Vladimir Majakovski



‘New York’



[…]

In de morgen rolde Amerika voorbij. De exprestrein floot, stopte niet en nam zelfs rijdend water in via een slurf. Rondom waren glad gelikte wegen, die krioelden van de Fords, en allerlei bouwwerken van fantastisch technisch gehalte. Bij de haltes zag je Texaanse cowboyhuizen met horren tegen de vliegen en muggen in de ramen en met hangmatten op de enorme terrassen. De stenen stations zijn precies in tweeën gedeeld: een helft voor ons, de blanken, en een helft voor de zwarten, ‘For negroes’, met eigen houten stoelen en een eigen kassa. En wee degene die toevallig aan de verkeerde kant terecht komt!

De treinen snelden voort. Aan de rechter kant cirkelde een vliegtuig, vloog naar de linker kant steeg weer op, scheerde over de trein en vloog naar rechts.

Dat waren de vliegtuigen van de Amerikaanse grenswacht. Overigens waren het bijna de enige die ik in de Verenigde Staten heb gezien.

De volgende zag ik pas bij een driedaagse vliegwedstrijd tijdens een nachtelijke reclamecampagne boven New York.

Vreemd genoeg is de luchtvaart hier relatief weinig ontwikkeld. De machtige spoorwegbedrijven grijpen bijna iedere vliegramp aan om deze voor agitatie tegen het vliegen te gebruiken.

Dat ging zo bij het luchtschip de Shenandoah, dat (nog tijdens mijn verblijf in New York) in tweeën was gescheurd, waarbij dertien mensen werden gered, maar zeventien op de grond te pletter sloegen samen met de brokstukken van het omhulsel en de stalen kabels.

En zo heb je in de Verenigde Staten bijna geen passagiersvluchten. Misschien staan we nu aan de vooravond van de Amerikaanse luchtvaart. Ford heeft zijn eerste vliegtuig geproduceerd en in New York neergezet in warenhuis Wanamaker, waar vele jaren geleden de eerste auto van Ford tentoon werd gesteld.

De New Yorkers kruipen in de cabine, roeren hun staart en strijken hun vleugels, maar een prijs van 25.000 dollar stoot de gewone consument nog af. Terwijl de vliegtuigen naar San Antonio opstegen, verschenen de eerste echte Amerikaanse steden. De Amerikaanse Wolga, de Mississippi, dook op. Ik stond versteld van het station in Saint-Louis en het echte onverbiddelijke en ongebreidelde elektrische daglicht van de reclames schitterde reeds als braakland in het schijnsel van de twintig etages tellende wolkenkrabbers van Philadelphia. Dat was een aanloop, zodat New York me niet helemaal zou overweldigen. Meer nog dan de ineengestrengelde natuur van Mexico je verbaast met zijn planten en mensen verbluft het uit de oceaan opgerezen New York je met zijn opeengestapelde bouw en techniek. Ik reed New York in vanaf het vasteland en had nog maar één station van dichtbij gezien. Maar hoewel ik een driedaagse treinreis door Texas achter de rug had, bleef ik mijn ogen uitkijken.

Vele uren vliegt de trein over de Hudsonoever op twee passen afstand van het water. Aan de andere kant lopen meerdere wegen aan de voet van Bear Mountain. In groeiende aantallen schuiven de grote en kleine stoomschepen heen en weer. Steeds vaker schieten de bruggen over de trein voorbij. Met steeds minder onderbrekingen bedekken opstaande muren de ramen van de wagon. Deze zijn van scheepsdokken, kolendepots, elektriciteitswerken, ijzergieterijen en medische fabrieken. Een uur voor het station rijd je door een dicht woud van schoorstenen, daken en muren van twee etages hoog en de stalen constructies van het luchtspoor. Met iedere stap groeit er aan de daken een etage bij. Uiteindelijk verheffen de gebouwen zich als de wanden van een put met de vierkanten, vierkantjes en puntjes van hun ramen. Hoe je ook met je hoofd draait, je ziet de bovenranden niet. Daardoor wordt het nog benauwender, alsof je met je wang langs dat steen schuurt. Verloren zink je terug op je bank. Het is hopeloos, je ogen zijn er niet aan gewend om zoiets te zien. Dan houdt de trein halt — Pennsylvania Station.

