarom de winkel zo heette is moeilijk te zeggen: het zou kunnen dat er in het verleden ook bladmuziek werd verkocht. De winkel bevond zich in een passage aan een boulevard, er kwamen weinig klanten en Anna Nikolajevna bracht hele dagen vrijwel alleen door. Haar enige hulp was een jongen, Fedka, die ’s ochtends na de thee in bed rolde, wakker werd om voor het middagmaal naar een kantine te rennen en vervolgens weer in slaap viel. Elke avond kwam de eigenaresse van de winkel, een oude Duitse genaamd Karolina Gustavovna, een halfuurtje langs om de kassa te plunderen en Anna Nikolajevna te kapittelen over haar onkunde om klanten te trekken. Anna Nikolajevna was vreselijk bang voor haar en hoorde haar aan zonder ook maar een woord te durven zeggen. De winkel ging dicht om negen uur ’s avonds. Wanneer ze bij haar tante aankwam, bij wie ze inwoonde, gebruikte Anna Nikolajevna een slappe kop thee met oudbakken beschuitjes en kroop meteen daarna in bed.

In het begin bedacht Anna Nikolajevna dat ze de tijd wel kon verdrijven met lezen. Overal waar ze maar kon probeerde ze romannetjes en oude kranten te bemachtigen, die ze dan heel consciëntieus las, pagina voor pagina. Maar ze kon de namen van de romanpersonages niet uit elkaar houden, begreep niet waarom het over al die verzonnen Jeannes en Blanches moest gaan en waarom al die beschrijvingen van prachtige ochtenden zo op elkaar leken. Lezen was voor haar meer een last dan een lust en dus legde ze de boeken maar weer terzijde. Mannen op straat vielen haar niet lastig want ze hadden geen belangstelling voor haar. Als een klant iets te lang doorging met vleierijen, verdween ze in het achterkamertje en stuurde Fedka de winkel in. Als ze op weg naar huis werd aangesproken, versnelde ze zonder iets terug te zeggen haar pas of zette het zelfs op een rennen, tot ze haar voordeur had bereikt. Kennissen had ze niet, met geen van haar kostschoolvriendinnen onderhield ze een correspondentie en met haar tante wisselde ze nog geen twee woorden per dag. Zo verstreken er weken en maanden.

Niettemin sloot Anna Nikolajevna vriendschap met de wereld die haar omringde, die van schrijfpapier, enveloppen, ansichtkaarten, potloden, pennen, overdruk-, reliëf- en decoupageplaatjes. Deze wereld was begrijpelijker dan de boeken en vriendelijker dan de mensen. Al snel kende ze alle soorten papier en pennen, alle series ansichtkaarten, ze gaf ze namen zodat ze ze niet met een nummer hoefde aan te duiden, sommige werden haar dierbaar, andere zag ze als vijanden. Haar favorieten kregen de beste plekjes in de winkel. Het papier met het vissenwatermerk van een fabriek uit Riga stopte ze in de allernieuwste doos waarvan ze de randen met een gouden bies had bekleed. De overdrukplaatjes die verschillende oude Egyptenaren moesten voorstellen borg ze weg in een speciaal kistje, waar verder alleen de pennen met duifjes aan het uiteinde in mochten. De ansichtkaarten waarop La Marche à l’Étoile stond afgebeeld verpakte ze afzonderlijk in roze papier, waarna ze er een zegel met een vergeet-mij-nietje op plakte. Wat ze haatte waren de glazen inktpotten, die er dik, haast volgevreten uitzagen; ze haatte de gelinieerde transparanten, die altijd zo smalend opkrulden, en ook de rollen crêpepapier voor lampenkappen, zo trots en pompeus. Die dingen stopte ze weg in de verste hoek van de winkel.

Anna Nikolajevna was blij wanneer haar lievelingsspulletjes werden gekocht. Alleen wanneer een bepaald artikel opraakte begon ze zich zorgen te maken en dan bracht ze zelfs de moed op om Karolina Gustavovna te vragen zo snel mogelijk een nieuwe voorraad in te slaan. Op een dag verkocht ze onverwachts alle brievenwegertjes, die gewoonlijk slecht liepen en waaraan ze haar hart had verpand vanwege hun droeve lot. Het laatste exemplaar werd ’s avonds door de bazin zelf verkocht en ze wilde geen nieuwe meer bestellen. Anna Nikolajevna huilde twee dagen. En als de gehate spulletjes over de toonbank gingen, werd ze juist boos. Als er hele stapels van die weerzinwekkende schriften met donkerblauw gemarmerd omslag werden meegenomen, of grof gedrukte ansichtkaarten met afbeeldingen van acteurs, voelde het alsof haar lievelingen op hun ziel werd getrapt. Dan deed ze zo verwoed haar best om de klant ervan af te praten dat die vaak werkelijk zonder iets te kopen de winkel weer verliet.

