Ivan Gontsjarov
BRIEVEN VAN EEN WERELDREIS
(fragment)
Brieven van een wereldreis is een ( gedeeltelijke) vertaling van 'Het fregat
"Pallas" ' (Fregat 'Pallada') , Gontsjarovs uitvoerige verslag van zijn reis over
zee vanuit Petersburg naar het Verre Oosten in het begin van de jaren vijftig
van de vorige eeuw. Fregat 'Pallada' verscheen in tijdschriftafleveringen in de
loop van 1855, in 1858 voor het eerst in boekvorm .
OP DE REDE VAN ANJER
Windstilte hield ons twee dagen ongeveer op dezelfde plek vast, op 17 mei volgens
onze kalender ten slotte, stak er een briesje op dat ons langs de lage, in het
groen verborgen kust voerde, en wij bereikten de rede van Anjer en wierpen het
anker uit. Enige uren later arriveerde daar ook een Spaans transportschip dat
een troepenafdeling van Spanje naar Manilla vervoerde.
Ik ben erg blij dat ik op een kust ben geland die geen verleden of geschiedenis 69
heeft. Je hoeft geen boeken voor de dag te halen om je op de hoogte te stellen en
je uiterst gewichtig ervan te overtuigen dat die stad, die regering dan en dan
gesticht is, door die en die bezet is, enzovoort. Wat is Anjer? Een Maleise nederzetting
die niet heeft blootgestaan aan veranderingen. Thunberg maakt er al
melding van. Het zag er toen net uit als nu. Op de rede van Anjer nemen schepen
water in en fourageren groente omdat ze niet naar Batavia willen waar vooral
voor buitenlanders kwaadaardige koortsen woeden. Batavia ligt een etmaal rijden
van hier. Wij hadden ervan gedroomd daarheen te rijden, daar een dag te blijven
en dan weer terug te gaan. We dachten dat er een rijweg zou zijn en goede rijtuigen.
Niets daarvan. Twee maal per week gaat de post van Anjer naar Batavia,
de postiljon gaat te paard.
'Kunnen we een rijtuig huren?' vroegen we.
'Nee, huren kan niet, maar u kunt er wel een voor niets krijgen,' zeiden de
Maleiers.
'Nou, als het zo zit, dan maar voor niets, ook goed. En bij wie?'
'De commandant heeft een open rijtuigje en de douanier ook: als u erom vraagt
krijgt u ze.'
'Laten we meteen naar ze toegaan ... '
'Ze zijn niet in Anjer: ze zijn naar een stadje dat op de weg naar Batavia ligt,
drie uur rijden van Anjer.'
'Wanneer zijn ze er weer?'
'Morgen of overmorgen.'
Al onze dromen vielen in scherven.
Intussen waren wij omringd door een menigte Maleiers en Indiërs. Bruine,
roodachtige, halfnaakte mensen, blootshoofds of met kegelvormige strooien of
schildpadden hoofddeksels verdrongen zich in bootjes rondom het fregat. Ze
schreeuwden allemaal waarbij de een op een aap wees, de ander op een mand met koralen en schelpen, een derde op een stapel ananassen en bananen, een vierde
op een levende schildpad of papagaaien.
De hitte was ondraaglijk: geen beweging in lucht of zee. De zee was zo glad
als een spiegel, als kwikzilver, niet de minste rimpeling. De zeeëngte en de beide
oevers boden een verbazingwekkende aanblik onder de stralen van de morgenzon.
Wat een zachte, oogstrelende kleuren van hemel en water! Hoe verblindend fel
schittert de zon, en hoe vol schakeringen is het spel van haar stralen op het
water! Hier en daar ziedt een draaikolk als goud, alsof er vele gloeiende kolen
branden: je kunt er niet naar kijken; en verder, overal in het rond, tot de horizon
strekt zich de azuurblauwe vlakte uit. Het oog kan diep doordringen in
het doorzichtige water. Aarde is er niet, alleen bossen en tuinen, dicht opeen
als een borstel. De bomen dalen van de oever af en dringen op naar het water.
Achter de tuinen zijn in de verte hoge bergen te zien, maar geen geblakerde
en sombere bergen zoals in Afrika, ze zijn helemaal met bos bedekt. Rechts de
kust van Java, links in de zeeëngte een groen eilandje en daarachter schemert
in de verte blauwachtig Sumatra.
Onze mensen stortten zich en masse op de oever. De kapitein had mij uitgenodigd
met hem mee te gaan, wat later, als aan boord alles geregeld was. Tegen
tweeën gingen we ten slotte gedrieën op weg. Het was een werst of twee naar
de kust. We hadden zo'n honderd meter afgelegd toen we plotseling zagen dat
onze matrozen bezig waren een haai uit het water te trekken. Ze hadden hem
al tot bij het geschut getrokken. 'Laten we even teruggaan om te kijken,' zeiden
mijn metgezellen. Ik was ertegen: mij lokte de oever en ik ging liever niet terug.
Maar we hadden de sloep nog niet gewend of de haai rukte zich los en plonsde
in het water. Net goed! Ik was blij, we zetten onze reis voort en kwamen spoedig
in een smal, troebel riviertje met een stenen steiger.
Rechts was een groot, laag, bakstenen gebouw te zien omgeven door een wal
waarop enig geschut van klein kaliber stond. Boven het huis hing slap de Hollandse
vlag: in de hitte kropen schildwachten met geweren haast als slaperige
vliegen bij de poort. Dit was de vesting en de woning van de commandant, wij
wisten niet waar we naar toe moesten. Links van het huis, aan de andere kant
van het riviertje, was dwars door de bomen een rij hutten te zien, daarachter
een dicht bos, recht voor ons bos, en rechts achter de vesting bos. We gingen
de binnenplaats van de vesting op, die was open, daarachter was weer bos te
zien. Via een tamelijk brede weg belandden we in een onbegaanbaar tropisch woud
met een schitterende decoratie van kokospalmen die nu eens een langgerekte rij,
dan weer dicht op elkaar samen met het kreupelhout een ondoordringbare groene
wildernis vormden.
