Alisa Ganijeva
De dertien
De uit Dagestan afkomstige auteur Alisa
Ganijeva (1985) studeerde literatuur aan
het Gorki-instituut in Moskou en was
jarenlang actief als literair critica. Als
prozaschrijfster debuteerde zij in 2010,
in eerste instantie onder een mannelijk
pseudoniem. De vier romans die zij tot
nog toe schreef, werden in een stuk of tien
talen vertaald, waaronder ook het Nederlands (De Russische muur en Liefde in de
Kaukasus, beide in de vertaling van Els
de Roon Hertoge en Annelies de hertogh).
Als uitgesproken tegenstandster van de
Russische oorlog tegen Oekraïne leeft de
schrijfster tegenwoordig in Kazachstan.
Vorig jaar vertaalden de deelnemers van
de vertaalwedstrijd van de Stichting Levende Talen, sectie Russisch, Ganijeva’s
korte verhaal ‘De dertien’ (Тринадцать)
uit 2011. Hieronder leest u de winnende
vertaling, van de hand van Lena Hemmink.
de dertien
Toen het Gazelle-busje krakend in zijn voegen aankwam bij de met
zware zakken versterkte controlepost, waar sjasliekverkopers en
straatventers met luchtbedden zich verdrongen, draaide het van de
weg af en trok ijlings de bergen in. Ongeveer dertig minuten later
werd het nietszeggende landschap verwisseld voor witte leisteenmassa›s, en achter de ramen strekte zich de bodemloze hemel uit.
Ergens beneden, zo›n honderdvijftig meter onder de slingerende
weg, glinsterde een zilveren riviertje en waren minuscule graafmachines grind aan het graven.
Naast de ernstige, bijna zwartgebruinde chauffeur zat een gezette man van middelbare leeftijd in een wit overhemd met een
zwartleren aktetas in zijn handen aandachtig te kijken naar zijn
telefoonscherm, waarin het licht van de septemberzon weerscheen. In het busje zaten een intelligent ogende oudere man met
een weerloze glimlach, een volslanke, roodwangige vrouw en
haar dochter, die haar werkhanden bescheiden op haar knieën had
gekruist, een jongeman in een rare pofbroek die een stille oude
vrouw vergezelde, blijkbaar zijn grootmoeder, een norse man met
een onverzorgde baard, twee vrouwen - één met een bril en een
grijs jasje, de ander in een chique nette jurk -, en verder nog een
passagier met zware wenkbrauwen en een tubatejka1 op, een jong
meisje met valse wimpers en een flinke, roodharige jongeman met
zijn rode pet kwajongensachtig omhoog geschoven.
Ze passeerden haarspeldbochten boven een schilderachtige afgrond, een weidse vallei, bezaaid met rodekool, een groot dorp
met nette, voor een deel onafgebouwde huizen en kleurrijke kruidenierswinkeltjes met bundels bergworsten in de etalages, en politieagenten in dikke kogelvrije vesten die langs de weg stonden.
Daarna kwamen er weer bergen en dalen, zinderende bochten van
rotsachtige hellingen en benzinestations met gebedshuisjes en grote opschriften ‘Alhamdoellilah’.
De vrouw in de nette jurk vertelde haar buurvrouw hoe de baas
van haar echtgenoot vlak voor zijn promotie publiekelijk zijn eigen zoon, die ‘in het bos’2 bekend was als Fantomas, had verloochend. De buurvrouw zette haar bril recht, zuchtte en keek naar
de rode lichtvlekken die de toppen van de voorbijsnellende rotsen
omspeelden.
Bij het passeren van een begraafplaats dempte de chauffeur het
zoetsappige chanson, en sommige passagiers fluisterden gebeden
en wasten met geheven handpalmen hun gezicht. Even later klonk
de muziek weer op en reden ze een naburig dorp binnen.
‘Hé hé, wat nou, geef het toch,’ zei de roodharige man lijzig
en leunde over naar het meisje met de valse wimpers, dat zich van
hem afwendde, ‘er komt heus niks van hoor...’
‘Hoezo? Ik héb geen nummer.’
‘Kom op, neem je me nou in de maling? Ik praat normaal tegen je!’
‘Laat me met rust!’ snauwde het meisje, terwijl ze haar modieuze, laag uitgesneden topje rechttrok.
