Teffi
Drie verhalen
een populaire advocaat
Op die dag waren er weinig mensen in de rechtzaal. Er werd geen
interessante zitting verwacht. Op de banken achter het hek zaten
drie jongemannen in boerenhemd te zuchten en zich te vervelen.
Op de publieksplaatsen zaten enkele studenten en jongedames, in
de hoek twee verslaggevers. Het was de beurt aan de zaak van
Semjon Roebasjkin. Hij werd verdacht van – zoals vermeld stond
in het proces-verbaal – ‘het verspreiden van verontrustende geruchten over de ontbinding van de eerste Doema’1 in een krantenartikel. De beklaagde bevond zich al in de rechtzaal en liep met
zijn vrouw en drie vrienden wat heen en weer voor het publiek
langs. Ze waren allen vrolijk en enigszins gespannen door de ongewone situatie, babbelden en maakten grapjes.
‘Begonnen ze nou maar gauw,’ zei Roebasjkin. ‘Ik heb honger
als een paard.’
‘Hierna gaan we meteen ontbijten bij Vena,’2 mijmerde zijn
vrouw.
‘Hahaha! Straks gooien ze hem nog in de gevangenis, dan zullen jullie je ontbijt krijgen,’ grapten zijn vrienden.
‘Dan liever naar Siberië,’ kokketeerde zijn vrouw. ‘Levenslang! Dan trouw ik met een ander.’
De vrienden schaterden het uit en sloegen Roebasjkin op de
schouder.
Een man in frak met een gedrongen postuur kwam de zaal binnen, knikte de beklaagde hooghartig toe, ging achter het spreekgestoelte zitten en begon papieren uit zijn aktetas te halen.
‘Wie is dat in hemelsnaam?’ vroeg Roebasjkins vrouw.
‘Ja dat is m’n advocaat.’
‘Je advocaat?’ reageerden de vrienden verbaasd. ‘Je bent gek
geworden! Voor zo’n onbenullige zaak heb je toch geen advocaat nodig. Dat is toch om je dood te lachen. Wat gaat hij doen? Hij
krijgt niet eens de mogelijkheid iets te zeggen. De rechter zal meteen seponeren.’
‘Ja ik was eigenlijk ook niet van plan hem te vragen. Hij bood
zelf zijn diensten aan. En hij vraagt er niets voor. Hij zegt: dit soort
zaken nemen we aan uit principe. Een honorarium zou ons alleen
maar beledigen. En ik ben natuurlijk niet gaan aandringen. Waarom zou ik hem beledigen?’
‘Beledigen is niet goed,’ beaamde Roebasjkins vrouw.
‘Daarbij, ik heb toch geen last van hem? Laat hem maar praten
een minuut of vijf. En misschien heb ik er nog wat aan. Wie zal het
zeggen? Straks halen ze het nog in hun hoofd een of andere boete
op te leggen; dan kan hij dat mooi oplossen.’
‘Ja dat is ook zo,’ gaven de vrienden toe.
De advocaat stond op, streek zijn bakkebaarden recht, fronste zijn wenkbrauwen en liep op Roebasjkin toe. ‘Ik heb uw zaak
bekeken,’ zei hij en voegde er somber aan toe: ‘Ik zou maar vast
moed verzamelen.’
‘Wat een grappenmaker!’ proestten de vrienden uit.
‘Verdomme.’ Roebasjkin schudde bezorgd zijn hoofd. ‘Het
riekt naar een boete.’
* * *
‘De rechtbank! Wilt u gaan staan alstublieft,’ riep de secretaris. De
beklaagde nam plaats achter zijn hekje, knikte af en toe naar zijn
vrouw en vrienden en glimlachte verlegen en trots, alsof hij net
een schunnig compliment had gekregen.
‘Wat een held!’ fluisterde een van de vrienden naar Roebasjkins
vrouw.
‘Russisch-orthodox!’ antwoordde de beklaagde ondertussen
opgewekt op de vraag van de voorzitter.
