Geschokt door de orkaan van de oorlog wankelde de wereld, dronken van bloed.
Over de zeeën en oceanen zwierven de kruisers en dreadnoughts, spuwden donder en vuur. Achter de schepen slopen onderzeeërs en mijnenleggers, bezaaiden de watermassa’s overvloedig met de graankorrels van de dood.
Vliegtuigen en zeppelins vlogen naar het westen en het oosten,
vlogen naar het zuiden en het noorden. Uit bewolkte hoogtes gooide de hand van de piloot gloeiende kolen in de bijenkorven van de
mensenverzamelingen, in de kampvuren van de steden.
Over de zandvlaktes van Syrië en Mesopotamië, over de door
loopgraven doorploegde velden van Champagne en de Vogezen
kropen tanks, vernietigden op hun weg al het levende.
Van de Baltische landen tot de Zwarte Zee en van Trapesunt tot
Bagdad klonken zonder ophouden de hamerslagen van de oorlog.
Het water van de Rijn en de Marne, de Donau en de Neman
was troebel van het bloed van de oorlogvoerende volken.
België, Servië en Roemenië, Galicië, Boekovina en het Turkse
Armenië waren omvat door de vlammen van brandende dorpen en
steden. De wegen… Over de door bloed en tranen doorweekte wegen gingen de troepen, de artillerie, de konvooien, de lazaretten,
de vluchtelingen.
Onheilspellend – met bloedrode glinsteringen – liep het jaar
negentienzestien ten einde.
De sikkel van de oorlog sneed de aren van het leven af.
De kerken en moskeeën, de protestantse en katholieke kerken
waren overvol met wenende, treurende, steunende, op de grond
uitgestrekte mensen.
Legertreinen rolden met brood, vlees, bedorven conserven,
slecht gemaakte schoenen, kanonnen, granaten… En dit alles werd
opgeslokt door het front, versleten, stukgescheurd, verschoten.
In de klauwen van honger en kou kromden zich de steden, tot
aan de hemel klonk het gesteun van de dorpen, maar zonder ophouden dreunden de kanonnen van de oorlog en brulde toornig het
geschut, het gejammer van de stervende kinderen en het huilen van
de vrouwen en moeders overstemmend.
Het leed was te gast, en de rampen nestelden in de dorpen van
Tsjetsjenië en onder het dak van het Oekraïense boerenhuis, in de
kozakkennederzettingen en in de stulpjes van de arbeidersvoorsteden. De boerin weende, terwijl ze achter de ploeg over de akker
liep. De stadsbewoonster weende, het hoofd op het doodsbericht,
waarop – achter de dierbare naam – het vreselijke woord ‘gesneuveld’ brandde. De Vlaamse vissersvrouw weende, met smart kijkend naar de zee, die de zeeman had verslonden. In een vluchtelingenkamp weende – onder een wagen – een vrouw uit Galicië
boven het koud wordende lijk van haar kind. Aanhoudend wervelden de kreten omhoog bij de rekruteringsplaatsen, de kazernes
en op de stations van Toulon, Koersk, Leipzig, Boedapest, Napels.
Boven de hele wereld waaiden de vaandels van het leed en, als
de weerschijn van een enorm vuur, stond er een muur van gesteun,
gloeiden loodzware, de ziel verscheurende kreten van wanhoop…
En alleen in de van goud flonkerende paleizen – Moskou, Parijs en Wenen – schitterde de muziek, vlamde de dronken vrolijkheid en jubelde de losbandigheid.
‘Oorlog tot aan de overwinning!’
Hoge militairen en banktycoons lieten eensgezind de bokalen
met schuimende wijn klinken.
‘Oorlog tot aan de overwinning!’
Maar daar, op de velden, veegden vurige bezems alles als vuil
in de massagraven: de Hamburgse sjouwers en de mijnwerkers
van de Donbas, de nomaden van Arabië en de landarbeiders van
de oever van de Ganges, de dokwerkers uit Liverpool en de Hongaarse herders, proletariërs van allerlei rassen, stammen en talen,
en de akkerbouwers, die in het zweet des aanschijns op de grond
van hun vaders en grootvaders het dagelijks brood wonnen.
Kruisen en graven, graven en kruisen.
De Balkan, Koerdistan, de dalen van de Karpaten, de schoot
van de Poolse aarde, de forten van Verdun en de heuvels langs de
Maas waren volgestopt met soldatenvlees.