Op het perron is niemand behalve de zwarten, die als kruiers werken. Liften en trappen gaan omhoog. Boven zijn verschillende lagen galerijen en balkons met de wuivende zakdoeken van de vele mensen die iemand begroeten of uitgeleide doen.

De Amerikanen zwijgen (of misschien lijken de mensen dat alleen maar te doen bij het gedaver van de machines). Maar boven de hoofden van de Amerikanen schallen de aankomst- en vertrektijden uit de megafoons en luidsprekers.

Het elektrische licht vertwee- en verdrievoudigt zich nog eens door de witte tegels, die de raamloze galerijen en doorgangen bedekken, die onderbroken worden door informatiebalies, hele rijen winkelkassa’s en winkels die nooit sluiten van iedere soort, van ijs- en snack- tot serviesgoed- en meubelzaken.

Het is bijna onmogelijk voor iemand om een duidelijke en volledige voorstelling van dat labyrint te krijgen. Als u hier bent gekomen voor een zaak op een kantoor, dat zich een werst of drie verderop downtown bevindt, in het bancaire of zakelijke New York, ergens op de drieënvijftigste verdieping van het Woolworth Building, en als u niet van daglicht houdt, dan hoeft u helemaal niet onder de grond vandaan te kruipen. Hier immers onder de grond neemt u de stationslift en deze slingert u naar de vestibule van het Pennsylvania Hotel, een hotel met tweeduizend kamers van alle soorten en maten.

Hier vind je alles wat de zakenman nodig heeft: postkantoren, banken, telegraafkantoren, alle mogelijke waren, zonder dat je het hotel hoeft te verlaten.

Hier prijzen berekenende moeders hun ondubbelzinnige dochters aan.

‘Ga lekker dansen!’

Lawaai en tabaksrook, zoals in de langverwachte pauze in het grote theater na een lang en saai toneelstuk.

Dezelfde lift brengt u naar de ondergrondse (de ‘subway’). Neem de expres, die de wersten zuiverder doorsnijdt dan de trein. U stapt uit in het gebouw dat u nodig heeft. De lift brengt u naar de benodigde etage zonder enige uitgang naar buiten. Dezelfde weg brengt u terug naar het station. Onder het plafond bevindt zich de hemel van het Pennsylvania Station, de blauwe hemel, waarin de sterrenbeelden van de Beer, de Steenbok en de rest van de astronomie al stralen. De Amerikaan die op zijn rust gesteld is, kan iedere minuut per trein de schommelbank van zijn buitenhuis bereiken zonder een blik te werpen op het Sodom en Gomorra van New York.

Nog indrukwekkender is het Grand Central Station, dat zich over enkele blokken verheft. De trein beweegt door de lucht op een hoogte van drie, vier etages. De rokende stoomlocomotief is vervangen door een schone, niets uitbrakende elektrische locomotief. De trein stort zich onder de grond en een kwartier lang flitsen onder u nog de met groen omwonden hekken op van de openingen naar de aristocratische en rustige Park Avenue. Daarna is ook dat voorbij en een half uur lang strekt de ondergrondse stad zich uit met duizenden bogen en zwarte tunnels, doorstreept door opflikkerende rails. Ieder gebrul, gedreun en gefluit davert lang na en blijft lang hangen.