‘Kunt u bevestigen dat u de schrijver bent van het artikel ondertekend met de initialen S.R.?’
‘Dat kan ik bevestigen.’
‘Heeft u nog iets te zeggen met betrekking hiertoe?’
‘Niets,’ antwoordde Roebasjkin verbaasd.
Maar toen sprong de advocaat op. Zijn gezicht kleurde vuurrood, zijn ogen puilden uit hun kassen en zijn hals was bloeddoorlopen. Het leek alsof hij gestikt was in een schapenbot.
‘Edelachtbaren!’ riep hij uit. ‘Ja, hij staat hier voor u, dit is
Semjon Roebasjkin. Hij is de schrijver van het artikel en degene die geruchten heeft verspreid over de ontbinding van de eerste Doema. Schrijver van het artikel dat werd ondertekend met
slechts twee letters en wel de letters “S. R.”. Waarom twee? vraagt
u. Waarom niet drie? vraag ik. Waarom heeft hij, een zachtaardige
en trouwe zoon, de naam van zijn vader niet vermeld?3 Is dat niet omdat hij maar twee letters nodig had, de “S” en de “R”? Is hij
niet de vertegenwoordiger van de gevreesde en machtige partij?4
Edelachtbaren! U denkt toch zeker niet dat mijn cliënt slechts
een eenvoudig journalistje is, dat zich een onfortuinlijke zin in een
onfortuinlijk artikel heeft laten ontvallen? Nee, edelachtbaren! U
heeft het recht niet hem te beledigen die mogelijk een verborgen
kracht vertegenwoordigt, om het zo maar te zeggen, de kern, zou
ik zeggen, de emotionele essentie van onze grote revolutionaire
beweging.
Zijn vergrijp is onbeduidend, zegt u. Nee! roep ik uit. Nee!
protesteer ik.’
De voorzitter riep de secretaris bij zich en verzocht hem het
publiek uit de zaal te verwijderen. De advocaat nam een slokje
water en vervolgde:
‘U bent op zoek naar helden met witte bontmutsen! U erkent de
eenvoudige harde werkers niet, die zich niet naar voren werpen met
de uitroep “handen omhoog”, maar die heimelijk en anoniem een
grootse beweging aansturen. Had de leider van de berovers van de
Moskouse bank soms een witte bontmuts op? Was er wel een witte
bontmuts op het hoofd van diegene die huilde van vreugde op de
dag van de moord op Van der... Hoe dan ook, ik ben door mijn cliënt
slechts gevolmachtigd om binnen de grenzen van het bekende te
blijven. Maar ook binnen deze grenzen kan ik veel doen.’
De voorzitter verzocht de deuren te sluiten en de getuigen weg
te sturen.
‘U denkt dat een jaar gevangenisstraf een konijntje van deze
leeuw zal maken?’ Hij draaide zich om en wees enkele ogenblik ken op het verwarde, bezwete gezicht van Roebasjkin. Hij deed
alsof hij zich met moeite los kon maken van deze indrukwekkende
aanblik en vervolgende:
‘Nee! Nooit! Hij gaat erin als een leeuw en komt eruit als een
honderdkoppige hydra! Hij zal zich als een boa constrictor om zijn
verbijsterde vijand winden en de botten van de bureaucratische
willekeur zullen meelijwekkend kraken tussen zijn grootse tanden.
Hebben jullie soms Siberië voor hem in petto? Nou, edelachtbaren! Ik zeg niets. Ik vraag u slechts: waar bevindt Gersjoeni5 zich?
Gersjoeni die door u naar Siberië is gestuurd? En waartoe? Kunnen
gevangenisstraf, verbanning, dwangarbeid, marteling (waar overigens bij mijn cliënt om een of andere reden geen gebruik van is
gemaakt), kunnen al deze verschrikkingen ook maar een woord van
bekentenis onttrekken aan zijn trotse lippen of ook maar één naam
van zijn duizenden medeplichtigen? Nee, zo is Semjon Roebasjkin
niet. Hij zal trots het schavot oplopen, hij zal zijn beul trots opzij
duwen en nadat hij tegen de priester heeft gezegd “Ik behoef geen
troost!” zal hij zelf de strop om zijn trotse nek hangen.