De aarde kan zich niet rijker en sierlijker tooien dan zij hier doet. Als je naar
de bossen kijkt geloof je niet dat het toeval hier de hand heeft in de groepering
van de bomen. Hier palmen, als volgens een vooropgezet plan, afgewisseld met
struikgewas, daar als het ware met opzet, een weitje of een klein moeras begroeid
met hoog geel riet waarvan bij ons de beroemde rottingen worden gemaakt. Of
kijk eens naar iedere palm afzonderlijk: wat een weergaloze schoonheid! Hij buigt
gracieus, de bladeren als lange, in strengen gekamde haren; daaronder hangen
zware trossen enorme noten. Alles lijkt versierd te zijn door de zorgzame hand
van de mens die lang en liefdevol heeft gewerkt aan de afwerking van iedere
twijg, van ieder blaadje, van elk klein detail. En toch zijn deze wouden maagdelijk
en wild. De mens heeft ze bijna niet beroerd. De arme Maleier hakt zich slechts
een weg in de rimboe en ontneemt de wilde dieren wat ruimte. Wij zagen nieuwe,
diep in het bos gelegen, nog niet afgebouwde hutten, onder de palmen en uit
palmhout, bedekt met palmbladeren. Vaag waren nieuw aangelegde paadjes die
naar de hutten gingen te zien. Onder het lopen luisterden wij scherp naar ieder
geluid, naar de kreten van insekten, van ons onbekende vogels, en we maakten
elkaar bang.
'Een tijger!' zegt iemand.
'Een slang!' weer een ander. Allemaal keken we onwillekeurig snel om ons heen,
daarna moesten we om onszelf lachen.
Ik had graag aan de fabel van de leugenaar willen herinneren; maar aangezien
ik als eerste had gelogen, paste die moraal me niet. Maar het werd tijd naar het
dorp terug te gaan. We liepen een uur lang steeds rechtuit, en hoewel we in de
schaduw van het bos liepen, van top tot teen in het wit, in een licht tenue, was
het heet. Op de terugweg kwamen we een paar Maleiers tegen, mannen en vrou
wen. Plotseling hoorden we bekende stemmen. We sloegen rechts af het bos in,
in de richting van de stemmen en kwamen op een brede open plek.
Daar waren al onze mannen. Maar wat deden ze daar? Langs het veld liep hetzelfde
troebele riviertje waarlangs we landinwaarts waren gekomen. Hier stroomde
het in een boog langs het weitje, en verdween in het dichte gras en de struiken.
Rondom groeiden enkele palmen. Drie of vier van onze reisgezellen stonden, zonder
jas en vest, onder de palmen en probeerden met stokken de kokosnoten uit de
boom te slaan. Het ijverigst van allen was onze jonge metgezel P.A.Zeljony in
de weer, de rest stond er omheen en keek toe in afwachting van het vallen van
de noten. Het geschreeuw en gelach klonk door het bos. Op vijftig passen afstand,
op de drassige oever, in het dichte gras stonden twee buffels tot hun knieën
in de modder. Ze stonden met gebogen koppen schuw en strak naar de menigte
te kijken zonder te weten wat ze ermee aan moesten. We hadden ze hier verrast,
dat was te zien aan hun houding en de gespannen aandacht waarmee ze het ogenblik
afwachtten om weg te komen, maar er was geen uitweg naar rechts of naar
links, ze moesten of door de mensenmenigte of door het riviertje heen.
'We hebben een krokodil gezien!' riep er een.
'Zo'n kanjer!' zei een ander, en hij spreidde zijn armen.
'Monsterlijk! En een tanden!'
'Waar was ie?' vroegen wij.
'Hier, hierzo.'
En ze sleepten ons mee naar een bruggetje over het riviertje.
'We stonden net op de brug...' begon er een.
'Nee, we waren al daar ...' zei een ander.
'Nee, heren, ik zag hem het eerst, jullie waren nog in het dorp, en ik ... Wacht
nou even, ik heb alles gezien, ik zal alles in volgorde vertellen.'
'Waar is ie gebleven?' vroegen wij.
'Hij is het struikgewas ingegaan, hier,' riepen ze allemaal, en ze wezen op de
struiken die de oever vlakbij het bruggetje helemaal bedekten.
'Hij vertoonde zich aan de oppervlakte van het water, zwom onder de brug
door. Wij schreeuwden en joegen hem na; hij werd bang en ging daarheen. Hier,
hier op de ze plaats.'
'Het was vast een hagedis,' merkte ik op, deels uit ergenis dat ik de krokodil
niet had gezien. Ze keurden me geen antwoord waardig.
'Laten we hem achterna gaan in het struiken,' opperde ik, maar ik ging niet.
En niemand ging. De struiken vormden zo'n dichtopeenstaande, ondoordringbare
massa, en ze zagen er zo verdacht uit dat je zou zweren dat er daar zo geen kro
kodil, dan toch zeker een slang huisde, en vast niet eentje, er zijn er een heleboel
op Java.
'Wat jammer dat u de krokodil niet hebt gezien,' zei een van de jonge maats
die kennelijk mijn twijfel wilde wegnemen dat het geen krokodil was geweest.
'Ach, ik zie ze wel in de dierentuin van Petersburg,' zei ik, 'daar hebben ze
een kleintje, tegen die tijd zal hij wel gegroeid zijn.'
Vertaling Marja Wiebes