De witte opflikkerende rails worden nu eens geel en dan weer rood en groen door de steeds veranderende seinlichten. In alle richtingen lijkt het op een warboel van treinen, verstikt door bogen. Men zegt dat onze immigranten die uit het rustige Russische Canada aankomen, zich eerst verbijsterd tegen het raam drukken en daarna beginnen te jammeren en uitroepen: ‘We zijn verloren, broeders, we zijn levend het graf ingejaagd! Hoe kom je hier vandaan?’

We zijn er.

Boven ons zijn de niveaus van het stationsgebouw, onder de hallen de serviceverdiepingen, rondom het onafzienbare ijzer van de sporen en onder ons nog de drie ondergrondse verdiepingen van de subway. In een van de feuilletons in de Pravda heeft kameraad Pomorski de stations van New York vol scepsis belachelijk gemaakt en liet ze een voorbeeld nemen aan de Berlijnse loopstallen als Zoo en Friedrichstrasse. Ik weet niet welke persoonlijke rekening kameraad Pomorski met de New Yorkse stations te vereffenen had. Ook ken ik hun technische details, faciliteiten en capaciteiten niet, maar qua uitstraling, omgeving en urbane sensatie, behoren de New Yorkse stations tot de meest indrukwekkende fenomenen ter wereld.

Ik hou van New York op doordeweekse dagen in de herfst, op werkdagen. Het is 6 uur in de morgen. Onweer en regen. Het is donker en blijft donker tot de middag.

Je kleedt je aan bij elektrisch licht, op straat is elektrisch licht, de gebouwen staan in elektrisch licht, gelijkmatig doorsneden door ramen als een sjabloon voor reclameposters. De onmetelijke lengte van de gebouwen, de flikkerende gekleurde verkeerslichten en de bewegingen vertwee-, verdrie- en vertienvoudigen zich op het asfalt dat door de regen is glad gelikt als een spiegel. In de nauwe spelonken tussen de gebouwen loeit als door een schoorsteenpijp een onverschrokken wind, die rukt en rammelt aan de uithangborden, probeert je omver te blazen en neemt ongestraft de benen zonder dat iemand hem tegenhoudt. Hij gaat dwars door de wersten van het tiental avenues dat Manhattan (het eiland van New York) in de lengte doorsnijdt — van de oceaan naar de Hudson. Van de zijkanten huilen met het onweer de talloze stemmetjes van de nauwe ‘streets’, die eveneens recht en regelmatig Manhattan in de breedte van de ene naar de andere waterkant doorsnijden. Onder afdakjes – en op een droge dag zelfs gewoon op de trottoirs – zie je overal stapels verse kranten, die eerder door vrachtwagens zijn rondgebracht en hier neergesmeten zijn door de krantenverkopers.

In de kleine cafés brengen de vrijgezellen de machinerie van het lichaam in beweging. Ze stoppen de eerste brandstof in de mond – een haastige kop groezelige koffie en een crèmebroodje, dat terplekke door een broodjesmachine met honderden tegelijk in een kokende en spetterende ketel vet wordt gegooid.

Beneden komt de grote mensenstroom op gang. Eerst tot de dageraad de donkerpaarse massa zwarten, die het meest zware en vuile werk doen. Daarna, tegen zevenen, komen zonder onderbreking de blanken. Zij gaan in één richting met honderd duizenden tegelijk naar de plaatsen van hun werk. Alleen hun gele geoliede regenjassen klateren en stralen als duizenden samowars in het elektrische licht. Ze zijn doorweekt, maar ze doven zelfs in deze regen niet uit.

Er zijn bijna nog geen auto’s en taxi’s.

De menigte stroomt. Ze vloeit uit over de openingen van de ondergrondse, puilt uit in de overdekte gangen van de luchtsporen en beweegt zich in twee lagen in drie parallelle banen door de lucht in de sneltreinen,, die bijna nergens stoppen, en de lokale treinen, die iedere vijf blokken stoppen.

