Afgezien van de ondertitel, die suggereert dat
het over de metro gaat (waarom niet gekozen
voor het eenduidige en gebruikelijke ‘ondergrondse pers’) is dit een prijzenswaardig boek.
Het schetst de geschiedenis van de samizdat,
de ‘zelfuitgeverij’, die opkwam na de dood van
Stalin en teksten publiceerde die niet mochten
verschijnen in het officiële circuit, aangezien
de staat doodsbang was voor kritische geluiden, die afbreuk zouden kunnen doen aan de
macht van de communistische partij. De samizdat heeft bestaan zolang als de Sovjet-Unie
bestond. Toen deze uit elkaar viel en ook de
censuur verdwenen was, was de samizdat dat
direct ook. Iedere uitgave was nu immers legaal en ook al zou je de productie van de honderden (privé-)uitgeverijen die in het begin
van de jaren negentig als paddenstoelen uit de
grond schoten ook min of meer als samizdat
kunnen beschouwen, het was geen verboden
literatuur. Het begrip ‘samizdat’ verbinden we
daar altijd wel mee.
Waegemans begint zijn bespreking van de
samizdat met een nuttige schets van de censuur
die er altijd in Rusland is geweest. Die had nog
wel wat langer mogen zijn, want wat is er niet
allemaal verboden in de Russische literatuur en
hoeveel schrijvers zijn er niet vervolgd, maar
wordt misschien later uitgewerkt tot een apart
boek. Hier dient de inleiding over de censuur
als aanzet tot en achtergrond bij het specifieke onderwerp van het boek: de samizdat zoals
die ontstond en zich ontwikkelde in de laatste
decennia van het bestaan van de Sovjet-Unie.
Het beginpunt van de samizdat ligt in de
periode van de ‘dooi’, tijdens het in vergelijking met de Stalintijd betrekkelijk liberale bewind van Chroesjtsjov. In zijn ‘geheime’
redevoering op het twintigste partijcongres
in 1956 nam Chroesjtsjov afstand van de excessen van de Stalinterreur en liet honderdduizenden onterecht veroordeelden, onder
wie veel schrijvers, terugkeren uit de goelag.
Dat betekende niet dat er nu plotseling veel
was toegestaan. Wie dat als een van de eersten ondervond was Boris Pasternak, die zijn
roman Dokter Zjivago niet in eigen land kon
publiceren en daarom in Italië liet verschijnen
(1957). De haatcampagne die er in de Sovjet-Unie vervolgens tegen hem werd gericht
was ongekend, Pasternak werd zelfs gedwongen de Nobelprijs te weigeren. Een paar jaar
later werd overigens wel toestemming gegeven Solzjenitsyns korte roman Eén dag van
Ivan Denisovitsj (1962) officieel te publiceren, het eerste literaire werk over de goelag,
dat een enorm succes had. De literaire teugels
bleven echter strak, heel veel was verboden,
maar zocht toch een publiek.
Dat de samizdat ontstond is, meent Waegemans, te verklaren door twee factoren: het
idee dat er het een en ander kon en je dus
niet, zoals in de Stalintijd, onmiddellijk werd
afgevoerd naar een kamp of geëxecuteerd,
en het verschijnen van schrijfmachines in de
Sovjetwinkels. Die maakten het mogelijk met
behulp van carbonpapier teksten te maken in
vijf tot zes doorslagen, die aan anderen door te
geven, die ze dan zelf weer overtikten en verder verspreidden. Op die manier kwamen ze
ook in handen van mensen die ze meesmokkelden naar het Westen. Als de teksten interessant
genoeg waren werden ze daar gedrukt – vaak
door uitgeverijen in handen van Russische
emigranten, zoals Possev Verlag in Frankfurt
am Main – en vervolgens weer teruggesmokkeld naar de Sovjet-Unie. Dankzij de ‘tamizdat’ (letterlijk daaruitgeverij) werd er toch veel
bekend van de Russische literatuur die in de
Sovjet-Unie zelf verboden was.
De samizdat betrof niet alleen literaire teksten. Waegemans geeft een goede schets van de
vele samizdattijdschriften die er vooral in de
jaren zestig en zeventig ontstonden en waarvan
er een aantal politiek en maatschappelijk was
gericht. Het bekendste daarvan was Chronika
tekoejtsjich sobytij (‘Kroniek van de lopende
gebeurtenissen’), dat geruime tijd (1968-1983)
heeft bestaan en als de redacteuren ervan werden gearresteerd steeds weer nieuwe medewerkers wist te vinden die het werk voortzetten.
Chronika hield zorgvuldig bij wat er allemaal
gebeurde in het ondergrondse circuit en wie er
allemaal werden gearresteerd omdat ze verboden geschriften publiceerden of verspreidden,
of actief waren in organisaties als de Beweging van de Rechten van de Mens. De dissidenten
waren lang niet allemaal schrijvers, er zaten
veel geleerden onder (denk aan Sacharov) en
domweg mensen die genoeg hadden van de
Sovjetideologie en in vrijheid wilden leven.
Ondanks de negatieve publiciteit die de
Sovjet-Unie in het Westen kreeg door de vervolging van andersdenkenden bleef de staat
streng tegen hen optreden. Veel ophef maakte
het proces tegen de schrijvers Andrej Sinjavski
en Joeli Daniël, die hun werk in het buitenland
hadden laten verschijnen zonder daarvoor toestemming te vragen en vervolgens tot jaren
kampstraf werden veroordeeld. Anderen, zoals
Solzjenitsyn, werden gedwongen het land uitgezet of werd te verstaan gegeven dat ze maar
beter konden vertrekken voordat er ernstiger
maatregelen tegen hen genomen zouden worden. Op die manier zijn velen in het Westen
terecht gekomen.
In zijn Samizdat geeft Waegemans een
goed beeld van de ondergrondse pers in de
Sovjet-Unie in de jaren zestig tot tachtig. Die
ondergrondse pers heeft, in haar voortdurende
strijd voor de vrijheid en tegen de ideologische dwang, zonder twijfel veel bijgedragen
aan het uiteenvallen van het Sovjetrijk en het
verdwijnen van het communisme. Het nieuwe
Rusland onder Poetin wordt weliswaar net zo
dictatoriaal bestuurd als eerder de Sovjet-Unie,
maar kent geen allesoverheersende ideologie.
Men kan denken en tot op zekere hoogte ook
schrijven wat men wil. Aan literatuur, ‘echte’
literatuur, die toch nauwelijks iemand meer
leest, worden geen eisen gesteld en ze kan vrij
worden gepubliceerd. En wie het niet bevalt
in eigen land wordt geen strobreed in de weg
gelegd elders in de wereld zijn heil te zoeken.
Dat hebben inmiddels tallozen gedaan. Dissidenten zijn er daarom nauwelijks meer in Rusland. En wie het toch waagt, zelfs uit het buitenland terugkeert om het dictatoriale bewind
aan te klagen, wordt vermoord.
Willem G. Weststeijn