Eric de Haard



Tsjechovs parodie op Jules Vernes De Vliegende Eilanden



Tsjechovs vroege werk (1880-1884) bestaat voornamelijk uit ultrakorte verhalen en schetsen, maar ook zogenaamde advertenties en andere pseudo-teksten, zoals absurde rekensommen en kalenders. De meeste hebben een satirische, soms bizarre inslag, maar beschrijven meest toch de Russische realiteit van alledag. Het gaat in deze verhalen en schetsen meestal om nogal stereotiepe grappen over bange ambtenaren, verwaande superieuren, huwelijks- en huwelijksaanzoekperikelen, meestal met een unhappy end: persoonlijke mislukkingen of situaties die uit de hand lopen, waar vaak overvloedig drankgebruik debet aan is. Toch laten ze vaak al iets zien van de latere succesvolle schrijver van verhalen en toneelstukken.

Als jeugdig broodschrijver was het Tsjechovs eerste zorg geschikte stof te vergaren en die ook nog in een beperkt aantal bladzijden te persen. Aan de lengte van deze stukjes werden grenzen gesteld door de humoristische bladen waarvoor hij schreef, terwijl hij er zelf belang bij had ze zo lang mogelijk maken, omdat hij per regel betaald kreeg.

In deze vroege periode schreef hij echter ook een aantal verhalen die meer op de literatuur dan op de realiteit georiënteerd waren. Deze waren meestal juist veel langer, zodat hij andere publicatiemogelijkheden moest vinden dan voor zijn om den brode geschreven stukjes. Het gaat hier meest om imitaties, of stileringen, voornamelijk van buitenlandse schrijvers, waarmee hij ook lijkt te realiteit georiënteerd waren. Deze waren meestal juist veel langer, zodat hij andere publicatiemogelijkheden moest vinden dan voor zijn om den brode geschreven stukjes. Het gaat hier meest om imitaties, of stileringen, voornamelijk van buitenlandse schrijvers, waarmee hij ook lijkt te willen bewijzen, dat hij in diverse stijlen en genres kan schrijven, en uitprobeert welke stijlen en thema’ s voor hemzelf geschikt zijn - of juist niet.

Zo schreef Tsjechov het verhaal ‘De Zweedse Lucifer’ en de bijna-roman Drama op de jacht, die geënt zijn op de romans van de populaire detectiveschrijver Emile Gaboriau, en de curieuze stilering-imitatie met parodistische trekken van de toen al even populaire Hongaarse schrijver Mór Jókai, ‘Een Onnodige Overwinning’. Dit lange verhaal schreef hij naar aanleiding van een weddenschap, dat hij een vertelling a la Jókai kon schrijven, die de lezers voor origineel zouden aanzien. Hij beproefde zijn stilistische potentieel ook in andere langere verhalen die in het buitenland spelen, zoals ‘Artiestenvrouwen’ (dat Lissabon als locatie heeft, en beschouwd wordt als een speelse imitatie van Alphonse Daudet) en ‘De Zondaar van Toledo’, die beide zogenaamd vertaald waren, respectievelijk uit het Portugees en het Spaans.

De meest openlijke ‘literatuur over literatuur’ vinden we in ‘Wat Men Het Meest Tegenkomt In Romans, Verhalen, en dergelijke’, een inventaris van vaste romaningrediënten en literaire cliché’ s. In dezelfde geest schreef Tsjechov, als postmodernist avant la lettre, ‘Marja Ivanovna’, een aanzet tot een verhaal waarin de verteller voortdurend door een protesterende lezer onderbroken wordt.

Maar in een paar gevallen ging Tsjechov veel verder dan een stilering en legde hij de parodie er dik bovenop. In een van zijn eerste gepubliceerde verhalen werd de romantisch-pathetische stijl van Victor Hugo door Tsjechov op de hak genomen, wat al bleek uit de titel, ‘Duizend en een hartstocht of een vreselijke nacht (Roman in een deel met epiloog)’, en uit de opdracht ‘aan Victor Hugo’. Dit stuk vormt een aaneenschakeling van overdreven dramatische en gruwelijke gebeurtenissen, zoals die bekend zijn uit romans als bijvoorbeeld Notre-Dame de Paris, die door Tsjechov al even overdreven dramatisch verteld worden.

