Precies honderd jaar geleden maakte het
boegbeeld van de jonge Sovjet-poëzie,
Vladimir Majakovski (1893-1930), een
reis van vier maanden naar Mexico en de
Verenigde Staten. Dit bleef voor de internationale
pers niet onopgemerkt. De New York Times kondigde hem aan als de ‘Generalissimo
of revolutionary minstrels’
en ook liet hij zich door diverse andere
grote Amerikaanse kranten interviewen.
Zijn reis werd deels door de Russische
immigrantengemeenschappen en enkele
arbeidersorganisaties betaald en de dichter
zou de kosten terugverdienen met poëzievoordrachten.
Majakovski, die graag
reisde, had zijn zinnen al eerder op Amerika
gezet, het land dat hij in een van zijn
meest bekende gedichten, ‘150.000.000’,
in 1921 ironisch had geportretteerd in een
fictionele competitie klassenstrijd met de
net opgerichte Sovjet-Unie.
Met tegenstrijdige gevoelens en verwachtingen
aanvaardde Majakovski zijn
reis per stoomschip over de oceaan. Enerzijds
was hij als bard van het socialisme
natuurlijk zeer kritisch op wat hij in het
paradijs van het kapitalisme zou aantreffen.
Anderzijds keek hij als voormalig
futurist reikhalzend uit naar de technologische
prestaties en de industriële voorsprong
van de Verenigde Staten, waarvan
hij met vele andere communisten vond
dat de net opgerichte Sovjet-Unie hier
een voorbeeld aan moest nemen. Wat
modernisering betreft had de jonge arbeidersstaat
immers nog veel stappen te
zetten.
Omdat Majakovski er niet in geslaagd
was om in Europa een visum voor de Verenigde
Staten zelf te bemachtigen vertrok
hij op 21 juni 1925 vanuit Spanje richting
Cuba en Mexico, om vanaf daar over land
verder te reizen. In Mexico was hij te gast
bij de socialistische kunstenaar Diego Rivera
(1886-1957), die hem met zijn halve
woord Russisch vertrouwd maakte met de
exotische wereld van Mexico City. Enige
weken later stak Majakovski met visum
de Mexicaans-Texaanse
grens over en per trein
arriveerde hij op 31 juli
in New York, een stad die
qua architectuur, infrastructuur
en levensritme
zijn verwachtingen verre
overtrof. Na New York
bezocht hij onder andere
nog Chicago, Detroit en
Philadelphia. Een aanvankelijk
gepland bezoek
aan de Westkust schrapte
hij om financiële redenen.
Op 28 oktober keerde hij
huiswaarts.
Na zijn thuiskomst
in de herfst van 1925
publiceerde Majakovski
in verschillende afleveringen
een verslag van zijn reis onder
de titel ‘Mojo otkrytië Ameriki’, ‘Mijn
ontdekking van Amerika’. De tekst biedt
een associatief relaas van in elkaar overvloeiende
indrukken, die op een bij vlagen
groteske, vaak ironische, maar soms ook
bewonderende toon de nieuwe wereld
weergeven. Het geheel is een expressionistisch
uitgebeelde serie reisimpressies,
die niet zelden doet denken aan de collagetechniek
van Alexander Rodtsjenko
(1891-1956), een kunstenaar met wie hij
nauw samenwerkte bij het constructivistische
tijdschrift LEF.
De belangrijkste thema’s van ‘Mojo otkrytië
Ameriki’ zijn de sociale situatie in
de Amerikaanse grootstad en de utopische
belofte van de techniek en industrie. Wat
het eerste betreft gaat de dichter uitvoerig
in op de werkomstandigheden van de arbeiders,
de exuberante rijkdom van de miljonairs
die ‘the American dream’ hebben
gerealiseerd en verder de rassenscheiding
van het openbare leven. Majakovski beschrijft
diverse stakingen en uitingen van
groeiend zelfbewustzijn van de Amerikaanse
arbeiders, die hij in diverse steden
tijdens zijn poëzievoordrachten verder tot
revolutionaire actie probeert aan te vuren.
Hij is overigens realistisch genoeg om te
beseffen dat Amerika niet op korte termijn ‘de weg van de oktober zal
inslaan’. Majakovski is
zeer kritisch over het imperialistische
en daarbij hypocriet-
moralistische karakter
van de Amerikaanse
cultuur, die uiteindelijk
maar aan één afgod onderworpen
is – de dollar. Zelfs
het anti-alcoholbeleid
van de jaren twintig, de
‘Drooglegging’of ‘Prohibition’,
wordt ondermijnd
door financiële belangen.
De rassenscheiding ziet hij
duidelijk als een vraagstuk
waarin de mondiale arbeiders
solidair moeten zijn
met de zwarte bevolking.