De roodharige kreeg een kleur:
‘Yo, wat zei je nou net? Wat zit je je op te blazen?’
‘Dat doe ik helemaal niet.’
‘Wat een heibel maak je! Totaal geschift!’
De vrouw met de rode wangen wendde zich tot de roodharige man
en vloekte in haar eigen taal.
‘In je hoek jij, val dat meisje niet lastig!’ voegde ze eraan toe,
terwijl ze het stel verontwaardigd aankeek.
‘Straks ruil ik met haar van plaats.’
‘Daar pas je niet in, tante,’ lachte de roodharige man goedmoedig, terwijl hij zijn mineraalwater opdronk en de lege fles uit
het raam van de Gazelle wierp.
Ze naderden de bazaar van Chadzjal-machi, vanwaar ze al de muziek, het gelach van handelaars en toeterende claxons konden horen. De man met de weerloze glimlach stak zijn hoofd uit het raam
en bekeek met oprechte nieuwsgierigheid de dorpelingen die druk
bezig waren langs de weg, en de met linten versierde auto’s van
een trouwstoet.
Het dorp was relatief jong en bestond hooguit vijf eeuwen.
Toen deze streek verwoest was door Timoer Lenk zochten de van
echtgenoot en onderdak verstoken bergbewoonsters noodgedwongen met hun kinderen beschutting in de omliggende grotten, totdat
een Tsoedachaar genaamd Choezja een nederzetting bouwde die de
aanzet gaf tot Chadzjal-machi. Tijdens de Kaukasische Oorlog verrees hier een Russisch fort, en de inwoners moesten voortdurend
schipperen tussen de opstandelingen in de bergen en de keizerlijke
gouverneurs. Ze werden verbrand, uitgeroeid en beroofd, afwisselend door de koninklijke troepen en opstandige Moeriden. En nadat
de reeds gevangengenomen Sjamil hier onderweg vanuit Goenib
halt hield en het middaggebed verrichtte in de tot op heden bewaard
gebleven moskee, eindigde de oorlog en verloren de inwoners van
Chadzjal-machi veel van hun persoonlijke en gemeenschappelijke gronden, ze werden bedolven onder belastingen en begonnen te
morren. Er brak een opstand uit die vier maanden duurde en toen
werd onderdrukt, waarna de belangrijkste deelnemers werden opgehangen en de rest naar strafkampen werd gestuurd.
Na 1917 raakte het dorp verdeeld in vier groepen. Sommigen
steunden de Roden, anderen de volgelingen van Denikin, weer anderen de moslimbeweging van Gotsinski en ook waren er die de
hier terechtgekomen Turken steunden. Door deze warboel en door
toedoen van vijf of zes provocateurs werd een deel van de Rode
soldaten die vrij door het dorp naar het Goenib-fort mochten lopen, neergeschoten. Dit gaf de Roden aanleiding om onmiddellijk
een vergeldingsactie uit te voeren en bijna alle mannen van Chadzjal-machi te doden, zodat velen na deze gebeurtenissen naar het
buitenland emigreerden en nooit meer terugkeerden.
De Sovjet-overwinnaars waren royaal met beloften, steunden
aanvankelijk de sharia-rechtbank en bouwden uit angst voor onrust zelfs een nieuwe moskee in Chadzjal-machi. Maar later werden de duimschroeven aangedraaid en de Schriftgeleerden en hun
leerlingen vervolgd. Daarmee was de rampspoed van de inwoners
van het voormalige vrije Dargo nog niet voorbij. Tijdens de jaren
van de stagnatie schilderden middelbare scholieren voor de grap
het gipsen hoofd van Lenin over met olieverf. Inspecteurs kwamen
ter plaatse en eisten de uitlevering van de daders. De inwoners van
Chadzjal-machi weigerden. Maar toen er werd gedreigd alle dorpelingen zonder uitzondering naar Siberië te sturen, beraadslaagde de godeka3 en gaf toe. De kwajongens werden in een konvooi
afgevoerd.
