Vladimir Majakovski
‘New York’
[…]
In de morgen rolde Amerika voorbij. De exprestrein floot, stopte niet
en nam zelfs rijdend water in via een slurf. Rondom waren glad gelikte
wegen, die krioelden van de Fords, en allerlei bouwwerken van fantastisch
technisch gehalte. Bij de haltes zag je Texaanse cowboyhuizen met
horren tegen de vliegen en muggen in de ramen en met hangmatten op de
enorme terrassen. De stenen stations zijn precies in tweeën gedeeld: een
helft voor ons, de blanken, en een helft voor de zwarten, ‘For negroes’,
met eigen houten stoelen en een eigen kassa. En wee degene die toevallig
aan de verkeerde kant terecht komt!
De treinen snelden voort. Aan de rechter kant cirkelde een vliegtuig,
vloog naar de linker kant steeg weer op, scheerde over de trein en vloog
naar rechts.
Dat waren de vliegtuigen van de Amerikaanse grenswacht.
Overigens waren het bijna de enige die ik in de Verenigde Staten
heb gezien.
De volgende zag ik pas bij een driedaagse vliegwedstrijd tijdens een
nachtelijke reclamecampagne boven New York.
Vreemd genoeg is de luchtvaart hier relatief weinig ontwikkeld.
De machtige spoorwegbedrijven grijpen bijna iedere vliegramp aan
om deze voor agitatie tegen het vliegen te gebruiken.
Dat ging zo bij het luchtschip de Shenandoah, dat (nog tijdens mijn
verblijf in New York) in tweeën was gescheurd, waarbij dertien mensen
werden gered, maar zeventien op de grond te pletter sloegen samen met
de brokstukken van het omhulsel en de stalen kabels.
En zo heb je in de Verenigde Staten bijna geen passagiersvluchten.
Misschien staan we nu aan de vooravond van de Amerikaanse luchtvaart.
Ford heeft zijn eerste vliegtuig geproduceerd en in New York
neergezet in warenhuis Wanamaker, waar vele jaren geleden de eerste
auto van Ford tentoon werd gesteld.
De New Yorkers kruipen in de cabine, roeren hun staart en strijken
hun vleugels, maar een prijs van 25.000 dollar stoot de gewone
consument nog af. Terwijl de vliegtuigen naar San Antonio opstegen,
verschenen de eerste echte Amerikaanse steden. De Amerikaanse Wolga,
de Mississippi, dook op. Ik stond versteld van het station in Saint-Louis
en het echte onverbiddelijke en ongebreidelde elektrische daglicht van
de reclames schitterde reeds als braakland in het schijnsel van de twintig
etages tellende wolkenkrabbers van Philadelphia. Dat was een aanloop,
zodat New York me niet helemaal zou overweldigen. Meer nog dan
de ineengestrengelde natuur van Mexico je verbaast met zijn planten
en mensen verbluft het uit de oceaan opgerezen New York je met zijn
opeengestapelde bouw en techniek. Ik reed New York in vanaf het vasteland
en had nog maar één station van dichtbij gezien. Maar hoewel
ik een driedaagse treinreis door Texas achter de rug had, bleef ik mijn
ogen uitkijken.
Vele uren vliegt de trein over de Hudsonoever op twee passen afstand
van het water. Aan de andere kant lopen meerdere wegen aan de voet
van Bear Mountain. In groeiende aantallen schuiven de grote en kleine
stoomschepen heen en weer. Steeds vaker schieten de bruggen over de
trein voorbij. Met steeds minder onderbrekingen bedekken opstaande
muren de ramen van de wagon. Deze zijn van scheepsdokken, kolendepots,
elektriciteitswerken, ijzergieterijen en medische fabrieken. Een uur
voor het station rijd je door een dicht woud van schoorstenen, daken en
muren van twee etages hoog en de stalen constructies van het luchtspoor.
