Arent van Nieukerken



Henryk Sienkiewicz (1846-1916) en zijn ‘Amerikaanse’ novelle ‘De Sachem’




De novelle ‘De Sachem’ is een late vrucht van Sienkiewicz’ ‘grote avontuur’ in de Verenigde Staten tussen 1876 en 1878. Na zijn aankomst in New York doorkruiste de romancier per trein het hele continent en vestigde zich voor wat langere tijd in Californië (waar hij ‘kwartiermaker’ was voor een utopische gemeenschap – een falanstère – die echter naar verloop van enige tijd mislukte). ‘De Sachem’ behoort tot de zogenaamde Amerikaanse novellen. Het bekendst is ‘De vuurtorenwachter’ over een door heimwee gekwelde Poolse emigrant die zo opgaat in het lezen van de poëzie van Adam Mickiewicz dat hij vergeet het licht in de vuurtoren aan te steken en daardoor een scheepsongeluk veroorzaakt. Een andere novelle (‘Door de steppe’) munt uit door een prachtige evocatie van de Amerikaanse prairies die als inspiratie heeft gediend voor de beschrijvingen van de Oekraïense steppe in de historische roman Te vuur en te zwaard (het eerste deel van Sienkiewicz’ Trilogie over Polen in de zeventiende eeuw). De meeste van die Amerikaanse novellen zijn overigens pas na terugkeer uit de Verenigde Staten geschreven. Sienkiewicz verliet Amerika eind maart 1878 en kwam na verblijven in London en Parijs in de zomer van 1879 weer in Warschau aan (Warschau was toen de hoofdstad van het door Rusland geannexeerde deel van Polen, het ‘Congreskoninkrijk’). In de Verenigde Staten werkte de schrijver aan zijn beroemde Brieven uit Amerika die hij onder het pseudoniem Litwos in twee Warschause kranten publiceerde. Hiermee betaalde Sienkiewicz een lening af die hij van een van deze kranten voor zijn reis naar Amerika ontvangen had. Verder werkte hij tijdens zijn verblijf in Californië aan oudere literaire projecten, zoals zijn ‘positivistische’ (dat wil zeggen realistische) ‘Houtskoolschetsen’ over misstanden op het Poolse platteland (in het plaatsje Barania Głowa – Schaapskop).

De reis van Sienkiewicz (een in Warschau toentertijd gewaardeerde, maar nog niet beroemde auteur) naar de Nieuwe Wereld kan niet los worden gezien van de situatie waarmee schrijvers in het Russische deel van Polen te kampen hadden. Belemmerend werkte vooral de (preventieve) censuur. Dit was de reden dat Sienkiewicz de handeling van het ‘Dagboek van een leraar uit Poznań’ naar Pruisisch Polen verplaatste, hoewel het geïnspireerd was door de situatie van het onderwijs in Russisch Polen. Sienkiewicz hield er in zijn verhalen en feuilletons dus rekening mee of het al of niet voor de censuur aanvaardbaar was. Dit is een omstandigheid die door moderne lezers vaak vergeten wordt (in het Oostenrijkse deel van Polen, Galicië – met steden als Kraków en Lwów, was er geen preventieve censuur en ingrepen achteraf beperkten zich tot moraal en religie). De ‘persoon van de censor’ (J.M. Coetzee) is zeker ook aanwezig in ‘De Sachem’.



Henryk Sienkiewicz

Sienkiewicz voelde zich redelijk thuis in het beloofde land van politieke en economische vrijheid. Weliswaar beviel hem niet alles. Met name New York waar hij aan land kwam en ruim een week doorbracht werd door hem kritisch beoordeeld:

Behalve de banken, de stock-exchange, de goldroom en allerlei beurzen (voor graan, wol en katoen) valt er op de hele Wallstreet niets interessants te zien.