Beenlozen, armlozen, ooglozen, doven en stommen, waanzinnigen
en halfdoden belegerden de drempels van de kanselarijen en
liefdadigheidinstellingen of kropen, hompelden, rolden in wagentjes
door de straten van Berlijn en Petrograd, Marseille en Constantinopel.
In de mijnen van de Ruhr en van Krivoj Rog, in de ertsgroeven
van Siberië en in de chemische fabrieken van Duitsland werd het
allerzwaarste werk gedaan door krijgsgevangenen. Krijgsgevangenen verkommerden in kampen achter prikkeldraad, sloten de
rekening van hun leven af onder de knoet van de bewakers en de
korporaals, stierven in de barakken van heimwee, honger, tyfus.
De lazaretten… Schuilplaatsen van leed, toevluchtsoorden van
lijden… Verminkten, bevrorenen, geshellshockten, door gas vergiftigden – met versplinterde botten en stinkende wonden – wentelden zich in koorts op de ziekenhuisbedden en de operatietafels,
waar het bloed zich vermengde met etter, snikken met vloeken,
gesteun met gebeden voor de wezen en wanhoop met de in rook
opgegane hoop!
Het land was dronken van leed.
De schaduw van de dood cirkelde rond boven de hongerende
steden en verarmde dorpen. Bij de meisjes verkilden de niet gekuste borsten, troebel en onrustig was de slaap van de vrouwen.
De kinderen, hees van het huilen, sliepen in aan de lege borsten
van hun moeders.
De oorlog verslond de mensen, het brood, het vee.
In de steppen werden de kuddes paarden en schapen steeds
kleiner.
Onkruid overwoekerde de verwaarloosde velden, sneeuwstormen overdekten het door de herfststormen platgeslagen, niet geoogste graan.
Over de straten kropen en reden de eerste dakloze kinderen de
wijde wereld in.
De industrie stokte – er was een gebrek aan energie, grondstoffen, arbeidskrachten – fabrieken en werkplaatsen sloten.
Het transport haperde – de voorraadschuren van Siberië en
Turkestan zaten vol koren, maar het koren rotte weg en er waren
geen vervoermiddelen; in de Kalmukse en Kazachstaanse steppen
lagen onder de blote hemel bergen van voor het leger bestemd
vlees; wormen vraten het vlees, honden maakten hun nesten in het
vlees en brachten hun jongen erin groot.
Brieven van het front…
‘Mijn onschatbare echtgenote!
Ik maak een diepe buiging voor je en groet alle verwanten. Ik ben, God zij dank, nog levend en gezond. Vasili
Rjazantsev is gesneuveld bij het Turkse fort Baiburt. Ivan
Prochorovitsj is zwaar gewond, zijn hele kaak is kapotgeschoten, hij zal niet lang meer leven. Sjmaroga is dood. Ilkosjka Kostytsjev is dood; ga naar de boerderij en meld het
zijn moeder Feona. Bij zwager Grigori, met wie ik samen de
strijd ben ingegaan, is twee pond vlees uit zijn heup gerukt,
we benijden hem, ze hebben hem om te herstellen naar het
achterland gebracht, voor het zaaien zal hij wel in de nederzetting verschijnen.
Alleen Polikasjka loopt bij ons te dansen, hij heeft een
nieuw kruis gekregen en de epauletten van sergeant-majoor,
zegt: ‘Ik blijf nog honderd jaar vechten.’ Nou ja, tot het eerste gevecht, anders laten we hem, die klootzak, wel een toontje lager zingen.
Pas op, Marfinka, dat je daar zonder mij niets uithaalt,
waak over de eer van je man en blijf rein. Jouw brief lees ik
ieder uur en iedere minuut. Ik verzorg mijn paard, ga naar de
aarden hut, ga liggen – en lees. Als ’s nachts mijn hart pijn
doet haal ik je brief uit mijn zak – en lees.
Horen jullie in de Koeban niet iets over vrede? De soldaten vragen elkaar met bittere troosteloosheid: ‘Waarvoor
vergieten we ons bloed, bederven onze gezondheid en laten
we, jong, het leven in een of ander vervloekt stom oord? Dit
is allemaal zinloos…’
Dit onderteken ik
Maksim Koezjel
Vrouwentranen wisten het kriebelschrift van de van het front gestuurde brieven en menig bevende hand zette een kaars voor de
icoon om redding af te smeken voor de verwanten en de stervenden.
En daar – op de verre velden – lag de jeugd in sneeuw en storm.
