Anri Volochonskij



Gedichten




het monument


Ik heb voor mezelf geen monument van cement opgericht:
Het is groter en zal langer blijven staan.
Als materiaal verdient cement geen compliment,
Het bestaat voor honderd procent uit zand.

Onderhevig aan de misdadigheid van de vorst,
Verwering, aantasting door allerlei vloeistoffen:
Zuur, regen, oplossingen van vitriool,
Vergaat het en bestaat niet lang.

Mijn geest wenst andere onderkomens,
Een betonnen obelisk is niets voor hem,
Maar in de bloembedden van enthousiaste uitspraken
Hebben hun uitlopers prachtig wortel geschoten.

In de ruimte van woorden zoekt mijn eeuwig graf
Naar planken, mijn standbeeld, mijn tempel,
En alleen daarmee, en zeker niet met kalk
Zal ik mijn voor eeuwig krachtige huis bouwen.

En naar het schitterende bouwsel dat niet van gips is
Komen van overal de volkeren kijken:
De Arabier, de dromerige pigmee met zijn enorme ring,
En zelfs zij die naast de kangoeroes wonen.

Hebben de piramides enig nut voor mij?
De opgestane farao zal eens de koperen eeuw
Bespeuren in een ijzeren voertuig,
Als een sfinx bespannen met een chimaera.

En op het uur waarop alles in de wereld zal verdwijnen
Zullen door de smog van de teer, door het puin van de bakstenen
Plotseling steelsgewijs deze strofen beginnen te glanzen,
Als een woeste Feniks huilend en schreeuwend.


de roos en de admiraal


Laat de Roos verwelken, de prachtige struik zijn kleur verliezen,
Laat het blad ronddraaien, de wind het meenemen.
We zitten allemaal in de schuld, een last drukt op ons allen,
En de schitterende vaandeldrager zelf
Glijdt over het ijs.

Maar toch, in zekere zin,

Zit een deel van de betekenis zelfs in verlaat berouw:
Een levende boom in vergelijking met een dode,
Een horrelvoet naast een kruk,
Een gat in het gras – bladluis,
Een gat in de zak, de geur van steppegras.
Galop van een komeet, gestrompel van de zon –
Dit alles is een teken dat het wereldse gebubbel
Niet zal eindigen met de ontploffing van een bubbel.

Wie kankert op de dood is koopvaarder in vredige wateren.
De branding ruist en het stuur draait rond.
Hé, Admiraal, het is tijd dat je rust neemt,
Waar ben je zo snel naartoe gevlucht?


groene mouwen


De blauwe zee schonk me
Vrije golven schuimend water
Schonk me de blauwe hemel
De toverkunst van elke ster

Geheime bergen schonken me
Al hun verborgen gaven
Schonken het licht van blauwe lippen
En het kristallen geluid van grotten

Mijn liefste gaf me
Een rode roos een witte roos
Gaf me een witte lelie
En de prachtige blik van haar ogen

Ik heb geen blauwe zee nodig
Blauwe zee geheime bergen
Ik heb geen schuim van golven en sterren nodig
En stenen van koude rotsen

Mijn liefste pak
Een rode roos een witte roos,
Geef me een witte lelie
En de blik van je prachtige ogen

Mijn teerbeminde ster
Jij mijn witschuimende golf
Toverachtige onuitsprekelijke
Roos lelie liefde


anti-erotica


Vroeger, in navolging van Socrates en Plato
Zagen we in het kunstwerk fraaie snode plannen
Nu kijken we, zonder iemand te volgen
Heel anders aan tegen deze zaak.


* * *


De gezichtsuitdrukking
Van een jonge aap

Wat in de lengte, wat in de breedte
Is het slappe lijfje van dat apie

En onder de kruin – de schedel van het sleutelbeen,
Waar de oksels van de heupen samenkomen
In het voetstuk, dat de kolos voor de pygmee heeft opgericht.

Een krans van haar verlicht zijn kale kruin.


* * *


Wij die Matrona beeldhouwen in marmer
Moedigen slechte smaak aan.

Na haar gevormd te hebben uit wat ze was
Ontdekken we zeer slechte zeden.


* * *


Goed als iemand een erogene zone aan de buitenkant heeft:
Alles is dan binnen handbereik,
Er is zelfs geen bescheiden verbeeldingskracht nodig.
Maar kijk, wanneer de innervatie van de gelukzaligheid begraven ligt in olifantshuid,
Dan word je ook tegen je eigen wil getalenteerd!


* * *


Als het waar is dat taal het beste communicatiemiddel is
Waarom communiceren we dan zo zelden met behulp van dit middel?