Tsjechovs andere prominente Franse doelwit werd vervolgens Jules Verne, die in de jaren zeventig ook in Rusland enorm populair geworden was, dankzij de vertalingen van de Russisch- Oekraiense schrijfster Marko Vovtsjok (pseudoniem van Maria Vilinska; overigens een interessante figuur, die net zo makkelijk ook de Russische vertaling - uit het Frans - van Darwins The Origin of Species verzorgde). In 1882 schreef Tsjechov het verhaal ‘De Vliegende Eilanden’ . Hij paste hier weer de vertaaltruc toe en in de ondertitel werd het aangekondigd als een ‘werk van Jules Verne, vertaald door A. Tsjechonte’, Tsjechovs meest gebruikte pseudoniem. Het verhaal werd beleefd geweigerd door Lejkin, de redacteur van zijn vaste tijdschrift Splinters, naar hij zei vanwege de lengte, maar blijkbaar ook omdat hij er niet veel aan vond, of dacht dat het publiek er niet veel aan zou vinden. Het leek hem wel een goed idee als Tsjechov korte parodieën van Russische schrijvers, zoals Nikolai Leskov, leverde. Uiteindelijk werd het verhaal in 1883 toch gepubliceerd in het tijdschrift De wekker, dat wel bereid was langere stukken van Tsjechov te publiceren.1

In zijn uiterst baldadige parodie ‘De Vliegende Eilanden’ stapelt Tsjechov in een paar bladzijden zo ongeveer alle stereotiepe thema’ s en helden uit Vernes romanwereld op elkaar.

Centraal staan hier De reis naar de maan (plus De reis om de maan) en Reis naar het middelpunt der aarde, gelardeerd met een aantal toespelingen op romans als Het geheimzinige eiland. Zo volgt de plot grotendeels Vernes ruimtevaartfantasie De reis naar de maan, inclusief het transportmiddel (de kubus), de botsing met een ‘aeroliet’ en de terugkeer naar de aarde in zee, met tussendoor de verkenning van het geheimzinige vliegende eiland. Ook bij de helden zijn Vernes voorbeelden herkenbaar: zo lijken de namen van John Lund en Tom Becasse (‘Snip’) afgeleid, te zijn van Ned Land (uit Twintigduizend mijlen onderzee) en Tom Hunter (uit Reis naar de maan). Als personage vertoont John Lund gelijkenis met helden als de onverschrokken en opgeruimde Michel Ardan uit Reis naar de maan, terwijl Tom Becasse de typisch Verniaanse trouwe dienaar is (zoals Passepartout en vele anderen). De figuur Bolvanius is duidelijk geënt op Professor Lidenbrock uit Reis naar het middelpunt der aarde: de thermometers in het groteske portret van Bolvanius roepen direct de thermo-, baro- en manometers van Lidenbrock in herinnering. Ook parafraseert Tsjechov in zijn portret van Bolvanius de slotwoorden van deze roman van Verne: ‘Professor Otto Lidenbrock, correspondent-lid van alle wetenschappelijke, geografische en mineralogische genootschappen van alle vijf de werelddelen’.

Behalve Vernes voorliefde voor clubs en genootschappen, voor toespraken en menigtes, zien we in ‘De Vliegende Eilanden’ natuurlijk ook zijn fascinatie met ontdekkingsreizen, met wetenschap, technologie, allerlei instrumenten enzovoort, terug, voornamelijk verenigd in de alleskunner en allesweter (vergelijk Nicholl in Reis naar de maan), globetrotter en gedreven geleerde Bolvanius. Hierbij past ook Vernes anglofilie, die door Tsjechov een paar maal op de korrel genomen wordt. Bij de drie personages vinden we de typische karaktertrekken en gedragingen van Vernes helden in uitvergrote vorm terug: gedrevenheid, grenzend aan obsessie, het bewaren van uiterste formaliteit en decorum onder alle omstandigheden, stoïcijns en koelbloedig gedrag op momenten van het grootste gevaar.

