Juliusz Słowacki
Koning-Geest (Król-Duch)
deel van eerste rapsode
I
Mijn kwellingen, het lijden van mijn hart,
Het voortdurend strijden met een satansschaar,
Het schitteren van wapens, zonneglans van schilden,
Kuilen gevuld met adders van verraad…
Daarover spreek ik... ik volbreng het eeuwig raadsbesluit
Dat vandaag op mij de last gelegd heeft
Om van die vergane dingen hier te zingen –
Een heilig-grootse strijd van heil zoekende geesten.
II
Ik, Her Armeniër, lag op een brandstapel,
Als lijk… Terwijl het weerlichtte in de hemel,
Antwoordde reus Kaukasus met donderslagen
Op het echoën van het hem zwart omringende gebied;
Het duister werd dichter… maar de bliksemschichten
Ontstaken de hemel… als het spook van een satansstad…
En ik, opglanzend onder het bliksemen,
Lag daar. Het harnas op mijn lichaam was van goud.
III
De geest talmde nog in ’t stoflijk overschot,
Bijna trots dat het daar zo rustig liggen bleef.
De aarde sloeg bewogen een donderend geluid.
De geesten van de ridders rezen op.
Drie toverkollen staken de houtmijt aan.
Ik wachtte op het inslaan van de bliksem,
Zo zeker was ik, dat ik onder dat onweers-
Zwangere zwerk weer als geest op zou staan.
IV
De brand van takken en droog alsemkruid
Kwam met de handen van de heksen nader.
Een rosse glans bescheen mijn bleek gelaat,
Terwijl zij gillend droeve runen zongen:
Toen flitste ’t weerlicht driemaal en getroffen
Door het zwavelige vuur van bliksemschichten,
Het verpletterend geweld van rode vlammen,
Verbeeldde ik mij niet dood te zijn, maar uitgewist.
V
De ziel was uit mij uitgetreden en maakte
Zich om het stoffelijk overschot geen zorgen meer,
Maar, het weleer lichaam-zijn vergeefs bewenend,
Gehoorzaam aan het Goddelijk raadsbesluit,
Bereid om in de Styx, Lethes water of de Njemen
De naam van het menselijke af te leggen,
Ging zij haar weg: – slechts ontvoerde hemelingen
Kennen de macht van het gevoel, ’t verlies van herinneringen.
VI
Daar waar als edelstenen heldere zielen
Uit vrije wil hun keuze deden, zocht
De kracht bezwaard door Atalanta’s rennen
Naar louter eenvoud van geluk en deemoed…
Orfeus liep tussen gevederde muzikanten,
Uitgeput door de ziekte in zijn hart;
En ík dacht dat het dicht- en weer openvouwen
Van zwanenvleugels hem als muziek zou klinken.
VII
Odysseus sloeg zijn handen aan de ploeg,
Om uit te rusten van jarenlang dolen. –
God is vergevingsgezind voor de vermoeiden
En schenkt hun wedergeboorten eerst ontspanning!
Laat wie bezwijkt onder zijn werk, niet vertwijfelen;
Het zal hem aan vuur of bliksem niet ontbreken,
Noch laat hem denken dat er voor zielen
Een sterkere vermaning is – dan rust…
VIII
Zelf wilde ik, tevreden met de harmonie
Van mijn nog jonge lichaam, geen verandering.
Ik ging bedroefd aan Lethes oever zitten;
Ik wies daar niet mijn lippen, maar mijn wonden.
Sindsdien zou mijn ontlijfde geest nooit meer
Om de kwetsuren van een lichaam wenen,
Of driftig omhaal maken als de purpur-
Lippen van verse wonden open gingen.
IX
Maar het over zijn wonden vloeiend Lethe-water
– waarin ze de geleden pijn vergaten –
Liet zijn herinnering niet ongemoeid;
Menig hem dierbaar beeld ging slaperig onder.
De geesten sloegen plotseling hun hand voor
Het rozige licht van Griekse dageraden,
En toonden het hem als verre zonsopgang –
Hartstochtelijk bemind – in eeuwigheid.
X
Niet die wezens, die stervormig de zee verlichtend
Met het kleurrijk prisma van de regenboog,
In het duister van de onderwaterkerker
Fel opglanzen zodat dolfijnen – wonderfabel-
Dieren – bevreesd hun huid daaraan te branden,
Ze stilletjes ontwijken, als waren het spoken,
Ze wagen het niet eroverheen te zwemmen –
Zo fel is het branden van die sterren onderzee:
XI
...Niet het mysterieuze glanzen van die sterren
Joeg die het vroegst geboren wezens meer angst aan
Dan de schoonheid waarmee ik oog in oog stond
Aan vergetelheids omneveld Lethe-water.
Boven haar zongen geesten van nachtegalen –
Onder haar schemerde een trap met gouden treden
Die naar een ver omneveld rijk ontvoerden,
Naar glans van bloemen onder een nacht van dennen.