In hitte en kou, tot aan het middel in de sneeuw en tot aan
de nek in de modder, vielen de soldaten aan, trokken de soldaten terug, leefden de soldaten in holen in de grond, bevroren in
open lucht in de loopgraven. Granaatscherven en kogels troffen de
frontstrijder in het gevecht, in de rust, tijdens de slaap, in de latrine. Ergens, binnen de muren van de staf, pende de hand van een
generaal: ‘Aan de commandant van het Sumy-infanterieregiment.
Heden, de vijfde januari geef ik het bevel om twaalf uur ’s nachts
met de kracht van het hele regiment de tegenstander aan te vallen
op de aan u toevertrouwde sector. Direct melding maken van de
resultaten van de operatie.’ En daar vloog in het holst van de nacht
door de loopgraven en de holen het bevend gefluisterde commando: ‘Gereedmaken voor de aanval’. De mensen pakten hun geweren, snoerden de gordels met de zware patroontassen vast. De een
sloeg haastig een kruis, de ander fluisterde een gebed, weer een
ander liet een harde vloek horen door zijn opeengeklemde tanden.
Door smalle doorgangen rukte het regiment op naar de voorste lijn
van de loopgraven en op het bevel: ‘Met God, ten aanval!’ klommen
de mensen op de borstwering, kropen over het met granaattrechters
doorploegde veld. Een stortvloed van lood en een windhoos van
uitbarstend staal kwam als een hagelbui neer op het regiment dat
ten aanval trok. Onder de voeten dreunde en steunde de aarde. In
het spookachtige licht van de neerkomende cascade blauwe lichtkogels kropen, renden, vielen, stortten ze neer met van angst vertrokken gezichten… Een gloeiende kogel kletste tegen de neus van
de visser Ostap Kalajdu – en zijn witte huisje aan de oever van de
zee, dichtbij Taganrog, was meteen verweesd. De bankwerker Ignat
Lysatsjenko uit Sornovo viel en begon te reutelen, te schokken –
zijn vrouw en drie kleine kinderen zullen omkomen van ellende. De
jonge vrijwilliger Petja Kakoerin, door de ontploffing van een mijn
samen met een klomp bevroren aarde omhooggegooid, viel in een
kuil als een afgebrande lucifer – dat zal een vreugde zijn voor zijn
bejaarde ouders in het verre Barnaoel als het bericht over hun zoon
hen bereikt. De reus Joechan sloeg met zijn hoofd tegen de harde
grond en bleef liggen – hij zal niet meer met zijn bijl zwaaien en
liedjes zingen in het bos. Naast Joechan viel de pelotonscommandant vaandrig Andriëvski, ook hij was voor iemand dierbaar, en ook
hij was opgegroeid in moederliefde. Voor de voeten van de Siberische jager Aleksej Sedych rolde een sissende granaat, en de hele
garve van de ontploffing trof hem in zijn buik – hij brulde, stortte
neer, met krachteloos uitgestrekte armen, die eens de muil van een
beer hadden opengescheurd. Doorzeefd door het mitrailleurvuur
hingen in het spinrag van het prikkeldraad de dorpsgenoten Karp de
Grote en Karp de Kleine – als de lente komt zal de steppe blauwig
dampen, maar de slaap van de akkerbouwers in het massagraf zal
diep zijn… De stafgeneraal sliep en hoorde niet het gebonk van de
van angst brekende harten, noch het gesteun dat het slagveld vulde.
Stromen van vuur en staal overspoelden de continenten van de
legers.
Mobilisatiebevelen kleefden aan de schuttingen; in de dorpen
werden ze verkondigd in de kerken en op de marktpleinen.
Er kwamen industriearbeiders en kleine beambten, dorpsartsen en onderwijzers van volksscholen, er kwamen vaandrigs die
versneld waren opgeleid en studenten die nog niet waren afgestudeerd, kinderen van de velden en van de randen van de steden; er kwamen meesters en leerlingen, modewinkelbediendes en
messentrekkers; er kwamen bebaarde familievaders, er kwamen
jongens rechtstreeks van de schoolbanken; er kwamen gezonden,
krachtigen, schreeuwers; invaliden gingen terug naar het front, de
oorlog rukte de bruidegom uit de armen van de bruid, scheidde de
ene broer van de andere, haalde bij de moeder haar zoon weg, bij
de vrouw haar man, bij de kinderen hun vader en broodwinner.
Oorlog, oorlog…
Onder het gejank en gekrijs van de harmonica
gingen de harten tekeer
snerpten de stemmen
Berk, o mooie berk
Die ik zo bemin.