Anna Nikolajevna was ervan overtuigd dat alle spullen in de winkel haar begrepen. Wanneer ze een riem van haar lievelingspapier doorbladerde, ritselden de velletjes zo hartelijk. Wanneer ze de duifjes aan het uiteinde van de pennen kuste, trilden ze met hun houten vleugeltjes. Op stille winterdagen, wanneer ze het door de berijpte winkelruit, waarop de lampen lelijke lichtcirkels wierpen, zag sneeuwen en er urenlang niemand de winkel in kwam, voerde ze lange gesprekken met de inhoud van de schappen, kisten en dozen. Ze luisterde ingespannen naar woordeloze conversaties en wisselde blikken en glimlachjes uit met bekende voorwerpen. Als niemand haar zag legde ze haar lievelingsplaatjes – met engelen, bloemen, Egyptenaren – naast elkaar op een lessenaar en vertelde sprookjes of luisterde naar hun verhalen. Soms zongen alle spulletjes in koor een nauwelijks hoorbaar rustgevend liedje voor haar. Anna Nikolajevna ging daar helemaal in op, totdat de binnenkomende klanten honend lachten in de veronderstelling dat ze een slapende winkelbediende wakker hadden gemaakt.

De dagen voor Kerstmis waren moeilijk voor Anna Nikolajevna. Er kwamen veel meer klanten dan anders. De winkel was volgestouwd met kartonnen sierdoosjes, foeilelijke knalbonbons in schreeuwerige kleuren en goudvissen in slordig dichtgeplakte doosjes. Overal aan de muren hingen scheurkalenders met portretten van grootheden. Het was druk en ongerieflijk. Maar tijdens de zomer kwam Anna Nikolajevna helemaal tot rust. De verkoop viel bijna stil en regelmatig ging er een dag voorbij zonder ook maar een kopeke aan inkomsten. De bazin ging maandenlang de stad uit. In de winkel was het stoffig en bedompt, maar stil. Anna Nikolajevna hing haar favoriete plaatjes aan de muren en stalde in de vitrines haar favoriete potloden, pennen en gummen uit. Uit gekleurd zijdepapier knipte ze smalle stroken, die ze rond de versleten kastzuilen wikkelde. Ze voerde op luide fluistertoon gesprekken met haar lievelingen, vertelde over haar kinderjaren, over haar moeder, en dan huilde ze. En ze had het gevoel dat de spulletjes haar troostten. Zo verstreken er maanden en jaren.

Anna Nikolajevna had nooit gedacht dat er iets in haar leven zou kunnen veranderen. Maar op een zekere herfstdag zei Karolina Gustavovna, die nog chagrijniger en vitteriger dan anders terug naar Moskou was gekomen, dat ze de inventaris wilde opmaken. De eerstvolgende zondag kwam er een briefje op de deur te hangen met de mededeling HEDEN GESLOTEN. Anna Nikolajevna keek met bloedend hart toe hoe de bazin haar dierbare overdrukplaatjes – zo dun, zo delicaat – bij de rand omboog terwijl ze ze telde met haar vettige vingers, hoe ze de gekoesterde duifjespennen achteloos op de toonbank smeet. In het inventarisboek, dat Anna Nikolajevna met haar nette en lichte handschrift had volgeschreven, zette de bazin slordige tekens met lange, vlekkerige uithalen. Volgens Karolina Gustavovna ontbrak er nogal wat: hele riemen papier, een paar gros potloden en diverse losse spullen – stereoscopen, vergrootglazen, fotolijstjes. Anna Nikolajevna wist zeker dat ze die nooit in de winkel had gezien. Toen becijferde Karolina Gustavovna dat de ontvangsten maand na maand daalden. Ze gaf Anna Nikolajevna een fikse uitbrander, noemde haar een dievegge en zei dat haar diensten niet langer nodig waren; ze was ontslagen.