Die vijf parallelle lijnen over de vijf avenues lopen op een hoogte van drie etages, maar richting de 120ste straat klimmen ze naar de achtste en negende. En dan brengen de liften nieuwe reizigers naar boven, die direct van de pleinen en straten komen. Er zijn geen kaartjes. Je gooit 5 cent als een steentje in een hoge geldbak, die een loep ter plekke vergroot en aan de in een hokje zittende kassier toont om zwartrijden te voorkomen. 5 cent – en je reist zo ver je wilt, maar alleen in één richting.

De constructies en overdekkingen van de luchtsporen liggen vaak als een grote overkapping over de gehele lengte van de straat en u kunt de hemel en de gebouwen langs de straat niet meer zien. Boven uw hoofd hoort u alleen het gedaver van de treinen en u heeft alleen maar het gedaver van het vrachtverkeer voor uw neus, een gedaver waarin u werkelijk niets kunt onderscheiden. En om het bewegen van uw lippen niet te verleren, kunt u alleen maar zwijgend Amerikaanse kauwgom kauwen, ‘chewing gum’.

’s Ochtends en met onweer is New York op zijn best. Dan tref je geen enkele lanterfanter of overbodige persoon, maar alleen de arbeiders van het grote arbeidersleger van deze stad van tien miljoen inwoners. De arbeidersmassa zwermt uiteen over de fabrieken voor heren- en dameskleding, over de nieuwe metrotunnels die worden gegraven en over de talloze werkzaamheden in de havens. Tegen 8 uur vullen de straten zich met talloze schonere en beter verzorgde, met bedwelmende lotion gekapte, slanke meisjes met blote knieën en opgedraaide kousen – werkneemsters van kantoren, kanselarijen en winkels. Ze worden uitgestrooid over alle etages van de wolkenkrabbers downtown en over de flanken van de gangen, waar de monumentale ingang van de tientallen liften op uitkomt.

Er zijn tientallen liften voor lokaal vervoer met een stop op iedere verdieping en tientallen expresliften zonder stop tot de zeventiende, twintigste of dertigste. Een speciale wijzerplaat toont u de verdieping waar de lift zich bevindt. Lampjes geven in rood of wit het stijgen of dalen aan.

En als u twee dingen te doen hebt, het ene op de zevende en het andere op de vierentwintigste verdieping, dan neemt u de plaatselijke (‘local’) tot de zevende en verder, om niet zes hele minuten te verliezen, stapt u over op de expres.

Tot een uur ratelen de typmachines, zweten de mensen zonder colbert en groeien de kolommen cijfers op het papier.

Als u een kantoor nodig heeft, hoeft u zich niet het hoofd te breken om dat te regelen.

U belt naar een of ander gebouw van dertig etages: ‘Hallo, richt voor morgen een kantoor in van zes kamers. Plaats daarin twaalf typistes en het uithangbord moet luiden: ‘Grote en fameuze handel in compressielucht voor onderzeeboten op de Stille oceaan’. Twee boys in bruine livrei, hoedjes met sterrenlinten en twaalfduizend vellen briefpapier met bovenvermelde naam.’

‘Good bye.’

De volgende dag kunt u naar uw kantoor gaan en uw telefoonjonges zullen u enthousiast begroeten:

‘How do you do, Mr. Majakovski.’

Om een uur is het pauze. Een uur voor de medewerkers en een minuut of vijftien voor de arbeiders.

De lunch.

Hoe iemand luncht is afhankelijk van zijn weekloon. Degenen met vijftien dollar kopen een droge lunch in een papieren zak voor een nickel en peuzelen deze op met kinderlijke overgave. Degenen met vijfendertig dollar gaan naar een enorme cafetaria met automatiek, voeren vijf cent in, drukken op een knop en een precies afgemeten hoeveelheid koffie plenst in een beker. En nog eens twee of drie nickel openen een van de glazen deurtjes van de sandwiches op de enorme met eten volgezette planken.

