Arent van Nieukerken




De dichter als een koninklijke geest (Słowacki’s Król-Duch)




Ballingschap is sinds het eind van de achttiende eeuw een van de kernervaringen in de Poolse literatuur. Dit geldt in het bijzonder voor de Poolse romantiek en kwam toen vooral tot uitdrukking in de poëzie. Na de mislukte novemberopstand van 1830-31 tegen het tsaristische Rusland vonden tienduizenden deelnemers en sympathisanten een toevlucht in Frankrijk. Onder hen waren ook twee dichters: Adam Mickiewicz (1798-1855), die sinds 1829 in Italië leefde en zich vrijwillig bij de ballingen voegde, en de ruim tien jaar jongere Juliusz Słowacki (1809-1849). Ze zouden hun vaderland nooit meer terugzien. Het emigrantenbestaan bleef niet zonder gevolgen voor hun dichten. De Poolse romantische dichters probeerden het traumatische verlies van hun vaderland te compenseren door een beroep te doen op de herinnering en de verbeelding. Zo is Mickiewicz’ epos Pan Tadeusz (Heer Tadeusz) een evocatie van het idyllische Litouwse platteland vanuit het perspectief van de grote stad – Parijs omstreeks 1830.

Juliusz Słowacki – Mickiewicz’ jongere rivaal – zocht in de eerste jaren van zijn emigratie naar andere wegen waarin romantische ironie en exotiek op de voorgrond stonden. Hij onderging ondermeer de invloed van Lord Byron, Lamartine en Musset. Omstreeks 1840 kreeg Słowacki, die er zich langzamerhand van bewust was geworden dat terugkeer naar zijn vaderland vrijwel uitgesloten was, met een psychische crisis te maken, die hem ook als dichter leek te verlammen. De exotische bloemen van zijn dichterlijke verbeelding hadden immers niets te maken met de realiteit van het emigrantenbestaan. Hij kreeg zijn zelfvertrouwen als dichter pas weer terug na een gesprek met Andrzej Towiański, een soort mystieke goeroe, die de uitzichtsloosheid van het emigrantenbestaan in verband bracht met eerdere levens van de onsterfelijke ziel. Dankzij de idee van reïncarnatie (of zoals men het destijds noemde – metempsychose) konden de tegenslagen van het heden als een boetedoening voor zonden uit het verleden verklaard worden. Er leek licht aan het eind van de tunnel te zijn. Verlossing was op termijn mogelijk – in een ander lichaam of in een hemels Jeruzalem als eindpunt van de reeks van wedergeboorten.

Na ruim een jaar brak Słowacki met Towiański. Hij verweet hem vooral zijn serviele houding jegens Rusland. De mystieke intuïties van de goeroe hadden zijn dichterlijke verbeelding echter tot nieuw leven gewekt. Aanvankelijk was het de taak van de verbeelding geweest om in combinatie met de herinnering de verloren vaderlandse ruimte weer tastbaar te maken – afwezig en toch aanwezig. In Słowacki’s mystieke poëzie kregen verbeelding en herinnering een ambitieuzere opgave. De dichter zag zichzelf als één van de ‘leidende’ geesten van de Poolse natie en poogde het verleden – de vroegere levens van zijn onsterfelijke ziel – in een groot aantal zangen (rapsodes), bestaand uit strofen van acht versregels (Ariosto’s en Torquato Tasso’s ottava rime) tastbaar te maken. Dat heldendicht van zijn ziel speelde zich niet alleen op aarde af – in de ruimte, die later Polen werd, maar ook in een soort hiernamaals (of – vanuit een ander perspectief – ‘hiervoormaals’), een geestenwereld die enigszins aan de antieke Hades doet denken. Słowacki benutte heel de rijkdom van zijn dichterlijke verbeelding om die geestenwereld voor het voetlicht te brengen. Het epos begint in medias res, als Her Armeniër (Słowacki’s voorouders van moederzijds waren van Armeense afkomst), die ergens in de Kaukasus op een brandstapel ligt (hij is in de strijd met zijn vijanden gesneuveld), uit zijn lichaam treedt. Daarna volgt een visionaire beschrijving van zijn verblijf in de geestenwereld. Als hij de schoonheid in de vorm van de ‘dochter van het woord’ voor zich ziet zweven, volgt hij haar naar een landelijke ruimte (het latere Polen), waar zijn ziel gereïncarneerd wordt. Zijn naam is dan Popiel (de uit as geborene, met as bedekte, de laatste afstammeling van een uitgeroeid volk). Na allerlei avonturen wordt hij koning van een legendarisch pre-Polen. Hij besluit de hogere machten (God) uit te dagen en begaat allerlei wreedheden (die Słowacki aan Karamzins beschrijving van het leven van Ivan de Verschrikkelijke ontleende) en wordt uiteindelijk door de hogere machten gestraft. Na zijn dood komt hij weer in de geestenwereld terecht, wordt herboren als Mieszko, de Poolse hertog die eind tiende eeuw het Christendom in Polen invoerde.

Er volgen dan nog verscheidene reïncarnaties. De laatste is die van Bolesław de Koene (Śmiały), een vorst uit de elfde eeuw, die erin slaagde Kiev voor enige tijd te bezetten. Na de vijfde rapsode breekt het epos van Słowacki’s ziel af. De dichter slaagde er niet in (hij leed aan een ernstige longziekte) het verhaal van zijn ziel te voltooien. Waarschijnlijk zouden aan het eind Juliusz Słowacki en Adam Mickiewicz als negentiende-eeuwse belichamingen van twee Poolse ‘gidszielen’ tegenover elkaar komen te staan, oog in oog met het hemelse Jeruzalem als toekomstvisioen.

Król-Duch is het meest buitennissige literaire werk dat de Poolse literatuur heeft voortgebracht. Het werd door Słowacki’s tijdgenoten niet begrepen. Pas drie generaties later, tijdens de neoromantiek en het symbolisme, werd het epos naar waarde geschat. Sommige lezers vereenzelvigden zich zelfs met de protagonisten. Het is bekend dat Józef Piłsudski, de herstichter van de Poolse staat in 1918, een verwoed lezer van Król-Duch was. Zag hij zichzelf ook als een ‘leidende’ Pools geest of als nog een reïncarnatie van Popiel? Werden Słowacki’s dichterlijke woorden in hem belichaamd door daden? Dat valt niet uit te sluiten. Piłsudski gaf in 1928 opdracht het in Parijs begraven stoffelijk overschot van Słowacki naar Kraków over te brengen waar het in de Wawel-katedraal naast Mickiewicz herbegraven werd. ‘Koning-Geest’ blijft een fascinerend hoofdstuk in de geschiedenis van de Poolse poëzie en identiteit.




<

TSL 98

>