Anna Nikolajevna durfde niet te protesteren en vertrok in tranen. Thuis moest ze natuurlijk ook nog eens het getier van haar tante aanhoren, die haar eerst een klaploopster noemde en vervolgens dreigde dat ze die Duitse voor de rechter zou slepen en niet zou toestaan dat haar nichtje beledigd werd. Maar het verlies van haar betrekking of de onrechtvaardige behandeling door Karolina Gustavovna was niet Anna’s grootste zorg; wat ze pas echt ondraaglijk vond, was dat ze gescheiden werd van haar dierbare spulletjes in de winkel. Anna Nikolajevna dacht aan de reliëfengeltjes op wolkjes, aan de hoofdjes van Mary Stuart, aan het papier met de vissen, aan alle doosjes en kistjes die ze zo goed kende, en liet haar tranen de vrije loop. Ze dacht terug aan het vroege avonduur, wanneer de lampen al brandden, aan de woordeloze gesprekken met haar vrienden, het koor dat nauwelijks hoorbaar vanaf de schappen opklonk, en haar hart brak van wanhoop. In het besef dat ze haar lievelingen nooit, maar dan ook nooit meer zou zien, wierp ze zich voorover op haar kleine bed en bad tot God dat ze mocht sterven.

Anderhalve maand later vond Anna’s tante een nieuwe betrekking voor haar, opnieuw in een kantoorboekhandel, maar deze keer in een drukke straat. Anna Nikolajevna voelde een beklemmende weemoed toen ze zich naar haar nieuwe werkplek begaf.

Behalve zijzelf werkten er nog een jongedame en een jongeman, en ook de baas was het grootste deel van de dag aanwezig. De winkel werd druk bezocht, want er waren verschillende scholen in de buurt. Anna Nikolajevna moest de hele dag doorbrengen onder de blikken van de anderen, die haar bespotten en minachtten. Haar vroegere favorieten vond ze hier niet; de koopwaar werd bij andere fabrikanten besteld. Het papier, de potloden, de pennen – alles kwam haar levenloos voor. En als er dan toch wat spulletjes waren die ze ook in B molle had verkocht, herkenden die haar niet en bleef het stil wanneer ze ze in een gestolen ogenblik de tederste koosnaampjes toefluisterde. Het enige waaruit Anna Nikolajevna nog vreugde putte, was het moment waarop ze ’s avonds op weg naar huis even stilhield bij de etalage van haar vroegere winkel, die later dichtging. Dan staarde ze door de stoffige ruiten naar binnen in de vertrouwde winkelruimte. Achter de toonbank stond een nieuwe verkoopster, een snoezig Duits wichtje met krulletjes die over haar voorhoofd vielen. Fedka was vervangen door een opgeschoten jongen van een jaar of vijftien. De klanten kwamen vrolijk lachend naar buiten. Maar Anna Nikolajevna geloofde dat haar dierbare plaatjes, pennen en schriftjes haar nog niet vergeten waren en nog steeds van haar hielden, en dat bood haar troost.

Lange tijd droomde Anna Nikolajevna ervan om de winkel nog een keer binnen te gaan, om de oude kasten en vitrines nog een keer te bekijken en haar dierbare spulletjes te laten zien dat ook zij nog steeds aan ze dacht. Enkele keren beloofde ze zichzelf dat ze dat dezelfde dag nog zou doen, maar toch kon ze zich er niet toe brengen, zo bang was ze om haar voormalige bazin te ontmoeten. Op zekere avond echter zag ze Karolina Gustavovna naar buiten komen, een koets aanhouden en wegrijden. Dat gaf Anna Nikolajevna moed. Ze opende de deur en liep met bonzend hart naar binnen. Het Duitse wichtje met de krullen maakte al aanstalten om een lieftallige glimlach op te zetten, maar na een monsterende blik op haar klant beperkte ze zich tot een licht hoofdknikje.

‘Hoe kan ik u helpen, mademoiselle?’

‘Ik wil graag... Ik wil graag wat postpapier... tien velletjes... met vissen.’

De Duitse glimlachte welwillend, raadde wat haar gevraagd werd en liep naar een kast links in de winkel. Verbaasd en treurig volgde Anna Nikolajevna haar met haar ogen. Vroeger werd dit papier bewaard in de doos met de gouden bies. Maar de oude dozen waren er niet meer; ze hadden plaatsgemaakt voor lelijke zwarte kisten met opschriften als 4 DE KWAL. 20 KOP. en FOLIO 40 KOP. Vooraan in de kasten stonden de glazen inktpotten uitgestald. Een stapel crêpepapier nam het hele onderste schap in beslag. Her en der aan de muren waren in een waaiervorm de ansichtkaarten met portretten van acteurs gespijkerd. Alles was verplaatst, verschoven, veranderd.

De Duitse legde een stapeltje papier voor Anna Nikolajevna neer en vroeg of dit het juiste was. Gretig pakte Anna Nikolajevna de mooie velletjes op, die ooit in staat waren geweest haar liefkozingen te beantwoorden; nu waren ze lijkbleek en stijf. Ze wierp een droevige blik om zich heen: alles was dood, alles was doof en stom.

‘Dat is dan vijfendertig kopeke, mademoiselle.’