Hij maakte in New York kennis met het leed van de immigranten uit Centraal- en Oost-Europa – veelal arme boeren – die in de stad bleven hangen en een armzalig bestaan leidden (hoewel de Poolse joden zich weer wel goed konden redden en door Amerikaanse zakenlieden als geduchte rivalen werden gezien). De beroepsperspectieven waren voor plattelanders beter buiten de grote steden van de Oostkust, met name in de Far West. Wat de immigranten uit West-Europa betreft was Sienkiewicz vooral geïnteresseerd in de Duitsers en het is zeker geen toeval dat zij een belangrijke rol spelen in de novelle ‘De Sachem’. Zij passen zich gemakkelijk aan de Amerikaanse business cultuur aan.

Heimwee naar hun vaderland vormt geen belemmering om effectief zaken te doen (in dit opzicht verschillen ze van de Polen, zowel adel als boeren). Het beeld van de Duitsers in ‘De Sachem’ is weinig flatteus, hoewel Sienkiewicz in een andere Amerikaanse novelle (‘Een herinnering uit Mariposa’) een dergelijke ‘ordelijke’ Duitser positiever voorstelt (maar hij blijft saai en is overdreven hartelijk). Meneer Billing koestert sympathie voor de Polen, want hij associeert ze met de revolutionair Ludwik Mierosławski die de opstandelingen in Baden en Hessen aanvoerde in 1849 (tijdens de ‘Lente der Volkeren’).

De Europese conflicten en met name de rol van Polen zijn voortdurend op de achtergrond aanwezig in Sienkiewicz’ teksten over Amerika. Dat werpt ook licht op de novelle ‘De Sachem’. Het verhaal zou kunnen worden geïnterpreteerd als een metafoor van de situatie van Polen na het neerslaan van de Januariopstand (1863-64) tegen de Russische heerschappij. De Duitsers van Antilope wekken dan geheel andere associaties op dan de hartelijke meneer Billing. Maar gaat het hier alleen om Duitsers? Of moeten we misschien ook aan de Russen denken (maar die associatie zou Sienkiewicz in conflict met de censuur in het Congreskoninkrijk hebben gebracht). De kernvraag is dan natuurlijk of het mogelijk is een verband te leggen tussen de beschrijving van de Indianen in Sienkiewicz’ ‘Amerikaanse’ teksten en de Polen. De beeldvorming is gevarieerd. In het verhaal ‘Over de steppe’ worden de Indianen afgeschilderd als primitieve, maar listige en gevaarlijke krijgers. Ze lijken enigszins op de Tataren in de historische roman Te vuur en te zwaard. In hun strijd met de blanke kolonisten steken ze de prairie en de bossen in brand, maar uiteindelijk moeten ze het onderspit delven. De verteller van ‘Over de steppe’, een Pool met de bijnaam Big Ralph, kenschetst de prairie-indianen als een ‘wild en boosaardig volk, maar niet zonder ridderlijke gevoelens’. In de Brieven uit Amerika vestigt de auteur aandacht op de voortdurende en verwoestende twisten die ze onder elkaar uitvechten. Het ontbreekt hen aan eenheid en talent voor moderne nijverheid.

[...] elke stam verdedigt woest de eigen grenzen, of het nu om de bizons gaat of om het jagersbestaan op zich, en elke stam probeert ook de eigen grenzen te overschrijden.

Sienkiewicz was zelf een verwoed jager (in zijn Brieven uit Amerika beschrijft hij een jacht op bizons) en had daarom ook respect voor deze laatste ‘wilde’ Indianen. Onschuldiger, maar ook minder kleurrijk waren echter de Californische Indianen met wie Sienkiewicz persoonlijk kennis maakte. Zij gingen niet meer op jacht en waren afhankelijk van de blanke farmers en wijnbouwers (de schrijver vergelijkt hen negatief met de ‘wilde Apaches en Comanches die echter hoofdzakelijk een mythe zijn). De Indiaanse hoofdpersoon in de novelle ‘De Sachem’ is een afstammeling van de echte, ‘wilde’ Indianen met wie de Duitsers lang strijd leverden, maar die tenslotte op verraderlijke manier (’s nachts) door hen uitgemoord werden (de ‘blanken’ blijken hier dus verre van ridderlijk te zijn, een eigenschap die de prairie-indianen volgens Sienkiewicz wel bezaten). Hij werd als een tienjarig kind gevonden door de directeur van een reizend circus ‘in het gezelschap van een stervende oude Indiaan’, die hem toevertrouwde dat de jongen de nakomeling van het laatste stamhoofd der Zwarte Slangen was.

