Ik herinner me hoe in januari 1904, een paar dagen voor de sterfdag van Michail en Olga Solovjov, op een ijskoude, tintelende
ochtend, de bel ging. Men vroeg mij naar de vestibule te komen
en ik zag dat er een jongeman stond die zijn studentenjas uittrok:
goedgebouwd, lang, met brede schouders en een smalle taille, terwijl achter hem een elegant uitgedoste dame haar mantel uitdeed;
het was Aleksandr Aleksandrovitsj Blok die mij samen met Ljoebov Dmitrijevna een bezoek bracht.
In Blok trof mij (al op het eerste gezicht) de goede stijl: zijn
correcte, wereldse omgangsvormen. Alles in hem getuigde van
de goede toon, de uitstekend zittende geklede jas, met de stevig
omsnoerde taille en hoge, de kin ondersteunende kraag, die toch
geen fatterige indruk maakte. Toen ik binnenkwam hield hij net
zijn witte handschoenen in zijn vingers en probeerde die onhandig
ergens weg te stoppen; hij gedroeg zich wat stijfjes; de echtgenote van de dichter, uitgesproken zedig gekleed, stond achter hem;
Aleksandr Aleksandrovitsj en Ljoebov Dmitriëvna vormden een
prachtig paar: vrolijk, jong, elegant, aangename geuren verspreidend. Wat me het meest trof in Blok was zijn gelaatskleur: gelijkmatig gebruind, met een zweem van roze, zonder blos, gezond; en
dan de rust en stevigheid van zijn gestalte, die iets militairs had en
deed denken aan die van een sagenheld. De soepele ingehoudenheid van zijn zeer schaarse bewegingen kwam in het geheel niet
overeen met het vriendelijk-verlegene van zijn enigszins schuin
gehouden gezicht, dat me toelachte (hij was groter dan ik) met zijn
hulpeloze, zeer grote, prachtige lichtblauwe ogen, die zo vol opmerkzaamheid op mij gericht waren dat zich in de hoeken rimpeltjes vormden; het gezicht kwam me bekend voor; later, herinner ik
me, heb ik Blok meer dan eens gezegd dat hij iets had van Gerhart
Hauptmann (mettertijd viel de overeenkomst met Hauptmann me
niet langer op).
Die eerste indruk riep de vraag op: waar heb ik hem eerder
gezien? En het antwoord scheen voor de hand te liggen: ik had
hem in de geest gezien, in zijn gedichten. Maar nee, het beeld dat
mij uit zijn gedichten tegemoetkwam en zich onwrikbaar in mijn
bewustzijn had gevestigd was anders: een kleine gestalte met een
ziekelijk, bleek, gekweld gezicht, gedrongen, met kleine voeten,
in kleren van slechte snit, met op elkaar geperste, dunne lippen en
met een fosforescerende, altijd strak op de horizon gerichte blik,
zeer verstrooid in het gesprek; uiteraard zag ik Blok voor me met
naar achteren gekamd haar. Niet dat ik dacht dat hij zo was, nee, dat
beeld kwam gewoon steeds in me op als een onwillekeurige werktuiglijke associatie, die al mijn gedachten over Blok vergezelde;
het beeld dat in me was opgekomen bij het lezen van deze regels:
Ach, de nacht is dood en het ochtendgloren duurt lang
Als een keten van ochtend- en avondmissen.
Ach, en zelf ben ik bleek als sneeuw,
Een hardnekkige gedachte verteert mijn hart.