Dit alles wordt opgedist in de stereotiepe Verniaanse stijl, die door Tsjechov nog eens extra zwaar aangezet wordt. Kenmerkend zijn de agitatie, het enthousiasme, de voortdurende stemverheffing, de uitroepen die de dialoog beheersen: uiteraard wordt Vernes favoriete ‘Hoera!’ vele malen herhaald. Typisch voor Verne zijn de daarmee contrasterende keurige omgangsvormen: de voortdurende aanspreekvormen ‘Sir’ en ‘Mister’, andere beleefdheden, en de quasi-spitsvondigheden, als poging tot humor in Vernes overigens totaal humorloze universum. Bij de verteller zijn het de opsommingen, in een voortdurend streven naar totale volledigheid, de uitgebreide details in beschrijvingen (door de ‘vertaler’ Tsjechov een paar keer maar liever ‘weggelaten’), de superlatieven en uitroepen, die voor een treffende stijlparodie van Verne zorgen. Treffend is ook hoe Tsjechov de draak steekt met wat men Vernes getallenmanie kan noemen. Bij Tsjechov is de absurde precisie van getallen (en de weigering van de ‘vertaler’om die verder nog te reproduceren) geënt op Vernes neiging om de lezer permanent te overladen met cijfers, statistieken, metingen en ander numerieke informatie. Natuurlijk zijn bij Verne precieze getallen dikwijls van cruciaal belang voor de plot (de berekeningen in Reis naar de maan, de tijden en afstanden in Reis om de wereld in tachtig dagen), maar dat neemt niet weg dat Vernes neiging om alles te kwantificeren bijna obsessieve trekken vertoont en door Tsjechov dan ook naar hartelust bespot wordt.

In laatste instantie geeft Tsjechov zijn baldadige parodie nog een eigen tintje door een paar niet-Verniaanse, deels specifiek Russische ingrediënten toe te voegen. Zo zorgt Tsjechov met de gelatiniseerde naam Bolvanius voor een van de Russische elementen in de tekst: ‘bol- van’ betekent ‘idioot’, ‘malloot’. Ook voert Tsjechov tot twee keer toe het motief van de huwelijksperikelen in (Bolvanius als drievoudig hoorndrager, Tom Becasse die een gezicht trekt of hij ‘met tien vrouwen tegelijk getrouwd is’), dat in Tsjechovs vroege werk een belangrijke plaats inneemt, maar volkomen vreemd is aan Verne met zijn zoetelijk-Platonische en tamelijk obligate liefdesgeschiedenissen. En als vrolijke dissonant voor het lezerspubliek introduceert Tsjechov plotseling het literair-journalistieke wereldje van zijn tijd in de persoon van Prins Mesjtsjerski, een conservatieve veelschrijver, die een geliefde zondebok was in satirische tijdschriftstukjes. Uit de aanwezigheid van zijn geschriften blijkt dat de reizigers het vliegende eiland niet als eersten betreden (en tevens dat men nergens kon ontkomen aan Mesjtsjerskis schrijfsels). Hier ook kan Tsjechov het niet laten een boom te introduceren ‘die lager was dan gras’ (een omkering van de reuzen vegetatie in Reis naar het middelpunt van de aarde), waarvan het sap op wodka lijkt.

Uiteindelijk is het zeer passend dat Tsjechov zijn ‘Vliegende Eilanden’ afsluit met Tom Becasse, die spijt heeft dat hij geen zaden van deze wodkaboom heeft meegenomen. Door te eindigen met dit motief is deze parodie des te sterker verankerd in Tsjechovs vroege werk, waar de alcoholdampen voortdurend uit de bladzijden lijken op te stijgen.





1 Bij mijn weten is het verhaal alleen in het Engels vertaald: een vertaling van de hand van Frances H. Jones ‘The Flying Islands’ is verschenen in het Amerikaanse SF-tijdschrift The Magazine of Fantasy and Science Fiction (No. 95, April 1959; overigens vinden we Tsjechov hier in gezelschap van Aldous Huxley en Isaac Asimov). Deze vertaling is blijkbaar ook opgenomen in de door de vertaalster geredigeerde bundel verhalen van Tsjechov St. Peter’s Day, New York, 1959.





   <

TSL 39

   >