Józef Czechowicz




Gedichten




het front

Mensen in witte huizen noemen het veld van eer
’s zondags gaan ze naar de kerk en een witte processie
door schone straten rent in de zon een witte hond
in het witte bloeiende park leest de Verliefde poëzie

Maar hier is alle wit verdwenen
in de vale aarde sloten vol vuile soldaten
grijze en roze rook nadert ons over de rivier
niet wit geel zijn de botten
de vuurgloed van een kanonnade
ligt onafgelaten aan de hemel
dat is het front
dat is de hellevaart

Traject 212 en heuvel 105
overdag bestorming en schoten
en ’s nachts dringen door rook reflectoren
over prikkeldraad schieten flitsen levendig als kwik
alles heeft dan een andere kleur

Als een stil verdwaalde kogel in een wit voorhoofd dringt
wordt plotseling alles wit (zelfs aan het front)
witte zondag wit park wit hondje
dansen in een kring

Veld van eer


ver weg



molens wiegen de kim
hutten geuren naar steppe
de hutten hebben het zwaar
ze staan op hun tenen bij zonsondergang blind
steigeren ze als paarden
zo dadelijk bijten ze elkaar

nee geen steppe een verstilde zee
de avond vloeit geruisloos uit
flikkerende ruiten hebben het station omgeven
moeizaam kauwt de zonsondergang gum

blijf gezond mammaatje
uit het leger schrijf ik een brief
boven de locomotief rook witte bloemen
het fluitsignaal

op een zondag is de trein vertrokken
op een andere keert hij weer
rode wolken werken zich op naar de zon
op het station een dag als alle dagen een week als elke week
en de rails
de rails houden nergens op


de dood



er stond geschreven goederenstation
er stond geschreven magazijn
kraan en lift laten hun hoofden hangen
wat het vervolg ook moge zijn

een wagon rood gevang van koeien
uit de raampjes puilt kalverkilte
het geloei loopt over van droevig loeien
en opnieuw malen machines de stilte

zakken op het laadperron ruiken naar wagenvracht
even kan het dorp nog zo verlokken
maar geen vochtig grasgeruis aan vetlokken
witte lampen doven de zoete nacht

o wielen jullie zijn met 8-en
jullie kennen de weg naar het abattoir
ook voor de remmen aanhangers assen
is de weg niet onbegrensd berijdbaar

waarom zijn de planken doordrenkt met taan
en niet langer sparren die bloeien
daarom ontleent aan steen het huis zijn kracht
het goederenstation met ijzeren kraan
heeft mededogen met nacht noch koeien

koeien zijn er voor de slacht


pontorson



acht uur meldt het harde klokgeluid
kinderen op klompen lachen rennen naar school
begeleid door perzikboomgaard geurig gekruid
hier is ook de dageraad helder als spiegelruit
frivool

hij velt de bomen van de nacht met een bijl van amber dus sneven zij met donkere kruin naar het westen in het straatje heeft de kerk ogen van zilver huizen bidden op de knieën zonder vrees

de akker in warme kreten
want daar ligt gouden lupine
van zijn nachtkleur bezopen
en nog nipt hij aan de zon
met zijn dronken arm omgordt
hij zijn dierbaarst speeltje
het stadje
als een dienblad zo vlak
oud als het knarsen van een klok
pontorson

aan mevrouw stanisława gozdecka horzycowa



ballade van gene zijde



over de dood weet ik al niets meer

tegen zwarte ramen en oogleden
klepperend gelijk vlinders
ruikt ze naar sparren lorkenbomen
raakt elke nacht met dromen
vanachter de stille rivier gegleden
waar mist stap voor stap
strompelt naar donker oord

en houdt in een kist een blauwig akkoord
niet in staat de kist te openen

het leven is een korte droom

zegt een stem ter rechterzij

het leven een korte droom

valt met trieste schroom
de gedempte linker bij

het leven een korte droom dat is de derde                 daar kan ik niet bij

en naar de grijze hemel waarde
de mist uit een onbekend gezicht
en de tijd
en de maagdelijke aarde
oh waarom
heeft jouw blik nooit afgezworen
de voorwerpen bij het raam op tafel
het uur waarop ik ben geboren
de als smart gesloten kist
de dode armen van czechowicz

aan meneer waław gralewski


het stadje



joden
jodinnen
zwarte stedelingen
orthodoxe kerk
klokken
groene bomen
hoge lantaarnpalen
winkel op de hoek


vroeger



liepen de linden
verloren hun blom
klein was ik onder een zeil van tranen
maar dat past wellicht niet helemaal
in een met rijm omzoomd
verhaal

liepen de linden
verloren hun blom
slaap neurieden knarsende blinden
mijn houten paard een trom
de in een globe betoverde wereld

in een slapeloze nacht tegenover het bed
bewoog het grote raam ging aan de haal
in de afgrond kukelde het
kussen een windvlaag nam het liggende lijf

iedereen sliep de angsten sliepen niet
uit de spiegel doken ze op droog als gort
sisten kleine kleine jongen
je zult zijn als je vader in het gekkenhuis

moeder kon niet worden gewekt
om te zeggen hoe eng het was
goede linden lopen langs het huis
strooien bloemen
bedelven ze de gruwel dan slaap ik in
met mijn hoofd onder een zeil van tranen
voerde ik zwaar naar het ochtendgloren
en het ochtendgloren opende mij de ogen
de wereld stond in bloei in alle hoeken
wat had ik aan een globe een paardje een bonte trom
de zon schittert op de banken
schitteren doen broer en zus en moeke.


Vertaling Karol Lesman




<

TSL 98

>