het front
Mensen in witte huizen noemen het veld van eer
’s zondags gaan ze naar de kerk en een witte processie
door schone straten rent in de zon een witte hond
in het witte bloeiende park leest de Verliefde poëzie
Maar hier is alle wit verdwenen
in de vale aarde sloten vol vuile soldaten
grijze en roze rook nadert ons over de rivier
niet wit geel zijn de botten
de vuurgloed van een kanonnade
ligt onafgelaten aan de hemel
dat is het front
dat is de hellevaart
Traject 212 en heuvel 105
overdag bestorming en schoten
en ’s nachts dringen door rook reflectoren
over prikkeldraad schieten flitsen levendig als kwik
alles heeft dan een andere kleur
Als een stil verdwaalde kogel in een wit voorhoofd dringt
wordt plotseling alles wit (zelfs aan het front)
witte zondag wit park wit hondje
dansen in een kring
Veld van eer
ver weg
molens wiegen de kim
hutten geuren naar steppe
de hutten hebben het zwaar
ze staan op hun tenen bij zonsondergang blind
steigeren ze als paarden
zo dadelijk bijten ze elkaar
nee geen steppe een verstilde zee
de avond vloeit geruisloos uit
flikkerende ruiten hebben het station omgeven
moeizaam kauwt de zonsondergang gum
blijf gezond mammaatje
uit het leger schrijf ik een brief
boven de locomotief rook witte bloemen
het fluitsignaal
op een zondag is de trein vertrokken
op een andere keert hij weer
rode wolken werken zich op naar de zon
op het station een dag als alle dagen een week als elke week
en de rails
de rails houden nergens op
de dood
er stond geschreven goederenstation
er stond geschreven magazijn
kraan en lift laten hun hoofden hangen
wat het vervolg ook moge zijn
een wagon rood gevang van koeien
uit de raampjes puilt kalverkilte
het geloei loopt over van droevig loeien
en opnieuw malen machines de stilte
zakken op het laadperron ruiken naar wagenvracht
even kan het dorp nog zo verlokken
maar geen vochtig grasgeruis aan vetlokken
witte lampen doven de zoete nacht
o wielen jullie zijn met 8-en
jullie kennen de weg naar het abattoir
ook voor de remmen aanhangers assen
is de weg niet onbegrensd berijdbaar
waarom zijn de planken doordrenkt met taan
en niet langer sparren die bloeien
daarom ontleent aan steen het huis zijn kracht
het goederenstation met ijzeren kraan
heeft mededogen met nacht noch koeien
koeien zijn er voor de slacht
pontorson
acht uur meldt het harde klokgeluid
kinderen op klompen lachen rennen naar school
begeleid door perzikboomgaard geurig gekruid
hier is ook de dageraad helder als spiegelruit
frivool
hij velt de bomen van de nacht met een bijl van amber
dus sneven zij met donkere kruin naar het westen
in het straatje heeft de kerk ogen van zilver
huizen bidden op de knieën zonder vrees
de akker in warme kreten
want daar ligt gouden lupine
van zijn nachtkleur bezopen
en nog nipt hij aan de zon
met zijn dronken arm omgordt
hij zijn dierbaarst speeltje
het stadje
als een dienblad zo vlak
oud als het knarsen van een klok
pontorson
aan mevrouw stanisława gozdecka horzycowa
ballade van gene zijde
over de dood weet ik al niets meer
tegen zwarte ramen en oogleden
klepperend gelijk vlinders
ruikt ze naar sparren lorkenbomen
raakt elke nacht met dromen
vanachter de stille rivier gegleden
waar mist stap voor stap
strompelt naar donker oord
en houdt in een kist een blauwig akkoord
niet in staat de kist te openen
het leven is een korte droom
zegt een stem ter rechterzij
het leven een korte droom
valt met trieste schroom
de gedempte linker bij
het leven een korte droom
dat is de derde daar kan ik niet bij
en naar de grijze hemel waarde
de mist uit een onbekend gezicht
en de tijd
en de maagdelijke aarde
oh waarom
heeft jouw blik nooit afgezworen
de voorwerpen bij het raam op tafel
het uur waarop ik ben geboren
de als smart gesloten kist
de dode armen van czechowicz
aan meneer waław gralewski
het stadje
joden
jodinnen
zwarte stedelingen
orthodoxe kerk
klokken
groene bomen
hoge lantaarnpalen
winkel op de hoek
vroeger
liepen de linden
verloren hun blom
klein was ik onder een zeil van tranen
maar dat past wellicht niet helemaal
in een met rijm omzoomd
verhaal
liepen de linden
verloren hun blom
slaap neurieden knarsende blinden
mijn houten paard een trom
de in een globe betoverde wereld
in een slapeloze nacht tegenover het bed
bewoog het grote raam ging aan de haal
in de afgrond kukelde het
kussen een windvlaag nam het liggende lijf
iedereen sliep de angsten sliepen niet
uit de spiegel doken ze op droog als gort
sisten kleine kleine jongen
je zult zijn als je vader in het gekkenhuis
moeder kon niet worden gewekt
om te zeggen hoe eng het was
goede linden lopen langs het huis
strooien bloemen
bedelven ze de gruwel dan slaap ik in
met mijn hoofd onder een zeil van tranen
voerde ik zwaar naar het ochtendgloren
en het ochtendgloren opende mij de ogen
de wereld stond in bloei in alle hoeken
wat had ik aan een globe een paardje een bonte trom
de zon schittert op de banken
schitteren doen broer en zus en moeke.