In memoriam Marcin Wicha (1972-2024)




Het is een riskante onderneming, schrijven over iemand die zijn woorden met zo veel precisie koos, en pathos schuwde. ‘Vroeger meende ik dat we ons mensen herinneren zolang we ze kunnen beschrijven. Nu denk ik dat het andersom is: ze zijn bij ons zolang we daar niet toe in staat zijn,’ schreef Wicha.

Toch ga ik het proberen.

Grafisch ontwerper, tekenaar en schrijver Marcin Wicha werd geboren in Warschau als kind van Joodse ouders; een architect en een psychologe. Hij ontwierp talloze boekomslagen en tekende maatschappelijk en politiek commentaar voor Tygodnik Powszechny, een katholiek weekblad, schreef feuilletons voor weekblad Polityka en werkte samen met diverse andere tijdschriften en kranten. Hij schreef veel over grafisch ontwerp (o.a. in Waarom ik niet meer van design hou, 2015; Gastoptredens, 2024) en over kunst (zijn boek over Malevitsj, 2021), maar de meeste van zijn boeken waren bestemd voor kinderen.

Bekendheid verwierf hij echter met zijn essayistische Dingen die ik niet heb weggegooid, waarmee hij diverse belangrijke literaire prijzen won. Het boek figureert in de canon van Poolse literatuur, en in de top tien van de volgens Poolse lezers beste boeken van de afgelopen vijfentwintig jaar. In 2024 verscheen ook een opera met een libretto van Wicha gebaseerd op Dingen… en schreef hij liedteksten voor Maniucha Bikont. Datzelfde jaar verscheen Dingen… in het Nederlands en werd warm ontvangen.

Ironisch genoeg gaat dit boek over Wicha’s overleden moeder. ‘Ik werk aan mijn onsterfelijkheid,’ citeert Wicha haar, zonder te weten dat hij hiermee aan zijn eigen onsterfelijkheid werkte.

Aan de hand van de spullen die Wicha bij het uitruimen van zijn moeders woning aantreft, geeft hij ons een les in verlies, en zuinigheid met woorden. Daarin wist hij meesterschap te bereiken. Met veel humor beschrijft hij het leven en de generatie van zijn moeder, vaak in de vorm van puntige anekdotes, want ‘onze [Joodse] geschiedenis bestaat uitsluitend uit anekdotes. De personages van de anekdote verschenen heel even. Zeiden een zin op. Deden iets vermakelijks en waren zo goed weer te verdwijnen.’

Het boek werd in Nederland en Vlaanderen tot Wicha’s vreugde vergeleken met het memoir Mijn moeder lacht van Chantal Akerman, dat ongeveer in dezelfde periode bij uitgeverij Koppernik verscheen. Akerman, ook kind van Poolse Holocaustoverlevenden (Wicha: ‘Zo zet men dat in biografische noten; alsof er in 1950 nog andere Poolse Joden bestonden’), scheelde vier jaar met Wicha’s moeder en ook bij haar thuis werd over de oorlog gezwegen. Wicha zag Akermans bijna drieënhalf uur durende, minimalistische film Jeanne Dielman, 23, quai du Commerce, 1080 Bruxelles een aantal jaar na het overlijden van zijn moeder en het in Polen verschijnen van Dingen die ik niet heb weggegooid, en schreef in een feuilleton: ‘Het tweede uur kreeg ik de indruk dat ik die opgeruimde woning goed kende. Ik dacht aan een andere woning, die er een beetje op leek. Ik herinnerde me het motiefje van het gestreken tafelkleed, de maaltijden met drie gangen, zelfs de compote, waarin gezwollen kersen dobberden. Alles stond op z’n plek, alles was onder controle. Maar er was nog iets, iets onbenoemds, verborgen op de bodem van een la, onder het papier en de mottenballen.’

Via verhalen over het materiële, over spullen, wist ook Wicha de essentie te raken.

Charlotte Pothuizen






<

TSL 98

>