Edelachtbaren! Ik zie zijn nobele beeltenis al voor me op de
pagina’s van Het Verleden,6 naast mijn artikel over de laatste minuten van deze grote strijder, die door wijdverbreide geruchten tot
legendarische held van de Russische revolutie gemaakt zal worden.
Ook ik roep zijn laatste woorden uit, die hij zal uitspreken met
de zak al over zijn hoofd: “dood aan het ellendige…”’
De voorzitter ontnam de advocaat het woord. De advocaat verontschuldigde zich en verzocht slechts zijn verklaring te accepteren dat zijn cliënt, Semjon Roebasjkin, volkomen afziet van het
ondertekenen van een gratieverzoek.
* * *
Zonder in beraad te gaan besloot de rechtbank direct de aanklacht
te wijzigen en veroordeelde Semjon Roebasjkin tot ontzegging
van ieder recht op eigendom en tot de doodstraf door middel van
ophanging.
De beklaagde werd bewusteloos de rechtzaal uitgedragen.
* * *
Tijdens het buffet gaf de jeugd de advocaat een luide ovatie. Hij
glimlachte vriendelijk, boog en schudde handen. Nadat hij wat
worstjes had gegeten en een glas bier had gedronken, vroeg hij
de griffier hem een versie van zijn verdedigingsrede op te sturen.
‘Ik houd niet van typfouten,’ zei hij.
In de gang werd hij staande gehouden door een man met een vertrokken gezicht en bleke lippen. Het was een van de vrienden van
Roebasjkin.
‘Is werkelijk alles verloren? Is er geen enkele hoop?’
De advocaat lachte somber.
‘Wat doe je eraan? Het is de nachtmerrie van de Russische werkelijkheid!’
het leven en de kraag
De mens beeldt zich slechts in dat hij onbegrensd heerst over de
dingen. Soms kan het onooglijkste dingetje binnendringen in het
leven, alles ingewikkeld maken en je lot een volkomen andere
wending geven.
Olgaatje Rozova was drie jaar lang de deugdzame echtgenote
van een deugdzaam man. Ze had een kalm en schuchter karakter,
liep niemand voor de voeten, hield veel van haar man en was tevreden met een bescheiden leven. Op een keer ging ze echter naar
de Gostiny Dvor en toen ze de etalage eens goed bekeek, zag ze
een gesteven dameskraag met een geel lintje erdoorheen gestoken.
Als fatsoenlijke vrouw dacht ze eerst: wat hebben ze nou weer
verzonnen! Vervolgens ging ze naar binnen en kocht ze hem.
Thuis paste ze de kraag voor de spiegel. Het bleek dat als je
het lintje niet aan de voorkant, maar aan de zijkant strikte, er iets
onbevattelijks ontstond dat eerder mooi dan lelijk was. Het kraagje
vroeg echter om een nieuw vestje. Van de oude paste geen enkele
erbij. Olgaatje werd de hele nacht door twijfels gekweld, maar ’s
ochtends ging ze naar de Gostiny Dvor en kocht ze een vestje van
het huishoudgeld.
Ze paste alles bij elkaar. Het stond goed, maar de rok verpestte
alles. De kraag vroeg duidelijk en ontegenzeggelijk om een ronde
rok met diepe plooien. Er was geen geld meer over. Maar om nu
halverwege te stoppen…
Olgaatje verpandde enkele zilverstukken en een armband. Ze
voelde zich onrustig en angstig en toen het kraagje vroeg om nieuwe schoenen ging ze in bed liggen en huilde ze de hele avond. De
volgende dag had ze geen horloge meer, maar wel die schoenen
die het kraagje had besteld. ’s Avonds zei ze, bleek en beschaamd,
stotterend tegen haar grootmoeder: ik kom maar voor heel even
binnen. Mijn man is erg ziek. De dokter heeft hem opgedragen
zich elke dag met cognac in te wrijven, maar dat is zo duur. Grootmoeder was goedhartig en al de volgende ochtend kon Olgaatje
een hoed, een riem en handschoenen kopen die pasten bij de aard
van het kraagje.