Met iedere stap groeit er aan de daken een etage bij. Uiteindelijk verheffen
de gebouwen zich als de wanden van een put met de vierkanten,
vierkantjes en puntjes van hun ramen. Hoe je ook met je hoofd draait, je
ziet de bovenranden niet. Daardoor wordt het nog benauwender, alsof je
met je wang langs dat steen schuurt. Verloren zink je terug op je bank.
Het is hopeloos, je ogen zijn er niet aan gewend om zoiets te zien. Dan
houdt de trein halt — Pennsylvania Station.
Op het perron is niemand behalve de zwarten, die als kruiers werken.
Liften en trappen gaan omhoog. Boven zijn verschillende lagen galerijen
en balkons met de wuivende zakdoeken van de vele mensen die iemand
begroeten of uitgeleide doen.
De Amerikanen zwijgen (of misschien lijken de mensen dat alleen
maar te doen bij het gedaver van de machines). Maar boven de hoofden
van de Amerikanen schallen de aankomst- en vertrektijden uit de megafoons
en luidsprekers.
Het elektrische licht vertwee- en verdrievoudigt zich nog eens door
de witte tegels, die de raamloze galerijen en doorgangen bedekken, die
onderbroken worden door informatiebalies, hele rijen winkelkassa’s en
winkels die nooit sluiten van iedere soort, van ijs- en snack- tot serviesgoed-
en meubelzaken.
Het is bijna onmogelijk voor iemand om een duidelijke en volledige
voorstelling van dat labyrint te krijgen. Als u hier bent gekomen voor
een zaak op een kantoor, dat zich een werst of drie verderop downtown
bevindt, in het bancaire of zakelijke New York, ergens op de drieënvijftigste
verdieping van het Woolworth Building, en als u niet van daglicht
houdt, dan hoeft u helemaal niet onder de grond vandaan te kruipen. Hier
immers onder de grond neemt u de stationslift en deze slingert u naar de
vestibule van het Pennsylvania Hotel, een hotel met tweeduizend kamers
van alle soorten en maten.
Hier vind je alles wat de zakenman nodig heeft: postkantoren, banken,
telegraafkantoren, alle mogelijke waren, zonder dat je het hotel
hoeft te verlaten.
Hier prijzen berekenende moeders hun ondubbelzinnige dochters
aan.
‘Ga lekker dansen!’
Lawaai en tabaksrook, zoals in de langverwachte pauze in het grote
theater na een lang en saai toneelstuk.
Dezelfde lift brengt u naar de ondergrondse (de ‘subway’). Neem de
expres, die de wersten zuiverder doorsnijdt dan de trein. U stapt uit in
het gebouw dat u nodig heeft. De lift brengt u naar de benodigde etage
zonder enige uitgang naar buiten. Dezelfde weg brengt u terug naar het
station. Onder het plafond bevindt zich de hemel van het Pennsylvania
Station, de blauwe hemel, waarin de sterrenbeelden van de Beer, de
Steenbok en de rest van de astronomie al stralen. De Amerikaan die op
zijn rust gesteld is, kan iedere minuut per trein de schommelbank van
zijn buitenhuis bereiken zonder een blik te werpen op het Sodom en
Gomorra van New York.
Nog indrukwekkender is het Grand Central Station, dat zich over
enkele blokken verheft.
De trein beweegt door de lucht op een hoogte van drie, vier etages.
De rokende stoomlocomotief is vervangen door een schone, niets uitbrakende
elektrische locomotief. De trein stort zich onder de grond en een
kwartier lang flitsen onder u nog de met groen omwonden hekken op van
de openingen naar de aristocratische en rustige Park Avenue. Daarna is
ook dat voorbij en een half uur lang strekt de ondergrondse stad zich uit
met duizenden bogen en zwarte tunnels, doorstreept door opflikkerende
rails. Ieder gebrul, gedreun en gefluit davert lang na en blijft lang hangen.