Nee, deze krullerige, dichte, rossig glanzende, zachte haardos, het
intelligente grote voorhoofd, doorsneden door een flauwe rimpel,
de mij vriendelijk tegemoet lachende mond en de lichtblauwe ogen,
die helemaal niet op de verte waren gericht, maar een beetje verlegen en kinderlijk waren, de grote rijzige gestalte, nee dat was helemaal niet de Blok, die sinds lang in mij woonde, de Blok van de
uiterst intieme brieven, de Blok van mijn lievelingsgedichten, die ik
al een paar jaar uit het hoofd kende. Wat meer is: de indruk van de
werkelijke Blok, die midden in de vestibule van mijn woning aan de
Arbat stond (ik had me Blok altijd voorgesteld tegen de achtergrond
van zonsondergangen aan de Neva, of van wouden, bij een berg)
– die indruk overviel me; iets wat veel had van een teleurstelling
kwam in me op en daardoor werd mijn verlegenheid nog groter.
Ik haastte me om de gast en zijn echtgenote te begroeten, en legde
daarbij een veel groter enthousiasme aan de dag dan passend was; ik
voelde me niet op mijn gemak en mijn toestand ging, dat voelde ik,
over op Blok; ook hij werd plotseling afstandelijk, werelds, raakte
in verwarring door mijn verwarring en verried die verwarring door
te blijven dralen in de vestibule; dat voelde ik heel duidelijk. Er
ontstond een oponthoud bij de kapstok: ik probeerde zijn jas op te
hangen en tegelijk probeerde Blok zijn handschoenen in de zakken
daarvan te stoppen. Ljoebov Dmitriëvna werd niet beroerd door de
verwarring, elegant gekleed, met een bontmuts op, wachtte ze het
einde van de begroetingsceremonie af.
Na dit oponthoud betraden we de huiskamer, waar ik, voor zover ik me herinner, Blok en zijn vrouw voorstelde aan mijn moeder.
We gingen alle vier zitten. Ik werd getroffen door de fijngevoeligheid waarmee Blok de indruk die hij bij mij had opgeroepen in
zich opnam; die indruk werkte in hem door en gaf alle bewegingen
van zijn stevige, goedgebouwde gestalte iets onzekers; hij maakte
innerlijk pas op de plaats, wist niet wat te doen, wat te zeggen;
Ljoebov Blok ging rustig opzij zitten en sloeg ons zwijgend gade;
ik voelde dat Blok afwachtend en nieuwsgierig tegenover mij zat,
dat hij ik weet niet wat van me verwachtte: woorden, gebaren, ongedwongenheid. Hij wachtte gewoon tot de spanning die ons gevangen hield, zich oploste. Ik herinner me hoe stijf we in de oude
versleten fauteuils van onze olijfkleurige woonkamer zaten; hier
in deze fauteuils zat veertien jaar eerder Bloks grootvader Andrej
Beketov (de voormalige rector van de Peterburgse universiteit). In
mijn herinnering heeft hij grijze haren, is goedgemutst, met een
ellenlange baard en op zijn schouders vallende lokken; zo nu en
dan keek hij naar me om, aaide me over mijn bol en nam me ten
slotte op schoot.
Die heldere vriesdag ben ik nooit vergeten, en evenmin de roze
stralen van de wegzakkende zon, of het goudroze atmosferische
raster dat door de gordijnen heen drong en Bloks gestalte omgaf,
zijn rossig glanzende krullen, zijn scheef gehouden kop, verbaasde lichtblauwe ogen, zijn verstarde, gedwongen glimlach en zijn
arm, die onbeweeglijk steunde op de doorgesleten leuning van de
ouderwetse fauteuil, terwijl zijn rechterhand met de sigaret rookwolkjes het namiddaglicht instuurde. De woorden die we uitwisselden, herinner ik me niet, ik weet alleen nog dat we het over
zeer simpele, alledaagse dingen hadden: over de reis van Blok naar
Moskou, over bekenden, over de tijdschriften
Skorpion en
Grif,
over Brjoesov
1 die ons steeds probeerde te overreden om niet meer
voor
Grif te schrijven, en we spraken, voor zover ik me herinner,
daarover dat we veel fundamentele zaken te bespreken hadden,
hadden het zelfs even over het weer, en we moesten plotseling alle
drie lachen om onze deftige toon, om het feit dat we nog niet wisten hoe met elkaar om te gaan. Het ijs was gebroken en ik haastte
me – volledig te onpas – om de stemming van de visite te analyseren: we zouden moeite hebben om de juiste toon te vinden na
onze briefwisseling; ieder van ons had zich door de jaren heen een
oneindige reeks gedachten gevormd over de ander en die belemmerden het directe zicht.