De Gazelle stopte midden in het dorp, vlak naast de kraampjes met
herfstfruit, en de passagiers stroomden naar buiten. Langs de weg
stond een aantal van dezelfde, lichtgeel gekleurde minibusjes uit
te puffen. De chauffeurs, staande in een halve kring, begroetten
hun net aangekomen gebruinde collega spontaan. De roodwangige vrouw en haar dochter liepen al langs de bonte kramen, en de
grijze vrouw met de bril vertelde de jongeman in pofbroek over de
bouw van de plaatselijke Grote Moskee:
‘Stel je voor, de stenen werden op ezels vanuit Akoesj naar hier
gebracht. Eén rij stenen rondom leggen kostte ze een heel jaar!’
De jongeman knikte en keek beurtelings naar de turquoise
lucht en naar zijn oudje, die ronde, koperkleurige meloenen betastte. De anderen waren opgegaan in de menigte en het lawaai
van Chadzjal-machi. De man met het mutsje en de zware wenkbrauwen pakte een lege plastic fles en rende naar een waterbron,
de man met de leren tas verdween achter een huis in aanbouw en
riep haastig iets in zijn telefoon, en de man met de onverzorgde
baard loste eenvoudigweg op in de warme lucht. Op het dak van
een huis in aanbouw stond een man in werkoverhemd en met een
ijzeren vizier voor zijn gezicht over een vonken spattend, sissend
lasapparaat gebogen. Ergens in het huis ratelden metalen platen en
achter de bazaar, op de binnenplaatsen die naar de rivier liepen,
waar zojuist een bruiloftstoet was langsgekomen, weerklonk de
Lezginka luid. Alleen de roodharige jongeman bleef in het busje,
keek uit het raam en grijnsde naar de algemene drukte.
Na een minuut of tien begonnen de passagiers terug te keren
naar hun plaats, en nadat ze de zakken met vers fruit onder de
stoelen hadden weggestopt, gingen ze weer verder. De chauffeur,
opgefrist door een goedkope sigaret, wat water en de grapjes met
collega’s, rommelde wat met de cassetterecorder.
‘Komen we voor enen aan?’ vroeg de man met de tas hem.
‘Jazeker.’
Hij snoof even toen hij eraan dacht hoeveel hij de wegenpolitie
had moeten toeschuiven.
De Gazelle was op weg naar de met pijnbomen bedekte Huppinski-pas, waarachter de dorpen van Darghwa ophielden en de hoge
bergen van Avarije begonnen. Het rook naar meidoorn, sint-janskruid, tijm en alsem. De vrouw in de mooie jurk telde stilletjes het
geld in haar portemonnee, het meisje, dat naar een andere stoel
was verhuisd, lag te dommelen met haar valse wimpers geloken,
de oude vrouw fluisterde iets tegen de jonge man in pofbroek en
hij glimlachte.
‘Had ik de papieren soms zelf aan Chalilbek moeten geven?’
dacht de man met de aktetas, en hij doorliep zijn lijst met contacten. ‘Nee, mij zou hij niet ontvangen hebben met mijn verzoek.
Het klopt allemaal. Ik gaf het via Chizriejev, en Chizriejev moet
het nu zelf maar regelen, ze zijn familie...’
De oudere man verborg zijn weerloze glimlach en keek mijmerend naar de pijnbomen die langs de kant van de weg naar voren
kwamen. Hij stelde zich voor hoe hij in het districtscentrum zou
stoppen bij zijn vriend, droge wijn met hem zou drinken en de volgende dag naar zijn kleine dorpje zou gaan, naar zijn in het vochtige groen verborgen huis aan de schaduwrijke kant van de berg,
het hekje zou openen, gemaakt van het hoofdeinde van een oud
ledikant, de tuin zou betreden en daar, onder de walnotenboom,
triktrak zou gaan spelen met zijn buurman.
De bebaarde man drukte zijn voorhoofd tegen het stoffige glas,
in een poging te ontsnappen aan zijn muizenissen. ‘Ik moet het
medicijn brengen en dan teruggaan en mondje dicht. Ze komen
er toch wel achter... De wijkagent gaat erin graven. Ze hebben
Alisjka invalide gemaakt en ze zullen mij... Nee, ik moet het medicijn overhandigen en dan ook maken dat ik wegkom ... Nee, dat
kan niet. Ik ga zo naar oom Osman, misschien weet hij werk voor
me... Of moet ik niet gaan? Oom Osman doet niets voor niets. En
als ik dat doe, zal Abdullah zeggen: dat is koefr4...’