De witte opflikkerende rails worden nu eens geel en dan weer rood en
groen door de steeds veranderende seinlichten. In alle richtingen lijkt
het op een warboel van treinen, verstikt door bogen. Men zegt dat onze
immigranten die uit het rustige Russische Canada aankomen, zich eerst
verbijsterd tegen het raam drukken en daarna beginnen te jammeren en
uitroepen: ‘We zijn verloren, broeders, we zijn levend het graf ingejaagd!
Hoe kom je hier vandaan?’
We zijn er.
Boven ons zijn de niveaus van het stationsgebouw, onder de hallen
de serviceverdiepingen, rondom het onafzienbare ijzer van de sporen
en onder ons nog de drie ondergrondse verdiepingen van de subway.
In een van de feuilletons in de Pravda heeft kameraad Pomorski de
stations van New York vol scepsis belachelijk gemaakt en liet ze een
voorbeeld nemen aan de Berlijnse loopstallen als Zoo en Friedrichstrasse.
Ik weet niet welke persoonlijke rekening kameraad Pomorski met de
New Yorkse stations te vereffenen had. Ook ken ik hun technische details,
faciliteiten en capaciteiten niet, maar qua uitstraling, omgeving en urbane
sensatie, behoren de New Yorkse stations tot de meest indrukwekkende
fenomenen ter wereld.
Ik hou van New York op doordeweekse dagen in de herfst, op werkdagen.
Het is 6 uur in de morgen. Onweer en regen. Het is donker en blijft
donker tot de middag.
Je kleedt je aan bij elektrisch licht, op straat is elektrisch licht, de
gebouwen staan in elektrisch licht, gelijkmatig doorsneden door ramen
als een sjabloon voor reclameposters. De onmetelijke lengte van de gebouwen,
de flikkerende gekleurde verkeerslichten en de bewegingen
vertwee-, verdrie- en vertienvoudigen zich op het asfalt dat door de
regen is glad gelikt als een spiegel. In de nauwe spelonken tussen de
gebouwen loeit als door een schoorsteenpijp een onverschrokken wind,
die rukt en rammelt aan de uithangborden, probeert je omver te blazen
en neemt ongestraft de benen zonder dat iemand hem tegenhoudt. Hij
gaat dwars door de wersten van het tiental avenues dat Manhattan (het
eiland van New York) in de lengte doorsnijdt — van de oceaan naar de
Hudson. Van de zijkanten huilen met het onweer de talloze stemmetjes
van de nauwe ‘streets’, die eveneens recht en regelmatig Manhattan in
de breedte van de ene naar de andere waterkant doorsnijden. Onder afdakjes
– en op een droge dag zelfs gewoon op de trottoirs – zie je overal
stapels verse kranten, die eerder door vrachtwagens zijn rondgebracht
en hier neergesmeten zijn door de krantenverkopers.
In de kleine cafés brengen de vrijgezellen de machinerie van het
lichaam in beweging. Ze stoppen de eerste brandstof in de mond – een
haastige kop groezelige koffie en een crèmebroodje, dat terplekke door
een broodjesmachine met honderden tegelijk in een kokende en spetterende
ketel vet wordt gegooid.
Beneden komt de grote mensenstroom op gang. Eerst tot de dageraad
de donkerpaarse massa zwarten, die het meest zware en vuile werk
doen. Daarna, tegen zevenen, komen zonder onderbreking de blanken.
Zij gaan in één richting met honderd duizenden tegelijk naar de plaatsen
van hun werk. Alleen hun gele geoliede regenjassen klateren en stralen
als duizenden samowars in het elektrische licht. Ze zijn doorweekt, maar
ze doven zelfs in deze regen niet uit.
Er zijn bijna nog geen auto’s en taxi’s.
De menigte stroomt. Ze vloeit uit over de openingen van de ondergrondse,
puilt uit in de overdekte gangen van de luchtsporen en beweegt
zich in twee lagen in drie parallelle banen door de lucht in de sneltreinen,,
die bijna nergens stoppen, en de lokale treinen, die iedere vijf blokken
stoppen.