Hierbij merk ik op dat Blok over mij zeker wat anders dacht;
mijn aanstellerij was niet in overeenstemming met de indruk uit
de brieven; in zijn aan mij gewijde dichtregels schreef Blok dat
het ‘iemand’ gegeven was om op een verguld telraam de wetten
van de tijd uit te rekenen en het donker te verlichten, en mijn
persoontje moest nu die ‘iemand’ zijn. Nu zat dit ‘persoontje’
tegenover Blok en verborg zijn ware wezen achter zijn aanstellerij. Het contact werd bemoeilijkt door een treffend verschil in
temperament (dat van Blok was melancholisch en dat van mij
sanguinisch), door onze verschillende manieren om ons te laten
kennen; zowel Blok als ik leed doordat onze innerlijke biografieën zo sterk afweken van de uiterlijke; we waren beiden gedwongen om te veinzen. Blok hield van zijn moeder, maar zijn stiefvader, een prachtige, nobele persoonlijkheid, was hem vreemd.
Hij hield evenmin van zijn bloedverwanten, de universiteit en de
familie van zijn vrouw en had een afkeer van de officierskringen
die tot op zekere hoogte zijn milieu vormden (hij woonde immers in bij zijn stiefvader, die kolonel in de grenadierskazerne
was). En ik leefde op mijn beurt in eenzaamheid (de Solovjovs
niet meegerekend). Bijna tot mijn twintigste had ik niemand, en
ik ontwikkelde me ‘tersluiks’. Dat alles maakte de omgang met
anderen bijzonder moeilijk; onze verwachtingen, gedachten, gedichten, rijpten in ‘het ondergrondse’,
2 dat door ons beiden zorgvuldig werd bewaakt; onze omgeving zette zich laag voor laag
op ons af en werd tot maskers; is dat niet de reden dat er zo vaak
maskers verschijnen in de poëzie van Blok? Nu eens een onaards
masker, dan weer een masker van sneeuw; ook ik heb in die tijd
over ‘maskers’ geschreven. ‘Het masker’ is de titel van een artikel dat ik in die periode heb geschreven en ik waarschuw daarin
voor een ‘masker’ dat onder ons zal opduiken: we moeten voorzichtig zijn.
We liepen rond in ‘maskers’; ontmoetten elkaar gemaskerd; en
die dag zaten we er gemaskerd bij.
Ik merkte op dat moment een eigenaardigheid in Bloks omgang met anderen op: het tasten naar ‘de kern’, naar het laatste; en
tegelijk: wantrouwen, waakzaamheid, angst voor de tactloosheid,
die in ieder van ons schuilt; ja voor al het ‘voorlaatste’, waar het
concrete leven, vermengd met abstractie, tot de subjectieve Maja
wordt, koesterde hij een afschuw en hij droeg het schild van zijn
stijl, ofwel ‘de zeer goede toon’, die voor hem iets natuurlijks was,
afwerend voor zich uit. Zo hult ritme zich in een metrum; zo ging
de poëzie van Blok in die tijd, nadat ze zich de jamben eigen had
gemaakt over op de anapest. Ik zocht in die tijd uitdrukking voor
mijn lyriek in een opeenvolging van korte amfibrachische regels,
de jambe beheerste ik nog niet; de maat en de toon van mijn kunst
waren heel anders; ik praatte honderduit, maar in mijn binnenste
was het stil en ik had niet het idee dat ik een theoreticus was. Qua
uiterlijk en gedrag was ik een woelwater en vormde een duidelijk
contrast met de zeer beheerste Blok, die goedmoedig-spottend en
sceptisch tegenover Maja stond, wat hem tot een gedistingeerde
verschijning maakte.