* * *


Hij is een kaars
Zij een lantaarn
Ze zoeken iemand de komende dag
En op de achtergrond
Als een zonnebloem tussen madeliefjes
Een volwassen lange lijs van een kerel die met een groot stuk speelgoed zwaait


* * *


Het gewicht van het niet zijnde zit in iedere gebeurtenis
Of er is niemand binnen, of er is niemand in de buurt

Maar wie twijfelt aan zijn eigen bestaan –
Vind maar iemand die hem gerust kan stellen


rechtvaardiging in verzen over het niet nakomen van een belofte


Zo ver is het nu met onze lopende zaken
Dat de tijd is gekomen met vrienden uitleg te geven in verzen:
En inderdaad, het droge proza van bijkomende gedachten vergroot de vanzelfsprekendheid
En daarin zit niets wat vooruitziendheid pretendeert
Poëzie daarentegen is geheel gericht op de toekomst
Hoewel ze kracht put uit het verleden voor langdurige slaap.
Wat kan er beter zijn dan de maatschappelijke positie van de dichter?
Alle deuren staan voor hem open. Iedereen is blij met hem. En dat niet alleen:
Velen zijn, zelfs als ze niet blij met hem zijn, gedwongen te doen alsof
Ze blij met hem zijn als hij het in zijn hoofd haalt hen te bezoeken
Zelfs als hij zonder uitnodiging verschijnt erger dan een Tataar
Wees hoe dan ook blij, alsof juist dit iets aangenaams is
Geef deze onverantwoordelijke persoon te drinken, te eten, en een bed
Als je goed zoekt naar voorbeelden kun je een brief schrijven aan N*
Hij is geen dichter, maar kent de bijzonderheden van het bohemienleven

Veel beter dan passend is voor iemand die in de toekomst tot de geestelijke stand zal behoren
Maar waarom haal ik de balk uit iemand anders oog?
In mijn eigen oog heb ik er immers minimaal twee.

Ik weet zelf hoe moeilijk het is in de wereld dichter te zijn
Schrijvers hebben het gemakkelijker: ’s zomers hebben ze het alleen heet
Maar ’s winters dossen ze zich als het ware uit met hanenveren in de indulgentie van hun beroep
Ongeacht geslacht, ras, nationaliteit en geloof
De dichter voelt de winter met de hele huid van zijn eigen hielen en sokken
En ook zou hij graag de sokken die hij had met alle uitgeputten in de wereld willen delen
Al had hij er maar één – maar hij is niet alleen symbolisch naakt

En de goede gevoelens van zijn geest zijn voornamelijk platonisch Anders gezegd: ze zijn niet gericht op een bepaald object
Waarover we, bovendien, kunnen zeggen dat het geen object, maar een subject is.

Weer anders gezegd: dichters zijn narcistisch en egoïstisch
Hun hoofden zijn vol wind, in hun gevoelens is het een bazaar, hun zielen zijn van plastic
Als samowarkoper, als dat op de juiste wijze wordt verwarmd en
er vervolgens op de juiste wijze wordt ingeschonken:
Maar er is geen samowar, geen slokje water, niets om thee mee te zetten.

Neem wie je maar wilt… Niet nodig overigens. Neem mij.
Een voorbeeldige familieman zoals iedereen weet. Nog eergisteren
Was ik de zoon, broer, echtgenoot, bijna grootvader van talrijk dienstpersoneel en kleinzonen,
Kameleons, kakkerlakken, spinnen, uitblinkend in filosofie, theologie, positieve wetenschappen,
Iemand die de wereld heeft gezien, weet waar alles is, hoeveel er is enzovoorts enzovoorts
Die vijf beroepen heeft gehad, vier militaire rangen, de ene lager
dan de andere, drie religies, twee vaderlanden, talloze werkplekken en… (puntje puntje puntje)
Kun je je het voorstellen: dit ‘Ik’ dat je als voorbeeld hebt genomen
Blafte tegen zijn eigen hond. Is er een vreemder waandenkbeeld mogelijk
Ter illustratie van al het onbetrouwbare dat zo nauw verbonden is met de poëzie?
Temeer omdat het niet waar is. Zoals ze in Melanezië zeggen:
‘Hij zou een goed mens zijn, maar ja, zijn mond is een beetje groot’ – voordat hij gaat eten
Of in Rusland: ‘Maakt niet uit waar ze hem gevangenzetten, als er maar iets is om op te zitten’
Of ‘waarmee je kunt gaan zitten’, zodat er twee keer zoveel derde betekenis is.
(Ik herinner me niet wie zei): ‘Kaas is in wezen het gevoel van een
kalf dat eerder vier keer verzuurd is’,
Je ziet hoe hij fladdert, de vleermuis van de lichtzinnigheid:
De ene vleugel van een libel, de andere die van een vogel, de derde hangt gewoon zo, als een vossenkopje.
Luister liever naar het verhaal van de buurvrouw die boven woont.
Ze had een vleugel. Toch niet getrouwd.
Waarom onzin praten
En wat heeft de vleugel ermee te maken? Ze was gewoon niet mooi.
Nachten lang bonkte ze op de toetsen nadat ze zich achter het klavier had gezet
Händel kwam er bij haar nog fraaier uit dan Chopin
En de cellopartijen klonken helemaal prachtig.
Er was natuurlijk de bekende passie voor techniek die ten koste gaat van het directe gevoel
Maar een zekere kunstmatigheid doet geen afbreuk aan echte kunst
Zoals ook in dit geval. En ze speelde, speelde…
En plotseling… ging ze trouwen! Met een sukkel, een zeldzaam stomme sukkel
Ik heb het in feite over zijn gezichtsvermogen: met een blinde sukkel
Trouwde deze artieste. Op het bruiloftsfeest aten ze twee augurken
Zoals dat hoort volgens het Levantijnse ritueel
(Zij komt uit Sotsji. Beiden zijn uit Chisinau.
Het is in elk geval nodig dat dit ook een rol speelde)
Vervolgens zal ik niet opsommen wat er door hen nog meer gegeten en gedronken werd.
Drie dagen lang was ze niet thuis. Dat is nu zeker gebruikelijk bij de jeugd.
Mijn ziel droogde geheel uit zonder de gebruikelijke oefeningen boven mijn hoofd
En tevergeefs probeerde ik met mijn verweesde oor het geritsel
van de nachtelijke cicaden in de takken van de cipressen te vangen
Ze kwam terug – en rechtstreeks naar de vleugel. Wat een ramp!
Een trommel gewoon!
Ze aaide hem met een tedere vinger, hij gaat tekeer als een ram
Waarvan de hoorns nooit zullen worden gebruikt om een lier te maken
Niet ook maar de geringste harmonie. Een samenzwering in de diepste diepten van de ether
Een droog geklop, dat in het gehoor snijdt, de ziel tiranniseert en het hart vergiftigt
Hier heb je een duidelijk voorbeeld dat wanneer iemand die getalenteerd en vooraanstaand is
Iets anders gaat doen dan wat hij volgens zijn natuur zou moeten
Zelfs zijn primitieve klavier hem niet meer gehoorzaamt.