Die vijf parallelle lijnen over de vijf avenues lopen op een hoogte van
drie etages, maar richting de 120ste straat klimmen ze naar de achtste en
negende. En dan brengen de liften nieuwe reizigers naar boven, die direct
van de pleinen en straten komen. Er zijn geen kaartjes. Je gooit 5 cent
als een steentje in een hoge geldbak, die een loep ter plekke vergroot en
aan de in een hokje zittende kassier toont om zwartrijden te voorkomen.
5 cent – en je reist zo ver je wilt, maar alleen in één richting.
De constructies en overdekkingen van de luchtsporen liggen vaak
als een grote overkapping over de gehele lengte van de straat en u kunt
de hemel en de gebouwen langs de straat niet meer zien. Boven uw
hoofd hoort u alleen het gedaver van de treinen en u heeft alleen maar
het gedaver van het vrachtverkeer voor uw neus, een gedaver waarin u
werkelijk niets kunt onderscheiden. En om het bewegen van uw lippen
niet te verleren, kunt u alleen maar zwijgend Amerikaanse kauwgom
kauwen, ‘chewing gum’.
’s Ochtends en met onweer is New York op zijn best. Dan tref je geen
enkele lanterfanter of overbodige persoon, maar alleen de arbeiders van
het grote arbeidersleger van deze stad van tien miljoen inwoners.
De arbeidersmassa zwermt uiteen over de fabrieken voor heren- en
dameskleding, over de nieuwe metrotunnels die worden gegraven en
over de talloze werkzaamheden in de havens. Tegen 8 uur vullen de
straten zich met talloze schonere en beter verzorgde, met bedwelmende
lotion gekapte, slanke meisjes met blote knieën en opgedraaide kousen
– werkneemsters van kantoren, kanselarijen en winkels. Ze worden uitgestrooid
over alle etages van de wolkenkrabbers downtown en over de
flanken van de gangen, waar de monumentale ingang van de tientallen
liften op uitkomt.
Er zijn tientallen liften voor lokaal vervoer met een stop op iedere
verdieping en tientallen expresliften zonder stop tot de zeventiende,
twintigste of dertigste. Een speciale wijzerplaat toont u de verdieping
waar de lift zich bevindt. Lampjes geven in rood of wit het stijgen of
dalen aan.
En als u twee dingen te doen hebt, het ene op de zevende en het andere
op de vierentwintigste verdieping, dan neemt u de plaatselijke (‘local’)
tot de zevende en verder, om niet zes hele minuten te verliezen, stapt u
over op de expres.
Tot een uur ratelen de typmachines, zweten de mensen zonder colbert
en groeien de kolommen cijfers op het papier.
Als u een kantoor nodig heeft, hoeft u zich niet het hoofd te breken
om dat te regelen.
U belt naar een of ander gebouw van dertig etages:
‘Hallo, richt voor morgen een kantoor in van zes kamers. Plaats daarin
twaalf typistes en het uithangbord moet luiden: ‘Grote en fameuze handel
in compressielucht voor onderzeeboten op de Stille oceaan’. Twee
boys in bruine livrei, hoedjes met sterrenlinten en twaalfduizend vellen
briefpapier met bovenvermelde naam.’
‘Good bye.’
De volgende dag kunt u naar uw kantoor gaan en uw telefoonjonges
zullen u enthousiast begroeten:
‘How do you do, Mr. Majakovski.’
Om een uur is het pauze. Een uur voor de medewerkers en een minuut
of vijftien voor de arbeiders.
De lunch.
Hoe iemand luncht is afhankelijk van zijn weekloon. Degenen met
vijftien dollar kopen een droge lunch in een papieren zak voor een nickel
en peuzelen deze op met kinderlijke overgave.
Degenen met vijfendertig dollar gaan naar een enorme cafetaria met
automatiek, voeren vijf cent in, drukken op een knop en een precies
afgemeten hoeveelheid koffie plenst in een beker. En nog eens twee of
drie nickel openen een van de glazen deurtjes van de sandwiches op de
enorme met eten volgezette planken.