Iedereen die mij zag, zou zeggen: ‘Dat is een Moskouse intellectueel, een optimist met iets van Repetilov,
3 maar een Repetilov, die in de kringen van Stankjevitsj en de symbolisten heeft
verkeerd, die aan symbolisme doet, zoals men in de kringen van
Stankjevitsj aan Hegel doet, kortom een typische Moskoviet, grappig, en een beetje tactloos, zonder veel zelfbeheersing. De eerste indruk van Blok zou zijn: een Petersburger, een man die weet
hoe zich te gedragen. Een intellectueel? Nee, eerder een edelman
die gelooft in de vooruitgang, die een hartgrondige zucht weet te
verbergen onder een verveeld glimlachje en tegelijk: een goede
meevoelende ziel, die je op je gemak stelt en zijn onbehagen verbergt. Blok straalde vertrouwen naar mij uit, maar dat vertrouwen
ging gepaard met strengheid. Ja, natuurlijk zou men zeggen dat
Blok nooit in de literaire salons was geweest, waar Repetilov,
Vissarion Belinski of Michel Bakoenin
4 het hoogste woord voerden. Waarschijnlijk had Blok vele uren aan de oever van de Neva
doorgebracht en kende hij
De bronzen ruiter goed. Hij had nooit
‘aan symbolisme gedaan’, de symbolische perceptie was voor
Blok een vanzelfsprekendheid. En dat alles kwam tot uiting in zijn
omgangsvormen: in de aandacht voor zijn gesprekspartner, zijn
opmerkingsgave (niets ontsnapte aan zijn aandacht) en in zijn bereidheid klip en klare antwoorden te geven zonder zijn toevlucht
te nemen tot abstracties; maar Blok reageerde alleen op concrete
vragen, met algemeenheden liet hij zich niet in; dan verschanste
hij zich in zwijgzaamheid. Ik maakte een slimmere, nerveuzere,
zwakkere, meer democratische, verstrooidere indruk, Blok een
wijzere, gezondere, opmerkzamere.
Intussen bestond er geen verband tussen ons gedrag en onze
lyriek; bij het zien van Blok zou niemand zeggen dat hij de schepper was van de visioenencycli van Sjachmatovo; eerder dat hij een
verhaal of novelle in de geest van Toergenjev (maar wel met meer
talent) had kunnen schrijven; bij het zien van mij, zou men waarschijnlijk denken dat ik een of andere filosofische verhandeling
aan het schrijven was en als ik al gedichten schreef, dat ik daarin
ideaal rijmde met wartaal…
Maar onder het masker van de edelman verborg zich bij Blok
de onbekende Lermontov, een Pestel,
5 die tot alles bereid was; en
onder mijn ideeën, hoe extreem ook, verborg zich een minimalist,
een voorstander van geleidelijkheid, die voorzichtig, voetje voor
voetje de weg aftastte en vaak de voorkeur gaf aan een omweg
(de weg van de methodische argumentaties en toespelingen), die
steeds de mening van zijn gesprekspartner afwachtte, om zich pas
daarna bloot te geven. Blok was uiterlijk rustig, ik maakte altijd
haast, liep op de dingen vooruit, waagde me niet aan een beslist
‘ja’ of ‘nee’, Blok deed dat wel.
Ik schets hier de buitengewoon sterke verschillen tussen ons,
die wij bij de eerste ontmoeting zo duidelijk voelden – verschillen
in temperament, in stijl en in tact; ons gesprek stokte; we zaten
daar zonder te weten wat we met elkaar aan moesten. Het heeft
immers geen zin om uit te weiden over het weer, en wat te zeggen
over ‘de Schone Dame’?