Hij heeft lovende woorden
voor de culturele prestaties van de zwarte
Amerikanen en juicht toe dat de zwarte intelligentsia
auteurs als Alexandr Poesjkin
en Alexandre Dumas als haar boegbeelden
beschouwt.
Wat de techniek betreft schetst Majakovski
een futuristisch beeld van New
York, waarin de wolkenkrabbers per decennium
hoger worden, de treinen over
luchtsporen of ondergronds in verschillende
lagen over elkaar heen schieten en
auto’s, treinen en vliegtuigen de reusachtige
afstanden van het land in het niets
doen verdwijnen. Tot de bouw van het
Empire State Building in 1929 was het
Woolworth Building aan Broadway sinds
1913 met zijn bijna 250 meter de hoogste
wolkenkrabber ter wereld. Dit gebouw figureert
meermaals in Majakovski’s tekst.
De urbane schetsen van de dichter doen
niet onder voor de utopische metropolis in
de gelijknamige film uit 1927 van de Oostenrijkse
cineast Fritz Lang (1890-1976).
Majakovski laat zich hierbij niet zelden
meevoeren door zijn geestdrift en is niet
altijd even accuraat als het om details gaat
(zo verwart hij bijvoorbeeld elementen van
Pennsylvania Station en Grand Central op
Manhattan).
In Chicago bezoekt Majakovski de
vleesverwerkende industrie en is tot zijn getuige van het grootschalige
gemechaniseerde proces van levend dier
tot ingeblikt consumptiegoed. Een vergelijkbare
beschrijving geeft hij van ’s werelds
eerste gemechaniseerde autoproductie
en de lopende band-assemblage van de
Fordfabriek in Detroit. We bevinden ons
in het midden van de jaren twintig, een
half decennium na de Eerste Wereldoorlog
en een half decennium voor de beurskrach.
Het Amerika van president Calvin
Coolidge leek in haar ontwikkeling
onstuitbaar
en de Sovjet-Unie stond nog
aan de vooravond van haar grootschalige
industrialisatie en elektrificatie.
Majakovski’s verslag is echter ook
opvallend in wat hij niet vertelt. Gedurende
zijn verblijf in de Verenigde Staten
heeft de dichter een relatie gehad met een
Amerikaanse van Russische afkomst, Elly
Jones (overleden 1985), waaruit in het
daarop volgende jaar zijn enige dochter
is geboren (uit een andere affaire eerder
in de jaren twintig had hij al een zoon).
Dit is decennialang een mysterie gebleven
totdat Patricia Thompson (1926-2016) in
1993 letterlijk een boekje heeft opengedaan
over haar vader in ‘Mayakovsky in
Manhattan, a Love Story’.
Evenmin lezen we in ‘Mojo otkrytië
Ameriki’ iets over de ontmoetingen die
Majakovski in de Verenigde Staten heeft
gehad. Om te beginnen moet vermeld
worden dat hij de Engelse taal absoluut
niet machtig was en voor de communicatie
met zijn omgeving grotendeels afhankelijk
was van zijn tolken, onder andere
de futuristische dichter David Boerljoek
(1882-1967), die in 1922 naar de Verenigde
Staten was geëmigreerd.
Majakovski’s beeld van Amerika
vertoont in zijn geestdrift en fascinatie
overeenkomsten met de werken van diverse
andere Europese kunstenaars, die de nieuwe wereld gedurende de roaring
twenties bezochten. Zijn impressies lijken
wel door Edgard Varèse (1883-1965) te
zijn verklankt in zijn ‘Amériques’ (1926),
inclusief de gierende sirenes van de New
Yorkse politiewagens. Zijn Amerikaanse
gedichten – hij schreef er in totaal 22,
die later als aparte cyclus zijn gebundeld
– brengen de zinderende verzen uit ‘El
poeta en Nueva York’ (1929) van Federico
García Lorca (1898-1936) in herinnering.
Daarbij was Majakovskij lang niet de eerste
Russische schrijver in Amerika. Onder
anderen Vladimir Korolenko (1853-1921)
in 1893 en Maksim Gorki (1868-1936) in
1906 gingen hem daarin voor.
Hier volgt een gedeelte van Majakovski’s
indrukken van New York, ontleend
aan het tweede gedeelte van ‘Moe otkrytie
Ameriki’. Het eerste deel biedt een inkijk
in de exotische wereld van Cuba en Mexico
en het derde deel brengt ons in Chicago
en Detroit. De drie gedeelten als geheel
worden voorafgegaan en afgesloten met
indrukken van respectievelijk de heen- en
terugreis over de oceaan. Het is de bedoeling
dat de gehele tekst over enige tijd in
vertaling verschijnt bij Uitgeverij Pegasus
in Amsterdam.