Het eigenlijke thema van de novelle is de relatie tussen het individu en zijn voorouders. Kortom: is het gelukt de band tussen de Sachem en zijn Indiaanse voorouders te verbreken of is hij trouw gebleven aan de erfenis van de Zwarte Slangen? Dit vraagstuk kon de Poolse lezers in een tijd, waarin het onderwijs in Russisch Polen steeds meer in de taal van de overheerser gegeven werd, niet onberoerd laten. Het is trouwens ook mogelijk om de novelle ‘Sachem’ als metafoor op de situatie in Galicië toe te passen, waar de Polen een vorm van politieke autonomie genoten op het gebied van cultuur en onderwijs op voorwaarde dat zij trouw bleven aan het bewind van de Duitstalige Habsburgers. In Pruisisch Polen (Wielkopolska) moesten de inwoners zich (tijdens Bismarcks Kulturkampf) tegen een steeds agressievere germanisering verdedigen. Misschien poogde Sienkiewicz een zo breed mogelijke interpretatieve context voor deze strijd om het behoud van de Poolse identiteit te scheppen, ook om de censuur te misleiden. Vandaar dat de handeling naar Amerika wordt verplaatst en zich toespitst op de ondergang van het traditionele leven der ‘wilde’ Indianen.

De ontknoping van de novelle (een anticlimax) is echter ontegenzeggelijk pessimistisch. De Sachem is er weliswaar in geslaagd zich met het culturele erfgoed van zijn voorouders vertrouwd te maken (hij zingt – in het Duits! – hun liederen en bootst op het koord hun dansen na), maar tenslotte blijkt dat hij dit in opdracht van de circusdirecteur doet om een artistiek effect te bereiken. Het Duitse publiek wordt flink angst aangejaagd, maar de daarop volgende opluchting is des te groter. Na de voorstelling ‘ging de Sachem knoedels eten in [het bierhuis] Onder de Gouden Zon.’ De conclusie die zich opdringt is dat het dus mogelijk is om de levende geest van een verslagen stam (of volk) te vernietigen, dat de overlevenden uit vrije wil de erfenis van hun voorouders als toneelstukje voor de overwinnaars zullen opvoeren. De novelle is een waarschuwing tegen het gevaar van ontworteling, een thema dat na het neerslaan van de Januariopstand nog lang actueel bleef. Slotakkoord: toen Sienkiewicz in 1905 de Nobelprijs voor literatuur ontving hield hij zijn rede in het Latijn.