6 Later bekende Blok dat er een ogenblik
geweest was waarop hij mij überhaupt niet vertrouwde. waarop
hij voelde dat ik niet meer ‘de oude’ was; en die reflectie van
mezelf in hem bespeurde ik ook; hij voelde dat ik niet alleen in
het ‘voorlaatste’, maar ook in ‘het laatste’, in het
levende alles
kon torpederen wat me heilig was: ja leefde dat eigenlijk wel?
Een ogenblik weifelde Blok: hij was teleurgesteld, net zoals ik.
Maar waarschijnlijk bespeurden wij beiden dat er behalve deze zo
verschillende ‘maskers’, een gemeenschappelijke kern aanwezig
was; en die omhelsden wij.
Deze bewuste omhelzing werd de basis van de liefdevolle
verhouding van Blok tot mijn vergankelijke ‘masker’; dat voelde
ik. Ik hield al van hem, maar helaas gedroeg ik me als een egoïst. Hij overtrof mij in vele opzichten; daardoor resulteerde de
broederschap die ons verbond daarin dat ik het gevoel had dat
hij de oudere was, en dat ik mezelf ervoer als de jongere (we waren leeftijdgenoten). Ik wil niet overdrijven: in sommige dingen
was ik superieur: ik was geduldiger, bescheidener, beschroomder;
ook al was hij wijzer, moediger en ouder, hij was grilliger in zijn
innerlijk beleven (ondanks zijn uiterlijke evenwichtigheid). Hij
verdroeg niet de discussies die ik wel verdroeg. Ik nam ze in me
op, hoewel ze me veel pijn deden, hij deed dat niet. ik liep aangeslagen door onze twisten rond, terwijl hij ze uit de weg ging.
Er was nog een karaktertrek, die ons van elkaar onderscheidde:
indien men de gestorvene zou vragen naar onze eerste ontmoeting
zou hij die heel anders beschrijven. Met trefzekere woorden zou
hij het innerlijk proces kenschetsen dat zich tussen ons had voltrokken; hij zou zich niet inlaten met psychologische karakteristieken, en nuances achterwege laten; daarentegen zou hij zich ons
gesprek woordelijk herinneren. Dat zou ik niet kunnen, het was
uit mijn herinnering verdwenen (hij sprak immers minder); bovendien had ik een open oor voor de onuitgesproken achtergrond
van al onze ontmoetingen. Ik sta in voor een precieze weergave
van de zielsnuancen, die hebben zich in mijn hart gegrift, voor de
afzonderlijke woorden sta ik niet in: die ben ik vergeten.
Ik kan me maar één moment van deze ontmoeting herinneren,
namelijk toen ik bekende hoe moeilijk me het gesprek viel; daar
op zette hij meteen de puntjes op de ‘i’ en beaamde: ‘ja, het is erg
moeilijk’. En ik oreerde verder om deze moeilijkheid te analyseren; een dergelijke langdradige analyse bij een eerste bezoek was
allesbehalve tactvol; het was volledig misplaatst à la Michel (dat
wil zeggen à la Michel Bakoenin, die de menselijke verhoudingen altijd probeerde te hegelianiseren), een stijl waar Blok weinig
waardering voor had, maar omdat hij me vertrouwde, vergaf hij
me deze faux pas.
Vanaf het eerste moment imponeerde Blok mij door de stille
kracht die in hem leefde en die tot uiting kwam in de ingehouden
souplesse van zijn gezonde, fraaie gestalte; want Blok was mooi
in die tijd; ik zou zelfs zeggen dat hij niet zozeer licht was als wel
licht uitstraalde.