De dagen die volgden waren nog zwaarder. Ze ging al haar
familie en kennissen af, loog en troggelde geld af en vervolgens
kocht ze een afschuwelijke gestreepte bank, waar zowel zijzelf
onpasselijk van werd, als haar deugdzame echtgenoot en de oude
gluiperige kokkin, maar waar al een aantal dagen door het kraagje om werd gevraagd. Ze begon een eigenaardig leven te leiden.
Niet haar eigen leven. Een kraagjesleven. Het kraagje had een onduidelijke, verwarrende stijl en Olgaatje raakte helemaal de weg
kwijt, terwijl ze hem probeerde te behagen. Als je Engels bent en
je verlangt dat ik soja eet, waarom zit er dan een geel lintje op
je? Waarom deze losbandigheid die ik niet begrijp en die mij een
hellend vlak op duwt?
Als een zwak en karakterloos wezen gaf ze gauw op en zwom
ze mee met de stroom die behendig werd gestuurd door de schurkachtige kraag. Ze liet haar haren knippen, begon te roken en lachte
luid als ze een of andere dubbelzinnigheid hoorde. Ergens diep in
haar ziel flikkerde nog het besef van de rampzaligheid van haar
situatie en soms, ’s nachts of zelfs overdag, als het kraagje in de
was zat, huilde ze en bad ze, maar ze vond geen uitweg. Op een
keer besloot ze zelfs alles aan haar man op te biechten, maar de
keurige vent dacht dat ze een flauwe grap maakte en om haar te
vleien lachte hij er lang om.
Zo werd het erger en erger. U vraagt waarom ze er niet aan gedacht heeft het gesteven prul gewoonweg uit het raam te smijten?
Ze kon het niet. Dat is niet vreemd. Alle psychiaters weten dat
voor neurotische en zwakke mensen sommige moeilijkheden, ondanks al hun kwellingen, onmisbaar worden en dat ze deze zoete
ellende voor geen goud zouden ruilen voor gezonde rust. Zodoende werd Olgaatje zwakker en zwakker in dit gevecht en de kraag
werd sterker en heerste. Op een keer werd ze uitgenodigd voor een
avondje. Voorheen kwam ze nooit ergens, maar nu drapeerde de
kraag zichzelf om haar nek en ging op visite. Daar gedroeg hij zich
zo vrijmoedig dat het onbetamelijk werd en liet haar hoofd naar
links en naar rechts draaien.
Tijdens het avondeten kneep de student, die naast Olgaatje zat,
onder tafel in haar been. Olgaatje bloosde hevig van verontwaardiging, maar de kraag antwoordde:
‘Was dat het?’
Olgaatje hoorde het vol schaamte en ontzetting aan en dacht:
mijn god! Waar ben ik terechtgekomen? Na het avondeten bood de
student aan om haar thuis te brengen. De kraag bedankte en ging
enthousiast akkoord, nog voordat Olgaatje doorhad wat er aan de
hand was. Ze hadden nog niet in het huurrijtuig plaatsgenomen of
de student fluisterde hartstochtelijk:
‘Mijn liefste!’
De kraag reageerde met ordinair gegiechel. Toen omhelsde
de student Olgaatje en kuste haar vol op de mond. Zijn snor was
vochtig en de hele kus ademde een lucht van gemarineerde spiering, die bij het avondeten was geserveerd. Olgaatje moest nog net
niet huilen van schaamte en vernedering, maar de kraag draaide
haar hoofd stoutmoedig en giechelde weer:
‘Was dat het?’
Hierna gingen de student en de kraag naar een restaurant om
naar Roemeense muziek te luisteren. Ze begaven zich naar een
chambre séparée.