Henryk Sienkiewicz



De Sachem



In Antilope, een stad gelegen aan de gelijknamige rivier in de staat Texas, haastte iedereen zich naar het circus. De belangstelling was er des te groter omdat er voor de eerste keer in het bestaan van de stad danseressen, als zwarten verkleedde ‘minstrels’ en koorddansers met een circus meegereisd waren. De stad was niet oud, vijftien jaar geleden stond er nog geen enkel huis. Meer nog, in de nabije omgeving waren er geen blanken te bekennen. Tussen de armen van een rivier, precies waar Antilope nu ligt, rees toen de indianennederzetting Chiavatta op. Dat was de hoofdstad van de Zwarte Slangen, die destijds de aangrenzende Duitse nederzettingen Berlin, Gründenau en Harmonie dermate lastigvielen dat de kolonisten het niet langer uithielden. De indianen beschermden weliswaar enkel het ‘territorium’ dat de regering van de staat Texas hun in de plechtigste verdragen voor eeuwig en een dag had toegekend. Maar wat kon dat de kolonisten uit Berlin, Gründenau en Harmonie schelen? Het staat vast dat zij grond, water en lucht van de Zwarte Slangen hadden afgepakt. In ruil introduceerden ze de beschaving. Op hun eigen manier betuigden de roodhuiden hun dankbaarheid daarvoor: door kolonisten te scalperen. Zo kon het niet verder. Op een nacht kwamen er dus vierhonderd kolonisten uit Berlin, Gründenau en Harmonie bij volle maan samen. Gesteund door de Mexicanen uit La Ora vielen ze het sluimerende Chiavatta aan. De triomf van de goede zaak was compleet: Chiavatta werd platgebrand, de bewoners zonder onderscheid van leeftijd of geslacht afgemaakt. De enige overlevenden waren krijgers die in kleine groepjes waren gaan jagen. In de stad zelf bleef niemand gespaard. Dat lag voornamelijk aan de ligging van de stad tussen de rivierarmen. Zoals gewoonlijk in de lente was de rivier buiten haar oevers getreden, waardoor de nederzetting ingesloten werd door een ondoorwaadbare watermassa. Diezelfde ingeklemde ligging die de ondergang van de indianen had betekend, beviel de Duitsers echter wel. Eruit vluchten is lastig, maar je erin verdedigen gaat goed. Dat inzicht bracht een migratiegolf uit Berlin, Gründenau en Harmonie richting de landtong op gang. Zo verving het beschaafde Antilope in een mum van tijd het barbaarse Chiavatta. Na vijf jaar telde het stadje tweeduizend inwoners.


Zes jaar later werd aan de overkant van de rivier kwikzilver ontdekt. Door de ontginning daarvan verdubbelde het aantal inwoners. Nog een jaar daarna werden de negentien overlevende krijgers van de Zwarte Slangen krachtens het lynchrecht opgehangen op het stadsplein. Men had ze te pakken gekregen in het nabije Bos der Doden. Sindsdien kon niets de bloei van Antilope nog in de weg staan. In de stad verschenen twee ‘Tagblätter’ en een ‘Montagsrevue’. Er kwam een spoorwegverbinding met Rio del Norte en San Antonio. In de Opuncia-Gasse stonden drie scholen, waarvan eentje voor hoger onderwijs. De plaatselijke liefdadigheidsvereniging kreeg onderdak in een gebouw op het plein waar men de laatste Zwarte Slangen had opgeknoopt. In de kerken predikten de dominees elke zondag naastenliefde, eerbied voor andermans eigendom en andere deugden die in een beschaafde samenleving onontbeerlijk zijn. Een redenaar op doorreis hield op het plaatselijke Capitool1 zelfs eens een lezing ‘Over de rechten van de volkeren’.

Rijkere inwoners hadden het langs hun neus weg over de noodzaak om een universiteit te stichten, waar ook de deelstaatregering aan zou moeten bijdragen. Het ging de inwoners goed. De handel in kwikzilver, sinaasappelen, gerst en wijn leverde forse winsten op. Ze waren degelijk, spaarzaam, ijverig, ordelijk, zwaarlijvig. Wie Antilope een paar jaar later zou bezoeken, wanneer de stad de tienduizend inwoners al gepasseerd is, zou die rijke kooplieden niet herkend hebben als de meedogenloze strijders die vijftien jaar eerder Chiavatta plat hadden gebrand. Hun dagen brachten ze door in winkels, werkplaatsen, kantoren; hun avonden sleten ze in de kroeg Onder de Gouden Zon, in de Ratelslangstraat. Die ietwat slome en hese stemmen, dat Mahlzeit! Mahlzeit, dat flegmatische Nun ja wissen Sie, Herr Müller, ist das aber möglich, de kakofonie van klinkende kroezen klotsend bier, van op de vloer vallende spatjes schuim, die rust, traagheid, die kleinburgerlijke met vet overgoten gezichten, die vissenogen…

Wie zo’n tafereel aanschouwt, waant zich in een bierhuis in Berlijn of München, niet boven wat ooit de smeulende ruïnes van Chiavatta waren geweest. In de stad was alles echter al ganz gemütlich en over die ruïnes dacht niemand nog na. Die avond repte het volk zich dus naar het circus. Ten eerste omdat een beetje ontspanning na hard werken even prettig als verdiend is, ten tweede omdat de bewoners er trots op waren dat het circus hun stad aandeed. Iedereen weet dat een circus niet zomaar om het even welk plattelandsgat met een bezoek vereert. Dat het gezelschap van Hon. M. Dean naar Antilope trok, bevestigde de omvang en het belang van de stad . Toch was er ook een derde reden voor de algemene nieuwsgierigheid, misschien wel de belangrijkste.