Degenen met zestig dollar eten grijze pannenkoeken met suikerstroop
en een omelet in een van de talloze Childs’s van Café Rockefeller,
die zo wit zijn als een badkamer.
Degenen van honderd dollar en meer gaan naar de restaurants van
alle mogelijke nationaliteiten: Chinese, Russische, Assyrische, Franse,
Indiase – alle, behalve de smakeloze Amerikaanse, die je verzekeren van
een maagkwaal met Armours ingeblikte vlees, dat er zo ongeveer sinds
de Onafhankelijkheidsoorlog al ligt.
Degenen van honderd dollar eten langzaam. Ze hoeven toch niet op
tijd op hun werk te komen. En na hun vertrek slingeren er onder de tafel
whiskyflesjes van 80 procent (die waren meegegrist voor de gezelligheid).
Een ander plat glazen of zilveren flesje, dat qua vorm aansluit bij
de heup, zit in hun achterzak als wapen van liefde en vriendschap zoals
een Mexicaanse Colt.
Hoe eet de arbeider?
De arbeider eet slecht.
Ik heb er niet veel gezien, maar degenen die ik heb gezien, zelfs
degenen die goed verdienen, moeten hun best doen om in hun pauze
van vijftien minuten hun droge lunch bij de machinewerkbank of voor
de fabrieksmuur op straat naar binnen te werken.
De wetgeving op arbeid die voorziet in een verplichte eetgelegenheid
is vooralsnog niet tot de Verenigde Staten doorgedrongen.
Tevergeefs zult u in New York de karikaturale georganiseerdheid,
systematiek, snelheid en koelbloedigheid proberen te vinden, die in de
literatuur bezongen wordt.
U zult een massa mensen aantreffen die op straat rondhangt en niets
doet. Ieder van hen zal blijven staan en met u een gesprek over een willekeurig
onderwerp aanknopen. Als u even omhoog kijkt en een minuut
blijft staan, wordt u omringd door een menigte die een politieman met
moeite uiteen kan drijven. Het vermogen om zich met iets anders te
vermaken dan de beurs neemt me zeer in voor de New Yorkse massa.
Opnieuw werken tot vijf, zes of zeven uur ’s avonds.
Van vijf tot zeven is het meest rumoerige en drukke moment van
de dag.
Degenen die klaar zijn met hun werk zijn nog vermengd met het
winkelende publiek van beider kunne en mensen die gewoon lopen te
flaneren.
Op de zeer drukke Fifth Avenue, die de stad door midden deelt, kunt
u vanaf de hoogte van de tweede verdieping van een van de honderden
daar rijdende autobussen naar de tienduizenden auto’s kijken, die zich
zes of acht rijen dik in beide richtingen voortsnellen, nog nat van de
regen van zojuist en nu glanzend als lak.
Iedere twee minuten doven de groene vuren van de talloze lichten
van de verkeerspolitie en gaan de rode aan.
Dan bevriest de stroom mensen en auto’s voor twee minuten om
degenen die uit de zijstraten snellen door te laten.
Twee minuten later springen de verkeerslichten opnieuw op groen
en het rode vuur op de hoeken van de straten verspert de zijwegen de
doorgang.
Op dat uur ben je vijftig minuten kwijt aan een ritje dat je in de ochtend
een kwartier kost en als voetganger moet je steeds twee minuten
wachten zonder enige hoop op een onmiddellijke oversteek van de straat.
Als u niet bijtijds de straat bent overgerend ziet u hoe de lawine
auto’s, die twee minuten hebben staan wachten, zich losrukt uit haar
ketenen. U vergeet uw overtuigingen en verbergt u onder de vleugel
van een politieman. Deze vleugel is, om zo te zeggen, de flinke arm van
een van de grootste kerels van New York met een zeer zware knuppel
– een ‘club’.
Deze knuppel reguleert niet altijd het exotische verkeer. Soms (bijvoorbeeld
tijdens een demonstratie) zorgt hij ervoor dat u halt houdt:
een goede klap op uw achterhoofd en het is u om het even of u in New
York of het tsaristische Belostok bent. Zo hebben mijn kameraden me
verteld.