‘Maar hier is toch helemaal geen muziek,’ zei Olgaatje verontwaardigd. De student en de kraag sloegen echter helemaal geen
acht op haar. Ze dronken likeur, debiteerden vulgariteiten en kusten elkaar.
Olgaatje kwam ’s ochtends pas thuis. Haar deugdzame echtgenoot deed zelf de deur voor haar open. Hij zag bleek en in zijn
handen had hij de kwitanties van de lommerd, die hij uit Olgaatjes
bureau had gehaald.
‘Waar ben je geweest?’ Haar hele ziel beefde, maar de kraag
trok behendig zijn eigen plan.
‘Waar ik geweest ben? Ik heb met de student rondgehangen!’
De deugdzame echtgenoot wankelde even.
‘Olga! Olgaatje! Wat is er met je? Zeg me, waarom heb je dingen verpand? Waarom heb je geld geleend van de Satovs en de
Janins? Waar heb je het geld gelaten?’
‘Het geld? Dat heb ik over de balk gesmeten!’ En terwijl ze
haar handen in haar zakken stak, floot ze luid, wat ze vroeger helemaal niet kon. Ja, en kende ze die dwaze uitdrukking ‘over de balk
smijten’ wel? Had zij dat gezegd?
De deugdzame echtgenoot ging bij haar weg en liet zich overplaatsen naar een andere stad. Maar het treurigst van alles is dat
juist de dag na zijn vertrek de kraag wegraakte in de was.
Zachtaardig Olgaatje werkt bij de bank. Ze is zo fatsoenlijk
dat ze zelfs moet blozen bij de woorden ‘de kust van’ omdat het
lijkt op ‘de kus van’. En waar is de kraag? vraagt u. Weet ik het,
antwoord ik. Hij is aan de wasvrouw gegeven; vraagt u het haar.
Ach, het leven!
wilskracht
Ivan Matveïtsj liet zijn lippen treurig een beetje open hangen en
keek onderdanig en weemoedig toe hoe het doktershamertje veerkrachtig tegen zijn dikke flanken tikte.
‘Ja,’ zei de dokter en deed een paar stappen achteruit. Geen
alcohol meer voor u, zo. Drinkt u veel?’
‘Eén glaasje voor het ontbijt en twee voor de lunch. Cognac,’
antwoordde de patiënt treurig en eerlijk.
‘Ja… Daar zult u mee moeten ophouden. Waar hebt u uw lever
zitten? Kunt u wel?’
Ivan Matveïtsj keek naar de plek die de dokter aanwees, zag zijn
dikke flank, bloot en onbeschermd, en zuchtte zonder iets te zeggen.
‘Maar dat stelt natuurlijk niets voor,’ vervolgde de dokter.
‘Aangezien u wilskracht heeft, zal het u natuurlijk geen enkele
moeite kosten om te stoppen met deze gewoonte.’
‘Ja, als er iets is waar ik meer dan genoeg van heb, dan is het
wilskracht!’
‘Uitstekend. Ik zal u wat poeders voorschrijven; neemt u die zo
twee weken in en komt u dan weer langs. Dank u wel, dank u wel,
u maakt zich onnodig zorgen.’
Ivan Matveïtsj liep over straat en dacht: mijn lever zit niet op
zijn plek. Niet op zijn eigen plek. Dat ziet er slecht uit. Maar als
je wilskracht hebt, kun je alles overwinnen – je lever en andere
dingen. En ik heb juist vandaag de fles opgemaakt. Dan moet het
wel voorbestemd zijn.
Op de hoek van de straat van zijn huis keek Ivan Matveïtsj geboeid naar binnen bij de kruidenier. Wat hebben ze hier? Likeuren.
Maar wie, vraag je je af, wil er nou likeur op een nuchtere maag?
Dat hebben ze mooi uitgestald, idioten. En wat is dit? Cognac!