Programmaonderdeel nummer een beloofde: ‘Koorddans vijftien voet hoog – onder muzikale begeleiding – door befaamd gymnast Rode Gier, sachem (opperhoofd) van de Zwarte Slangen, laatste afstammeling van de koninklijke familie en laatste van zijn geslacht. 1) Koordwandeling. 2) Sprongen van Antilope. 3) Dans en dodenzang.’ Die zogenaamde sachem kon nergens grotere belangstelling wekken dan in Antilope. De Hon. M. Dean vertelde in herberg Onder de Gouden Zon dat hij vijftien jaar geleden op de Planos de Tornado, op weg naar Santa Fe, een oude stervende indiaan en een tienjarige jongen aantrof. De verzwakte oude man overleed inderdaad aan zijn verwondingen, maar voor zijn dood vertelde hij nog wie het jongetje was: de zoon van de vermoorde sachem van de Zwarte Slangen en zijn troonopvolger.

Het circusgezelschap ving de wees op, die later uitgroeide tot zijn beste acrobaat. De Hon. M. Dean kwam er overigens in de herberg pas achter dat Antilope ooit Chiavatta was geweest en dat de beroemde koorddanser dus zou optreden op de graven van zijn voorvaderen. De circusdirecteur was in z’n nopjes met dit nieuws: als hij hier nu eens handig gebruik van kon maken, kon hij zeker zijn van een great attraction. Het spreekt voor zich dat de burgermannetjes van Antilope zich voor het circus verdrongen om de laatste Zwarte Slang aan hun uit Duitsland geïmporteerde echtgenotes en hun zonen te laten zien. Zij hadden immers nog nooit een indiaan onder ogen gehad. ‘Kijk, zo zagen de mannen eruit, die we vijftien jaar geleden hebben afgeslacht.’ Ach, Herr Jeh! – altijd leuk om zijn Amalie en de kleine Fritz zo’n kreet van verwondering te horen slaken. In de hele stad werd onophoudelijk ‘De Sachem, de sachem!’ gescandeerd.

Al ’s ochtends vroeg gluurden de kinderen nieuwsgierig, maar ook wat bang, door kieren tussen de planken. De oudere jongens voelden zich oorlogszuchtiger. Op weg terug van school marcheerden ze dreigend door te straten, zonder zelf precies te weten waarom. Acht uur ’s avonds. Heldere nacht, fabelachtige sterrenhemel. Een briesje draagt de geur van sinaasappelboomgaarden de stad in, waar hij zich vermengt met die van mout. Een helle gloed vult de circustent. Voor de grote poort branden en walmen enorme teerfakkels. De wind speelt met de rookpluimen en met de felle vlammen waartegen zich de donkere contouren van het gebouw aftekenen. Bovenop de pas opgetrokken ronde houten keet met een puntdak wapperen de sterren van de Amerikaanse vlag. Voor de poort staat een menigte mensen die er niet in zijn geslaagd binnen te komen of geen geld hadden om een kaartje te kopen.