(…) [hier zijn, ter wille van de leesbaarheid circa 800 woorden
geschrapt]
Deze vriesdag bleef ik me herinneren: de lantaarns op de Arbat tegen de achtergrond van het avondrood, verdwijnend avondrood,
opkomende treurnis; ik ging naar Petrovski om mijn indruk van
Blok met hem te delen; en we kwamen – hoe weet ik niet meer
– op de Nikitski boulevard terecht, waar ik begon te lachen: ‘Ja,
weet je, Blok is heel anders dan ik gedacht had, maar dan ook totaal anders.’ En in de stijl van onze gebruikelijke schelmenstreken
(onbekende voorbijgangers perplex doen staan met een paradoxale associatie, een karikaturale klankmetafoor of een grap) merkte
ik op: ‘Weet je waar hij op lijkt? Hij lijkt op een wortel.’ Met die
absurde uitspraak wilde ik iets uitdrukken, iets overbrengen, wat,
dat wist ik zelf niet, misschien de ovale vorm van zijn gezicht,
dat zo blozend, zo stralend en zo stevig scheen te zijn: ‘Hij lijkt
op een wortel, of op Gerhart Hauptmann’. Petrovski voegde aan
die onzin iets soortgelijks van hemzelf toe; zo probeerde ik kennelijk met kwajongenstreken mijn vage, onvatbare verdriet weg
te lachen.
aleksandr blok en sergej solovjov
Die avond ontmoette ik Blok en zijn vrouw nog een keer bij Sergej
Solovjov; daar voelden we ons plotseling veel meer op ons gemak.
Dat kwam misschien doordat we bij Solovjov onder ons waren,
zonder ‘volwassenen’. Sergej Solovjov, die familie was van Blok,
hem al heel lang kende en tegelijk mijn beste vriend was, wist
door zijn ongedwongenheid en onstuimige grappen snel een einde
te maken aan onze onderlinge beklemming. Onze relatie was immers ontstaan uit het streven de filosofie van Vladimir Solovjov
te doorgronden. We vormden, elkaar op een natuurlijke wijze aanvullend, een driehoek; en ‘het oog’ ofwel ‘het oog in de driehoek’,
een thema in de poëzie van Solovjov, stond boven ons (‘De schone
dame’). Sergej Solovjov vormde het verbindende element, hij was
het immers die mijn relatie tot Blok in het leven had geroepen.
De uitbundige Sergej Solovjov, die van jongensachtige grappen overging op serieuze thema’s, die serieuze zaken aan de orde
wist te stellen, maar die het serieuze op tijd wist te vermengen met
het vlugzout van geestigheden en monsterlijke overdrijvingen, die
zowel mij als Blok goed kende, wist een zekere gemeenzaamheid
tussen ons tot stand te brengen. Hij zette op een natuurlijke manier
de toon door Blok en mij ervan te overtuigen dat onder het masker
van de gedwongenheid die tussen Blok en mij was ontstaan slechts
een goed, simpel gevoel schuilging. Met zijn drieën was het allemaal eenvoudiger, en opende zich het onzichtbare ‘oog’ tussen ons
(terwijl we met zijn tweeën dat ‘oog’ op een kunstmatige wijze tot
leven hadden moeten roepen).