Heb medelijden, meisjes,
We gaan de oorlog in.
Teugelloos, haveloos, schreeuwend zwermden ze over de straten,
braken de gevlochten omheiningen en schuttingen stuk, sloegen
ruiten in, dansten, huilden, blèrden wanhopige liedjes:
De doodsklok luidde
Boven mijn hoofd,
Mijn liefje huilde,
Mijn moedertje is beroofd.
‘Ga maar los, jongens… Onze laatste dagen… Ga maar los, verdedigers van de tsaar, het geloof en het vaderland!’
‘Tsaar? Vaderland?... Laat me die woorden niet meer horen…
Ik ben
daar geweest, heb alles meegemaakt. Jouw woorden zijn
voor mij als een stok voor een hond.’
‘Gaat het heel erg worden, broertje?’
‘Ja, broer.’
De ene broer keek naar de ander,
Ze schudden met hun hoofd.
Ze zijn verdwenen, ja verdwenen,
Jouw en mijn hoofd…
Petroecha schudde de vrouw van zich af die aan zijn arm hing,
sloeg de harmonica in tweeën, smeet de helft in de hoek van zijn
hut, begon een hurkdans.
‘Duitsland gaat eraan!’
‘Rustig maar,’ probeerde zijn vrouw, blind van tranen, hem tot
bedaren te brengen, ‘rustig maar, kregelkop.’
‘Raak me niet aan, ik behoor nu toe aan de staat.’
Een oude vrouw, met een gezicht als de beschimmelde binnenkant van een noot, strekte haar vaalbleke armen uit.
‘Grisjenka, laat me je omarmen voor de laatste keer.’
‘Treur niet, omaatje, ook in de oorlog gaat niet iedereen dood.’
‘Mijn hart doet pijn… Grisjenka, mijn lieve kleinzoon… Bid
tot de kerk, lieve schat.’
‘Schoonvader, gegroet!’
‘Het beste.’
‘De oorlog…’
‘Ach, ik denk dat er geen einde aan komt.’
‘Ik wankel niet van de wijn, maar van de ellende.’
‘Grisjoetka, word niet dronken als je in dienst bent, gehoorzaam je commandanten…’
‘Laat toch, laat toch, omaatje.’
De laatste omhelzingen, de laatste kussen.
En ver achter de omheining, in de stomme velden, verstomden
geleidelijk de woeste liedjes, de kreten, de weeklachten.
En lang nog huilde achter het dorp, neergevallen op een
sneeuwhoop, de moeder: ‘De laatste… De laatste… Ach… Het
was beter geweest als ik een steen gebaard had, die zou thuis liggen. Mijn God! Aljosjenka, mijn lieve bloempje! Had de tsaar er
dan nog niet genoeg dat hij jou ook haalde?’
De wind geselde de zwarte zoom van haar rok, blies de onder
haar hoofddoek uitkomende haren uiteen.
‘Ze hebben de laatste weggehaald… En hij is nog niet eens
volwassen… De laatste…! Ach, ach… Mijn zoontjes, mijn arme
schaapjes…’
Maar de zonen hoorden hun moeders niet, en alleen uit een ver
ravijn beantwoordden de wolven met gehuil haar snikken.
Over de wegen van de Koeban en de Don, over de heerbanen
en veldwegen van de landen van Rjazan en Vladimir, over de
stroompjes van Karelië, over de bergpaden van de Kaukasus en
de Altaj, over de verre tajgawegen van Siberië – overal, over duizenden wersten, in hitte en vorst, door de modder en in wolken
van stof – liepen, reden, voeren, galoppeerden ze, baanden ze
zich een weg naar de spoorlijnen, in de steden, naar de rekruteringscentra.
In de wachtkamers – hartstocht en angst, bergen leed, uitgelaten bravoure en hard gevloek.
De naakt uitgeklede rekruten werden het een en ander gevraagd door de legerklerken, inderhaast betast en beluisterd door
de doktoren.
‘Goedgekeurd. De volgende.’
De rekruten trokken loten.
‘Voorhoofd!’
Een langverband beroepsonderofficier knipte bij de rekruut
met een schaar een flinke pluk haar af.
‘Voorhoofd!’
Op de vastgestampte grond lagen haren in allerlei kleuren, die
gisteren nog door een liefhebbende hand gestreeld en gekamd waren.