Ze kijken met grote ogen naar de karren van het circusgezelschap, maar het linnen doek voor de hoofdingang, waar een veldslag tussen blanken en roodhuiden op staat afgebeeld, trekt de meeste aandacht. Wanneer het gordijn even open wappert, kun je een glimp opvangen van het verlichte interieur. Honderden glazen bierpullen staan klaar op de buffettafel. Dan gaat het gordijn echt open en stroomt de menigte naar binnen. De doorgangen tussen de bankjes beginnen te daveren onder voetstappen en algauw bedekt een donkere, beweeglijke massa alle gangpaadjes van boven tot beneden. Binnen in de circustent is het als op klaarlichte dag. Gaspijpen aanleggen was onmogelijk gebleken, maar een reusachtige kroonluchter met vijftig olielampen stort zijn licht uit over arena en toeschouwers. De gloed van de kroonluchter verlicht de vettige gezichten van bierkinkels, die een beetje naar achteren leunen om hun dubbele kinnen wat plaats te gunnen, jonge vrouwengezichten en lieve kindersnoetjes die met uitpuilende ogen nieuwsgierig in het rond kijken, vol verwondering. Alle toeschouwers zien er overigens nieuwsgierig, tevreden en schaapachtig uit, zoals wel vaker bij een circuspubliek. Het geruis van gesprekken wordt onderbroken door geschreeuw – Frisch Wasser! Frisch Bier! Iedereen wacht geduldig op het begin van de voorstelling. Uiteindelijk gaat de bel. Zes stalmeesters in leren laarzen komen tevoorschijn. Ze gaan in twee rijen staan bij de doorgang tussen de arena en de stallen. Tussen de mensenhaag door komt een paard aanstormen, zonder teugels, zonder zadel. Boven het ros zweeft een wolk mousseline, lintjes en tule: danseres Lina. Onder muzikale begeleiding toont de acrobate haar kunst. Haar buitengewone schoonheid verontrust de jonge Mathilde, dochter van de bierbrouwer in de Opuncia-Gasse. Stilletjes fluistert ze in het oor van Floss, de jonge kerel die in dezelfde straat een grocery uitbaat: hou je nog van me? Ondertussen blijft het paard galopperen, het briest als een locomotief, de zwepen knallen; een paar narren die achter de danseres zijn binnengekomen, schreeuwen en verkopen elkaar klappen op het gezicht; Lina flitst voorbij. Van overal komt applaus: wat een eersteklas optreden!

Maar Nr 1 is zo voorbij, tijd voor Nr 2. Op de tribune klinkt het ‘De Sachem! De Sachem!’ Niemand let nog op de narren die elkaar klappen blijven verkopen. Te midden van hun aapachtige bewegingen zetten de stalmeesters aan weerszijden van de arena houten stellingen op die tien voet of meer hoog zijn. De muziek schakelt over van Yankee Doodle op de weemoedige aria van de Commandant uit Don Giovanni. De stalmeesters spannen een draad tussen beide stellingen. Plots flitst er van bij de ingang een straal rood Bengaals vuur op. De hele circuspiste baadt in een bloedrode schijn. Daarin verschijnt straks de ontzaglijke sachem, de laatste der Zwarte Slangen. Maar wat nu? Dat is niet de De Sachem, maar de circusdirecteur, Hon. M. Dean! Hij maakt een buiging en neemt het woord. Hij heeft de eer om de ‘welwillende en achtenswaardige gentlemen, de bevallige en net zo achtenswaardige ladies’ te verzoeken om zich ‘buitengewoon rustig te gedragen, niet te applaudisseren en de stilte te bewaren, want het stamhoofd is uiterst prikkelbaar en woester dan gewoonlijk’. Die woorden maken een diepe indruk. Merkwaardig, diezelfde honoratiores van Antilope die vijftien jaar geleden Chiavatta met de grond gelijkmaakten, overvalt nu een buitengewoon ongemakkelijk gevoel. Daarnet, toen de beeldschone Lina haar paardensprongen uitvoerde, verheugden ze zich nog dat ze zo dichtbij zaten, vlakbij de reling, waar je alles zo goed kon zien.

Nu kijken ze daarentegen met enig verlangen naar de bovenste rijen. Hoe lager, hoe benauwder, zo lijkt het hun wel, al gaat dat in tegen de natuurwetten.

Zou die De Sachem zich echt nog iets herinneren? Van jongs af aan groeide hij op in het gezelschap van de Hon. M. Dean, dat immers voornamelijk uit Duitsers bestond? Zou hij er nog iets van weten? Dat leek onwaarschijnlijk. Zijn omgeving – vijftien jaar circus, zijn kunsten vertonen en applaus in ontvangst nemen – moeten wel sporen hebben nagelaten.