‘Het cadeau voor de koppelarij van Aisja haar zoon heb ik mee,
voor Patja heb ik iets... Ojojoj, ik moet ook nog Zaira condoleren,
ik heb haar sindsdien niet meer gezien...’ Het hoofd van de vrouw
in de mooie jurk liep om, en haar buurvrouw dacht: ‘Ik zal de zoon
van Roesik vragen om me naar de toren te rijden. Ik kom hier al
zóveel jaren, maar ik ben nooit in de toren geweest. Ik moet foto’s
maken en die aan Moerad Moeradovitsj laten zien. Stel dat hij inderdaad van kerkstenen gemaakt is...’
De steeds smallere weg rook doordringend naar ozon, dennenappels en een verontrustend zachte nazomer. Een kleine haas
schoot voor de Gazelle langs en ergens prevelde een onzichtbare
vogel iets onbegrijpelijks. De dochter van de vrouw met de rode
wangen glimlachte verlegen in haar vuist.
Vanaf de top van de berg die ze hadden bedwongen zou het
Gergebelbekken, bezaaid met kloven en grotten, overdekt met
bulten, glooiingen en riviertjes, zich nu snel voor hen openen. De
Gazelle draaide een haarspeldbocht in, en plotseling zagen de passagiers een grote vrachtwagen vanachter de rotsachtige bergkam
recht op hen af vliegen. De vrouwen gilden luid, de bestuurder
greep het stuur vast om een botsing te ontwijken, de claxons schalden hartverscheurend. Het meisje met de wimpers viel met haar
gezicht naar beneden op haar knieën, de passagier met het mutsje
riep luid Allah aan, en de Gazelle, met de banden losgerukt van de
aarde, leek al de afgrond in te vliegen.
‘We gaan, we gaan,’ fluisterde de oude vrouw, voelend hoe
haar lichaam gewichtloos werd.
‘A-a-a-a-a-a-a-a-a-a-a-a,’ jammerden onvaste stemmen.
‘Geweldig, kerel! Prijst Allah! Geweldig!’ begon de man met de aktetas plotseling te roepen, en sloeg daarbij de ondanks zijn
bruine kleur verbleekte chauffeur op zijn schouder.
Het meisje hief haar rood aangelopen gezicht op, vervuld van
afgrijzen. De weg was leeg. De vrachtwagen snelde voorbij en
verdween gelukkig uit het zicht.
‘We zijn er voorbij! En ik dacht al dat we de afgrond in vlogen,’ fluisterde het grijze meisje, terwijl ze met hevig trillende
handen haar bril rechtzette.
‘Bedankt! Bedankt! Kanjer!’ herhaalde de roodharige jongeman met de pet enkele malen.
Ze reden nu langzaam, zochten als het ware op de tast een weg
door de ingetreden duisternis. De lucht veranderde langzaam van
turkoois naar staal en het bassin was in mist gehuld. De chauffeur,
amper bekomen van wat er was gebeurd, volgde nauwgezet de
kronkelende markeringen en bereidde zich voor op de afdaling.
‘Kon hij niet uit zijn doppen kijken? Die abdal5 in de vrachtwagen! En tenminste stoppen! Tjonge-jonge!’ zei de vrouw met
de rode wangen verontwaardigd. ‘Vlak langs ons rijden, ons de
schrik op het lijf jagen en hem gewoon smeren, de bocht om ...’
‘Ik voelde echt dat we de lucht in gingen. We stuiterden, toch?’
zei de oudere man perplex en veegde het koude zweet weg met
een zakdoek.
De jongeman in pofbroek schaamde zich voor zijn schrik.
‘Mijn leraar zou dit niet goedkeuren,’ dacht hij bij zichzelf.
‘Hij leerde me mijn angst te overwinnen door een oefening.
Die oefening... Hoe ging die ook weer? Met welke woorden?’
De vrouw in de jurk graaide in haar tas op zoek naar validol:
‘De barbaren! Ze rijden als gekken! Waar zijn die, hoe heet het, die
druppeltjes om in mijn water te doen? M’n hart begaf het zowat!
Ik zweer het!’
Ze reden een hele tijd in stilte. De afdaling kwam maar niet, integendeel zelfs. De weg ging aanhoudend omhoog.
‘Wanneer komt er een einde aan de pas?’ vroeg de man met de
aktetas ongerust.