Uit de opvangruimte vlogen de rekruten naar buiten, als uit
het badhuis, bezweet, met hun lotnummers scheef op hun mutsen
bevestigd. Met volle handen pakten ze de vuile sneeuw aan hun
voeten en vraten die op.
‘We zijn erbij… Papa, ze hebben mijn ziel uit me gehaald,’
‘Heb je het gehoord, Petrovan heeft zijn Ljonka eruit gekregen...’
‘Die hebben dikke zakken, pa, dat lukt ze.’
‘Wat ken je eraan doen… Alles is Gods wil… Je moet dienen
– je bent niet de eerste en ook niet de laatste.’
‘Vaska,’ zoekt een vrouw in het volk, ‘heeft iemand mijn Vasenka gezien? Ik wil nog een keer naar hem kijken…’
‘Hij is bezopen, omgevallen… Hij ligt achter de kroeg in een
greppel, ha-ha-ha, helemaal in de olie.’
‘Ach, wat een ellende… Hoe vaak heb ik hem niet gezegd:
drink niet, Vasenka.. Nee, hij heeft zich weer vol laten lopen.’
‘Vaarwel, Wolga! Vaarwel, bos!’
Kazerne
haastige opleiding
gebedsdienst
station.
…Bij de brokkelige muur van het station stond, zijn moeder kwijtgeraakt in de menigte, een vijfjarig jongetje in een fraai pelsjasje
en met zijn vaders muts op die over zijn ogen was gezakt. Hij huilde hard, zonder adem te scheppen, huilde ontroostbaar en jammerde met een hese, vermoeide stem: “Papaatje lief… Papaatje lief…’

‘De kapitalisten verdienen ook aan de oorlog’
De locomotief brulde, en bij iedereen brak meteen het hart.
De menigte kolkte.
De buffers botsten tegen elkaar, en de legertrein zette zich
langzaam in beweging.
Met nieuwe kracht klonk het geschrei van de vrouwen.
De kreten van wanhoop vloeiden ineen tot één enkel gehuil,
waardoor de aarde wel leek te kunnen opensplijten.
Het jongetje in het pelsjasje huilde steeds bitterder. Met zijn
linkerhand drukte hij de muts van zijn vader die over zijn ogen was
gezakt omhoog, zijn rechterhand – in de vuist een smeltende honingkoek geklemd – strekte hij uit naar de voorbijflitsende wagons
en hij schreeuwde en schreeuwde maar alsof hij werd gekeeld:
‘Papaatje lief… Papaatje lief…’
De wielen bonkten werst na werst, baanvak na baanvak.
Naar Riga, Polotsk
Kiev en Tiraspol
Tiflis, Jerevan
rolden de legertreinen
Het verlangen naar huis, naar de vrijheid, dronken de soldaten weg
met eau de cologne, politoer en haarlak. Ze dansten op de plaatsen
waar de trein voor korte tijd stopte, lieten zich fotograferen door
de stationsfotografen, in de grote steden reden ze – in huurrijtuigen
– naar de bordelen.
In Samara en Kaloega, Vologda en Smolensk, in de kozakkennederzetting en het arme dorpje bij Vjatka klonk onophoudelijk
het slaperige geprevel van de koster: ‘Gedenk, Heer, de zielen van
jouw ingeslapen dienaren, de godvruchtige strijders Ivan, Semjon,
Jevstafi, Pjotr, Matvej, Nikolaj, Maksim, Jevsej, Taras, Andrej,
Denis, Timofej, Ivan, Pantelej, Loeka, Iosif, Pavel, Kornej, Grigori, Aleksej, Foma, Vasili, Konstantin, Jermolaj, Nikita, Michail,
Naoem, Fjodor, Daniil, Savvatej – gedenk, Heer, hen die hun leven
hebben gegeven op het slagveld en de martelaarskroon op zich
hebben genomen… Neem, Heer, de gesneuvelden op in de woonplaats van de rechtvaardigen, waar geen ziekte is, geen droefheid,
geen weeklacht, maar eeuwig leven… Moge hun nagedachtenis
voortleven!’
Zoals de orthodoxe diaken zeiden dat op hun manier ook de
protestantse dominee en de katholieke priester, de Toengoese sjamaan en mohammedaanse mullah.
Over de wereld spreidde zich een lijkzang uit.
Maar in de in bloed gedrenkte aarde rijpten de graankorrels van
de toorn en de wraak.
Dof kwam Piter in beroering, en de eerste stenen vlogen al
door de ramen van de politiebureaus…