de zeeën van de poëzie


De zeeën als duizenden zurige hoppen
Gaan tekeer met hun beweeglijke kuiven

Als duizenden aparte zurige hoppen
Gaan de gevleugelden met hun kuiven tekeer

De zeeën van de poëzie met hun beweeglijke kuiven
Gaan tekeer als kuddes zurige hoppen


de kosmos


Wat is het gemakkelijk om in God te geloven, wanneer hij zit
In zijn huis van drie verdiepingen
Boven een souterrain van drie etages
En de wereld beschouwt
Door het raam van zijn zolder
En naar de wereld uitvliegt
Door het raampje van zijn duiventil
Wanneer de cherubijnen rondom op de trommels slaan
De aartsengelen in koor zingen
En de oorlogsengel zegevierend de snaar beroert

Het is gemakkelijk in hem te geloven
Als de hiërarchie van de wereld helder is als een dennenboom
En de herfst van de winter als de lente in de zomer is
Als hij boven op de kruin zit
op de top
boven op de stalen top
Maar dit beeld lijkt me in laatste instantie anders te zijn

In onze huidige kosmos is er immers geen grond meer voor Gods troon en donder
In de grote zwarte ruimte is de aarde verpulverd, verstoven
De zon is als een maanloze ster naar iemand anders toegerold
Smekend om het stuifmeel van een beetje licht in de wolken toe te laten

Pure goddeloosheid lijkt mij de nieuwe hoogste kosmosreligie
Alleen stormen daar de kometen met hun natte smoelen naar voren
Ze hebben geen steunpunt – het Universum van hun lagere stoffige natuur volkomen grijs als treurig smeltend ijs
Is gegroeid, ontkiemd, is overvloedig, er waaien niet zuivere slierten
Er is niets anders dan kometen – geen steunpilaren, geen sfeer van been –
Halfgasvormig vuil, en tevergeefs: ‘waar is God?’
Zouden we plotseling beginnen te vragen en bij hen te informeren


zeep


Als je woorden uitspreidt op het raamwerk
Van ritme en betekenis – een ogenblik van hygiëne
Nemen de gedichten zuivere ruimte in
Als een zichtbaar laagje van fijne klank.
De regenboogachtige vlakte van betekenissen of metra
Als een opgeblazen lettergreep in een glas gesnoerd
Zal nu eens, zie je, opborrelend, die kant uitwijzen
Dan weer zal het elegante kleine dingetje terugkeren naar de spiegel.

Sterke dingen zijn van zeep gemaakt –
Sculpturen van betekenissen in architecturen van ritmes:
De wanklank van gebouwen, het gewauwel van wijken,
De klokkentorens van steden en dorpen, de xylofoons van kerkhoven
Tranen met schuim in de pupillen van het tijdperk –
Een ooglens in de bolling van een melkachtige pupil,
En achter elk ervan verschijnt het tijdperk,
Het zepige epos van een kale melkweg.

Er worden sterke dingen gemaakt van zeep:
Daar – op een vettig voetstuk draait
Het gladde margarinegedenkteken van de redenaar –
Staat de Dichter zelf in het regenboogspinsel van het schuim van de fontein
Omringd door allerlei dingen.

Maar hij staat, twijfelend aan de concreetheid van de eeuwigheid
En het woord wordt meteen vluchtig en kruipt weg,
Wie gewend is de ruimte te vullen met schuim
Hoe kan hij dat doen zonder zeep?


Vertaling Willem G. Weststeijn




<

TSL 98

>