‘Nou, we hadden er al voorbij moeten zijn. De weg loopt zomaar anders. Hoger. Ik rijd hier elke dag, dit heb ik nooit meegemaakt. We hadden al daar aan die andere kant moeten zijn…’. De
chauffeur besefte plotseling dat hij niet meer wist waar hij heenging. ‘Nou, eh... al richting dat stuwmeer’.
Hij aarzelde en viel stil. De man met het mutsje zat voor alle
zekerheid fluisterend te bidden… De roodharige zweeg, zette zijn
rode pet af en keek treurig uit het raam.
‘Het weer betrekt, nietwaar?’
‘Daar beneden regent het, maar wij zijn nu boven de wolken,’
antwoordde de oudere man met verstand van zaken. In zijn hoofd
klonk lawaai, zijn gedachten waren verstrikt. Hij kon maar niet
begrijpen waarom hij in dit busje zat. Achter zijn ogen stuiterden
triktrak-blokjes en pulseerden stippen.
‘Mama, hebben we nou het landje bekeken?’ vroeg de dochter
van de roodwangige vrouw plotseling.
‘Welk landje?’
‘We gingen toch naar een landje kijken in de buurt van
Machatsjkala?’
De moeder zweeg en wreef met haar knokkels over haar voorhoofd. De Gazelle kwam verder niemand tegen, de weg was grauw
en leeg en voerde hen in lange lussen hoger en hoger. De bebaarde
man liet zijn kin op de borst zakken en viel zo te zien in slaap.
‘Hoe lang kan dit nog duren,’ mompelde de chauffeur, ‘wanneer komt er een einde aan deze klim? Er klopt iets niet...’
‘Was er soms een splitsing, nam je een verkeerde afslag?’ opperde de oudere man.
‘Er was helemaal geen splitsing,’ jammerde de chauffeur bijna.
‘Je hebt daar toch die bocht, daar waar de vrachtwagen was, en
vanaf daar begint de afdaling al. Wat is dit voor hocus pocus! En
de radio pikt niets op...’
Ze bleven maar stijgen. De door mist opgeslokte steile helling
bevond zich nu eens rechts, dan weer aan de linkerkant. In het busje werd het donker. De oude vrouw zat te kijken hoe de gezichten
van de inzittenden vertrokken in de nevel die de weg omhulde. De
neuzen versmolten met de wangen, de ogen zonken weg, de lippen
rekten zich.
De man in het witte overhemd zocht snuivend naar iets in zijn
leren tas. ‘Hier had ik het toch, die verklaring die ik ging... Ik
ging ermee naar iemand daar, in de stad. Die mag ik niet kwijtraken!’ Hij sloot de tas en keek bezorgd om zich heen. Mist, pijnbomen, de troebele weg, de zwevende horizon en verder niets.
‘Laten we stoppen,’ stelde de vrouw met de bril voor, ‘we moeten
uitzoeken waarom de klim niet ophoudt…’
De chauffeur luisterde niet en bleef gas geven. Het maakte
hem absoluut niet meer uit waar hij naartoe ging of hoe ver het
nog was. De top kwam nog steeds niet dichterbij, de pas hield
niet op en de gelaatstrekken van zijn passagiers vervloeiden tot
in het onherkenbare...
Op dat moment verzamelden zich bij de bocht links achter, daar
waar de noodlottige zware vrachtwagen gierend had geremd,
steeds meer mensen. Voorbijgangers stopten en boden hulp aan.
Vrijwillige reddingswerkers waren daar beneden al in de weer, op
de zware rotspunt waaraan de vallende Gazelle zich had vastgeklampt. Ze wachtten op de politie.
‘Hoeveel slachtoffers?’ vroeg iemand terwijl hij bezorgd de afgrond in tuurde.
‘Alle dertien,’ klonk het van beneden. ‘Meestal zit zo’n busje
vol.’
Vertaling Lena Hemmink
1 Geborduurd kalotje dat wordt gedragen door islamitische gelovigen.
2 Aanduiding voor leden van een Islamitische ondergrondse beweging.
3 Centraal plein waar dorpsvergaderingen worden gehouden.
4 Uiting van ongelovigheid jegens Allah.
5 Abdal = dwaas (Avar.) (noot van de schrijfster).