Zelfs de prijs was veranderd! Anna Nikolajevna betaalde en liep naar buiten, de koude in, met het opgerolde papier in haar handen geklemd. De gure oktoberwind drong door haar korte, afgedragen jasje. Het licht van de straatlantaarns vloeide uit tot grote vlekken in de mist. Het was koud en uitzichtloos.


nu ik ontwaakt ben... aantekeningen van een psychopaat



Natuurlijk gold ik al van jongs af aan als pervers. Natuurlijk kreeg ik telkens opnieuw te horen dat niemand voelde wat ik voelde. En ik raakte eraan gewend te liegen. Ik raakte eraan gewend in clichés te spreken over mededogen en liefde, over het geluk dat liefhebben brengt. Maar in mijn diepste zelf was ik ervan overtuigd, en dat ben ik nu nog, dat de mens van nature misdadig is. Voor mij is er van alle gewaarwordingen die men ‘geneugten’ pleegt te noemen maar één die naam waardig, en dat is de sensatie waardoor we gegrepen worden bij het aanschouwen van andermans lijden. Ik ben van oordeel dat de mens in zijn primitieve staat maar één ding wil: zijn soortgenoten kwellen. Onze cultuur heeft die natuurlijke neiging beteugeld. Eeuwen van slavernij hebben de menselijke ziel doen geloven dat het lijden van de ander op haar drukt. Tegenwoordig huilen mensen dan ook oprecht om anderen en voelen ze met hen mee. Maar dat is slechts illusie en zinsbegoocheling.

Het is mogelijk om een mengsel van water en alcohol te maken waarin een scheut olijfolie altijd in evenwicht blijft en dus niet gaat bovendrijven of naar de bodem zinkt. Anders gezegd: waarin de zwaartekracht geen vat meer heeft op de olie. Natuurkundeboeken zeggen dat de olie in dat geval alleen onderworpen is aan de drang van zijn eigen moleculen en zodoende de vorm van een bol zal aannemen. Evenzo zijn er momenten waarop de menselijke ziel zich onttrekt aan de kracht van haar impulsen, aan alle kluisters die haar door erfelijkheid en opvoeding zijn aangelegd, aan alle invloeden van buitenaf die doorgaans onze wil conditioneren – de angst voor het gerecht, de beduchtheid voor de publieke opinie enzovoort. Op die momenten laten onze verlangens en daden zich alleen leiden door de primitieve, natuurlijke driften van ons wezen.

Het gaat hier niet om de uren van onze gewone slaap, wanneer ons wakende bewustzijn, zij het in zwakkere vorm, ons slapende ‘ik’ blijft sturen; noch gaat het om dagen van waanzin, van verstandsverbijstering – op zulke dagen maken de gebruikelijke invloeden plaats voor andere, die nog eigenmachtiger zijn. Nee, het gaat om de momenten waarop we in die vreemde toestand verkeren dat ons lichaam in de armen van de slaap ligt, terwijl onze gedachten zich daarvan bewust zijn en ons in het land der dromen rondwarende spook influisteren: je bent vrij! Beseffende dat onze daden alleen voor onszelf zullen bestaan, dat ze verborgen zullen blijven voor de rest van de wereld, geven we ons ongeremd over aan de oorspronkelijke impulsen die uit de duistere krochten van onze wil naar boven komen. En op zulke momenten heb ikzelf in elk geval nog nooit de aandrang gevoeld om de mensenvriend uit te hangen. Integendeel, in de wetenschap dat mijn daden geheel en al onbestraft zouden blijven, haastte ik me juist om iets te doen wat barbaars, boosaardig en zondig was.

Ik heb de droom altijd als gelijkwaardig aan de werkelijkheid beschouwd, en dat doe ik nog steeds. Want waaruit bestaat onze werkelijkheid? Uit onze indrukken, onze gevoelens, onze verlangens, meer niet. Dat alles is ook aanwezig in een droom. Dromen vervullen de ziel evenveel als de werkelijkheid; ze winden ons op, ze maken ons blij of verdrietig. Wat we in onze dromen doen, laat dezelfde sporen in ons na als wat we in de werkelijkheid doen. Het enige verschil tussen droom en werkelijkheid is immers dat ieder mens zijn eigen, persoonlijke droomleven heeft, terwijl de werkelijkheid voor iedereen dezelfde is of althans heet te zijn... Daaruit volgt dat de droom voor elk van ons afzonderlijk een tweede werkelijkheid is. Welke van die twee werkelijkheden de voorkeur geniet, hangt af van persoon tot persoon.