Degenen met zestig dollar eten grijze pannenkoeken met suikerstroop en een omelet in een van de talloze Childs’s van Café Rockefeller, die zo wit zijn als een badkamer.

Degenen van honderd dollar en meer gaan naar de restaurants van alle mogelijke nationaliteiten: Chinese, Russische, Assyrische, Franse, Indiase – alle, behalve de smakeloze Amerikaanse, die je verzekeren van een maagkwaal met Armours ingeblikte vlees, dat er zo ongeveer sinds de Onafhankelijkheidsoorlog al ligt.

Degenen van honderd dollar eten langzaam. Ze hoeven toch niet op tijd op hun werk te komen. En na hun vertrek slingeren er onder de tafel whiskyflesjes van 80 procent (die waren meegegrist voor de gezelligheid). Een ander plat glazen of zilveren flesje, dat qua vorm aansluit bij de heup, zit in hun achterzak als wapen van liefde en vriendschap zoals een Mexicaanse Colt.

Hoe eet de arbeider?

De arbeider eet slecht.

Ik heb er niet veel gezien, maar degenen die ik heb gezien, zelfs degenen die goed verdienen, moeten hun best doen om in hun pauze van vijftien minuten hun droge lunch bij de machinewerkbank of voor de fabrieksmuur op straat naar binnen te werken.

De wetgeving op arbeid die voorziet in een verplichte eetgelegenheid is vooralsnog niet tot de Verenigde Staten doorgedrongen.

Tevergeefs zult u in New York de karikaturale georganiseerdheid, systematiek, snelheid en koelbloedigheid proberen te vinden, die in de literatuur bezongen wordt.

U zult een massa mensen aantreffen die op straat rondhangt en niets doet. Ieder van hen zal blijven staan en met u een gesprek over een willekeurig onderwerp aanknopen. Als u even omhoog kijkt en een minuut blijft staan, wordt u omringd door een menigte die een politieman met moeite uiteen kan drijven. Het vermogen om zich met iets anders te vermaken dan de beurs neemt me zeer in voor de New Yorkse massa. Opnieuw werken tot vijf, zes of zeven uur ’s avonds.

Van vijf tot zeven is het meest rumoerige en drukke moment van de dag.

Degenen die klaar zijn met hun werk zijn nog vermengd met het winkelende publiek van beider kunne en mensen die gewoon lopen te flaneren.

Op de zeer drukke Fifth Avenue, die de stad door midden deelt, kunt u vanaf de hoogte van de tweede verdieping van een van de honderden daar rijdende autobussen naar de tienduizenden auto’s kijken, die zich zes of acht rijen dik in beide richtingen voortsnellen, nog nat van de regen van zojuist en nu glanzend als lak.

Iedere twee minuten doven de groene vuren van de talloze lichten van de verkeerspolitie en gaan de rode aan.

Dan bevriest de stroom mensen en auto’s voor twee minuten om degenen die uit de zijstraten snellen door te laten.

Twee minuten later springen de verkeerslichten opnieuw op groen en het rode vuur op de hoeken van de straten verspert de zijwegen de doorgang.

Op dat uur ben je vijftig minuten kwijt aan een ritje dat je in de ochtend een kwartier kost en als voetganger moet je steeds twee minuten wachten zonder enige hoop op een onmiddellijke oversteek van de straat.

Als u niet bijtijds de straat bent overgerend ziet u hoe de lawine auto’s, die twee minuten hebben staan wachten, zich losrukt uit haar ketenen. U vergeet uw overtuigingen en verbergt u onder de vleugel van een politieman. Deze vleugel is, om zo te zeggen, de flinke arm van een van de grootste kerels van New York met een zeer zware knuppel – een ‘club’.

Deze knuppel reguleert niet altijd het exotische verkeer. Soms (bijvoorbeeld tijdens een demonstratie) zorgt hij ervoor dat u halt houdt: een goede klap op uw achterhoofd en het is u om het even of u in New York of het tsaristische Belostok bent. Zo hebben mijn kameraden me verteld.