Vanaf een uur of zes, zeven licht Broadway op, mijn favoriete straat,
die als enige eigenzinnig en brutaal scheef door het rechte gevangenistraliewerk
van de straten en avenues heen steekt. Verdwalen in New York
is moeilijker dan in Toela. Van zuid naar noord lopen de avenues en van
oost naar west lopen de straten. Fifth Avenue deelt de stad door midden
in west en oost. Dat is alles. Ik sta op de hoek van de Achtste Straat en
Fifth Avenue. Ik moet naar de hoek van de Drieënvijftigste Straat en
Second Avenue. Dat betekent dat ik 45 blokken moet lopen en rechts af
moet slaan naar de hoek van Second Avenue.
Natuurlijk staat niet de hele Broadway van dertig werst in het licht
(hier zeg je niet: ‘Kom eens langs, we zijn buren. We wonen allebei op
Broadway’). Dit geldt wel voor het stuk van de Vijfentwintigste tot de
Vijftigste Straat, vooral Times Square. Dit noemen de Amerikanen de
‘Great White Way’, de ‘Grote witte weg’.
Hij is werkelijk wit en je hebt echt het gevoel dat het er lichter is dan
overdag, omdat het de hele dag licht is, maar die weg is licht als de dag,
ook tegen de achtergrond van de donkere nacht. Het licht van de lantaarns
voor de verlichting, het licht van de in lampjes opspringende reclames,
het licht van het schijnsel van de vitrines en etalages van de winkels die
nooit dichtgaan, het licht van de lampen die de enorme geschilderde affiches
verlichten, het licht dat uit de opengaande deuren van de theaters
en bioscopen stroomt, het bewegende licht van de auto’s en luchtsporen,
het licht van de ondergrondse treinen dat onder je voeten opflitst in de
glazen tegels van de trottoirs. en het licht van de reclameteksten in de lucht.
Licht, licht en nog eens licht.
Je kunt er de krant lezen, ook die van je buurman, zelfs in een vreemde
taal.
Het is licht in de restaurants en in het theatercentrum.
Het is schoon op de belangrijkste straten en op de plekken waar de
directeuren wonen of degenen die dat ambiëren.
Waar de meerderheid van de arbeiders en werknemers terechtkomt,
in de arme Joodse, zwarte en Italiaanse wijken aan de Second en Third
Avenue tussen de Eerste en Dertigste Straat, is het vuil toch nog schoner
dan dat van Minsk. In Minsk is het dan ook wel heel erg vuil.
Er staan bakken met alle mogelijke afval, waaruit de armen niet geheel
afgekloven botten en etensresten halen. Daar liggen de afkoelende
stinkende plassen van de regen van vandaag en eergisteren.
Het papier en vuil komt er tot aan je enkels, niet in overdrachtelijke
zin, maar letterlijk en echt tot aan je enkels.
Dat is 15 minuten lopen en 5 minuten rijden van de schitterende Fifth
Avenue en Broadway.
Dichter bij de kades is het nog duisterder, vuiler en gevaarlijker.
Overdag is dit een uiterst interessante plek. Hier hoor je altijd een
daverend kabaal, of het is het werk, of het zijn schoten, of het is geschreeuw.
De aarde trilt onder de kranen, die de lading van een schip
lossen en bijna een heel huis bij de schoorsteenpijp uit het ruim trekken.
Daar lopen de stakingsleiders, die stakingsbrekers geen kans geven.
Vandaag, op 10 september, heeft de New Yorkse vakbond van havenarbeiders
zich solidair verklaard met de stakende havenarbeiders
van Engeland, Australië en Zuid-Afrika en op de eerste dag kwam het
uitladen van 30 enorme stoomschepen tot stilstand.
Op de derde dag, ondanks de staking, verscheen de rijke advocaat en leider
van de plaatselijke mensjewieken van de socialistische partij Morris
Hillquit op het schip de ‘Majestic’, dat door stakingsbrekers was geregeld.