Mij kun je toch niet verleiden. Wie wilskracht heeft, broeder, heeft
niets te vrezen. Ik zal mezelf zelfs overtreffen: ik ga naar binnen,
koop de fles en neem hem mee naar huis. Ja! Zo! Want als je wilskracht hebt…
Toen hij thuiskwam, borg hij de cognac meteen op in de buffetkast en ging lunchen. Hij schonk wat soep in en dacht na: ik heb de
fles in de buffetkast gezet… Nee, ik zal mezelf overtreffen: ik zet
hem op tafel, dat doe ik. Ik zet hem op tafel en maak hem nog open
ook. Want, broeder, als je wilskracht hebt, kun je zelfs een glaasje
recht voor je neus neerzetten en je geeft geen kik.
Hij opende de fles. Ging weer zitten, keek er even naar en dacht
na. Hij roerde wat met zijn lepel in zijn soep en besloot plotseling:
nee, ik overtref mezelf: ik schenk gewoon een glaasje in. Sterker
nog! Ik drink zelfs één glaasje, dat doe ik. Waarom niet? Als je
wilskracht hebt en je op elk moment kunt stoppen, is het zelfs
aangenaam om jezelf een beetje op de proef te stellen. Hij dronk
een glaasje, sperde zijn ogen open, keek verbaasd om zich heen,
nam twee lepels soep en zei vastberaden: nee ik overtref mezelf:
ik drink een tweede glaasje.
Hij dronk het tweede glaasje, grijnsde, knipoogde en dacht: ik
overtref mezelf. Ik doe wat ik nog nooit gedaan heb: ik drink een
derde glaasje. Het zou ook vreemd zijn om dat niet te doen. Ten
eerste is het aangenaam – dat is één. Ten tweede, als ik wilskracht
heb en ik altijd op tijd kan stoppen, wat valt er dan te vrezen?
Waarom zou ik, bijvoorbeeld, niet een vierde glaasje kunnen nemen? Ik overtref mezelf: ik drink twee glaasjes op rij, dat doe ik.
En vervolgens geef ik opdracht nog wat cognac te laten brengen.
Zo. Want als je wilskracht hebt…
’s Avonds was een vriend die even langskwam, onbeschrijfelijk verbaasd door het tafereel dat hij aantrof: Ivan Matveïtsj zat op
de grond in de eetkamer, keek strak naar de tafelpoot, dreigde hem
met zijn vinger en sprak gepassioneerd, verstandig en duidelijk:
‘Misschien heb jij het niet in je, broeder, maar ik wel! Ik ben dronken geworden – dat onderken ik. Sterker nog, ik zal mezelf overtreffen: ik word vanaf nu elke dag dronken. En waarom? Omdat
als een mens wilskracht tot zijn beschikking heeft... wils-kracht,
dan kan hij drinken en hoeft hij niets te vrezen. En ik, broeder, heb
wilskracht en aangezien ik wilskracht heb, volgt dat…
Vertaling Catharina Kruiger
1 Eerste Doema: Russisch parlement dat door tsaar Nicolaas II werd
gevormd in 1906 als reactie op grootschalige protesten en de roep om
democratie.
2 Vena: bekend restaurant in Sint-Petersburg waar veel schrijvers, journalisten en artiesten kwamen.
3 ‘De naam van zijn vader niet vermeld’: het is in het Russisch gebruikelijk te ondertekenen met naam, achternaam en patronymicum, bijvoorbeeld Semjon Vasiljevitsj Roebasjkin.
4 Vertegenwoordiger van de gevreesde en machtige partij’: de advocaat
doelt op de partij van socialisten-revolutionairen, afgekort ‘S.R.’ Deze
partij schuwde terreur en geweld niet.
5 Gersjoeni: één van de oprichters van de socialistisch-revolutionaire partij; speelde een belangrijke rol in de aanslag op minister van binnenlandse zaken Dmitri Sipjagin in 1902.
6 Het Verleden: historisch tijdschrift gewijd aan de geschiedenis van de
revolutionaire beweging in Rusland; verscheen in de jaren 1900-1904 in
Londen en Parijs en vanaf 1906 ook in periodes in Sint-Petersburg.