XII
Een ochtendwind woei van die weiden en bossen
En zong uitnodigend van dat gezegend land:
Ik ging op weg – ondanks Numidische pijlenwonden...
Twijfelend of dit de dood is? Of een wonder van leven?
Of is ze Iris, die een wolk van glas wereldwaarts
Liet dalen?… De regenbogen boven het weiland
Waren zo rijk aan kleur en zonnestralen...
Alsof ze haar in ’t licht boven de aarde hielden?
XIII
Ze ging me voor naar die verstilde streken –
De bossen die als windeharpen ruisten:
‘Kijk haar goed aan – straks zul je haar verliezen,
Als een door goede geesten bezielde droom;
Je zult betalen met je leven… duizend levens –
En altijd zul je die ene hartewond
Met beide handen op je borst toedrukken. –
Die ene droeve wond – dat zij niet bij je is!
XIV
‘We schenken je roem… waarvan je zult walgen –
We schenken je een hart… dat zal verwilderen.
Het zal zo ver komen, dat je schaamteloos hen, die
Op God hun hoop stellen, zult lasteren en honen.’
Ik antwoordde: ‘Als ik mijn ogen licht kan schenken
Met de robijn die uit háár mond lichtglans giet,
Zorg ik mij niet om wat mij nog te wachten staat:
Levens van de geest – of kwellingen van een mens?
XV
‘Van heel mijn lijden wind ik één guirlande,
Als een mens die voor duizenden voelen wil.
Ik bekroon en kroon – zoals een wereldkoning –
Mijn slapen met deze martelaarskrans:
...Geesten als slangen die glibberig mijwaarts kruipen!
Strijders met open vizier of heimelijk gif!
Omringd door het laaiende vuur van de afgrond…
Zelfs afdalend in de hel – ik blijf haar volgen!’
XVI
Ik herinner mij die stem – die ijselijke bezwering,
Waarna de geest mij toeschreeuwde: ‘Ziehier je Vorstin!’
Mijn geests tenzaligehemelopneming
Stortte neer… Toen verscheen er een nieuw glanzen,
In de lucht vertoonde zich – als in een diamant –
Een lichtgestalte… Schoonheid... Dochter van het Woord,
Heerseres van een volk ergens in het Noorden,
Zij die Juda’s profeten ooit voor zich zagen…
XVII
Ze hield de zon rijzend boven haar hoofd,
Haar voeten wogen op de zilveren maan.
Ze vloog over de bossen, ze veegde zwevend
– De staart van een komeet – het stro op de daken;
Voortdurend omcirkeld door regenbogen,
Vlocht ze guirlandes van bloemen in het zonlicht.
Overal in de lucht strooide ze nonchalant
Paarlen als jasmijn – papavers als koraal.
XVIII
Het azuur leek één en al glimlach te zijn,
Overal het golfwiegen van gouden tongen.
Als satijn dat veelkleurig geschakeerd
Het trillend sterrenborduursel ontsteekt –
Zo schitterde de hemel in het Noorden
Ver achter Haar, met een groot sterrenheir,
En liet zich door het sterverguldsel, dat rossig
Het dagkrieken verkondde, in vlammen zetten.
XIX
Wat het water van de Lethe niet volbracht had,
Bracht zij met haar verschijnen hier tot stand,
Dat mijn ziel – afgemat – ineens de kracht had
Weer op te wieken… vurig vloog ze in brand.
Hoe ze voor het eerst een nieuw lijf in haar macht had
Gekregen – een slaafs volgende trawant,
Daarvan zing ik nu – Ik, Her… een bliksemschicht
Wierp mij plots neer… onder een hek in een leeg land. Het licht
XX
Scheen – ik ontwaakte – op een vrouw, gebogen
Over mij, die wraakzuchtig runen zong:
‘Je volk is omgebracht. Slechts ík ben over.
En jíj, die in mijn buik begraven lag!’ Luid klonk
Die vloek in mij na. Haar stem sloeg gillend over:
‘Bedekt met stof dat in mijn wezen drong,
Bevrucht door as en weemoed, heb ik je gebaard
Als wreker… Pópiel – kind van as – dat is je naam...
XXI
‘Je bent alleen… maar vervuld van je ouders
Deugden… ik geef je hier twee geesten mee:
Ter rechterzijde van je staat een gouden
Engel – links één van bloed en onheil. Deze twee,
En jíj als derde… en mijn stem die rouwde –
Het drievoudig bliksemen van wraak.’ Ze greep
Mijn windsels en zwaaide ermee in ’t rond,
Ze schudde het kind als een onweersvonk.
XXII
Nog was ik niet volwassen, maar ik voedde
Mijn ziel al met wraak en de leer van verraad.
Vaak voelde ik iemand mijn haar beroeren
Die in mijn slaap als een engel tot mij sprak;
Ik keek omhoog – er bewoog slechts een blaadje
Dat als een gouden schim leek op te staan – viel –
En dan als mistflard op mijn lichaam daalde.
Een dolk schoof als vanzelf in mijn handentrillen.
Vertaling Arent van Nieukerken