Vanaf een uur of zes, zeven licht Broadway op, mijn favoriete straat, die als enige eigenzinnig en brutaal scheef door het rechte gevangenistraliewerk van de straten en avenues heen steekt. Verdwalen in New York is moeilijker dan in Toela. Van zuid naar noord lopen de avenues en van oost naar west lopen de straten. Fifth Avenue deelt de stad door midden in west en oost. Dat is alles. Ik sta op de hoek van de Achtste Straat en Fifth Avenue. Ik moet naar de hoek van de Drieënvijftigste Straat en Second Avenue. Dat betekent dat ik 45 blokken moet lopen en rechts af moet slaan naar de hoek van Second Avenue.

Natuurlijk staat niet de hele Broadway van dertig werst in het licht (hier zeg je niet: ‘Kom eens langs, we zijn buren. We wonen allebei op Broadway’). Dit geldt wel voor het stuk van de Vijfentwintigste tot de Vijftigste Straat, vooral Times Square. Dit noemen de Amerikanen de ‘Great White Way’, de ‘Grote witte weg’.

Hij is werkelijk wit en je hebt echt het gevoel dat het er lichter is dan overdag, omdat het de hele dag licht is, maar die weg is licht als de dag, ook tegen de achtergrond van de donkere nacht. Het licht van de lantaarns voor de verlichting, het licht van de in lampjes opspringende reclames, het licht van het schijnsel van de vitrines en etalages van de winkels die nooit dichtgaan, het licht van de lampen die de enorme geschilderde affiches verlichten, het licht dat uit de opengaande deuren van de theaters en bioscopen stroomt, het bewegende licht van de auto’s en luchtsporen, het licht van de ondergrondse treinen dat onder je voeten opflitst in de glazen tegels van de trottoirs. en het licht van de reclameteksten in de lucht. Licht, licht en nog eens licht.

Je kunt er de krant lezen, ook die van je buurman, zelfs in een vreemde taal. Het is licht in de restaurants en in het theatercentrum. Het is schoon op de belangrijkste straten en op de plekken waar de directeuren wonen of degenen die dat ambiëren.

Waar de meerderheid van de arbeiders en werknemers terechtkomt, in de arme Joodse, zwarte en Italiaanse wijken aan de Second en Third Avenue tussen de Eerste en Dertigste Straat, is het vuil toch nog schoner dan dat van Minsk. In Minsk is het dan ook wel heel erg vuil. Er staan bakken met alle mogelijke afval, waaruit de armen niet geheel afgekloven botten en etensresten halen. Daar liggen de afkoelende stinkende plassen van de regen van vandaag en eergisteren. Het papier en vuil komt er tot aan je enkels, niet in overdrachtelijke zin, maar letterlijk en echt tot aan je enkels.

Dat is 15 minuten lopen en 5 minuten rijden van de schitterende Fifth Avenue en Broadway.

Dichter bij de kades is het nog duisterder, vuiler en gevaarlijker. Overdag is dit een uiterst interessante plek. Hier hoor je altijd een daverend kabaal, of het is het werk, of het zijn schoten, of het is geschreeuw. De aarde trilt onder de kranen, die de lading van een schip lossen en bijna een heel huis bij de schoorsteenpijp uit het ruim trekken. Daar lopen de stakingsleiders, die stakingsbrekers geen kans geven. Vandaag, op 10 september, heeft de New Yorkse vakbond van havenarbeiders zich solidair verklaard met de stakende havenarbeiders van Engeland, Australië en Zuid-Afrika en op de eerste dag kwam het uitladen van 30 enorme stoomschepen tot stilstand.