In die tijd stelde Sergej zich bijzonder dogmatisch op ten aanzien van de interpretatie van de ideeën van Vladimir Solovjov. We
waren op zoek naar de concrete toepasbaarheid van die ideeën;
we probeerden in het dagelijks leven alles te realiseren wat de filosofie, de poëzie en de mystiek van Vladimir Solovjov gemeen
hadden. Ten aanzien van dit concrete systeem namen we volledig verschillende posities in. Blok was een dichter en ziener, ik
was, vergeleken met de anderen, vooral een filosoof, Sergej was
een theoloog, bereid om altijd en overal het ‘eerste oecumenische
concilie’ van onze kerk bijeen te roepen. In deze kerk vertegenwoordigde Blok (naar wij aannamen) het johanneïsche principe,
Sergej Solovjov het petrinische en ik het paulinische. Deze drie –
Johannes, Petrus en Paulus – vormden tijdens onze bijeenkomsten
op natuurlijke wijze een ‘oecumenisch concilie’. Op zo’n concilie
domineert altijd de theoloog, de mysticus en de filosoof treden
terug; daarom propageerde Sergej Solovjov onder ons op despotische wijze zijn dogmatisme, en probeerde Blok en mij zijn interpretatie op te dringen. Hij dwong Blok en mij, die onverschillig
stonden tegenover dogma’s en de voorkeur gaven aan symbolen,
ritme en muziek, tot de tekstvastheid van sektariërs. Hij bepaalde
de weg, die we bij onze bijeenkomsten moesten gaan, trachtte ons
te winnen voor de theocratie van Vladimir Solovjov, waarbij hij
een geheel eigen interpretatie van die theocratie ontwikkelde. Hij
kon ieder moment een precies antwoord geven op de vragen die
bij ons opkwamen met betrekking tot deze doctrine, die hij als
enige in de vingers meende te hebben. Hij zag het toekomstige
Rusland als een federatie van gemeenschappen, overeenkomend
met voormalige vorstendommen, die bestuurd werden door raden
van ingewijden, die Haar geheimen moesten openbaren. Aan het
hoofd van die raden zag hij drie uitverkorenen (overeenkomend
met de hogepriester, de tsaar en de profeet van Vladimir Solovjov), die onder de aardse vrouwen een ideale belichaming van
Haar wezen kozen, oftewel een levende icoon. Sergej Solovjov
concludeerde: de katholieke paus, plaatsbekleder van Christus op
aarde, heeft de macht om de poorten van het Rijk van Christus te
openen, de toekomstige belichaming van Sofia, haar aardse vorm,
moest (lach niet) een pauzin zijn, volkomen gelijkwaardig aan een
paus. Volgens Sergej waren onze plannen bouwstenen voor de
theocratie, we hoefden alleen nog
haar oerbeeld te vinden en de
troon van de pauzin was bezet. Dat zou meteen de eerste cel van
het toekomstige Rusland zijn. In die cel zou de komende revolutie
van de geest zich ontwikkelen; de monarchie zou omver geworpen
worden, de revolutie was een brug naar de theocratie: de leus ‘Orthodoxie, monarchie en natie’ zou worden vervangen door de leus
‘Theocratie, Sofia en volk’. Zo deed Sergej erg vaak gekscherend
de uitspraak: wie weet heeft het lot ons geroepen tot een grootse
taak; Merezjkovski heeft onlangs immers nog verkondigd: ‘Ofwel
wij, ofwel niemand’. Op dit punt gekomen deed Sergej er steeds
het zwijgen toe, ofwel hij verschanste zich achter grappen; de tact
verbood hem om de laatste puntjes op de i te zetten – het was niet
meer dan een droom waarover wij ons later vrolijk zouden maken,
want zijn utopie had geen gevolgen voor de werkelijkheid, het was
een door ons geschapen mythe, een voorlopig in het onderbewustzijn opgeborgen sacrale creatie.
Die creatie droegen we met ons mee, ze verenigde ons, we
voelden: we zijn er niet voor niets, het feit van ons bestaan is niet
zonder belang. Wat er nou zo belangrijk aan ons was, dat wisten
we niet, het betekenisvolle van onze vriendschap was tegelijk een
geheim dat ons verbond.
Die avond bij de Solovjovs leerde ik Blok beter kennen; hij
had duidelijk een schalkse en humoristische kijk gekregen op zijn
bezoek aan Moskou, op ons, die hier zo zelfbewust resideerden, op
het ‘betekenisvolle’ tussen ons. Zich zonder haast tot zijn vrouw
wendend maakte hij haar in ons bijzijn deelgenoot van zijn indrukken: ‘Weet je, Ljoeba, het lijkt me dat Serjozja…’ In deze
indrukken bespeurde ik veel simpel en goed gevoel, vermengd
met humor. Die humor was afstandelijk, hij reageerde op onze uitweidingen met korte, sprankelende replieken. Hij sprak langzaam
en volkomen serieus, en toch was het grappig; het was Engelse
humor; hij sprak gewichtige meningen uit, maar deze meningen
wekten curieuze associaties op. Wij lachten fijntjes, terwijl hij
door zijn grote blauwe ogen open te sperren en met een licht handgebaar de as van zijn sigaret te tippen de humor van zijn woorden
nog eens benadrukte.