Ik was als kind al meer gesteld op het droomleven dan op het wakende leven. Niet alleen beschouwde ik de tijd die ik slapend doorbracht niet als verloren, integendeel, ik betreurde zelfs de uren die de slaap werden ontnomen ten voordele van het wakende leven. Maar in mijn slaap zocht ik natuurlijk wel het leven op, dat wil zeggen, de droom. Als klein jongetje al vond ik een droomloze nacht een groot gemis. Als ik wakker werd zonder me mijn droom te herinneren, voelde ik me ongelukkig. Dan pijnigde ik de hele dag mijn hersenen, thuis en op school, tot ik in een hoekje van mijn geheugen een flard van de vergeten beelden vond en met een hernieuwde inspanning opeens mijn droom van die nacht in zijn volle helderheid terugzag. Dan dompelde ik me gretig onder in die herrezen wereld en reconstrueerde alles tot in de kleinste details. Door mijn geheugen op die manier te trainen, bereikte ik een punt waarop ik mijn dromen niet langer vergat. Ik keek reikhalzend uit naar de nacht en naar de slaap, als naar een langverbeide ontmoeting.

Ik hield vooral van nachtmerries, vanwege hun overweldigende effect. En ik ontwikkelde het vermogen om ze kunstmatig op te wekken. Ik hoefde maar in slaap te vallen met mijn hoofd in een lagere positie dan mijn lichaam, of de nachtmerrie klemde zijn heerlijk kwellende klauwen al om mijn keel. Vaak werd ik hijgend wakker van een onbeschrijfelijk lijden, maar zodra ik een teug frisse lucht had ingeademd, stortte ik me weer in die donkere afgrond, de griezel en gruwel tegemoet. Uit de duisternis om mij heen verschenen monsterlijke gezichten, aapachtige duivels raakten met elkaar in gevecht en wierpen zich onverhoeds met een kreet op mij, stootten me omver en verstikten me; mijn slapen bonsden, ik had pijn en was doodsbang, maar in zulke onnoemelijke mate dat ik gelukkig was.

Veel meer nog echter hield ik sinds mijn jonge jaren van het soort dromen waarin men weet dat men droomt. Toen bevroedde ik al wat een zee van vrijheid die dromen de geest verschaften. Maar dit type kon ik niet zelf oproepen. Ik kreeg in mijn slaap plotseling een soort van elektrische schok, en dan wist ik meteen dat de wereld nu in mijn macht was en wandelde ik over de wegen van de droom, langs zijn paleizen en door zijn valleien, waarheen ik maar wilde. Als ik mijn best deed kon ik mezelf in elke situatie zien die ik prettig vond en kon ik iedereen die ik maar wilde in mijn droom binnenbrengen. In mijn prille jeugd maakte ik van die momenten gebruik om mensen voor de gek te houden en allerlei streken uit te halen. Maar naarmate ik ouder werd, ging ik over op geneugten van heimelijker aard: ik verkrachtte vrouwen, pleegde moorden en werd een beul. Toen pas kwam ik erachter dat ‘extase’ en ‘verrukking’ geen holle woorden zijn.

De jaren verstreken. De tijd van moeten leren en gehoorzamen was voorbij. Ik was alleen, had geen gezin en hoefde niet te werken voor mijn recht om adem te halen. Ik kon me geheel wijden aan mijn geluk. Het grootste deel van de dag verkeerde ik in een toestand van slaap of sluimering. Daarbij gebruikte ik allerlei bedwelmende middelen – niet vanwege hun belofte van genot, maar om langer en dieper te slapen. De ervaring en routine stelden me in staat om me steeds vaker over te geven aan de meest absolute aller vrijheden waar een mens maar van kan dromen. Geleidelijk aan werd mijn nachtelijke bewustzijn bijna even sterk en helder als dat van overdag, zo niet nog sterker en helderder. Ik kon in mijn dromen leven en tegelijkertijd dat leven van buitenaf observeren. Ik keek als het ware toe hoe het spook in mijn droom deze of gene handeling verrichte, ik stuurde hem aan, en tegelijkertijd voelde ik alles wat hij voelde met dezelfde intensiteit.