Chiavatta, Chiavatta! Ook zij, Duitsers, leven nu niet op hun geboortegrond. Ze zijn ver van hun vaderland dat in hun gedachten aanwezig is voor zover de business het toelaat. Eten en drinken gaat boven alles. Die waarheid moet elke kleinburger, maar ook de laatste Zwarte Slang, nooit vergeten.

Deze overdenkingen worden abrupt onderbroken door woest gefluit in de stallen. En dan verschijnt hij, de niet zonder een gevoel van onrust verwachte De Sachem. Even een gemompel in de menigte – Daar is hij! Daar is hij! – daarna stilte. Enkel het Bengaals vuur sist nog bij de ingang. Alle blikken richten zich op de gedaante van het stamhoofd at moet optreden op de graven van zijn voorvaderen. De indiaan mag inderdaad echt gezien worden. Hij ziet eruit als een trotse koning. Een withermelijnen mantel – symbool van een stamhoofd – bedekt zijn fiere verschijning. Die is zo woest dat hij doet denken aan een ongetemde jaguar. Zijn gezicht lijkt wel gesmeed uit koper. Het heeft iets weg van een arendskop waarin typisch indiaanse ogen glimmen. Koel, rustig, onverschillig, zo lijkt het wel. Onheilspellend ook. Hij laat zijn blik dwalen over het publiek alsof hij een slachtoffer uitzoekt. Hij is overigens van kop tot teen gewapend. Op zijn hoofd waaieren veren, onder zijn riem draagt hij een strijdbijl en een scalpeermes. Wel houdt hij geen boog vast maar een lange staaf waarmee hij z’n evenwicht kan bewaren tijdens het koorddansen. Midden op de circuspiste staat hij stil en slaakt hij een kreet. Herr Gott! Dat is de strijdkreet van de Zwarte Slangen. Zij die Chiavatta hebben verwoest, herinneren zich dat ontstellende gejoel maar al te goed. Vijftien jaar geleden waren ze niet bang voor duizend schreeuwende krijgers, nu breekt het zweet hun vreemd genoeg uit bij het zien van één van hen. Daar is de directeur.

Hij stapt op het stamhoofd af en zegt iets tegen hem, alsof hij De Sachem wil sussen en geruststellen. Het wilde beest voelt zijn bit: de woorden van overreding hebben hun uitwerking niet gemist, want een ogenblik later balanceert hij al op het koord. Zijn blik gericht op de luchter met olielampjes loopt hij voorwaarts. De draad buigt sterk door en verdwijnt af en toe helemaal uit zicht, waardoor de indiaan wel in de lucht lijkt te zweven. Het lijkt alsof hij bergop loopt, hij neemt nog een paar stappen, gaat een stukje terug en dan weer vooruit, zoekt en hervindt zijn evenwicht. Zijn armen heeft hij uitgestrekt. Verhuld door de mantel lijken ze op enorme vleugels. Hij wankelt, valt, nee, toch niet! Kort abrupt applaus steekt op als een rukwind en gaat weer liggen. De gelaatsuitdrukking van het opperhoofd wordt steeds dreigender. Zijn blik, nog steeds gericht op de olielampen, schittert akelig. Onrust alom in het circus, maar niemand die de stilte verbreekt. Ondertussen is De Sachem bijna aan de overkant. Onverhoeds blijft hij staan en barst hij los in een strijdlied.