Duizenden communisten en leden van de I. W. W. floten hem uit
vanaf de kade en bekogelden hem met rotte eieren.
Nog enkele dagen later schoten ze hier op een generaal, die voor een
of ander congres hier naartoe was gekomen, ‘de bedwinger van Ierland’,
die ze via een achterdeur afvoerden.
Maar in de morgen komen La France, de Aquitania en de andere
giganten van 50.000 ton opnieuw binnen en worden ze uitgeladen langs
de ontelbare kades van de ontelbare compagnieën.
De avenues die aan de kades grenzen worden hier de ‘avenues des
doods’ genoemd wegens de locomotieven die met hun vracht direct de
weg op rijden, en de dieven, die de kroegen vullen.
Vanaf hier worden dieven en roofovervallers aan heel New York geleverd:
aan de hotels, om voor een paar dollar hele gezinnen te vermoorden,
en aan de subway, om de kassiers in de hoek van hun wisselhokje te jagen
en de dagopbrengst afhandig te maken, terwijl ze de dollars wisselen
voor het voorbijlopende, nietsvermoedende publiek.
Als ze je pakken betekent dat de elektrische stoel in de Sing Singgevangenis.
Maar je kunt er onderuit komen. Voorafgaand aan de diefstal
gaat de bandiet bij zijn advocaat langs en zegt: ‘Bel me op dat en dat uur
op dat en dat nummer, sir. Als ik er niet ben, betekent dat u een borgsom
moet regelen om me op vrije voeten te stellen.’
De borgsommen zijn groot, maar de bandieten zijn dan ook geen
kleine jongens en ze zijn goed georganiseerd.
Het bleek bijvoorbeeld dat een huis, dat wordt geschat op tweehonderd
duizend dollar, als borgsom van twee miljoen dient en is betaald
voor verschillende dieven.
In de kranten schreven ze over een bandiet die 42 maal op borgtocht
is vrijgekomen. Hier op de avenue des doods maken de Ieren de dienst
uit. In de andere wijken zijn het anderen.
De zwarten, Chinezen, Duitsers, Joden en Russen wonen in hun eigen
wijken met hun eigen gewoonten en taal, waarbij ze zich decennialang
niet vermengen en hun zuiverheid in stand houden.
In New York, afgezien van de voorsteden, zijn ongeveer
1.700.000 Joden.
1.000.000 Italianen.
500.000 Duitsers.
300.000 Ieren.
300.000 Russen.
250.000 zwarten.
150.000 Polen.
300.000 Spanjaarden, Chinezen en Finnen.
Een raadselachtig plaatje: wie zijn de Amerikanen eigenlijk en hoeveel
zijn het voor honderd procent?
In het begin deed ik enorme moeite om binnen een maand Engels
te spreken. Toen mijn inspanningen vrucht begonnen af te werpen, begonnen
de nabij liggende (nabij staande en zittende) mensen, zowel de
winkelverkoper, als de melkboer, de wasman en zelfs de politieagent
Russisch met mij te praten.
Wanneer je ’s nachts met het luchtspoor naar huis terugkeert, zie je die
naties en wijken als afzonderlijk gesneden stukken: op de 125ste Straat
staan de zwarten op, op de 90ste de Russen, op de 50ste de Duitsers enz.
Je kunt je klok er bijna op gelijk zetten.
Degenen die om twaalf uur uit het theater komen drinken hun laatste
soda, eten hun laatste ‘ice cream’ en kruipen naar huis om één uur of drie
uur, als ze zich nog een uur of twee hebben vermaakt met de Foxtrot of de
laatste modegril, de ‘Charleston’. Maar het leven komt niet tot stilstand.
Ook de winkels van allerlei soort zijn geopend. Ook de subway en de
luchtsporen rijden. Ook kunt u een bioscoop vinden die de hele nacht
open is en slaap zoveel u wilt voor uw 25 cent.
Vertaling Philip Westbroek