Op de derde dag, ondanks de staking, verscheen de rijke advocaat en leider van de plaatselijke mensjewieken van de socialistische partij Morris Hillquit op het schip de ‘Majestic’, dat door stakingsbrekers was geregeld. Duizenden communisten en leden van de I. W. W. floten hem uit vanaf de kade en bekogelden hem met rotte eieren. Nog enkele dagen later schoten ze hier op een generaal, die voor een of ander congres hier naartoe was gekomen, ‘de bedwinger van Ierland’, die ze via een achterdeur afvoerden. Maar in de morgen komen La France, de Aquitania en de andere giganten van 50.000 ton opnieuw binnen en worden ze uitgeladen langs de ontelbare kades van de ontelbare compagnieën.

De avenues die aan de kades grenzen worden hier de ‘avenues des doods’ genoemd wegens de locomotieven die met hun vracht direct de weg op rijden, en de dieven, die de kroegen vullen. Vanaf hier worden dieven en roofovervallers aan heel New York geleverd: aan de hotels, om voor een paar dollar hele gezinnen te vermoorden, en aan de subway, om de kassiers in de hoek van hun wisselhokje te jagen en de dagopbrengst afhandig te maken, terwijl ze de dollars wisselen voor het voorbijlopende, nietsvermoedende publiek.

Als ze je pakken betekent dat de elektrische stoel in de Sing Singgevangenis. Maar je kunt er onderuit komen. Voorafgaand aan de diefstal gaat de bandiet bij zijn advocaat langs en zegt: ‘Bel me op dat en dat uur op dat en dat nummer, sir. Als ik er niet ben, betekent dat u een borgsom moet regelen om me op vrije voeten te stellen.’

De borgsommen zijn groot, maar de bandieten zijn dan ook geen kleine jongens en ze zijn goed georganiseerd. Het bleek bijvoorbeeld dat een huis, dat wordt geschat op tweehonderd duizend dollar, als borgsom van twee miljoen dient en is betaald voor verschillende dieven.

In de kranten schreven ze over een bandiet die 42 maal op borgtocht is vrijgekomen. Hier op de avenue des doods maken de Ieren de dienst uit. In de andere wijken zijn het anderen.

De zwarten, Chinezen, Duitsers, Joden en Russen wonen in hun eigen wijken met hun eigen gewoonten en taal, waarbij ze zich decennialang niet vermengen en hun zuiverheid in stand houden.

In New York, afgezien van de voorsteden, zijn ongeveer

1.700.000 Joden.
1.000.000 Italianen.
500.000 Duitsers.
300.000 Ieren.
300.000 Russen.
250.000 zwarten.
150.000 Polen.
300.000 Spanjaarden, Chinezen en Finnen.

Een raadselachtig plaatje: wie zijn de Amerikanen eigenlijk en hoeveel zijn het voor honderd procent?

In het begin deed ik enorme moeite om binnen een maand Engels te spreken. Toen mijn inspanningen vrucht begonnen af te werpen, begonnen de nabij liggende (nabij staande en zittende) mensen, zowel de winkelverkoper, als de melkboer, de wasman en zelfs de politieagent Russisch met mij te praten.

Wanneer je ’s nachts met het luchtspoor naar huis terugkeert, zie je die naties en wijken als afzonderlijk gesneden stukken: op de 125ste Straat staan de zwarten op, op de 90ste de Russen, op de 50ste de Duitsers enz.

Je kunt je klok er bijna op gelijk zetten.

Degenen die om twaalf uur uit het theater komen drinken hun laatste soda, eten hun laatste ‘ice cream’ en kruipen naar huis om één uur of drie uur, als ze zich nog een uur of twee hebben vermaakt met de Foxtrot of de laatste modegril, de ‘Charleston’. Maar het leven komt niet tot stilstand.

Ook de winkels van allerlei soort zijn geopend. Ook de subway en de luchtsporen rijden. Ook kunt u een bioscoop vinden die de hele nacht open is en slaap zoveel u wilt voor uw 25 cent.


Vertaling Philip Westbroek




<

TSL 99

>