Maar iedereen is verrast! Het opperhoofd zingt in het Duits. Dat is begrijpelijk, hij zal de taal van de Zwarte Slangen wel vergeten zijn. Niemand die erop let, trouwens. Iedereen luistert naar het lied dat aanzwelt en steeds luider klinkt. Het is deels zang, deels een schreeuwende klaagzang, wild en schor, vol agressieve accenten. Te horen viel het volgende:

‘Elk jaar na de grote regens verlieten vijfhonderd krijgers Chiavatta. Ze gingen op oorlogspad of vertrokken voor de grote lentejacht. Kwamen ze terug van de strijd, dan sierden scalpen hen; kwamen ze terug van de jacht, dan brachten ze vlees en buffelhuiden mee. Hun echtgenotes verwelkomden hen vol vreugde en dansten ter ere van de Grote Geest. Chiavatta was gelukkig! De vrouwen werkten in de wigwams, de kinderen groeiden op tot bevallige meisjes en koene krijgers. Krijgers sneuvelden eervol op het slagveld en gingen samen met de geesten van hun voorvaderen jagen bij de Zilveren Bergen. Hun strijdbijl hakte nooit in op vrouwen en kinderen, want de strijders van Chiavatta waren mannen van eer. Chiavatta was machtig, tot de bleekgezichten van ver overzee aan land kwamen en hun vuur over Chiavatta uitstortten. De bleke krijgers versloegen de Zwarte Slangen niet op het veld, nee, ze slopen ’s nachts binnen als jakhalzen en lieten hun messen zakken in de borst van slapende mannen, vrouwen en kinderen.

En nu is Chiavatta er niet meer, want de blanken hebben op zijn plaats hun stenen wigwams opgezet. De vermoorde generatie en het verwoeste Chiavatta roepen om wraak.’

De stem van het stamhoofd wordt hees. Hij schommelt op het koord als een rode wraakengel, uittorenend boven de mensenmassa. De directeur is zelf ook duidelijk ongerust. In het circus wordt het doodstil terwijl het opperhoofd verder tekeergaat:

‘Van een hele generatie bleef één kind over, klein en zwak, maar het zwoer aan de Geest van de Aarde dat het zich zou wreken, dat het de lijken van blanke mannen, vrouwen, kinderen zou aanschouwen! Een vlammenzee, bloed!!’ Die laatste woorden verwerden tot woedend gebrul. Overal op de tribune steeg geroezemoes op als plotselinge windstoten. Duizenden onbeantwoorde vragen tolden rond in de hoofden van de toeschouwers. Wat zal die razende tijger doen? Waar loopt dit op uit? Hoe zal hij wraak nemen? Hij? Helemaal alleen? Blijven we zitten of slaan we op de vlucht? proberen we ons te verdedigen? Hoe dan?

Bange vrouwenstemmen weerklonken: ‘Was ist das? Was ist das?

Opeens stoot de borst van De Sachem een onmenselijk geschreeuw uit, hij begint harder te schommelen, springt op de houten stelling onder de luchter en tilt zijn staaf op. Bliksemsnel schiet een afgrijselijke gedachte door het hoofd van de toeschouwers: straks slaat hij de kroonluchter stuk en overspoelt hij de circustent met een stortvloed van brandende olie. Als uit één borst schreeuwen de toeschouwers het uit. Maar wat gebeurt er nu? Vanaf de piste roepen mensen: “Blijf staan! Blijf staan!” Het opperhoofd is weg! Hij is van de stelling afgesprongen en in de uitgang verdwenen. Heeft hij het circus dan niet in brand gestoken? Waar is hij heen? Maar hij is al weer terug, buiten adem, moe, afschrikwekkend. In zijn hand houdt hij een blikken kommetje vast dat hij naar de toeschouwers uitstrekt. Daarna vraagt hij smekend:

Was gefällig für den letzten der Schwarzen Schlangen!

Een steen valt het publiek van het hart. Het was dus allemaal onderdeel van het programma, een truc van de directeur, voor het effect? Overal regent het dollars en halve dollars. Wie zou dat de laatste Zwarte Slang niet gunnen, in Antilope, op de ruïnes van Chiavatta? Mensen hebben geen hart van steen. Na het optreden ging De Sachem bier drinken en knoedels eten in Onder de Gouden Zon. Het milieu waarin hij verkeerde, had inderdaad sporen nagelaten. Hij werd razend populair in Antilope, voornamelijk onder de vrouwen. Er werd zelfs geroddeld…



Vertaling Michiel van de Gucht





1 Capitool – hier: stadhuis.





<   

TSL 84

   >