Ik schiep voor mezelf de optimale omgeving voor mijn dromen: een ruime zaal ergens diep onder de grond. De zaal werd verlicht door de rode gloed van twee immense kachels. De muren zagen eruit als van ijzer. De vloer was van steen. Alle gebruikelijke foltertuigen waren er aanwezig: een pijnbank, een martelpaal, een spijkerstoel, instrumenten voor ontdarming en het uitrekken van spieren, messen, tangen, zwepen, zagen, gloeiende staven en harken. Als de fortuin me de vrijheid gaf, spoedde ik me meestal regelrecht naar mijn geheime toevluchtsoord. Door een krachtige wilsinspanning bracht ik wie ik op dat moment maar wilde naar mijn ondergrondse vertrek – soms koos ik mensen die ik kende, maar meestal waren het meisjes en jonge mannen, zwangere vrouwen of kinderen die aan mijn verbeelding waren ontsproten. Ik solde met hen als ware ik de machtigste despoot op aarde. Mettertijd ontwikkelde ik een voorliefde voor bepaalde types van slachtoffers. Ik kende ze bij naam. Bij sommigen was het de schoonheid van hun lichaam die me aantrok, bij anderen de dapperheid waarmee ze de wreedste martelingen ondergingen, hun minachting jegens mijn slimmigheidjes, en bij weer anderen ging het het me juist om hun zwakte en willoosheid, hun gekerm en hun vergeefse smeekbeden. Soms, of eigenlijk best vaak, liet ik de door mij gefolterden weer tot leven komen, om een tweede keer het genot te smaken van hun smartelijke dood. Aanvankelijk was ik beul en toeschouwer in één. Later creëerde ik een horde wanstaltige dwergen om me te assisteren. Hun aantal kon ik naar wens laten toenemen. Ze gaven mij de martelwerktuigen aan en voerden al grimassend en bulderlachend mijn bevelen uit. In hun bijzijn vierde ik mijn orgieën van bloed en vuur, gekrijs en gevloek. Ik zou waarschijnlijk krankzinnig, eenzaam en gelukkig zijn gebleven, waren daar niet mijn weinige vrienden. Die hadden besloten dat ik ziek was en op de rand van de waanzin verkeerde, en dat ze me wilden redden. Bijna met geweld dwongen ze me om naar buiten te gaan, theaters te bezoeken en onder de mensen te komen. Ik verdenk hen ervan dat ze het meisje dat later mijn vrouw werd met opzet in het gunstigste licht aan me hebben gepresenteerd – ik betwijfel overigens of er ook maar één man was die haar niet aanbiddelijk vond. Alle vrouwelijke en menselijke bekoringen waren verenigd in haar die ik lief kreeg, die ik zo vaak de mijne heb genoemd en om wie ik tot het einde van mijn dagen zal blijven treuren. Mij hadden ze aan haar voorgesteld als een gekwelde ziel, een ongelukkige die moest worden gered. Haar aanvankelijke nieuwsgierigheid maakte gaandeweg plaats voor de diepst mogelijke, zichzelf vergetende passie.

Lange tijd durfde ik niet eens aan trouwen te dénken. Hoe sterk het gevoel ook was dat voor het eerst mijn ziel knechtte, ik kreeg het benauwd bij de gedachte dat dit het einde zou betekenen van mijn eenzaamheid, die het mij mogelijk maakte me in alle vrijheid in mijn droombeelden te verlustigen. Maar het correcte leven waartoe ik gedwongen werd, had allengs mijn bewustzijn verduisterd. Ik was oprecht gaan geloven dat mijn ziel een soort metamorfose kon ondergaan en haar eigen, niet door de mensen erkende waarheid kon afzweren. Mijn vrienden feliciteerden mij op mijn trouwdag alsof ik uit het graf was opgestaan. Na de huwelijksreis ging ik met mijn vrouw in een nieuw, licht en vrolijk huis wonen. Ik overtuigde mezelf ervan dat ik belangstelling had voor wat er speelde in de wereld en in mijn stad: ik las kranten en onderhield vriendschappen. Ik leerde weer om overdag wakker te blijven. ’s Nachts werd ik na de wilde echtelijke liefkozingen gewoonlijk bezocht door een doodse, vlakke slaap zonder beelden of vergezichten. Tijdens die kortstondige verblinding begon ik me al te verheugen over mijn genezing, mijn opstanding uit de waanzin tot de alledaagsheid.

Maar ik had het kunnen weten: nooit – nooit! – doofde mijn verlangen naar die andere verrukkingen helemaal uit. Het raakte slechts overstemd door de al te tastbare werkelijkheid. En al tijdens de wittebroodsweken voelde ik ergens in de geheime hoekjes van mijn ziel de onlesbare dorst naar verblindender, schokkender indrukken. Met de week hield die dorst me langer in zijn kwellende greep. Daarbij groeide er gestaag een ander verlangen, dat ik in het begin niet onder ogen durfde te zien: het verlangen om haar, mijn vrouw, die ik liefhad, mee te nemen naar mijn nachtelijke uitspattingen en haar gezicht te zien vertrekken van de martelingen die haar lichaam onderging. Ik worstelde, worstelde lange tijd, om mijn nuchterheid te bewaren. Ik probeerde mezelf met alle redelijke argumenten te overtuigen, maar kon er zelf niet in geloven. Tevergeefs zocht ik naar afleiding, ik zorgde ervoor dat ik nooit alleen was – maar de verleiding zat binnen in mij, er viel niet aan te ontsnappen.

