Het is een riskante onderneming, schrijven over iemand die zijn woorden met zo
veel precisie koos, en pathos schuwde.
‘Vroeger meende ik dat we ons mensen
herinneren zolang we ze kunnen beschrijven. Nu denk ik dat het andersom is: ze
zijn bij ons zolang we daar niet toe in staat
zijn,’ schreef Wicha.
Toch ga ik het proberen.
Grafisch ontwerper, tekenaar en schrijver
Marcin Wicha werd geboren in Warschau
als kind van Joodse ouders; een architect
en een psychologe. Hij ontwierp talloze
boekomslagen en tekende maatschappelijk en politiek commentaar voor Tygodnik Powszechny, een katholiek weekblad,
schreef feuilletons voor weekblad Polityka en werkte samen met diverse andere
tijdschriften en kranten. Hij schreef veel
over grafisch ontwerp (o.a. in Waarom ik
niet meer van design hou, 2015; Gastoptredens, 2024) en over kunst (zijn boek
over Malevitsj, 2021), maar de meeste van
zijn boeken waren bestemd voor kinderen.
Bekendheid verwierf hij echter met zijn
essayistische Dingen die ik niet heb weggegooid, waarmee hij diverse belangrijke
literaire prijzen won. Het boek figureert
in de canon van Poolse literatuur, en in de
top tien van de volgens Poolse lezers beste boeken van de afgelopen vijfentwintig
jaar. In 2024 verscheen ook een opera met
een libretto van Wicha gebaseerd op Dingen… en schreef hij liedteksten voor Maniucha Bikont. Datzelfde jaar verscheen
Dingen… in het Nederlands en werd warm
ontvangen.
Ironisch genoeg gaat dit boek over Wicha’s overleden moeder. ‘Ik werk aan
mijn onsterfelijkheid,’ citeert Wicha haar,
zonder te weten dat hij hiermee aan zijn
eigen onsterfelijkheid werkte.
Aan de hand van de spullen die Wicha
bij het uitruimen van zijn moeders woning
aantreft, geeft hij ons een les in verlies, en zuinigheid met woorden. Daarin wist hij
meesterschap te bereiken. Met veel humor
beschrijft hij het leven en de generatie van
zijn moeder, vaak in de vorm van puntige
anekdotes, want ‘onze [Joodse] geschiedenis bestaat uitsluitend uit anekdotes. De
personages van de anekdote verschenen
heel even. Zeiden een zin op. Deden iets
vermakelijks en waren zo goed weer te
verdwijnen.’
Het boek werd in Nederland en Vlaanderen tot Wicha’s vreugde vergeleken met
het memoir Mijn moeder lacht van Chantal Akerman, dat ongeveer in dezelfde periode bij uitgeverij Koppernik verscheen.
Akerman, ook kind van Poolse Holocaustoverlevenden (Wicha: ‘Zo zet men dat
in biografische noten; alsof er in 1950
nog andere Poolse Joden bestonden’),
scheelde vier jaar met Wicha’s moeder
en ook bij haar thuis werd over de oorlog gezwegen. Wicha zag Akermans bijna drieënhalf uur durende, minimalistische
film Jeanne Dielman, 23, quai du Commerce, 1080 Bruxelles een aantal jaar na
het overlijden van zijn moeder en het in
Polen verschijnen van Dingen die ik niet
heb weggegooid, en schreef in een feuilleton: ‘Het tweede uur kreeg ik de indruk
dat ik die opgeruimde woning goed kende. Ik dacht aan een andere woning, die er
een beetje op leek. Ik herinnerde me het
motiefje van het gestreken tafelkleed, de
maaltijden met drie gangen, zelfs de compote, waarin gezwollen kersen dobberden.
Alles stond op z’n plek, alles was onder
controle. Maar er was nog iets, iets onbenoemds, verborgen op de bodem van een
la, onder het papier en de mottenballen.’
Via verhalen over het materiële, over spullen, wist ook Wicha de essentie te raken.
Charlotte Pothuizen