Recensies en signalementen




Emmanuel Waegemans, Samizdat. Geschiedenis van de Russische ondergrondse. Manteau, Antwerpen 2024. 255 blz.


Afgezien van de ondertitel, die suggereert dat het over de metro gaat (waarom niet gekozen voor het eenduidige en gebruikelijke ‘ondergrondse pers’) is dit een prijzenswaardig boek. Het schetst de geschiedenis van de samizdat, de ‘zelfuitgeverij’, die opkwam na de dood van Stalin en teksten publiceerde die niet mochten verschijnen in het officiële circuit, aangezien de staat doodsbang was voor kritische geluiden, die afbreuk zouden kunnen doen aan de macht van de communistische partij. De samizdat heeft bestaan zolang als de Sovjet-Unie bestond. Toen deze uit elkaar viel en ook de censuur verdwenen was, was de samizdat dat direct ook. Iedere uitgave was nu immers legaal en ook al zou je de productie van de honderden (privé-)uitgeverijen die in het begin van de jaren negentig als paddenstoelen uit de grond schoten ook min of meer als samizdat kunnen beschouwen, het was geen verboden literatuur. Het begrip ‘samizdat’ verbinden we daar altijd wel mee.

Waegemans begint zijn bespreking van de samizdat met een nuttige schets van de censuur die er altijd in Rusland is geweest. Die had nog wel wat langer mogen zijn, want wat is er niet allemaal verboden in de Russische literatuur en hoeveel schrijvers zijn er niet vervolgd, maar wordt misschien later uitgewerkt tot een apart boek. Hier dient de inleiding over de censuur als aanzet tot en achtergrond bij het specifieke onderwerp van het boek: de samizdat zoals die ontstond en zich ontwikkelde in de laatste decennia van het bestaan van de Sovjet-Unie.

Het beginpunt van de samizdat ligt in de periode van de ‘dooi’, tijdens het in vergelijking met de Stalintijd betrekkelijk liberale bewind van Chroesjtsjov. In zijn ‘geheime’ redevoering op het twintigste partijcongres in 1956 nam Chroesjtsjov afstand van de excessen van de Stalinterreur en liet honderdduizenden onterecht veroordeelden, onder wie veel schrijvers, terugkeren uit de goelag.

Dat betekende niet dat er nu plotseling veel was toegestaan. Wie dat als een van de eersten ondervond was Boris Pasternak, die zijn roman Dokter Zjivago niet in eigen land kon publiceren en daarom in Italië liet verschijnen (1957). De haatcampagne die er in de Sovjet-Unie vervolgens tegen hem werd gericht was ongekend, Pasternak werd zelfs gedwongen de Nobelprijs te weigeren. Een paar jaar later werd overigens wel toestemming gegeven Solzjenitsyns korte roman Eén dag van Ivan Denisovitsj (1962) officieel te publiceren, het eerste literaire werk over de goelag, dat een enorm succes had. De literaire teugels bleven echter strak, heel veel was verboden, maar zocht toch een publiek.

Dat de samizdat ontstond is, meent Waegemans, te verklaren door twee factoren: het idee dat er het een en ander kon en je dus niet, zoals in de Stalintijd, onmiddellijk werd afgevoerd naar een kamp of geëxecuteerd, en het verschijnen van schrijfmachines in de Sovjetwinkels. Die maakten het mogelijk met behulp van carbonpapier teksten te maken in vijf tot zes doorslagen, die aan anderen door te geven, die ze dan zelf weer overtikten en verder verspreidden. Op die manier kwamen ze ook in handen van mensen die ze meesmokkelden naar het Westen. Als de teksten interessant genoeg waren werden ze daar gedrukt – vaak door uitgeverijen in handen van Russische emigranten, zoals Possev Verlag in Frankfurt am Main – en vervolgens weer teruggesmokkeld naar de Sovjet-Unie. Dankzij de ‘tamizdat’ (letterlijk daaruitgeverij) werd er toch veel bekend van de Russische literatuur die in de Sovjet-Unie zelf verboden was. De samizdat betrof niet alleen literaire teksten. Waegemans geeft een goede schets van de vele samizdattijdschriften die er vooral in de jaren zestig en zeventig ontstonden en waarvan er een aantal politiek en maatschappelijk was gericht. Het bekendste daarvan was Chronika tekoejtsjich sobytij (‘Kroniek van de lopende gebeurtenissen’), dat geruime tijd (1968-1983) heeft bestaan en als de redacteuren ervan werden gearresteerd steeds weer nieuwe medewerkers wist te vinden die het werk voortzetten.

Chronika hield zorgvuldig bij wat er allemaal gebeurde in het ondergrondse circuit en wie er allemaal werden gearresteerd omdat ze verboden geschriften publiceerden of verspreidden, of actief waren in organisaties als de Beweging van de Rechten van de Mens. De dissidenten waren lang niet allemaal schrijvers, er zaten veel geleerden onder (denk aan Sacharov) en domweg mensen die genoeg hadden van de Sovjetideologie en in vrijheid wilden leven.

Ondanks de negatieve publiciteit die de Sovjet-Unie in het Westen kreeg door de vervolging van andersdenkenden bleef de staat streng tegen hen optreden. Veel ophef maakte het proces tegen de schrijvers Andrej Sinjavski en Joeli Daniël, die hun werk in het buitenland hadden laten verschijnen zonder daarvoor toestemming te vragen en vervolgens tot jaren kampstraf werden veroordeeld. Anderen, zoals Solzjenitsyn, werden gedwongen het land uitgezet of werd te verstaan gegeven dat ze maar beter konden vertrekken voordat er ernstiger maatregelen tegen hen genomen zouden worden. Op die manier zijn velen in het Westen terecht gekomen.

In zijn Samizdat geeft Waegemans een goed beeld van de ondergrondse pers in de Sovjet-Unie in de jaren zestig tot tachtig. Die ondergrondse pers heeft, in haar voortdurende strijd voor de vrijheid en tegen de ideologische dwang, zonder twijfel veel bijgedragen aan het uiteenvallen van het Sovjetrijk en het verdwijnen van het communisme. Het nieuwe Rusland onder Poetin wordt weliswaar net zo dictatoriaal bestuurd als eerder de Sovjet-Unie, maar kent geen allesoverheersende ideologie.

Men kan denken en tot op zekere hoogte ook schrijven wat men wil. Aan literatuur, ‘echte’ literatuur, die toch nauwelijks iemand meer leest, worden geen eisen gesteld en ze kan vrij worden gepubliceerd. En wie het niet bevalt in eigen land wordt geen strobreed in de weg gelegd elders in de wereld zijn heil te zoeken. Dat hebben inmiddels tallozen gedaan. Dissidenten zijn er daarom nauwelijks meer in Rusland. En wie het toch waagt, zelfs uit het buitenland terugkeert om het dictatoriale bewind aan te klagen, wordt vermoord.

Willem G. Weststeijn




<

TSL 97

>