Eindelijk zwichtte ik dan toch. Onder het voorwendsel dat ik een uitgebreide verhandeling ging schrijven over de geschiedenis der religies, zette ik een aantal brede divans neer in mijn bibliotheek en begon me er ’s nachts op te sluiten. Niet lang daarna begon ik er ook hele dagen door te brengen. Op alle mogelijke manieren probeerde ik mijn geheim voor mijn vrouw verborgen te houden, zo huiverig was ik ervoor dat ze zou doordringen tot hetgeen ik zo angstvallig bewaakte. Ze was me even dierbaar als tevoren. Haar liefkozingen bezorgden me niet minder genot dan in de eerste dagen van ons samenzijn. Maar ik werd gedreven door een machtiger lustgevoel. Ik kon haar mijn gedrag niet verklaren. Ik had zelfs liever dat ze geloofde dat ik niet meer van haar hield en haar daarom ontweek. En dat was inderdaad wat ze geloofde, en waar ze onder leed en kwijnde. Ik zag haar bleker worden en wegteren, zag dat het verdriet haar ten grave zou slepen. En wanneer ik haar in een opwelling de gebruikelijke lieve woordjes toesprak, fleurde ze maar heel even op: ze kon me niet meer geloven, omdat mijn daden in haar ogen te zeer in tegenspraak waren met mijn woorden.

Hoewel ik net als voorheen bijna vierentwintig uur per dag slapend doorbracht en mij met nog meer overgave dan vóór mijn huwelijk aan mijn dromen wijdde, leek ik op een of andere manier niet meer in staat om mijn volledige vrijheid terug te krijgen. Weken aaneen vertoefde ik op mijn divans, werd alleen wakker om mezelf even te verkwikken met wijn of bouillon, om dan weer een dosis slaapmiddel te nemen, maar het gewenste moment brak maar niet aan. Ik doorstond de zoete kwellingen van de nachtmerrie met al haar pracht en wreedheid, ik kon verschillende dromen voor de geest roepen en ze aaneenrijgen, sommige griezelig door hun overtuigende samenhang, andere juist wild chaotisch, verrukkelijk en groots door hun absurditeit – maar mijn bewustzijn bleef gehuld in een of ander waas. Ik had geen controle over mijn droom en kon alleen maar aanschouwen en aanhoren wat me ergens van binnenuit door iemand werd aangereikt.

Ik nam mijn toevlucht tot alle trucs en middeltjes die ik kende: opzettelijke verstoring van de bloedsomloop, zelfhypnose, morfine en hasjiesj en wat niet al aan bedwelmende vergiften, maar ze gaven me slechts de gebruikelijke extase. Na de opwinding die de demon der Indiase papaver in me losmaakte brak een gelukzalige staat van weekheid aan, de lichte deining van een slaperig schui - tje op de golven van een onmetelijke oceaan, die steeds nieuwe droombeelden voortbrachten – maar ook die lieten zich niet onderwerpen aan mijn bezweringen. Bij het ontwaken dacht ik als een bezetene terug aan de lange stoet beelden die voor mij langs was getrokken, beelden die wel verleidelijk en meeslepend waren, maar die ik niet naar eigen willekeur kon laten verschijnen of verdwijnen. Ik raakte uitgeput van razernij en begeerte, maar stond machteloos.

Het staat me bij dat er ruim zes maanden waren verstreken vanaf het moment dat ik mijn bijna teloorgegane dromenroes weer opzocht tot de dag waarop mijn meest gekoesterde geluk me werd teruggegeven. In mijn slaap voelde ik ineens het welbekende elektrische schokje en ik besefte dat ik mijn vrijheid terug had, dat ik sliep en tegelijkertijd in staat was mijn droom te sturen, dat ik om het even wat kon aanrichten, en dat dat allemaal slechts een droom zou blijven! Ik werd overspoeld door een onuitsprekelijke opwinding. De verleiding die ik zo lang had gevoeld kon ik niet meer weerstaan: het eerste wat ik deed was op zoek gaan naar mijn vrouw. Maar ik had geen behoefte aan mijn ondergrondse vertrek. Ik bevond me liever in de omgeving waarin zij thuis was en die zij zelf had ingericht. Dat zou het genot nog verfijnder maken. En prompt zag ik mezelf in mijn tweede, slapende bewustzijn bij de deur van mijn bibliotheek staan.