Van ons drieën was ik degene die nooit grappen maakte. Mijn
stijl was lyrisch; meer dan eens was ik het mikpunt van de subtiele
humor van Blok; door een hoofdknik of een desperaat gebaar wist
hij een lyrische ontboezeming doeltreffend te parodiëren: leuk,
goedmoedig, simpel en vrolijk. Ik herinner me dat Blok imiteerde hoe men mij uitnodigde om wat voor te lezen en ik dat lang
weigerde. Hij wist, naar men mij vertelde, mijn voordracht van
mijn eigen verzen op een fantastische manier te parodiëren. Het is
me niet gelukt om zo’n parodie mee te maken, zelfs niet wanneer
ik hem uitdaagde door in zijn bijzijn een schaamteloze karikatuur
van hem op te voeren.
Sergej maakte grove grappen, op zijn Solovjovs, zijn grotesken
en overdrijvingen deden denken aan die van zijn oom Vladimir.
Blok maakte geen grappen, maar had wel humor, van hem kreeg je
geen karakterschetsen te horen, wel wist hij iemand met een enkel
trefzeker woord neer te zetten. Later kenschetste hij het verschil
tussen ons met de volgende zin: ‘Weet je, Borja, jij bent een verkwister, ik ben een nachtbraker.’ Onder nachtbraken verstond hij
zijn vermogen om zich volledig te geven; de bereidheid om tot het
uiterste te gaan die onder zijn rustige voorkomen verborgen lag;
onder verkwisting verstond hij mijn gewoonte om met woorden
te strooien, om de inhoud van mijn ziel door praten prijs te geven.
Blok was in staat om met één woord de fijnste nuance weer te geven; wat meer is: met één gebaar, door een beweging van de ogen
of het hoofd wist hij iets komisch op te roepen. Mijn moeder zei
altijd: Blok heeft een zeer subtiele humor: hij praat ernstig, maar
weet me toch steeds aan het lachen te maken; waarschijnlijk is hij
altijd aan het observeren.
En verder herinner ik me dat ik diezelfde avond getroffen werd
door de grammaticale correctheid van Bloks spreken: in zijn lapidaire zinnen gingen achter een simpele grammaticale structuur
diepzinnige gedachten schuil.
Tijdens het gesprek bewoog Blok zich nauwelijks; hij zat rechtop bijna zonder achterover te leunen; soms kon hij zelfs een houterige indruk maken; zijn kleding was nergens gekreukeld; hij behield steeds zijn voorname houding, gesticuleerde weinig; slechts
zelden hief of boog hij het met krulhaar bedekte, rossige hoofd
en nog minder vaak sloeg hij, met zijn ellenbogen steunend op
de leuningen van de comfortabele fauteuil, de benen over elkaar.
Serjozja trok af en toe zijn wenkbrauwen op en wiegde met het
bovenlichaam. Blok hield het bij innerlijke gebaren; slechts af en
toe, wanneer iets hem opwond, stond hij op, ging van de ene voet
op de andere staan en liep met trage passen door de kamer, bleef
vlak voor zijn gesprekspartner staan, richtte zijn ogen, die blauwe
lantaarns, op hem en begon, nadat hij zijn sigarettenetui geopend
had en hem er zwijgend een had aangeboden, zijn bekentenis; elk
van zijn gebaren getuigde van een aangeboren voorkomendheid;
als er iemand voor hem kwam staan, stond Blok meteen op uit
zijn stoel en hoorde hem staand aan, met licht gebogen hoofd en
glimlachend; pas wanneer zijn gesprekspartner ging zitten, deed
hij dat ook.