‘Kom,’ zei ik tegen mijn spook, ‘kom, ze slaapt nu, en neem de smalle dolk mee, die met het ivoren heft.’

Ik gehoorzaamde en volgde de bekende route door de onverlichte kamers. Ik had het gevoel dat ik niet liep maar vloog, zoals dat gaat in een droom. Terwijl ik het grote vertrek doorkruiste zag ik door de ramen de daken van de stad en dacht: dit is allemaal in mijn macht. Het was een maanloze nacht, maar de hemel fonkelde van de sterren. Mijn dwergen wilden al onder de stoelen vandaan komen, maar ik liet ze met een gebaar weer verdwijnen. Geruisloos deed ik de deur van de slaapkamer iets open. Het icoonlampje gaf voldoende licht. Ik stapte op het bed af, waar mijn vrouw lag te slapen. Ze had iets weerloos, zo klein en mager als ze was; ze droeg haar haar voor de nacht in twee vlechten, die over de rand van het bed hingen. Bij haar kussen lag een zakdoek: ze huilde als ze zich te slapen legde, huilde omdat ze weer tevergeefs op me had gewacht. Een zekere droefheid beklemde mijn hart. Op dat moment was ik bereid te geloven in medelijden. In een flits voelde ik het verlangen om aan haar bed op mijn knieën te vallen en haar verkleumde voeten te kussen. Maar op hetzelfde moment bracht ik mezelf in herinnering dat dit allemaal in mijn slaap gebeurde.

Een wonderbaarlijk gevoel maakte mij week vanbinnen. Ik kon eindelijk mijn geheime droom waarmaken en met deze vrouw alles doen wat ik maar wilde. En ik zou de enige zijn die er ooit van zou weten. Terug in de werkelijkheid kon ik haar omringen met het vuur van mijn liefde, haar troosten, liefhebben, vertroetelen... Ik boog me over haar lichaam en kneep met ferme hand haar keel dicht zodat ze niet kon gaan gillen. Ze werd meteen wakker, opende haar ogen en begon te kronkelen in mijn greep, maar ik had haar als het ware vastgepind aan het bed. Terwijl ze worstelde om mij van zich af te duwen, deed ze verwoede pogingen om iets te zeggen en keek me aan met waanzin in haar ogen. Enkele ogenblikken tuurde ik in de blauwe diepte van die ogen, bevangen door een onbeschrijfelijke opwinding, en meteen daarna stootte ik deze vrouw met mijn dolk in de zij, onder de deken.

Ik zag hoe ze sidderde over haar hele lichaam, zich strekte, ze kon nog steeds niet gillen, maar tranen van pijn en wanhoop sprongen haar in de ogen en biggelden haar over de wangen. En langs mijn hand die de dolk vasthield begon het bloed te stromen, lauwwarm en kleverig. Ik begon langzaam meer stoten toe te dienen, ik rukte de deken van haar af en stak haar in het naakte lichaam terwijl ze uit alle macht probeerde zich te bedekken, op te staan, weg te kruipen. O, hoe verrukkelijk en verschrikkelijk was het, om met het scherp van de dolk haar soepele rondingen aan stukken te snijden en dat hele, prachtige, tengere, allerliefste lichaam te omwikkelen met rode sjerpen van bloed en wonden! Ten slotte pakte ik mijn vrouw bij het hoofd en dreef de dolk diep in haar hals, achter de halsslagader, waarna ik met alle kracht die ik in me had haar keel doorsneed. Het bloed begon te pruttelen doordat de stervende trachtte adem te halen; haar handen probeerden in het wilde weg nog iets te pakken of weg te vegen. Daarna stopte ze met bewegen.

Op dat moment viel ik ten prooi aan vertwijfeling, zo verpletterend dat ik met een ruk probeerde wakker te worden – maar het lukte niet. Ik spande me in tot het uiterste, verwachtte dat de muren van deze slaapkamer zouden wijken, verdwijnen, wegsmelten, dat ik mezelf weer op mijn divan in de bibliotheek zou zien. Maar de nachtmerrie ging niet weg. Het verminkte lichaam van mijn vrouw lag badend in bloed voor mij op het bed. En in de deuropening dromden al mensen met kaarsen die op het rumoer van de worsteling af waren gesneld, hun gezichten vertrokken van afschuw. Ze zeiden geen woord, maar keken me allemaal aan, en ik zag hen. Toen drong het tot me door dat het dit keer geen droom was geweest

Vertaling Annelies de hertogh en Els de Roon Hertoge




1 De vertaling van deze verhalen is mede tot stand gekomen door een ontwikkelbeurs van het Nederlands Letterenfonds en een projectbeurs van Literatuur Vlaanderen.



<

TSL 97

>